Antwerpse brouwers tijdens het ancien régime: documenten

Ivan Derycke

We parafraseren en citeren hier enkele akten uit het bijzonder uitgebreide archief van de brouwers.

Uit SAA, GA 4917: Rekenboek 1584-1597

Lijst van de brouwerijen en hun eigenaars in 1585 die bijdroegen in de rekeningen.

Naam brouwerij

brouwer

Sterre

Jan Aertss.

Wereld

 

Snoecken

Jan Corstens

Roose

Lenaert van Uffele

Lelie

Niclaes Janss

Cruys

Anthoni Francket

Goudblom

Bernaert Smit

Croone

Wouter Brouwers

Vercken

Lambrecht Schepens

Berie

Cornelis Broers

Hemelryck

Wouter Salffen

Engel

Niclaes Sproten

Roosenhoet

Lambrecht Greyns

Fortuyn

Geert Janss.

Gecroonde Leeuw

Peter Henss.

Bonten Mantel

Godevaert Ter Schueren

Swaen

Laureys Op Deynde

Catte

Gielis de Laet

Klaverblad (moet maar ½ bijdragen)

 

Fortuyn

Adriaen Ginderdoren

Oude Snoecken

Melchior Willemss.

Ancker

Bernaert van Soest

Swaen

Hans Knijff

Clocke

 

Ketel

David Ryckaert

Sleutel

Geerit Lambrechts

Trouwe

Adam Tijts

Casteel (betreft de citadel van Alva)

Ryckaert Janss.

Andere lijsten van brouwerijen:
1629-1630
1676-1677
1727-1730
circa 1745

Uit SAA, GA 4416: Brouwers I 1500-1560

Het contract tussen de stad en Gilbert Van Schoonbeke: gevolgen

Ten gevolge van de overeenkomst tussen de stad en Gilbert Van Schoonbeke zouden de brouwerijen verplicht naar de Nieuwstad moeten verhuizen. Daarnaast waren nog twee stadsbrouwerijen voorzien aan de Schuttershoven en aan Kronenburgpoort. Hieronder volgen de opmerkingen van de betrokken brouwers.

27 januari 1556: verklaringen van brouwers aangaande "den vertrecke by hen te doene vuyt hueren huysen inde brouweryen dese. stad."

1)     Cornelis Cornelissen, brouwer in de borcht op de Oever, weigert blijkbaar te verhuizen, ondanks het feit dat hem een brouwerij bij Kronenborg werd aangeboden.

2)     Jan vander Borcht brouwer in de Sonne, verklaart niet te willen verhuizen. Hij is eigenlijk bakker. De brouwerij is van zijn vrouw die kreupel is en daarom willen ze liever met brouwen stoppen dan hun huis te moeten verlaten.

3)     Nicolaes Hosput, brouwer in de Zwaan, in de Maer (Meir), wil eventueel om zijn klanten te behouden in zijn buurt, gaan brouwen in de stadsbrouwerijen aan de Schuttershoven.

4)     Cornelis Verbeke, brouwer in de Maan op de Koudenberg, wil om dezelfde redenen ook in de stadsbrouwerij van de Schuttershoven.

5)     Peeter Janss. brouwer in de Croone in de Boeksteeg, wil brouwen aan de Kroonenburg. "...maer want hy alle syn calanten hadde omtrent de lepelstrate, de prekerstrate, en st. Jooris, onder het arm volck daer hy veel schulden onder heeft hangende, en[de] gescapen wae[re] nyet sonder cleyn scade daeraff te comen, by alsoe hy daeromtrent nyet en bleeff woonen[de] ende brouwende hy daeromme was versueckende dat hem myne heeren souden willen gunnen een vanden brouweryen aen Croenenborch gestelt."

6)     Geleyn Vestappen, brouwer in het Sweert in de Kammenstraat, wil om gelijkaardige redenen niet naar de Nieuwstad maar naar Kronenburg of de Schuttershoven.

7)     Henrick van Holt/Houte, brouwer in de Drie Leukens (Leeuwkens) had wel klanten in de omgeving van de Nieuwstad en wil graag intrekken in de brouwerij aldaar naast de Roosen Hoet gestaan.

8)     Lambrecht van Leeue, brouwer in Borgerhout in Engelenborch, levert alleen op het platteland en hoopt zijn brouwerij te kunnen behouden. Ze brandde blijkbaar af en hij wou mits een lening van 200 à 300 gulden voor koperen ketels wel in een stadsbrouwerij maar uiteindelijk wil hij toch alles bij het oude laten.

9)     Andresina Neeffs, weduwe van Adriaen Verbeke, brouweres in Borgerhout in de Belle, verklaart hetzelfde als Lambrecht.

1555
Request van Lieven Colyns, eigenaar van de brouwerij de Mane bij de Ossenmarkt, op de Grote Koudenberg, gestaan. Klaagt erover dat hij en zijn huurder zijn brouwerij moest stopzetten, hoewel hij nog 5,5 jaar huur kon trekken van zijn huurder, en dat zijn brouwerij nu leeg staat tot zijn nadeel want hij trok jaarlijks 225 gulden. Hij zal zijn pand moeten verbouwen tot woonhuis of nering, wat hem 300 tot 400 gulden zal kosten terwijl hij dan nog maar 90 gulden per jaar proffijt daarvan zal hebben. Het pand is bovendien belast met een aantal renten zodanig dat Colyns dreigt geruïneerd te worden en hij vraagt dat de stad twee commissarissen aanstelt om één en ander te onderzoeken. Volgens het huurcontract dat liep van St. Jansmis 1555 tot Sint Jansmis 1562 was Cornelis Verbeke huurder. Huurwaarde: 225 Rijnsguldens, elk half jaar te betalen. Andere bepalingen: Cornelis Verbeke moet onderhouden “den adel [=voortreffelijke] rosmoelen ende die steenen vander moelen ende hovenbuer ende ketels ende den borneput...” op eigen kosten en ingeval den adel beter wordt gevonden dan hij geschat is, moet de verhuurder opleggen maar is hij in waarde gedaald, dan moet de huurder opleggen. Andere voorwaarden: “Ende het es noch besproken ingeval dat den verhuerder belieft een camer soe mach hy die erve affnemen vander duere tot den draffback toe, Ende es noch besproken dat hy mach gebruycken die weerdrib, vanden grooten huyse ende borneput ende regenback, ende vrij houden van jaercosten, ende het is noch besproken dat hy die brouwerije nyet leech mach laten dan ten eynde van jaeren...”
In een ander document wordt de schade besproken die Colyns heeft geleden: 
- 1000 Carolusgulden die Colyns heeft geinvesteerd in de ombouw van de bestaande vetterij naar een brouwerij en dit zo’n 10 jaar geleden (telt echter niet mee)
- 6400 gulden is de prijs van brouwerij en woonhuis (zijnde 400 gulden erf. ten p. 16).
- 400 gulden: ombouw van de brouwerij tot een woonhuis of iets anders.
Totaal: 6800 gulden met intrest.
Bijkomende kosten:
- tijdens de verbouwing kan men niet verhuren: kost: 110 gulden per jaar.
- Algemene daling van de waarde van het pand tot 3200 gulden
- 350 gulden van het alaam van de brouwerij dat maar twee jaar heeft kunnen dienen;
Conclusie: Lieven heeft voor 3400 gulden schade geleden. 

Huurcontract 25/09/1554: familie Bacx verhuurt de Brouwerij ‘De Swane’ in de Meir op de hoek van de Colveniersstraat met het alaam, en dit voor een termijn van 9 jaar, aan Niclaes Hospiet X Catharina Boote. Het is een contract dat slechts om de drie jaar kan opgezegd worden.
Volgen ook weer de kosten en intresten ten gevolgen van de stopzetting ten gevolge van het bevel van het College van Burgemeesters en Schepenen d.d. 30/03/1556:
- waarde brouwerij: 6400 gulden
- alaam: 120 gulden
- ombouw brouwerij tot woonhuis en vetterij: 300 gulden
Aldus aangepast is het pand nog 3200 gulden waard
Totaal verlies: 3620 gulden.

14/04/1556
Rochus Thonus, Vincent vanden Vyvere, Jan de Man en Jan Arens, ook uit naam van huisvrouwen; Rochus, Vincent en Jan de Man ook als voogden van de kinderen van wijlen Reynier en Sander Bacx, en samen proprietarissen van de brouwerij ‘De Swane’  in de Meir. Deze brouwerij is nu verboden. Er was een huurceel van zes jaar. De huurder is vertrokken naar de stadsbrouwerij in de Schuttershoven die hij nu huurt. De Swane staat bijgevolg leeg, dit tot nadeel van de eigenaars. Ze ontvingen jaarlijks gewoonlijk 275 gulden huur. Vragen een regeling aan de stad.

1556: Jan vander Borcht in de Zonne in het Kipdorp merkt op dat hij niet meer mag brouwen. Hij heeft verklaard niet naar de Nieuwstad te kunnen verhuizen vanwege de gezondheidstoestand van zijn vrouw. Hij vraagt wel geld aan de overheid.

Autorisatie van de stad d.d. 1/09/1560 waarbij de stad de brouwerijen met hun toebehoorten aanvaard heeft. De stad gebruikt haar andere eigendommen als onderpand
1.      Mr. Loys de Vogele ende Peeter de Haze, geautoriseerd door de koning als curatoren en beheerders van de goederen en kredieten van wijlen Gillebert van Schoonbeke, volgens open brief d.d. 25 mei 1558.
2.      Heer Jan van Schoonhoven, ridder Geerard Gramaye als tresoriers, Christoffel Pruynen, rentemeester in naam van de stad.
Overeenkomst: tresoriers en rentmeester hebben 3 jaar geleden geprocedeerd inzake de brouwerijen in de Nieuwstad door van Schoonbeke gemaakt, voor het aflossen van een rente van 1500 gulden erfelijk en nog voor 3000 gulden erfelijk die als hypotheek op de brouwerijen drukten. Men heeft de curateurs opgedragen de panden te verkopen maar wel toegelaten dat men er mocht blijven brouwen. Er is een openbare verkoop geweest maar daarbij was de opbrengst niet meer dan 197.000 guldens eens wat de hoofdpenningen niet dekt. Dan hebben de curatoren alle brouwerijen op stadserf gebouwd, zowel in de Nieuwstad als in de oude stad maar het stadsbestuur kond de prijs niet hoger krijgen dan 229 of ten hoogste 230.000 guldens eens.  Er is nog een hoger bod geweest tot 240.000 gulden en men wilde proberen nog drie vrijdagen een hoger bod te krijgen op openbare verkoop. De stad heeft alles dan maar zelf gekocht voor 197.000 gulden. De verkoop impliceerde:
“... Ierst sestiene brouweryen metten waterhuyse conduyten vanden selven stallinghe gronde, ende allen den toebehoirten gestaen inde voors. nyeuwstadt alhier als de thien daer aff metten waterhuyse opten westvliet ende dander ses metten stallingen opten middenvliet. Item noch de superficien van vier brouweryen daer af den gront van oudts deser stadt was toebehoirende gestaen de twee daeraff opte erven vanden ouden schuttershoven ende dander twee aen croonenborch ende noch de seven sestienstegedeelten vanden twee stuyvers van elcke ame biers halve vieren[dele]  cleyn bier nae advenant vanden bieren diemen brouwende is, inde selve brouwerye met oock de drye vierendeelen van tcruyen vanden selven bieren bierstekerije en[de] vanden watermuelen gestaen opte peerdenmerct alhier  daeraff dander neghen sestienstedeelen vande twee stuyvers eerde deen vierendeel van[de] cruyen der selver  ende watermeulen der selver stadt van te vooren toebehoorde, gelyck ende met allen den rechte wylen gillebert van schoonbeke voorgen. toebehoort heeft ende hem anderssints vuyt crachte vanden contracten den brouweryen voors. aengaende gemaect was competerende....” De stad neemt alle schulden die verder op de brouwerijen drukten over en verbindt er zich toe de curatoren vrij van schulden te houden en verbindt daartoe de brouwerijen en toebehoorten.

 

Uit SAA, GA 4417: Brouwers II 1560-1570

Eindoplossingen inzake het contract tussen de stad en de erven Van Schoonbeke

5/02/1560: Overeenkomst tussen de stad en de brouwers
Het College van Burgemeesters en Schepenen (CBS) meldt dat er geschillen zijn tussen de brouwers en de stad inzake allerlei belastingen en renten en ook inzake de uitvoering van de contracten tussen wijlen Gilbert van Schoonbeke en de brouwers. Er komt een nieuwe overeenkomst en deze impliceert o.m. dat tegen halfmaart nakomend zij zullen verplicht worden “... te verhuysen ende ruymen vuyten huysingen ende brouweryen die zij alnoch tegenwoordel. bewoonen ende gebruycken ende die der stadt vry en[de] ledich daer tegen maecken ende laten, ten ware zij die oft eenige van dyen anders. vander stadt huerden cochten oft gecreghen.” (in de marge staat dat de brouwers moeten verhuizen tenzij ze van de stad kopen of huren). Brouwerijen binnen de stad, hetzij diegene die eigenaar zijn, hetzij diegene die huren, genieten van de voordelen van dit contract. Volgen de bepalingen:
1° De brouwers en hun inwonende familie en personeel zijn vrijgesteld van de bieraccijns voor het bier dat ze zelf ten huize consumeren, en alleen voor dat bier. Gasten mogen ze niet van dat accijnsvrij bier laten drinken.
2° De brouwers mogen in hun brouwerijen Leeuwse, Hoegaardse, Mechelse en andere bieren brouwen (en conterfeyten) en verkopen aan de tarieven die voor die bieren gebruikelijk zijn.
3° Brouwers mogen bier laten vervoeren en thuis leveren zowel binnen als buiten de stad door iedereen behalve een tapper en dit voor de prijs van een braspenning per ton, maar wie buiten Antwerpen woont mag meer aangerekend worden in functie van de afstand.
4° De stad ontvangt van die braspenning een oortken per hele aam of vat.
5° Bieren die uit de stad worden gevoerd naar plaatsen waar men geen hele of halve accijns ten behoefte van de stad heft, worden vrijgesteld van overslaggeld en andere belastingen.
6° Huizingen en brouwerijen binnen de stad die voor het brouwen gebruikt worden, worden vrijgesteld van alle stedelijke belastingen. Als een hogere overheid belastingen zou instellen op die panden, moet de stad die betalen zolang er effectief een brouwerij actief is.
7° Vanaf halfmaart zullen alle bieren die in de stad gebrouwen zijn veraccijnsd worden in de kamer van de binnenbieraccijns, de bieren van buiten de stad in de kamer van de buitenbieraccijns.
8° Wat betreft het innen van schulden genieten de brouwers dezelfde voordelen als de bierstekers en de oudkleerkopers.
9° Brouwers mogen geen deel van hun brouwerij overdragen aan iemand anders tenzij ze gemeenschappelijk tot gemene baten en kosten de brouwerij uitbaten.
10° Brouwers betalen aan de stad 2 stuivers per aam, voor kleinbier 2 stuivers voor 2 aam, zoals ze dit voordien in de nieuwe brouwerijen aan Gilbert van Schoonbeke hebben betaald.
11° Nieuwe brouwers die binnen de stad komen brouwen krijgen dezelfde rechten en plichten, maar niet diegenen die buiten de stad brouwen.
12° Men moet de ordonnantie op de bieren van 1537 onderhouden, vooral art. 9 waardoor zonder toelating van de brouwers geen bieren van brouwers die 3 mijl of verder buiten de stad actief zijn zomaar verkocht kunnen worden in de stad.
13° Uitzondering hierop zijn de bieren van Leeuwen, Hoegaarden en Nijmweghen die op basis van de ordonnantie van 1537 wel vrij binnen mogen.
14° Deze buitensteedse brouwsels en hun in de stad nagemaakte vormen mogen aan max. 8 schellingen Vl. de tonne of aam maar wel aan lagere prijs verkocht worden tot 2 gulden, 36 st. , 24 st. en daar onder. De tapper moet aan een redelijke prijs verkopen.
15° Inlandse bieren betalen 2 st. meer accijns per ton dan de bieren die binnen de stad worden gebouwen. Buitenlandse bieren zoals Engelse en Oosterse betalen wat de costuymen hierover zeggen en mogen aan meer dan 8 schellingen Vl. verkocht worden, ook de namaaksels die in de stad worden gebrouwen.
16° Poorters mogen aan de gebruikelijke accijnzen voor zichzelf brouwen.
17° De buiten assysers (accijnsheffers) moeten hun eed die voortvloeit uit de ordonnantie van 1537 hernieuwen. Bij die hernieuwing mogen leden van de brouwersnatie aanwezig zijn.

Volgende brouwers en hun nakomelingen krijgen de bovengenoemde rechten:
Jan t’Kint, Jan Mandekens, Henrick Laureyss., Jan Stockmans, Jan Bordincx, Geert Broers, Aerdt van Haecht, Lambrecht Heyns, de weduwe Geert van Duysborch, Cornelis van Schore, Willem Verlacth, Henrick van Houte, Geleyn Verstappen, Sebastiaen van Hove en Cornelis Verbeke, en niemand anders. Deze overeenkomst loopt voor de verdere duurtijd van het contract met Gilbert van Schoonbeke t.t.z. tot 22/12/1577. Dit contract ontslaat de stad van verdere verplichtingen t.o.v. de bovengenoemde brouwers.

Er is nog een overeenkomst met drie andere brouwers die door de stad een brouwverbod hadden opgelegd gekregen. De problemen zijn nu opgelost en deze brouwerijen genieten nu van dezelfde regeling als boven:
1° Jfr. Anna Janss. wed. wijlen Henricx van Duysborch voor hun huysinge en brouwerij geheten ‘De Leeuwkens’ aan de Pisternepoort;
2° Voogden van de kinderen en tot hun behoef van wijlen Aerdt vanden Broecke voor hun huysinge en brouwerij '’t Zweert' in de Kammenstraat;
3° Cornelis Corneliss. voor zijn huizinge en brouwerij ‘De Borcht’  op de Oever.
Tenslotte is er ook nog een gelijkaardige overeenkomst met Jannen Broers, 'oick inde nyeuwstadt gebrouwen hebbende voor zijn huysinge en[de] brouwerye geheeten den Slotel gestaen inde Cammerstrate'.
In deze vier huizingen mogen de huidige brouwers blijven voortdoen maar de huidige brouwers kunnen die rechten niet elders krijgen en als de brouwerijen in de handen van iemand anders komen, vervallen de rechten.

Afhandeling van de overeenkomst
Deze overeenkomst kon onmogelijk op een drafje uitgevoerd worden. Hieronder krijgt men een beeld van de moeizame afhandeling die nog ruim twee jaar zou aanslepen.
24 juli 1560: verschenen voor de schepenen:
1.      Jan Stockmans: verklaart tevreden te zijn als zijn verhuiskosten worden afgerekend  (1000 gulden) ofwel kwijtschelding van zijn huur. Men heeft hem 200 gulden geboden.
2.      Henrick Laureyss: idem, wilde 2000 gulden en kreeg uiteindelijk 300 gulden. Er is nog restitutie van zekere schulden tussen 1700 en 1800 gulden.
3.      Jan Mandekens verklaart zich niet aan zijn vorige tekening te houden en niet te willen verhuizen.
4.      Geert Broers wil niet verhuizen maar blijft bij zijn contract.
5.      Cornelis van Schore heeft brouwerij en alem overgenomen van Melchior van Trist, wil zich houden aan wat de anderen doen, "... ende moet hij emmers verhuysen soude wel begheren het biersteken gelaeten te worden soot pleech."
6.      Jan Bordincx wil wel half maart verhuizen mits de meesten tevreden zijn als hij voor 600 gulden compensatie krijgt. De stad biedt 200 gulden.
7.      Aerdt van Haecht wil zich aan het nieuwe contract houden.
8.      Lambrecht Heyns wil uiteindelijk toch verhuizen, eist 600 gulden en krijgt 200 gulden voor zijn verhuis.
9.    Willem Verlint wil zich aan het contract houden zonder te verhuizen, "seggende sulcx oock te wesen belast vande wed. bernaerts baten."
10.   Henrick van Houte wil zich ook aan het contract houden zonder te verhuizen.
11.  Wed. Gheert van Duysborch verklaart tevreden te zijn en te verhuizen en zij krijgt 200 gulden daarvoor.

25 juli verklaren:
1.      Cornelis Cornelissen, brouwer in de Borcht (naam brouwerij) is tevreden dat men hem nog laat brouwen in zijn brouwerij en vraagt 300 gulden vanwege de periode dat hij niet mocht brouwen.
2.      Mr. Jan van Asseliers in naam van de weduwe Int Vlies zal bij zijn schoonmoeder horen wat zij wenst en geeft antwoord binnen drie dagen.
3.      Gelijn Verstappen, brouwer in ’t Sweert, Peeter Brouchirst, brouwer in Croonenborch, Cornelis Verbeke, brouwer in de Halff Mane en Sebastiaen van Hove, brouwer in de Zwane “hebben dach genomen op het voorhouden ad Sabbath”

4 september volgen de verklaringen van
1.      Jan Mandekens: zal doen wat de meeste anderen doen.
2.      Cornelis van Schore verklaart te willen verhuizen en laat het bedenken van een compensatie over aan de het CBS.
3.      Jan Stockmans wil verhuizen tegen half maart en is tevreden met een compensatie van 400 gulden
4.      Willem Verlint is tevreden.
5.      Geleyn Verstappen “heeft hem begeert te beraden met syn huysvrouwe ad cras".
6.      Henrick Laureys wil verhuizen tegen half maart of bamis maar vraagt 1600 gulden. Men heeft hem 400 gulden geboden en hij bleek dan met 600 gulden tevreden en hij beraadt zich tot de volgende dag.
7.      Jan Bordincx is niet tevreden met de 300 gulden die hem geboden is.
8.      Lambrecht Heyns zal tegen half maart verhuizen en is tevreden met de 300 gulden die hem geboden is.
9.      Henrick vanden Houte blijft op zijn standpunt.
10. Sebastiaen van Hove wil doen zoals de anderen maar vraagt bedenktijd tot 5/09 8 u.
11. Peeter Bronckhorst wil nog nadenken.
12.  Aerdt van Haecht is tevreden maar wil nog overleggen met de wed. en kinderen van Jan Neeffs inzake een contract dat hij met hen heeft en zal zaterdag langskomen.

5 september
1.      Peeter Bronckhorst zal verhuizen, vraagt 600 gulden compensatie en krijgt er 250 waarmee hij tevreden is.
2.      Geleyn Verstappen wil niet verhuizen, wil eventueel alleen nog kleinbier brouwen, wil geen huis huren of kopen, zegt nu aan 100 gulden te huren en wil dan nog liever ermee stoppen. Men heeft dit niet geaccepteerd.
3.      Sebastiaen van Hove wil niet verhuizen, wil 6 jaar huishuur aan 100 gulden als compensatie bij een eventuele verhuis enz...
4.      Anderen die langskomen zijn: Cornelis Verbeke, Henrick Laureyss.

enz...

Er zijn nog onderhandelingen op  7 september met Geert Broers, Jan Kint, Geleyn Verstappen; 19 september: Henrick van Houtte, Jan Kint, Cornelis van Schore, Jan Stockmans, Henrick Laureyss, Jan Bordinckx , Willem Verlint, Sebastiaen van Hove; 20 september: Geleyn Verstappen, Cornelis Verbeke, Sebastiaen van Hove, Geert Broers, Aert van Haecht; 25 september: Sebastiaen van Hove, Cornelis Verbeke, Henrick Laureyss, Jan Mandekens, Aert van Haecht, die terugkomt en zich inschikkelijk toont maar ook vraagt dat de wed. Jan Neeffs, zijn zwager, wordt geroepen.
Op 14 november komt Aert van Haecht terug en vraagt 400 gulden om hem te compenseren als hij tot halfmaart mag blijven brouwen.

Maar ook in 1562 waren er nog brouwers die problemen maakten over de uitvoering van het contract van Gilbert van Schoonbeke. De raad van Brabant kwam tussen op 29/01/1562 (63).

Wanbetalers bieraccijns

Reeks declaraties van wanbetalingen inzake het recht van de twee stuivers per aam die brouwers moesten aan de stad: Nota (Doursther: Dict. des poids...): 1 aam = 137,40 l. = 50 stopen = 100 potten, volgens E. Aerts in Antwerpen Bierstad, p. 34: 1 pot is 1,423 l. en er gaan 104 tot 110 potten in een aam, brengt ons op ongeveer 150 l. voor een aam.

1° Wed. Gheert van Duysborch, brouwerij den Snoucken in de Nieuwstad. Heeft niet betaald tussen 1/09/1560 en 1/09/1561 toen ze de brouwerij verlaten heeft. Moest 411 gr. 3 stuivers 1 oirt.
2° Jan Kint, brouwer in De Aren in de Nieuwstad,  niet betaald tussen 1/09/1560 en 1/11/1562: 1689 gulden. En hij moest tussen 1/11/1562 en 1/04/1563 286 gulden 1 oirt.
3° Henrick Laureys, brouwer in de Ketel in de Nieuwstad, niet betaald tussen 1/09/1560 en 1/12/1562: 3204 gulden, 4 st., 1 oirt. Hij heeft op 24/03/1561 (62) aan Peeter de Haze al wel 718 gulden, 16 st. betaald. Hij moet dus nog 2485 gulden 7 st. 1 oort.

Uit SAA, GA 4418: Brouwers III 1571-1589

Stand van zaken brouwers in 1577

22/12/1577: lijst van de brouwers met wie de stad op 10 februari 1560 Brab. stijl de overeenkomst had gesloten met een actuele stand van zaken:

1)     Jan Kint: heeft altijd gebrouwen in de Nieuwstad en van 6 clam brouwerijen bij Melchor Schets van de stad gekocht en heeft dan, nadat ze verkocht waren blijven brouwen met Jacob van Leyen tot dat ze de brouwerij naast het Varken, de Gouden Sleutel, van de stad kochten, zo zijn ze van daar verhuisd en Jan Kint is gestorven, en Jacob van Leyen blijft brouwende, soo vrij en exempt als Jan Kint, nochtans is hij in het contract niet genoemd, maar hij is koper van zijn brouwerij.

2)     Jan Mandekens heeft de brouwerij ‘Het Verken’ gekocht en zijn  zoon brouwt daar in.

3)     Henrick Laureys: die is verhuist uit de Nieuwstad en hij brouwde in de grote Brouwerij ‘De Ketel’, namaels van Gerit (?) Gramey gekocht, modo Jacob Grameij

4)     Johan Stockman: desen brouwde in een groote brouwerij genaempt den Vlies, en heeft Gerit Gramey gecocht, modo Jacob Gramey, en desen Stockman brouwt op de Paardenmarkt int Vlies

5)     Jan Bordings: brouwde in de Bonten Mantel en "vanden VI clam brouwerijen als Melchior Schets die kocht, heeft namaels de Silveren Sleutel gekocht vande stad, daar Aert vander Haechtt in woonde".

6)     Gerette Broirs: die brouwde in Rumst, alwaar de brouwerij is afgebrand, en is door Gerit Grameij gekocht, modo Jacob Grameij, desen Gerit Broirs " ... namaels uit zijn autoriteit inde Gouden Sleutel daer Jan Broirs uit verhuisd was, en bleef daar in brouwen tegen dank en wil van de stad, sustineerde tegen de stad processen tot dat Jacob van Leyen de brouwerij kocht de welke met de justitie van de stad en de selve gertss Broirs met provisie vanden hoeve noch mocht doen verhuysen, daaraff hij noch querelertt, ende Gerrit Broirs is naar Rumst vertrokken."

7)     Aerdt van Haechtt, brouwde in de Silveren Sleutel en trok naar Rumst alwaar hij gestorven is. Hij heeft nooit tegen de stad gerebelleerd maar is altijd inschikkelijk geweest. De weduwe brouwt nog te Rumst.

8)     Lambrecht Heyns: deze brouwer in Bakkersveer, "namaels den Ancker, modo de III Snoekens en is ce... van de 6 clambrouwerijen" die Melchior Schets van de stad gekocht heeft en hij heeft voorts gekocht van Anna Jans. wed. vande Nysborchs, die recentelijk nog doorbrouwt op gelijke vrijdom zoals de anderen, nochtans volgens het contract is er maar een vrijdom gegund voor de brouwerij de III Leukens.

9)     De weduwe Gert van Duysborch: deze brouwerij, zijnde één van de grote, is verkocht aan Gert Grameij.

10) Cornelis sCoir: heeft de Rosenhoed gekocht, daarvoor brouwde en woonde hij in Melcior Trist...

11) Willem Verlint: dit is de brouwerij genaamd Hemelrick, één van de grote, eerste brouwer was Bernart Bate, de welke stierf en de weduwe brouwde namaals met Willem Verlint, "namaels Qua Lambrechts heur daer en bey roepe, dyese namaels weer heeft verkocht".

12) Henrick van Houte, brouwde inden Henkens, de grote brouwerij die hij gekocht heeft van de stad.

13) Gilliam Verstappen brouwde int Sweert in de Kammenstraat, namaals int Sweert bij Kronenborg, één van de brouwerijen van het contract met Van Schoonbeke. Nota: aan Kronenborg staat nog een brouwerij.

14) Sebastiaen van Hoeve inde brouwerij in de Schuttershoven in Swane, daar eerst in brouwde Nicolaes Lespit, en na diens dood brouwde Sebastiaen van Hoeve met de weduwe.

15) Cornelis Verbeke brouwt in de Mane in de Schuttershoven die wordt verhuurd.

16) Anna Janssens, weduwe Henrick van Doesborch, die brouwde aan de Pisternepoort in de Oude Henkens daar Jan Verfortt nu brouwt, en voor de brouwerij is hier de vrijdom gegund in het contract van 1560 tussen de stad en de brouwers aangegaan, "maar en vermaent dat selve contract niet van vrijdom vande Clambrouwerij de III Snoecken", daar zij nu brouwt, en van Melchior Schets gekocht heeft één van de VI clambrouwerijen waar ze al aan het brouwen was vooraleer Melchior Schets die van de stad kocht.

17) Aerd vanden Broecke brouwde in het Zweerdt in de Kammenstraat

18) Cornelis Cornelis brouwde inde Borcht aan de Oever

19) Jan Broirs had de Sleutel in de Kammenstraat
 

Bevestiging verkoop brouwerij door de stad: 1586

In 1586 bevestigting verkoop door de stad van een brouwerij aan een particulier: het is Jacob van Lyer, brouwer, die in 1561 in erfelijk recht krijgt: “... eene huysinge als vooren tot achtere wesende eene brouwere, metten stalle gronde...” , geheten nu de Swerten Arent, eertijds den Gouden Sleutel, gelegen in de Nieuwstad, Zuidwaarts tegenover de eerste Nieuwelycken Vliet, tussen Hemelrijck Westwaarts en Het Vercken , Oostwaarts, met gemene muren, komende achteraan Noordwaarts aan de straat naar de Zeeuwse Markt tussen beide de stadsvlieten, + het gebruik van het gehele waterhuis “... met oock den watere vuytte vesten deur te spuyen, en[de] der stadt riole inden voors. waterhuyse... “ zoals de brouwers het nu gebruiken. Kostprijs: 11.000 gulden. De nieuwe eigaar betaalde ineens een erfrente van 200 gulden per jaar af, daarnaast was er nog 487 gulden erfrente te betalen. .

 

Het Antwerpse bier wordt te duur voor export: 1588

Getuigenis van 22 april 1588

Erasmus de Vos, "’s graven man van den hove van Waes"; Jacques de Bosschere, schepen van de parochie van Lokeren; Ghijselbrecht Joossens, Pieter Lolyn, bierstekers en Gillis de Weweere, tavernier van Lokeren; verklaren dat ze vroeger wel bier afnamen van Antwerpen maar nu niet meer omwille van de zware belastingen die erop drukken:
- stadsbelasting: 11 stuivers per ton waarvan 8 naar de stad gaat en 3 naar de dijken van Oosterweel;
- Brabantse tol: 1 stuiver;
- Landtol: ½ stuiver;
- Bierhoofd: 2 stuivers voor de dijken van Borgerweerd
Ze gaan hun bier nu in Dendermonde halen. In het dossier zitten nog een hele reeks gelijkaardige getuigenissen: 22/05/1588: Moerbeke-Waes, 23/05/1588: Stekene, 19/05/1588: Aalst. Deze laatsten kochten in het verleden bij de brouwerij de Bonten Mantel.
Omgekeerd bevat het dossier klachten dat de import van bieren in Antwerpen ook onmogelijk is vanwege de hoge kostprijs en het feit dat er een maximale bierprijs is vastgesteld.


Uit SAA, GA 4419 Brouwers IV: 1590-1594

In deze periode stelt zich de problematiek van het verbod op het brouwen met boekweit en de hoge bieraccijnzen die nog in de nasleep van de krijgsverrichtingen na de val van Antwerpen worden geheven.

4/2/1593: klacht van de brouwersnatie tegen de stad bij de kanselier van Brabant. Het betreft de problematiek van het gebruik van wagens en paarden en de betaling van 8 stuivers, later gereduceerd tot 4 stuivers per ton uitgaand bier, die men nogmaals wil verlengen met 6 jaar en verhogen met 1 stuiver. Hiermee wil de stad de aankoop van een huis voor de school van de Paters Jezuieten bekostigen. De stad pluimt volgens de brouwers hun natie en weigert met hen te onderhandelen. Bovendien heeft de stad nog een nieuwe ordonnantie uitgevaardigd op 15/01/1593: "... zeker infame enormelyck innirieuse ende leelycke ordonnantie der supplianten, daerby gebieden[de] eenen voet ende prijs vande bieren die zij voirtaen souden brouwen, ende verbiedende daer inne te gebruycken nyet alleen boeckweyt wesende een ordinaris ende alomme gebruyckelyck graen int brouwen van goede bieren, maer oick verscheyde specien van cruyden ende matterien wesende venijnen ende verghiften als onder andere cuculum indium die de supplianten nyet en hebben gekent noch hooren noemen, ... ". De supplianten willen zweren dat ze zulk vergift nooit hebben gebruikt maar door zoiets uit te hangen trad er vijandigheid op in de stad alsof de brouwers de inwoners hadden willen intoxiceren. Er werden in Vlaanderen kopieën van deze ordonnantie verspreid die ertoe geleid hebben dat ze nu veel minder kunnen exporteren en dat ze hun bieren als ‘odieux’ beschouwen.

17/02/1593: Brouwers aan de stad: Nu ze slechts bieren tot 16 schellingen per ton mogen brouwen, is er een import van Leeuws en ander vreemd bier tot stand gekomen, hoewel dit bier niet zo goed is als het bier dat de Antwerpenaars brouwen, en dat wordt door de tappers duur verkocht waardoor tegen de geest van de ordonnantie in de Antwerpenaars duur bier van lage kwaliteit drinken in plaats van goed bier aan een lage prijs, met alle gevolgen voor het ambacht zelf, en alle daarrond levende beroepen en ambachten. Stellen voor dat bier dat wordt geïmporteerd niet duurder mag zijn dan het Antwerpse bier, naar wat ook voorzien was in het contract met Van Schoonbeke. De stad gaat daar op in en verbiedt de verkoop van bieren die duurder zijn dan 16 schellingen per ton en de tappers mogen niet meer rekenen dan 2 stuivers per pot.

1/12/1594: integrale tekst

"Copia
Vanden Coninck in zijnen Raede van Brabant

Gheven oitmoedelyck te kennen die dekens oudermans ende gemeyne suppoesten vande natie vande brouwers binnen de Stadt van Antwerpen, hoe dat zij hier te hove proces zijn hebben als supplianten ende opponenten teghens zekere pretense ordonnantie den XXVen  january XV C XCIII byde Wethouderen der Stadt van Antwerpen vuytgegheven inhoudende verbodt van te gebruycken boucweyt int brouwen ende gheen hoogher bieren dan van sestien schellingen binnen der stadt te moeghen brouwen welck proces is in state van wijsen ende beghonst te rapporteren, hen wel getroostende de supplianten hennen ghoenden rechte maer alsoe tot haerder kennisse is gecommen dat de voirs. Wethoudenren souden hier te hove bij Requeste, die nochtans de Supplianten by hun nijet en is gecommuniceert, ende by mondelinge verthooninge aen mijn heeren van desen hove hebben Impresse gemaeckt dat binnen de huysen vande Brouwers seer groote quantiteyt soude hebben bevonden geweest, ende dat in eenighe mengelinghe bynnen henne huysen oyck meer boucweyt dan eenighe andere specie van brougranen souden hebben gesteken, ende Insgelijcx bevonden zijn geweest, om de hove alsoe wijs te maecken dat de bouckwey nijet en soude dienen dan tot een naeckt misbruyck corruptie van[den] bieren, ende circumuente (ongenoegen) vande gemeijnte, met meer diergelycke odieuse pretexten daermede oijck de voirs. wethouders hebben de voirs. ordonnantie gepalleert, Soe hebben de remonstranten der hove wel willen ter contrarie verthoonen tot afsweringhe vande voirs. quade impressie dat nyet vrempt noch nijeuwt en is by eenighe vande Remonstranten  groote quantiteyt van bouckwey te vinden, aengesien dat die ghene die vijff off ses mael op een weke brouwen ten minste 25 off 30 veertelen op een weke van doen hebben, al waert schoon soo dat in elck brousel maer vijff veertelen gestort endfe gebruyckt en worden wel teghens vijff brouselen ter weken maecken 25 veertelen, en[de] voor een maendt hondert veertelen, ende voer drije maenden drije hondert, ende voor tgeheel jaer twelff hondert, daer van eenyegelyck provisie doet als sulcke specie in heur saisoen ten beste prijse zijn te becom[m]en ende de brouwers de middelen hebben van groote incoop te doen, gelyck dat ghoede ende sorchvuldighe huyshoudende persoonen, doende eenighe sulcke neringhe, toe staet te doen, sonder van weke te weke, off van maende te maende off anderssints telcker occurentie alsmen boeckwey soude van doen hebben daeromme te merct gaen, in sulcker vuegen dat U Eerw. ende alle luyden van verstande wel cunnen bevroyen dat vuyt de gepretendeerde menichte off groote quantiteyt van boecwey by deen off dander bevonden nyet en can gevolghen oft besloten worden dat sy de boeckwey anders dan naerden eysch vanden smaeck ende deuchde vanden biere souden gebruycken, soo oyck waerachtig is aengaende de voirsch. gepretendeerde mengelinge dart de voers. wethouderen off hunne commissarisen ende visitateurs maer en hebben gesien ende in handen gehadt de hellicht vande mengelinghe die bynnens huys wordt gemaeckt daerinne alleene de boeckwey metten moute wordt bevonden, ende nyet de menghelinge die buytens huys opde meulens wordt gemalen van terwe ende havere daerinne gheen bouckwey en compt, ende nochtans wel de hellicht vande materialen oft substantie is, die tot een gebrouwte worden gestoct ende gebruyckt sulcx dat deen bij dander commende nyet over het vyffde off seste vierendeel boeckwey in een geheele mengelinge van gebroute en can gecommen off daerinne meer doende, het goet nijet en soude brouwen maer deen met dander verloren gaen, gelyck dat wel by experienter is bevonden ten respecte van nyeuw aencomende brouwers die daer van op hoepe van meerder proffyt ende winninge de proeve hebben willen doen, daer anderssints de boeckwey naer sekere proportie ende temperature metten anderen broucorene gemengelt soo nootelyck is dat sonder deselve henne bieren gheen smaeck, goeden geur, off affsedt en souden hebben, ende by nyemandt gesocht off gewilt worden,  soe dat zy het brouwen souden moeten laeten varen, jae oyck liever kiesen ledich te sitten dan sonder bouckweye te brouwen.
Ende voer soe vele als aengaet het brouwen van XVI schellinghen bier sonder van hoogheren pryse bynnen de voers. stadt, dient boven dallegatien inden voirs. processe gedaen geweten, dat ten tijde als Antwerpsche bieren tot XVI  schelli[nge]n wordden toeghelaeten alle soerten van granen soe goeden coop waren datmen gheen betere noch sterkere bieren int gemeyne voer sulcken pryse en soude hebben cunnen gebrouwen die zeer wordden getrocken ende metten tap versleten, als meer dienende tot nouriture van allen arbeyders ambachtsmans, passagiers ende ghemeyne ingesetenen dan groote quantiteyt oft sonderlingheyt van spyse oft victuaelie, ende welcke bieren van XVI schellingen nu ter tyt van sulcke deuchde ende goetheyt nijet en soude cunnen gebrouwen worden voer veertich schellingen midts het rysen ende verdieren van alle soerten van granen, sulcx dat de ghemeyne tappers bynnen de voers. stadt van Antwerpen selffs hebben gesuppliceert aen de voers. wethouderen om affdoeninghe vande voirscr. pro[prie]n (?) ordonnantie ende permissie van hooger bieren te laten brouwen ende moeghen inlegghen metten naerdere redenen begrepen in henne hier bygevoeghde requeste, welcke redenen en[de] consideratien de remonstranten by wege van requeste civile noch wel souden hebben willen inbringhen, maer gemerckt tvoirs. proces begonst is te rapporteren ende dat oversulcx hun daertegens soude moeghen obsteren – d’ordonnantie vanden hove, ende daeromme, ende op dat zy nyet en soude schynen eenighe vuytvluchten te suecken nyet en soude begheren de voirs. saecke eens in state van wysen gestelt wederom formelyck open te doen, Soe bidden de remostranten dat den hove gelieve dese tegenwoirdige te doen communiceren de voirs. wethouderen, om terstont, durende trapport en[de] visitatie vande saecke daerop te segghen hun goetduncken, off emmers deselve te doen vuegen byden processe om int decideren van dyen daerop sulcke regardt ende ooghe genomen te worden alsmen naerde gelegenth. van[den] sake sal bevinden te behooren, dwelck doende etc., onderteeckent R. van Kijfwick, opde margie was geappoincteert aldus, Sy dese requeste gevuecht totten processe alhier geruert, om int visiteren vanden zelven daerop alzulcken regardt genomen te worden als behooren zal. Actum inden Rade van Brabant den 1en decembris 1594 ende was onderteeckent de perre"

Op 12/12/1594 beslist de Raad van Brabant dat de brouwers in Antwerpen door de ordonnantie van de Stad niet tekort zijn gedaan, noch inzake de prijs van de bieren, noch inzake het mengen van boekweit in het bier.
 

Uit SAA, GA 4420 Brouwers V: 1595-1599

1595: brouwers laten weten dat ze de processen met de stad niet stopzetten inzake de problematiek van het gebruik van hun paarden in ruil voor het niet moeten betalen van de restanten van de derde honderste penning. Dit is op basis van een contract met de stad dat hun huizen en brouwerijen op 10/02/1560 o.s. vrijstelde van alle honderste, tiende of vijfde penningen en dat indien er lasten zouden komen van de hogere overheid, de stad die zou overnemen en voor hen betalen. Dit gold voor de 25 jaar na het contract met Van Schoonbeke in 1552 en aangezien deze derde honderste penning nog in 1576-1577 is doorgevoerd, valt dit nog binnen die periode. 

Kopie van document van 20/11/1578 wat betreft de waarde van de huizen op basis waarvan belastingen worden geheven om de dijken van Borgerweert te herstellen.Worden getaxeerd op 350 gulden,
1° de volgende brouwerijen in de Nieuwstad: De Roosen Hoet,  Den Bonten Mantel, De Drije Coningen, De Weerelt, De Drije Snoecken, De Belie, De Oude Gouwbloeme, De Nyeuw Goubloeme;
2° de volgende brouwerijen in de Oude Stad: Het Vlies (Paardenmarkt), De Swane (Brabantse Korenmarkt), Den Ketel, Het Sweert en de Borcht
op 250 gulden

1° de volgende brouwerijen in de Nieuwstad: De Keyserscroone, Het Vercken, De Beire, Hemelryck, Den Engel, de Fortuyne, Den Gecroonde Leeuw, De Sterre, De Roose, Den Arent, Den Tempst (ook gekend als De Catte), Den Ancker;
2° de volgende brouwerijen in de Oude Stad: De Oude Leeuw, Den Roosen Hoet, De Sonne, De Halffmane, Den Sleutel, Doude Snoecken
De eerste groep betaalde 56 gulden, de tweede groep 40 gulden.

Lijstje van paarden dat was opgeeist: 7 brouwers moesten 2 paarden afgeven, Diel de Roo en Jacques de Hont samen zes.  Ze zouden daar volgens akte van 1583 per dag 18 stuivers voor moeten gehad hebben per paard, waarvan 14 door de generaliteit en 4 door de stad. Van die betaling kwam niet veel in huis.

Brouwers vragen aan de stad omdat ze van de stad geen geld krijgen om het heropmaken van hun altaar in de O.L.V.-kerk te bekostigen om wel degelijk een hoger inkomgeld voor de gilde om te mogen brouwen in te voeren, zodanig dat ze daarvan geld ontvangen. Nu wordt maar 25 gulden gevraagd en ze willen dit optrekken naar 100 gulden.  Stad laat een verhoging voor de nieuwe leden toe tot 80 gulden op 9/08/1596.

10/11/1597: weer request brouwers tegen de bepalingen dat ze alleen bier van maximaal 25 stuivers mogen brouwen en geen boekweit gebruiken. Klagen aan dat er nu een massa duurdere bieren in de stad binnenkomen en vlotjes verkocht worden, vooral Leeuwsche bieren die 40 stuivers gaan, en die aan 4 stuiver per pot verkocht worden. Vragen dat die buitensteedse bieren aan de zelfde maximale prijs moeten verkocht worden als de eigen bieren.

02/03/1597: burgers beklagen er zich over dat de brouwers nog weigeren bier aan huis te leveren. Is kopie van een tekst uit 1594. Stad reageerde dat ze dit wel moesten doen en dat de brouwers niet langer mochten bijeenkomen zonder dat ze over hoofdman beschikten. 

6/02/1598 werd in de Maandagse Raad een klacht behandeld van de tappers.  Vroegen duurder bier te mogen tappen dan 2 stuivers de pot.  Krijgen toelating. 

12/02/1598: "Aan de cancelier": brouwers zeggen dat ze ondanks het principiële verbod toch met boekweit mogen brouwen mits een persoonlijke toestemming van de stad. Is een heel belangrijk product om de kleur en de smaak te verbeteren en zorgde voor de faam van het Antwerps bier buiten de stad. Maar de stad heeft klachten omdat sommigen teveel boekweit gebruiken. Stad wilde een totaal verbod, maar dat zien de brouwers niet zitten want rond de stad wordt wel met boekweit gebrouwen. Het Hof vroeg de stad om deze zaak te behandelen. Brouwers eisten een onmiddellijke regeling binnen de acht dagen na ontvangst van het request van de stad, zoniet zouden ze gewoon met boekweit beginnen brouwen. Stad ontving dit request op 25/02/1598. 

April 1598: een zekere Aert van Thuylt, brouwer in het Claverblat op de Paardenmarkt, wordt gemaand door de brouwersnatie om achterstallige gelden te betalen, een bedrag van 200 pond Vlaams accijns voor jaren achterstand. Hij beweert echter alleen voor zichzelf en zijn huisgenoten te brouwen. Hier wordt de brouwersnatie en de stad door het Hof teruggefloten (6 mei 1598). 

21/04/1598 en 20/05/1598 (beslissing CBS): boekweitprobleem wordt weer gemeld in request.  Concurrentie kan vlot leveren in Antwerpen. Oplossing: de stad laat gebruik boekweit toe maar dan maximaal zeven of acht viertelen boekweit in een brouwsel van zestig viertelen granen, en bij andere brouwsels naar advenant en dit voor een termijn van zes weken en niet langer. Ondertussen zal de stad pleiten voor een compleet verbod op het brouwen met boekweit in het ganse land. Men zal de draf keuren en als het quotum boekweit overschreden is, is er een boete van 300 gulden. 

4/05/1598: reactie van het Hof op het feit dat de keurmeesters en twee schepenen op 3/04/1598 zijn binnengevallen bij Nicolaes van Ghinderdoren, brouwer, en zijn voorraad boekweit (118 viertelen)  in beslag hebben genomen en achteraf verbeurd verklaard.  Zijn brouwerij moest voor drie maanden gesloten worden op bevel. Hij kon zich hier juridisch niet tegen verweren zoals het hoort.  Baseert zich op de Blijde Inkomst die voorzag dat zo’n beslagname niet kon zonder dat er eerst een vonnis was geweest. De stad wordt in deze zaak dan ook teruggefloten door het Hof. Er zal een zaak van moeten worden gemaakt voor de Raad van Brabant en de daden van de stad worden teniet gedaan; de verkoop van het boekweit inbegrepen.

De concurrentie van de buitenbieren (binnenlandse) bleef in de ogen van de Antwerpse stadsbrouwers blijkbaar moordend omwille van de boekweitkwestie en de brouwers vragen dat de tappers en herbergiers grondig worden gecontrolleerd als ze buitenbieren verkopen of alle accijnzen wel betaald zijn.

Geboden op 28 september 1548 (!!): is dus kopie van een voor de brouwers zeer belangrijk document
Tarieven inzake bijkomende accijnzen om de fortificatien van de stad te bekostigen per geimporteerde biersoort (dus bovenop de gebruikelijke accijns) te betalen door de tappers of slijters

Biersoort

Tarief

Juepen bier

6 stuivers

Oosterse bieren zoals Monnie, Breemer, Smalbant

2

Engels en Hamburgs bier

4

Hoegaards en Leeuws

2

Tuymeler? en zluysche? bieren

2

Dobbel of Blancx bier dat men gewoonlijk brouwt tussen Bamis en Halfmaart

4

Wit bier alhier gebrouwen

4

Half stuivers bier, van waar het ook komt en binnen de stad of vrijheid gesleten, te betalen door de brouwer

2

Knol

2

Coyte ook klein bier genaamd, te betalen door de brouwer

1

Brouwers mogen geen bieren mengen. Alle inlandse bieren gebrouwen binnen de 'landen van Herwaerts over' die niet komen over zee mogen niet duurder verkocht worden dan een blank per pot en de brouwer mag per aam maximaal 26 stuivers ontvangen.

31/10/1598: Staten van Brabant merken op dat boekweit een graan is dat zich ook nog in arme grond laat verbouwen, daar waar de andere granen echt gecultiveerde grond nodig hebben.  Desalnietemin wordt boekweit verboden samen met andere kruiden zoals cuculum, en andere in het bier in gans de Spaanse Nederlanden. Is eigenlijk een voortzetting van het plakkaat van 5/12/1589. 

April 1598: men heeft de draf van verschillende brouwerijen en steden vergeleken, en het is gebleken dat in de draf van Gent en Mechelen, meer sporen van boekweit zijn gevonden, dan in die van de Antwerpse brouwers. Het blijkt ook dat men in de andere steden naar goeddunken boekweit mag gebruiken, terwijl dit in Antwerpen beperkt wordt tot 10 viertelen (elder lees ik het 10de vierdeel) per brouwsel. De vraag is om ook zoveel boekweit te mogen gebruiken als hun nuttig lijkt. Eerste apostille is 21/04/1598. Tweede apostille laat toe te brouwen gedurende zes weken met maximum 7 of 8 viertelen boekweit op een brouwsel van 60 viertelen. Dit in afwachting van totaal verbod in heel de Z. Nederlanden. 20/05/1598. 

12/05/1599: request waarbij de brouwers zich beklagen dat de schepen van de admiraliteit bier aanslaan om over drinkbier te beschikken. De personen bij wie dat wordt aageslagen verliezen daar veel geld door en de stad ook. Het hof reageert op deze toestand.

In de Nieuwstad op de Oosterse brug bevond zich twee zegelhuizen waar telkens zes zegelaars van de stad werkten (dus 12 in totaal). Ook aan de Scheldekant, aan de IJzeren brug was een zegelhuis met vier zegelaars. Allen hebben de opdracht de bieren die in en uit de stad worden gevoerd gade te slaan (9/08/1599). Adam Tits, brouwer nu in het Klaverblad in de Nieuwstad, had oorspronkelijk nog een brouwerij aan het Vleminksveld en laat op 20/07/1599 zijn buren aan het Vleminksveld getuigen dat ze nooit overlast van die brouwerij (De Trouw)  hebben gehad. Die maand nog andere getuigenissen over brouwerijen die in het Klapdorp (De Drije Oude Snoeken) en het Kipdorp (De Sonne) tegenover St. Jacobskerk, een tijd hebben stilgelegen, vernieuwd en terug opgestart zijn geworden. Ook brouwerij De Ketel in de Everdijstraat is terug opgestart.
Reactie van CBS: Er zijn nu ongeveer 25 brouwerijen in de Nieuwstad actief, en zeven of acht verspreid in de stad. Die van de Nieuwstad kan men perfect controleren met minder zegelaars omdat men enkel via bepaalde bruggen naar de binnenstad kan. Om echter die van de oude stad te controleren zou men aan elke brouwerij een aantal zegelaars moeten voorzien. Dat is kostelijk. Bovendien is er een risico van brandgevaar + hinder voor de buren vanwege stank en vuilnis. Het contract met van Schoonbeke van 1555 wou dat allemaal verhinderen.
In 1560 is het brouwen in de oude stad toch terug toegelaten omwille van het feit dat men geloofde dat het bier van de Nieuwstad bedorven was, maar alleen daar waar men gewoon was geweest te brouwen.Het was ook niet de bedoeling toe te laten dat men het alaam zou vernieuwen of een verlaten brouwerij zou heropstarten. De suppliant heeft dat juist wel willen doen inzake de brouwerij Het Sweert, Kammenstraat, en de Rosenhoet, bij de Gratiekapel.  Hiervoor is een toelating nodig.
Dus wordt het voorstel verworpen. 
Tits zegt 13 levende kinderen te hebben. Vraag toch terug te mogen starten. Gaat in beroep bij de Raad van Brabant.  Geeft aan dat hij verhuisd is naar de Nieuwstad omdat men hem nog weigerde water te leveren uit de vesten, en nu huurt hij, eerst in de Tempsten, en daarna in de Drye Snoecken. Dit was echter zeer duur ondertussen bracht zijn huis in de oude stad niets op terwijl het wel belast is met 400 gulden erfelijk. Hij betaalt   in de Nieuwstad zeshonderd gulden huur. Hij heeft dus voor de 10 jaren dat hij daar gewoond heeft 10.000 gulden verloren. Daarom trekt hij terug in zijn oude brouwerij, om de schuldenaars van zich af te houden, maar ook omdat het vestwater in de Nieuwstad geinfecteerd is en stinkt en mensen, volgens de artsen, van de bieren die ermee gebrouwen worden, sterven. Hij wil dus in de Oude Stad met vestwater werken maar dat wordt hem verboden.

Nog een request van de brouwers over het aanslagen der bieren op de schepen waarmee zij hun klanten bedienen in Stekene, Exaarde, Lokeren, Muleste, Wachtebeke, Rupelmonde, Gent op het Sas naar Sluys, Gentbrugge en elders. De bootgezellen nemen telkens een vat van elk schip. Ook soldaten op de schanzen doen hieraan mee. In totaal zijn ze zo op drie maanden 50 tot 60 tonnen bier kwijtgeraakt. Hierdoor lijden ze verlies gezien de al zo geringe winstmarges.  

Het verbod op het brouwen met boekweit eind 1599 veroorzaakt snellere verzuring van het bier. Bier dat gebrouwen wordt vanaf november tot maart moet drie maanden houdbaar zijn, het andere zes weken.

Uit SAA, GA 4421 Brouwers VI: 1601-1610

20/03/1601: aartshertogen remedieren inzake het misbruik van brandewijnen: verbiedt het gebruik van granen, koren, of andere natuurlijke substantien, alsook rotte appelen of rotte peren en aanverwanten. Men mag als basis enkel wijndroesem en biergist gebruiken zoals men vroeger deed.

24/03/1601: Antwerpse brouwers laten weten dat er in Brugge een totaal importverbod is ingevoerd op bier uit Antwerpen. Ze beklagen zich hierover bij de aartshertogen op 12/04/1601 nadat de Secrete Raad hier niet was op ingegaan in december 1600.
De reactie van 13 december 1603 van Albrecht en Isabella schetst de hele situatie en de achterliggende mentaliteit.

De Bruggelingen kwamen tot dat verbod omdat het bier van Antwerpen inging tegen het plakkaat van 5/12/1589 dat o.m. een aantal producten in het bier verbood waaronder boekweit, en men haalde in Brugge het deksel van de ton om dat te bewijzen waarop die van Antwerpen toegaven een zekere hoeveelheid boekweit te gebruiken tot dat in een algemene ordonnantie inzake het gebruik van boekweit zou zijn voorzien.  Het is onbegrijpelijk, aldus die van Antwerpen, dat die van Brugge daarover vallen aangezien overal de Antwerpse bieren, precies door het gebruik van boekweit gegeerd zijn. Het blijkt dat de inwoners van Brugge dezelfde reactie hebben als de Antwerpenaars tegenover de buitenbieren: protectionisme, bescherming van de eigen ambachten: “... want in alle wel gepolicieerde steden, die ambachten van backers ende brauwers inckelijck opgestelt zijn tot dienste vande stede daer sij respectivelijck backen ende brauwen ende niet om daer in comenschap te doene tot bederffenisse van brouwers of backers van andere steden, hebbende oock het zeijnden van supplianten [de Antwerpse brouwers] bieren gecauseert excessive diminutie van impositie diemen in Vlaenderen over al licht opde graenen ende meel zoo wel van backers als vande brouwers mitsgaders impositie van t’bestiael stallende binnen Brugghe, dies de nombre oock veel minder is bij faulte van draff hebbende daerom, meer als noodelyck geweest het verbot van[den] voors. Antwerpsche bieren te doene soo tot maintienemente van voors. impositie als oock om te conserveren de nerijnghe van[de] ambachte vande brauwers welck van allen tijde binnen de voors. stadt is geweest een treffelijcke neeringhe stadts ende den ghemeijnte dienste...”

Er wordt door de Bruggelingen ook op gewezen dat er veel ambachten afhangen van de brouwers. Brugge had overigens al een verbod op de import van binnenlands bier van 1524. Het met boekweit gebrouwen bier zou “quade camergangen ende andere inconvenienten” veroorzaken. De Bruggenaars houden trouwens alle bieren buiten de stad, behalven die van Engeland, Lubeck en Danzig en andere Oosterse steden waar de granen goedkoop zijn en de kwantiteit niet zo groot is. Die komen over het Zand en de zee. Antwerpen verwijst als tegenreactie naar het octrooi van 1558 dat de handel en productie van bier in Antwerpen trachtte aan te moedigen en ook recht gaf tot namaak van niet Antwerpse bieren. Bovendien betalen ook die van Antwerpen belastingen (10 stuivers per ton) aan Vlaanderen. En er wordt voor meer dan 6000 gulden tolgeld betaald per jaar om bieren naar Vlaanderen te voeren. Antwerpen zou dan als tegenreactie de import van textiel, gemaakt in Brugge of Rijsel dan moeten verbieden zoals "bouratten fluweelen smallekens". Het verbod van 1524 was voor Antwerpen ook nog niet relevant omdat Antwerpen nog niet met de bouw van de nieuwstad begonnen was, wat in opdracht van de keizer gebeurd is. Ook de Brugse brouwers gebruiken al veel jaren boekweit en gebruiken het nog en dat veroorzaakt geen “quaede camergangen ende andere inconvenienten”. Ze houden zich aan alle regels die in Brugge worden opgelegd. En Brugge en andere steden mogen hun bieren verkopen in Antwerpen.

Brugge repliqueerde draf uit Antwerpse brouwerijen onderzocht te hebben en daar bijna niets dan restanten van boekweit gevonden te hebben. In Brugge is er een expliciet boekweitverbod van 16/04/1600. De Antwerpse brouwers zeggen dat boekweitgebruik de Antwerpse bieren liefelijk maakt. De Bruggelingen stellen dat het bier van Brugge dat enkel met echte granen wordt gemaakt enige tijd moet rusten terwijl dat van Antwerpen snel verzuurt. Ze ontkennen dus alle opmerkingen van de Antwerpenaars. De inkomsten van de tol in Vlaanderen staan niet in verhouding tot het verlies dat de import van Antwerps bier in Brugge en bij uitbreiding Vlaanderen veroorzaakt. Het Oosters bier wordt in Brugge in zo’n kleine hoeveelheid ingevoerd dat de eigen brouwers niet verontrust worden. Men heeft het enkel voor diegenen die “selve vuijt curieusheijt hebben begeert inne te leggen. Ook Brussel heeft tegen de import van Antwerps bier een verbod ingesteld. De aartshertogen aanvaarden het standpunt van Brugge.


1602: request van de eigenaars en bewoners van drie brouwerijen, gestaan aan de Gasthuisstraat en de Brabantse Corenmarkt, geheten De Swaen, De Halfmane en Den Hert. Men signaleert ons dat er twee bieraccijnskantoren waren: één voor de oude stad aan het bierhoofd, en de andere van de Nieuwstad. Maar omdat enkel de bovengnoemde drie brouwerijen over bleven, is er één geliquideerd, die van de oude stad omwille de grote afstanden die nu moeten afgelegd worden, heeft de de stad voorzien dat de brouwers hun bieren mogen veraccijnzen bij de tappers. Maar stad wil daar nu op terug komen? Brouwers vinden dat geen goed idee.

1604: klacht brouwers bij de stad tegen de prijsbepaling die Markies Spinola heeft gegeven aan het bier voor het krijgsvolk in Oostende, zijnde 2 stuivers per pot. Dit is te weinig om uit de kosten te geraken.

1604/1605: Blijkt dat alle leden van het brouwersambacht in Antwerpen door het ambacht belast worden op hun productie, om daarmee alle proceskosten die het ambacht maakt te betalen.

In 1605 worden een reeks verklaringen afgelegd in plaatsen buiten Antwerpen dat de Antwerpse bieren de beste zijn. Het betreft attesten uit Lokeren, Zaffelare, Eksaarde en Wetteren.  
Maar in eigen stad waren er klachten over de kwaliteit van de bieren, dat ze te snel zuur werden. Dertig jaar geleden waren de granen van betere kwaliteit en kon men daarmee 8, 10, en 12 stuivers bier maken dat beter was dan de 20 stuivers bieren nu.
Voorgestelde maatregelen:
1° instellen van een pegel die goed moet gecontroleerd worden;
2° doen proeven vooraleer een prijsbepaling te doen;
3° verbod op brouwen met boekweit of ‘het ontseth’ (ontzet: ongekookt bier) dat nu in de bieren wordt gedaan;
4° verkoop en  inkoop van buitenbieren door de tappers;
5° een prijsdaling naar max. 14 of 15 schellingen want de granen zijn nu zeer duur.

1609: het ammonitiegeld staat ter discussie. Stad stelt met ordonnantie van 19/08/1609 voor op verkoop binnen de stad nog steeds 2 stuivers te heffen, op verkoop binnen de half accijnszone: 1 stuiver en op verkoop daar buiten niets meer.
Maar de brouwers zijn daar niet mee tevreden aangezien in alle steden van Brabant dat ammonitiegeld is weggevallen (dat was een gevolg van ordonnantie van 13/05/1578 om buskruit en ander legermateriaal kunnen kopen). Wat de stad nog heft is voor de helft voor de stadskas en de andere helft voor het gasthuis. Klagen ook over het wederoprichten van brouwerijen in het platteland ten gevolge van het Twaalfjarig bestand, die veel minder huur moeten betalen voor hun gebouwen waarin ze brouwen, enz.... Wijzen op het feit dat het achteruitgaan van het brouwerswezen in Antwerpen, zware neveneffecten heeft op andere beroepen. Vragen niet alleen vrijstelling ammonitiegeld, maar ook van de exporttaks:  de overslag. 

1609: nog steeds probleem levering bier aan de vloot: zowel de brouwers als de bierstekers geraken, door de hoge taksen, amper uit de kosten. 

6/07/1610: de brouwer Rombout van Hoije, zoon van Jacop die ook brouwer was in de Roosen Hoet in de Nieuwstad, heeft in 1586 het volle inkomgeld betaald van 25 gulden om in de natie te komen, ondanks het feit dat hij als brouwerszoon maar de helft had moeten betalen, is dan in 1596 naar Wichelen getrokken op zijn goed en land, heeft toen zijn doodschuld betaald, maar kon een jaar geleden van de tresoriers en rentmeesters zijn ouderlijke brouwerij terugkopen en is gestart met brouwen. De natie wil echter dat hij nu opnieuw het volle inkomgeld, zijnde 120 gulden betaalt, anders sluiten ze zijn brouwerij. 

2/09/1610 de vaart naar Immerseel is vervallen en verzand en moet gekuist worden. Ook vanwege andere werken, wil de stad dan ook zoveel mogelijk belastingen blijven heffen.  

Bezwaren tegen 2 stedelijke ordonnanties van 15/1 en 19/4 /1611.  Hierbij moeten de brouwers en de andere burgers aan de prijs van de bieren laten korten: voor het witbier 6 stuivers per ton en voor half stuivers bier 5 stuivers per ton. Tevens waren de brouwers verplicht voor levering binnen Antwerpen bier te brouwen van maximaal 5 gulden per ton, maar ze mochten wel duurder bier exporteren. Ook mocht in Antwerpen geen duurder bier dan 5 gulden per ton ingevoerd worden, met uitzondering van het bier van Diest, Leeuw en Hoegaarden.

Interessante passus over de verschillende biersoorten en de smaak van het Antwerps publiek in 1610: “... Voor zoo vele de gene die de buytenbieren begeeren te favoriseren ende voorderen, generalijcken de bieren van[de] remonstranten [de Antwerpse brouwers] soecken te blameren van dat zij lichtelycken sueren, ende dat tselve geschiedt door het ontseth ende boeckweije, ende dat de buyten bieren nyet en souden sueren.
Daer innen dient geconsidereert dat de bieren die des somers van buyten innegebrocht worden, zijn gebrouwen buyten de maenden van[den] suertijt, ende welckdanighe bieren die binnen deser stadt in[de] maenden van meerte ende april gebrouwen worden oock nyet en sueren, maer zijn hun houdende ses weken, twee maenden en[de]meer.
Maer dat de bieren van Leuven ende van andere steden hun houden sonder sueren vijff sesse en[de] meer maenden, compt toe datmen in die steden en[de] bijsonder de borgerije die voor hun eijgen brouwen de bieren meer hoppen dan men doet binnen deser stadt, ende welck hoppen de bieren doet conserveren.
Dan den smaeck van hooge gehopte bieren en is onder de gemeijnte deser stadt nijet aengenaem, de welcke soecken eenen verschen lieffelycken en[de] nyet eenen harden afdronck.
Maer indien de bieren van andere steden gebrouwen worden inde hitte vanden somere [ende] inde suermaenden souden soo lichtelycken suer worden als der remonstranten bieren die in dien tijt gebrouwen worden, gelyck men bevindt groote menichte van Leuvensche, Mechelsche, jae oock Lubsche [bier van Lubeck, dat stevig gehopt was] bieren die midts hun suerte tot azijnbier vercocht worden.” 
Tijdens de zomer kopen de Antwerpse tappers enkel Antwerps bier in dat onmiddellijk gedronken moet worden, net zoals alle buitenbieren die in die periode sneller zuur worden. In die periode is het vestingwater ook vies (groen en het stinkt). De vestingen zouden eens moeten geruimd worden. Dan zou het Antwerpse bier even houdbaar zijn als dat van Leuven of Mechelen. 
Het Antwerps bier is, althans volgens de brouwers, een succesvol exportproduct met een goede afname in Holland, Zeeland, Vlaanderen en ook de Brabantse steden en het platteland, ondanks de hoge belastingen. “Het welcke een onwedersprekelijck argument is dat de Antwerpsche bieren meerder loff vinden in andere steden ende landen, dan men hun en gheeft binnen deser stadt, alsoo de dagelijcxe abundantie van alle dinghen curieuse gheesten lichtelyck verveelt die by veranderinghe meynen hun selen te verbeteren ende voorden meerderen deel hun vinden verargert”.
De Antwerpse stadsbrouwers klagen er ook nog over dat de Antwerpenaren in de buitendorpen op zondag Antwerps bier drinken vanwege de lagere accijnzen. Ze wijzen er ook op dat als de zaken goed gaan, ze veel aan goede werken doen, en kloosters en liefdadigheidsintellingen bier schenken.

S.d.: Verzoekschrift van de aalmoezeniers die de vier stedelijke instellingen: maagdenhuis, jongenshuis, vondelingenhuis en zinnelozenhuis bestierden, om zeker de accijns die in hun voordeel is op de witte bieren van 4 stuivers te blijven heffen, aangezien, ondanks het Twaalfarig Bestand, de situatie dramatisch is en blijft omdat de Schelde gesloten blijft. Heel wat ambachten zijn ten onder gegaan zoals boratwerkers, lintenmakers, spiegel- en passementswerkers. De bootgezellen en de soldaten van de omliggende forten zijn nu naar huis gestuurd en hun vrouwen en kinderen vallen dan ook meestal ten koste van de kamer. 

1637!! Een reeks van 37 poorters beklaagt zich over de slechte kwaliteit van de Antwerpse bieren die veel te duur worden verkocht (6 of 8 stuivers per ton, waar ze slechts 3 of 5 stuivers zouden waard zijn). Zij kopen daarom zelf hun granen in en laten die verbrouwen in de stadsbrouwerijen Den Sleutel en Londen. Dit borgersbier is van betere kwaliteit en het houdt beter en is gezonder. Maar die twee brouwerijen kunnen dat niet aan, en door de grote drukte blijft er graan liggen dat dan slecht wordt en dan moet men toch bij de reguliere brouwers ongezonde geboekweite bieren kopen. Ze beschuldigen de brouwers van monopolievorming.  Ze vragen de opening van een derde brouwerij waar ze zelf kunnen brouwen.
Brouwers reageren hierop met verwijzing naar contract Van Schoonbeke, belastingen op de bieren die geheven worden. Het smaakverschil met buitenbieren wordt nog eens verklaard op basis van het stevig hoppen ervan. Het zuur worden van het zomerbier wordt verklaard door de bedenkelijke kwaliteit van het vestingwater.

1610? Zuurte van bier wordt niet alleen veroorzaakt door het gebruik van boekweit, maar ook door het vestingwater, en vooral door de grote hoeveelheid ‘ontsedt’, of ‘ontset’ die de brouwers in de tonnen doen opdat het snel drinkbaar zou zijn. Tappers kunnen het dan snel kan aangeboden worden ter consumptie. Boekweit zou dus ook voor snellere rijping zorgen maar aan het bier ook een zoete smaak geven. Het wordt in een verhouding van maximaal 7 à 8 delen op een beslag van 16 delen graan gebruikt.
Ook opsomming van importbieren uit het binnenland: Leeuw, Hoegaarden, Mechelen, Leuven, Tienen, Diest en elders. 
 

1610:Vergelijkende belasting per ton:

bieren in Antwerpen gebrouwen:
1° De Philipsdaalder met de 2 s. VI gr. op de dobbel bieren ten tappe gesleten met de 15 g. militaire makende samen op elk ton: 12 st. 1 gr.
2° 10 st. maalgeld op elke ton of stuk mout is 20 gr.
3° Aan de kerk van de stad 6 gr.
4° Zes gr. op elke hondert hout dat de brouwer gebruikt: 6 gr.
TOTAAL: 14 st. 9 gr.
Daar komt bij: 3 st. 4 gr. op elke ton die door de brouwers betaald worden aan de vier leden. 

Buitenbieren:
1° De Philipsdaalder met de 2 s. VI gr. op de dobbel bieren ten tappe gesleten met de 15 g. militaire makende samen op elk ton: 12 st. 1 gr.
2° 20 st. int regard dat de selve vremde (?) bieren binnen dese stede egeen materieel bet. en hebben: 20 gr.
3° Noch over tgene de kercke tot laste van vremdebieren: 12 gr.
TOTAAL: 14 s. 9 gr.

Bieren die van Vlaanderen komen mogen nog eens met 20 g. belast worden.
1610: Gent stelt een verbod in op het stapelen en verkopen van Antwerps bier binnen een één mijls zone. 

Algemeen: maximale bierprijzen opgelegd door de stad, kunnen leiden naar kwaliteitsverlies o.i.v. stijgende graanprijzen en stijgende belastingen.
 

Uit SAA, GA 4422 Brouwers VII: 1611-1614

1611 e.v.: discussie met de stad over de verschi!llende accijnsen en de hoogte ervan. Betreft o.m. het al zestig jaar lang geheven brouwersgeld. Ook discussie dat door de hoge accijnzen, men tegen de door ordonnanties opgelegde maximale prijs de gewenste kwaliteit niet kan halen. Er worden proefnemingen gedaan. Conflict geraakt tot bij de vorsten.

Klacht bij de vorst tegenover Gent dat inkomende goederen uit Antwerpen te zwaar belast (3/02/1611: bevestiging van die klacht).

1614: getuigenissen vanuit Lier: hier zijn de brouwers niet in een gilde verenigd, het zijn poortersbrouwers, ze mogen brouwen wat ze willen zonder pegel. Er is een veel lagere cijns.
 

Uit SAA, GA 4423 Brouwers VIII: 1615-1618

Hulst belastte met goedkeuring van de vorsten de Antwerpse bieren met 20 stuivers per ton.

1615: verkoop van draf door de brouwers is aan reglementen gebonden. Er is al een tarief ingesteld in 1588 of  89. Hiertegen komt protest van de brouwers. Er zal jaarlijks een prijs worden bepaald in samenwerking met de keurmeesters.

1615: Weer een reactie tegen buitenbrouwers: Henrick Stockmans uit naam van de brouwersnatie meldt ons dat er in de stad 36 brouwerijen zijn, 25 mouterijen,  van elke brouwerij zou zo’n 16 à 17 personen leven; 8 of 9 knapen, 2 of 3 maarten en die hun kinderen, man en vrouwen. Dus goed voor 600 personen in alle brouwerijen samen. Daarnaast gebruik van karren en paarden. Een extraatje is de draf die het vee voedt wat goed is voor de melk- en vleesproductie. Ook de aanwezigheid van een graanvoorraad voor het brouwen is goed in geval van hongersnood.



Inkomsten van de stad van de bieraccijnzen in gulden en stuivers:

3/03/1616 tot 1/03/1617 (1)
2/03/1617 tot 28/02/1618 (2)
1/03/1618 tot 27/02/1618 (3) 

  (1) (2)  (3)
12 stuivers van de tappers, poorters en vrije witte bieren 8325 11 8696 12,5 8624 0,5
tappers, poorters en de vrije halfstuivers bieren  1696 1,5 1985 5 1866 4
binnen kleinbier 6185 11 6086 14 5564 7,5
uitgaande bier 6379 18 5619 17 5545 13
1 st. van uitgaande bieren waar de stad ½ accijns heft   635 5,5 667 12 629 4,75
2 st. van uitgaande klein bier 498 10,5 403 16 414 12,5
bierstuiver van de azijnbieren 1760 19 2136   2113  
Totaal 25401 16,5 25595 16,5 24757 2,25

1616: alweer protest tegen het amonitiegeld e.a.. Zowel naar de stad als naar het hof (request van 3 maart 1616 en 14 maart 1616). Willen minder betalen op elke ton: 2 stuivers op azijnbier, 2 st. amonitiegeld, 2 st. op elke ton klein bier, 1 st. van de overslag op drinkbieren.

17/10/1616: verklaren Joris Deschamps, 45 jaar oud, en Herman Gardins, 46 jaar oud, poorters, i.o.v. de brouwers, aan notaris Gielis de Kimpe, dat ze al van voor het sluiten van het Twaalfjarig Bestand in 1609 als accijns op elke ton wit of zwaar bier 3 gulden en 7 stuivers waarin wel de 12 stuivers van de ‘Staten Impost’ inbegrepen zijn.
Analoge verklaringen diezelfde dag: twee tappers: Carel Jarcus en Gielis Baten betalen 4 gulden en 19 stuivers bij het inleggen van een ton zwaar of wit bier, met inbegrip van de Staten Impost.

10/11/1616: Opname van de reactie van de nieuwe belasting van 2 stuivers op elke ton bier waartegen de brouwers reageerden op 16/08/1546. 

1616: Nota over de kelder van de admiraliteit

Blijkt dat daar wekelijks 15 amen bier worden ingelegd waarvoor de stad enkel het brouwersgeld van 6 stuivers per aam ontvangt. Jaarlijks zijn dat 780 amen.  De stad heeft dan 234 gulden inkomsten per jaar op. Maar er zijn nog weinig bootgezellen en die leuren met die bieren. De scheepskapiteins krijgen maandelijks een ton bier waarbij ze vrijgesteld zijn van de accijnsen. Oorlogsschepen worden beleverd en gebruiken het bier in de admiraliteitskelder niet. Bijgevolg gaan burgers van de stad het bier halen in die kelder aan 1  3/4 stuiver de pot, daar waar ze bij de tapper 2 1/2 stuiver zouden betalen, en het bier van 8 gulden halen ze daar voor 2 ¼ stuiver, het bier van 10 gulden aan 2 ¾ stuiver.Ook tappers halen daar bieren op en ontduiken de bieraccijns.

Als de stad de kelder zou sluiten zou haar dit een accijns van 3961 gulden opbrengen per jaar.  n.l. 4095 gulden indien op de 780 amen 5 gulden 5 stuivers betaald worden zoals normaal is, + 100 gulden jaarlijkse huur, - 234 gulden die men nu al wel ontvangt.

1616: kostenplaatje voor het brouwen van een bier

10 viertel tarwe aan 5 gulden 6 stuivers de viertel          53 g.
24 viertel mout aan 2 gulden 6 stuivers de viertel           55 g. 4 stuivers
2 viertel haver aan 2 gulden per viertel                            8 g.
65 h. hop aan 6 stuivers per h.                                      19 g. 10 st.
13 wagens kolen aan 30 st. per wagen                          19 g. 10 st.
brengen en lossen van de wagen                                      1 g. 6 st.
molenaar voor het malen aan 6 st. per halster                   4 g.  4 st.
een consentbriffken van de tresorierskamer                      4 g. 10 st.
‘recht vande crucherge’                                                   1 g.  4 st.
drinken bier                                                                     1 g.  10 st.
vier stuikmanden potaerde                                                       4 ½
vijf stuikmanden bommen                                                         5
tappen                                                                                     2 st.
bessemen                                                                                1 st.
pond kaarsen                                                                          5 ½
twee mutsaarden                                                                     6 st.
gist                                                                                        15 st.
arbeidsloon                                                                      8 g.
zegelaar                                                                                   10 st.

TOTAAL                                                                     178 g. 7 st.

 

Hieraf gaan 10 viertelen draf aan 18 st. per viertel             9 g.

TOTAAL                                                                     169 g. 7 st.

Hieruit trekt men 20 ½ stuivers à 28 stuivers de tonne        28 g.

Iedere ton goed bier wordt gerekend aan 7 g. 9 st. en de 19 tonnen
komen dan op:                                                               141 g.  11 st.

TOTAAL                                                                      169 g.  11 st.


1617: stad adviseert negatief tegen een door de prinsen in te stellen verbod op het brouwen met boekweit, aangezien dit verbod niet zal gelden in Holland, Zeeland, en plaatsen als Breda, Roosendaal en Bergen op Zoom.

 

Overzicht van belastingen:

volgens acte collegiaal van 1/02/1617 wordt een totale belasting van 42 stuivers op het poorters witbier gerekend zijnde:
brouwersgeld:                       6 st
accijns:                                17
aalmoezeniers:                       4
nieuwe hoochsel:                   3
Staten Impost:                     12

Volgens de acte collegiaal van 1/10/1640 wordt een totale belasting van 56 st. gerekend zijnde
accijns:                                17
brouwersgeld:                        6
nieuw hoochsel:                     3
aalmoezeniers:                       4
staten impost:                      12
poorters hoochsel:                 8
subsidie gelt:                          4
nieuw poorters hoochsel:       2

4 augustus 1617 e.v.: de vorst wenst de molens waar de brouwers hun granen malen in handen te krijgen. In ruil zouden een aantal door de stad te betalen belastingen worden afgeschaft. Maar de vorst wil wel zekerheid dat er genoeg molens zijn om het brouwersgraan te malen. Brouwers zouden niet langer graan thuis mogen malen maar alleen op stadsmolens en zeker niet op eigen rosmolens. Hangt ook weer samen met het controleren op het gebruik van boekweit dat men aan banden wil leggen wegens ongezond. Het tegenargument van de brouwers dat dan de tarwe zal opslaan klopt niet want er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de tarwesoorten onderling en zeker met de brouwtarwe die enkel daarvoor geschikt is.

Boekweit zou volgens sommigen water en winden doen afkomen maar de herbaristen en doctoren zeggen dat het juist winden veroorzaakt die dan inderdaad afkomen. 

1618    Brouwers mogen alleen aan schepen leveren via de scheepsbierkruiers en niet zelf of via de normale kruiers. 

maart 1618: specificatie en declaratie van alle soorten van bieren die binnen de stad zijn gebrouwen, zowel diegene die binnen de stad zijn gesleten als uitgevoerd tijdens één jaar beginnende 1 maart 1618 tot 27 februari 1619. 

tappers wittebieren:                                    53569 amen
poorters wittebieren                                    28056 ¼
vrije wittebieren                                              6713 ½
uitgaande bieren naar plaatsen waar de stad de halfaccijns heft: 12584 ¾

bieren gevoerd naar plaatsen waar de stad noch hele noch halve accijns heft: 40192 ½
bieren waarvan licenten betaald zijn         13453 ½
uitgaande bieren voor de vrijschippers       1810 ½
azijnbieren                                                    10565
tappers en poorters halfstuiversbier          16511
vrije halfstuiversbieren                                  2111
binnen kleinbieren                                       55643 ¾
uitgaanden kleinbieren                                 4146 ¼

Mei 1618: request aan de kanselier van Brabant van eigenaars en bewoners van drie brouwerijen in de Gasthuisbeemden aan de Brabantse Koornmarkt te Antwerpen zijnde de Swaen, de Half Mane en den Herdt. Klagen over het verdwijnen van het accijnskantoor aan het Bierhoofd in 1602 toen met uitzondering van hen gedrieën en alle brouwers uit de oude stad zijn verdwenen waardoor ze alles moeten veraccijnzen in de Nieuwstad. Om de tappers die bier halen bij deze brouwers te gerieven liet de stad toe dat de brouwers of hun bedienden zelf voor de tappers de bieren al veraccijnzen. Maar de stad heeft dat in maart 1618 verboden. De Raad van Brabant stelt deze brouwers echter in het ongelijk omdat het een politieke ordonnantie is wordt de klacht onontvankelijk verklaard maar de zaak wordt aanhangig gemaakt bij Albrecht en Isabella.  Beide partijen moeten nu verschijnen voor de kanselier en de raad van Brabant. 

Bij een ander conflict tussen de stad en de brouwers somt de stad op 14/12/1618 de voordelen op die de brouwers genieten:
1° Ze kunnen het vestwater gebruiken, de stad heeft de laatste 3 à 4 jaar over de 40.000 Car. gulden uitgegeven om de vesten te ruimen.
2° De laatste 60 jaar mochten ze vrij brouwen zonder pegel.
3° Vrijstelling van het betalen voor het malen van hun brouwgoed.
4° Moeten hun drinkbieren niet veraccijnzen.
5° Men heeft hun toegelaten boekweit te verbrouwen, ondanks een vonnis dan de raad van Brabant dat hun dat verbood.
6° Men heeft hun rosmolens in hun huizen laten gebruiken
7° Ze mochten hun eigen windmolens hebben om hun granen te malen.
8° Tappers en poorters mogen niet aankopen in andere brouwerijen zonder de schulden die ze eventueel hebben bij een brouwer eerst af te lossen.
9° Burgers en tappers mogen niet in eigen huis of klooster brouwen.
10° Burgers en ingezetenen hebben toegestaan dat de brouwers van elk brouwsel hun hebben belast voor 1 schelling of zes stuivers en de laatste
jaren van 12 stuivers.
11° Op 10/10/1588 gaf het college toestemming aan de brouwers, gezien de dure tijd, om minder te betalen per ton, waarover in de brede raad geen concensus was.
12° Nog een andere belastingkorting.
13° De brouwer geeft aan de keldermeester van de Munt een korting van 6 stuivers per ton bier, dit opdat de hele gemeente hiervan zou profiteren.
14° Vrijheid om bieren met wagens naar de particulieren te voeren.
15° Ze mogen eigen kuipers hebben in hun huis die ze eten en drinken geven.

 

Uit SAA, GA 4424 Brouwers IX (1619)

Ruzie tussen de stad die opnieuw een pegel wil invoeren en de brouwers

Ook hier wordt nog eens gesteld dat er geen echte pegel gehandhaafd wordt en de brouwers een zekere vrijheid genieten. Alleen is er wel de bepaling van de storting van maximaal 8 viertelen boekweit op een brouwsel van 60 viertelen, wat overigens ingaat tegen het door de hogere overheid ingestelde verbod. Sedert 1560, vermoedt men, wordt er geen toezicht meer op de pegel uitgevoerd. Er is de toelating tot namaak van alle buitenbieren aan dezelfde prijs als ze door de bierstekers worden verkocht als men ze zou invoeren.  Peilders konden de samenstelling van deze brouwsels niet controleren, ook niet van de Lubeckse, Rostockse of Jupenbieren.

Die vrijheid van pegel is uniek en staat in schril contrast met het brouwerswezen in Brussel of met andere beroepen die wel gecontroleerd worden. Gevolg is ongelijke kwaliteit tussen de brouwers en zelfs binnen de brouwerij tussen de brouwsels. De brouwers hebben volgens een document van 16 mei 1619: “Voldoeninge op de poincten van Offitie voor borgemeesteren schepen ende raedt van Antwerpen ged[aegden] tegens de dekens oudermans ende gemeyne supposten van[de] natie vande brouwers aldaer impetranten”. Art. XXIIII zegt: “Maer alsoo zij [de brouwers] malcanderen waeren verplichtende, ende verobligerende van nyet meer graens te storten d’een als dander vuyte vreese dat die t’beste bier maeckte de meeste neringe soude hebben ende elckander calanten afftrecken, soo heeftmen hen sulcx verboden, byde ordonnantie vande vijfthienden january vijfthienhondert drijentnegentich...” Art. XXV zegt ook nog eens dat er veel klachten zijn over de brouwers. Er zijn nu drie bieren: cleyn bieren, half stuiversbieren en 6 gulden of 20 schelling bieren die men witte bieren noemt. Deze drie soorten worden gemaakt uit éénzelfde brouwsel “wesende het cleynbier nyet anders dan water ofte spuelinge duerden draff daervan de brouwers soo veel putten ofte gebruycken alst hen belieft”. Half stuivers bier is een mengeling van 5 tonnen klein bier of wat meer en een ton goed bier. Dat goed bier fluctueert van kwaliteit naargelang de prijs van de grondstoffen die men gebruikt om het te maken. 

9/10/1619: nogmaar eens een gebod van de stad om bier aan een maximale prijs te brouwen en te kopen/verkopen (buitenlandse – buitensteedse bieren) van 16 schellingen Vlaams per ton (voor het goed bier). Verplicht storten per brouwel van 50 tonnen storting. Taverniers, herbergiers en tappers mogen niets duurder verkopen dan aan 3 blanken de pot. 

Klacht van 1619 van de wijkmeesters van de stad en de dekens van de drie hoofdambachten dat ondanks een forse daling van de graanprijs, de kwaliteit van het bier achteruit gaat. Eisen een pegel want een brouwer verbrouwt ontzettend veel graan, zoveel als 20 tot 40 bakkers gebruikende zijn. Maar die heeft zich wel aan regels te houden wat betreft de samenstelling van zijn brood. Dringen ook aan op een maximale bierprijs, zowel voor de brouwers als de tappers. Vragen ook dat de keurmeesters en de politiemeesters de prijs van het brouwgoed op de markt zouden opnemen, zoals ze nu doen voor het bakgoed.

1619: beschrijving van de kosten van brouwsels en de hoeveelheid die geleverd werd (parafrazering)

Eerste veronderstelling: een brouwer werkt op maximale capaciteit:

Een brouwer die normaliter drie brouwsels per week maakt van 50 amen, blijft afgetrokken twee tonnen voor vulbier en 3,5 tonnen  voor de dertiende ton, 5,5 tonnen uit te leveren in alles 44,5 amen en maakt ongeveer 22 amen klein bier van een brouwsel.

Daarbij heeft de brouwer 6 knechten en 2 meisjes in dienst.
De meesterknecht verdient 120 gulden per jaar,
De andere 5 elk 60 gulden = 300 gulden per jaar,
De twee meisjes elk 42 gulden = 84 gulden per jaar.

Ze hebben ook 3 paarden die elk jaar per stuk 170 gulden per jaar kosten d.i. 510 gulden per jaar.

De mondkosten van de 6 knechten komt op 100 gulden per knecht = 600 gulden. Zij hebben het bier goedkoop en zijn vrijgesteld van de accijnzen. De twee meisjes kosten samen 150 gulden mondkosten.

Kaarsen, bessemen, potaarde, bommen en tappen komen op 200 gulden.
Watergeld: 300 gulden.
Nieuwe tonnen en repen per jaar: 300 gulden.
Amonitiegeld voor drie brouwsels per week = 133,3 amen aan 2 stuivers, is 13 gulden 7 stuivers per week en op jaarbasis 694 gulden.
Huishuur maximaal 1000 gulden.

TOTAAL (van deze rubriek) inzake mondkosten, onderhoud brouwerij enz...: 4338 gulden 4 stuivers.

A De zes knechten doen profijt voor hun meester die driemaal per week brouwt:

1° Cruygeldt waarbij alle weken drie brouwsels van 48 amen worden uitgeleverd, dit is in totaal 144 amen, waarvan 1/3 buiten gaat ergo voor de brouwers nog 96 amen goed bier, en 66 amen klein bier, tsamen zijn 162 amen per week aan 2 stuivers elk aam komt 16 gulden 4 stuivers per week maakt in 52 weken op jaarbasis 842 gulden, 8 stuivers.
2° Ook nog profijt wegens het thuismalen van het graan: bij elk brouwsel gebruiken ze 28 viertelen mout en 8 viertelen boekweit, in totaal 36 viertelen, waarvan de burgers betalen 3,5 stuiver wat voor de drie brouwsels op 108 viertelen komt per week, dit is 13 gulden  10 stuivers is per jaar 702 gulden.
3° Zij mouten zelf. Voor elk brouwsel behoeven zij 18 viertelen gerst, waarvan zij kunnen hebben 28 viertelen mout; per week moeten ze dus 54 viertelen gerst hebben en iedere burger betaalt normaliter  4 stuivers, dit komt per week op 10 gulden 16 stuivers aan 52 weken per jaar = 561 gulden 12 stuivers

TOTAAL: 2106 gulden.

B Een brouwer levert ten minste van elk brouwsel 18 viertelen draf aan 14 stuivers per viertel. Het gehele jaar aan drie brouwsels geeft 54 viertelen per week in totaal 37 gulden 16 stuivers. + de oncleer van 3 tonnen 2 gulden 10 stuivers per ton is 7 gulden 10 stuivers per week, den gist 3 gulden 14 stuivers per week

TOTAAL 49 gulden per week aan 52 weken: 2548 gulden.

C Item voor elk brouwsel klein bier 22 amen is 66 amen per week aan 5 stuivers per aam is per week 16 gulden 10 stuivers  geeft op jaarbasis 850 gulden

Totaal A+B+C= 5512 gulden

Hiervan trekken we de onkosten die een brouwer draagt= 4338 gulden 4 stuivers.
Levert een winst op voor de brouwer van 1173 gulden 16 stuivers.

Item: de granen van de proeve die hierna volgt hebben gekost:
31 viertelen dubbel gerekend maakt 62 viertelen tot diverse prijs gerekend is 150 gulden 6 stuivers
54 pond hop aan 2,5 stuiver per pond = 6 gulden 15 stuivers
brand: dubbel gerekend = 24 gulden 6 stuivers

Totaal 181 gulden 7 stuivers.

Ergo wordt hier op gewonnen op een brouwsel bier: 32 gulden 56 stuivers.

TOTAAL: 213 gulden 12 stuivers. 

Daaraf wordt gebrouwen 50 amen bier afgetrokken 2 amen vulbier en 3,5 amen voor de dertiende ton is 44,5 amen die overblijven aan 54, 5 amen aan 4 gulden 16 stuivers is: 213 gulden 12 stuivers. 

Somma soo proffiteert een brouwer op elk brouwsel nog als hij het bier aan 4 gulden 16 stuivers per aam is verkopende  32 gulden 5 stuivers komt op drie brouwsels per week voor uitwinning de som van 96 gulden 15 stuivers komt op het gehele jaar op 5031 gulden. 

Als de brouwer aan 6 gulden per aam zou mogen verkopen die driemaal per week brouwt en dat is 133,5 amen per week aan 52 weken  is 6942 amen an 24 stuivers per aam= 8380 gulden 8,5 stuivers. 

Aan de huidige goedkope graanprijs kan de brouwer nog eens extra 15 stuivers per aam winnen, wat op jaarbasis komt op 5206 gulden 10 stuivers.

Deze berekening is gemaakt op basis van de wenken van brouwer Stockmans die per brouwsel 62 viertelen graan gebruikt, maar de andere brouwers gebruiken slechts 60 viertelen, dus hebben we de kosten van 1 viertel tarwe en 1 viertel evene die in totaal 6 gulden 1 stuiver per brouwsel gekost hebben, aan drie maal per week is 18 gulden 3 stuivers per jaar is dat 943 gulden 16 stuivers/

TOTALE WINST per jaar :  19511 gulden 14 stuivers.


Tweede veronderstelling: op basis van de aangiften aan de bieraccijns 

Vanaf 2 augustus 1618 tot 30 (juli?) 1619 zijn er volgens de bieraccijns uit de brouwerij de Swane van de Brabantse Koornmarkt geleverd:
6476 amen goed bier
999 amen half stuivers bier
2301 amen klein bier.

TOTAAL: 9776 amen

Bij de voors 6476 amen  goed bier moet men rekenen 200 amen goed bier wesende het vijfde deel waarmee het halfstuiversbier gemaakt is, tesamen 6676 amen. Elk brouwsel gerekent op effen 47 amen te weten voor de 50 amen dat hij lanck browt waeren gecort wordt twee tonnen die vervult wordt ende een ton drincken bier en er zijn per jaar effen 142 brouwsels.
De 6476 amen goed bier, uitgeleverd aan 6 gulden per aam, waaraan 10 stuivers gekort wordt voor de 13de ton is 35618 gulden.
Voor de 999 amen  halfstuivers bier waaraan gecort wordt 77 amen voor de dertiende tonnen blijft 922 amen  aan 24 stuivers per aam = 1106 gulden 8 stuivers.
En voor 2301 amen cleyn bier waarvan 177 amen gecort worden voor de 13de ton blijft 2124 amen  aan 7 stuivers per aam= 743 gulden 8 stuivers.
De draf aan 18 viertelen op een brouwsel aan 14 stuivers per jaar geeft op 144 brouwsels = 1789 gulden 4 stuivers.
Oncleer van elk brouwsel met de gisten ten minste 4 gulden 10 stuivers komt voor een 142 brouwsels 639 gulden.

TOTAAL ontvangst: 39.896 gulden. 

Vervolgens bespreekt men terug de knechtenrekeningen enzo alsook de onkosten van de granen, brand, hop enz... en men komt op 28.752 gulden ½ stuiver onkosten.

Bijgevolg maakt de brouwer van de Swane 11.144 gulden winst in dat jaar 1618-1619.


Accijnzen

Er worden door de stad een aantal strenge maatregelen genomen om corruptie bij de accijnsmeesters te voorkomen.

Tarieven accijnzen 1619 per aam:
klein bier:
brouwers betalen                           2 stuivers
poorters en tappers                        2
half en half bier: brouwers               4
poorter of ingesetene                      8
tapper                                          15
halfstuiversbier
brouwer                                         5
poorters                                       15
tapper                                          20
8, 10, 12 en 16 schelling bier        
brouwer                                         6
poorter                                         30
tapper                                           36

Brouwers klagen toch over die accijnzen. Moeten ze al betalen, en nog nieuwe investeringen in brouwgoed doen, terwijl hun klanten nog niet betalen.
Accijns moest betaald werden in een huisjes op de Pisternebrug aan de Engelse Kaai.

 

Uit SAA, GA 4425 Brouwers X (1620-1621) 

5 januari 1620: alweer procedure tussen stad en gilde (vervolg wat hierboven (1619) bezig was. Tegenreactie brouwers: werken zonder pegel is beter dan met pegel. Toen er wel een pegel was, moesten de Antwerpse bieren onderdoen voor de buitenbieren. Zonder pegel zijn de Antwerpse bieren juist exportbieren geworden: men leverde soms 70.000 tot 80.000 tonnen per jaar buiten de stad. Ook de bieren van Lier, Leuven, Mechelen, Hoegaarden, Diest en Leeuw zijn niet onderworpen aan een pegel.
Er zijn 33 brouwerijen in Antwerpen nu echt actief. Eéntje staat er nu leeg en 2 brouwerijen dienen voor de burgers om zelf te brouwen (totaal = 36 brouwerijen)

Opbrengsten bieraccijns: 

Periode

4 stuivers op de ton uitgaand bier (guldens en stuivers)

3 stuivers op de ton uitgaand bier

1/02/1619 tot 29/01/1620

8758-5

6568-13-9

29/01/1620 tot 27/01/1621

8740-15

6555-11-3

28/01/1621 tot 01/02/1622

10877-2

8157-16-6

02/02/1622 tot 01/02/1623

15435

11576-5

02/02/1623 tot 31/01/1624

11067-1

8300-5-9

Totaal: 96036-15-3

Daar staan volgende kosten tegenover:
Herstel dijken Cauwensteyn, Austruweel (Oosterweel): 25.000 gulden op vijf jaar.
De rest van die inkomsten gebruikt de stad om haar schulden af te betalen alsook aan de kas der domeinen.  De stad leende via de consumptiekas. 

De brouwers protesteerden dus vanaf 1620 tegen deze taxatie van 7 stuivers op de uitgaande bieren, en dit tot bij de kanselier van Brabant. Blijkbaar zijn er in dezelfde periode ook geschillen geweest tussen stadsbestuur en brouwers van Lier. Daar heeft het stadsbestuur van Lier gelijk gekregen. 

"Specificatie ende declaratie van de quantiteyt vande tonnen wits, halffstuyvers ende cleyn bier soo by de tappers, poorters als vrije binnen dese stadt gesleten geduerende den tijdt van eenen jaere begonst 27 augusti 1620 ende geeyndt 25 augusti 1621" 

gebruiker/biersoort

aantal tonnen

tappers/witte stadsbieren

48627

tappers/witte inlandse en buitenbieren alsook Lupsche, Engelsche en andere uitlandse bieren

2673 1/4

poorters/witte stadsbieren

44270 ¾

poorters/witte inlandse en buitenbieren alsook Lupsche, Engelsche en andere uitlandse bieren

3878 ¾

vrije witte bieren

7410 ½

tappers en poorters halfstuiversbier

22940 ½

vrije half stuiversbieren

1890 ¼

binnen kleinbieren

44441 ¼

uitgaande  kleinbieren

3847 ¾

Uit SAA, GA 4426: Brouwers XI (1622-1629)

12 januari 1622: verhoging accijns op de goede bieren met 1 stuiver + men mag enkel zonder winstgevend doel in de stadsbrouwerijen zelf brouwen. Dit komt voort uit een vraag van de tappers die daar willen gaan brouwen omdat er klachten zouden zijn over de kwaliteit van de brouwsels die de beroepsbrouwers maken. 

12 januari 1622: Extract vuytte acten collegiale van mijn heeren borgemeestren en[de] schepenen deser stadt Ant[werpen] in date respective IX februari anno 1617 ende XII januari anno 1622

"Ende op dat de boeckhouwers vande selve accijse voertane moghen  weten waer nae sy hen sullen hebben te regulieren int maecken van wettelycken rekeninghe van[den] ontfanck van[de] selve accyse midts de voors. veranderinghe, is bij mijne voorts. heeren geresolueert den naervolghende voet te weten datmen de voors. tappers witte binnen bieren sal rekenen int capittel van daccyse

op

XLIIII st.

int brouwers gelt

VI st.

inde consumptie

XII st.

tappers hoochsel

V st.

brantgelt

XIII st.

nieuw hoochsel

III st.

aelmoesseniers gelt

IIII st.

ende voor den Staten Impost

XII st.

maeckende tsamen vier gulden ende negenthien stuyvers soo tot nochtoe by den tapper betaelt is geweest boven de drij stuyvers op dame van brouwers weeckgelt die by den brouwers wekelyck betaelt worden.

Item vande tappers inlantsche vremde bieren salmen voor accyse rekenen

als voere

XLIIII st.

int brouwers gelt

X st.

inde consumptie

XIIII st.

tappers hoochsel

V st.

brantgelt

XIII st.

nieuw hoochsel

III st.

aelmoesseniers gelt

IIII st.

ende voor den Staten Impost

XII st.

maeckende mette III st. van brouwers weeckgelt ten laste van de buyten brouwers off vercooper vijff gulden acht stuyvers."
Het 'hoochsel', blijkt uit een ander document, was oorspronkelijk 2 stuivers en werd nu dus met 1 stuiver verhoogd, maar men wilde ook 1 stuiver op het klein bier ontvangen en dat is op12/01/1622 door een collegebeslissing ongedaan gemaakt.

9/11/1624: Notaris Kimpe is in opdracht van het CBS en vergezeld van Jonker Henrick van Etten, schepen, naar volgende personen gegaan, allen brouwers, poorters en ingezetenen van A’pen: Peeter Antheunis, wonende in de Croone; Niclaes de Man, wonende in het Vercken; Engelbert Rijsheuvels de Jonge, wonende in het Hemelrijck; Jaspar Schrijnwerckers, wonende in de Engel; Jan Appels, Fortuyne; Adriaen Maes, Ketel; Hans de Wilde, Berrie, allen in de Nieuwstad. Ze worden gevraagd naar hun medeweten van een request dat de 3 en 4 stuivers waarmee de buitenbieren belast zijn zou stoppen.

9/11/1624: zelfde brief maar dan notaris Franchoijs Mercelis en schepen Jonker Francisco Gallo Salamanca. Reacties van Jan Crijff, brouwer in het Cruys; Jan van Nijp, brouwer in de Lelie, Artus van Nuffel, brouwer in de Roose, Joos vande Meerssche, brouwer inden Tempest; Geeraerdus Lambrechts, Snoecken; Guilliaume Scholliers, brouwer in de Sterre, Cornelius Hermans, brouwer in Beringhen; Hans Symons, brouwer in de Goudblomme.

9/11/1624: notaris Christoffel vanden Hove, met Jonker Anthonis Sinori, schepen, bezocht de brouwers Hendrick Stockmans, Joos Naekens en Cornelis de Man, allen residerende op de Brabantse Koornmarkt. (ook over 3 en 4 st.).

9/11/1624: Notaris J. Van Huffel junior, en schepen Urbaen van Parijs hebben over dat request informatie gehaald bij de brouwers:Jan Hesselmans, Vlies, Paardenmarkt; Huisvrouw van Nicolaes de Backer, Oude Fortuyne (Paardenmarkt); Ghysbrecht van de Perre, Nieuwstad; Anna van Thuyl, weduwe van Jan de Bruyne, brouwerij het Claverblad, Nieuwstad; Dierick van Thienen, de Belle, Nieuwstad; Jacques de Man, Oude Leeuwe, Nieuwstad; Maria de Ram, weduwe van Cornelis Hermans, brouweresse in Borcht in de Nieuwstad; huisvrouw van Jan Blomme, Goublomme, Nieuwstad.

9/11/1624: Notaris J. Duys en schepen Jan de Ram, bezoeken volgende brouwers: Artus Bruynincx, Clocke in de Nieuwstad; Guillam Simons, Drij Coningen; Peeter Henssen, Gecroonde Leeuw; Wed. Jacques Bollart, Bonten Mantel; Henrick Segers, Sleutel; Jan de Backer, Swaen; Jan Schrijnmaker, Sweert; Wed. Jan de Cortte, Trouwe.

29/11/1624: pachter bieraccijns van Brussel verklaart dat boekweit zeker niet ongezond is en meer en meer op platteland en in andere steden is toegelaten. Is verder een pleidooi voor het gebruik van het boekweit, maar dan in gemodereerde vorm. Wordt ook in brood gebruikt. De granen dreigen duurder te worden nu het beleg van Breda bezig is.

5/09/1628: verbod gepubliceerd te Assenede uitgaande van de luitenant-generaal van Vlaanderen in opdracht van de prins van Oranje op verkoop van Brabantse bieren, aangevoerd op welke wijze dan ook, met als risico het aanslaan van de transportmiddelen waarmee ze zijn aangevoerd.
15/09/1628: Antwerpse brouwers mogen van het CBS gaan solliciteren bij de gouverneur van Sluys om dat verbod te doen stoppen. Om hen te compenseren krijgen ze gedurende twee maanden de 9 stuivers die de stad trekt op de uitgaande bieren zolang dit bedrag de inkomsten van de drie vorige maanden niet overstijgt.

20/05/1629: Voor het ontzetten van s’Hertogenbosch werd aan de stad Antwerpen 300.000 gulden aangerekend en om die te hebben wordt op de witte poortersbieren per aam 8 stuivers geheven, ook te betalen door geestelijken. In 1630 kwam daar als gevolg van verdere vijandelijkheden 10 stuivers op elke aam wit poortersbier. In beide gevallen reken men voor de brouwers en hun families een verbruik van 3 tonnen bier per jaar per kop waarop ze maandelijks kunnen afrekenen. Maar ze willen, zich baserende op hun vrijheden, niet langer de 2 à 3 stuivers op de drinkbieren betalen aan de stad. De stad aanvaardt dit niet. enz... 

Rond 1629-1630: lijst van de sterke bieren die bij de brouwers liggen (in tonnen) 

Brouwerij

Aantal tonnen

Brouwerij

Aantal tonnen

Lelie

30

Ancker

50

Roose

50

Ou Fortuyn

45

Cruys

15

Half Maen

69

Snoeken

4

Borcht

68,5

Trouwe?

20

Goublom

-

Roeen Hoet

77

Berrie

-

3 Coningen

23

Tempst

3

Fortuyn

50

Werelt

90

Ketel

125,5

Sterre

20

Clock

150

Swaen

190

Arent

23

Mantel

-

Boxcken

57

Croende Leeuw

-

Croen

-

Sweert

8

Oud Leeuwken

12

Claverbladt

18

TOTAAL:

1350

Belle

80

 

ca. 1629 Klacht van de brouwers en Burgemeesters en Schepenen van Leeuw aan College BS Antwerpen dat ze altijd goed hebben kunnen bier verkopen in Antwerpen, ook ten voordele van de stad Antwerpen die er accijns op heft. Maar nu heeft de stad de Leeuwse bieren gesteld op de prijs van 2 gulden per aam, ze moeten nu 3 stuivers voor het inkomen van de bieren  in Antwerpen betalen en als stadsgeld. Als gevolg hiervan ontvangen de Leeuwse brouwers van de bierstekers nog slechts 37 stuivers en daar moeten de onkosten afgetrokken worden die ze hebben om het bier tot Antwerpen te brengen alsook bierstekersloon. Als ze die in rekening brengen hebben ze nog maar 27 stuivers per aam, en aan die prijs kunnen ze geen kwaliteitsbier meer brouwen en leveren. Ze vragen aan 2 gulden 8 stuivers per aam te mogen leveren, terwijl de tappers toch niet meer moeten aanrekenen aan hun klanten dan 1 stuiver per pot. 

Onkosten die de brouwers van Leeuw hebben op elke ton bier.

Te Leeuw voor het uitvoeren

2 stuivers

Schipper van vracht

5

Terugbrengen van de vaten

1

Antwerpen:steken en pontgeld

3

De nieuwe opsettinge

2

roeyen en tonnen vergaren

1z

Onkosten en verlies van vaten

2 stuivers

  

Datering onzeker: mogelijk beschrijving van rond 1660, vooral inzake de Stadsbrouwerijen (zie lager)
Namen van de bestaande brouwerijen: Claverblat, Ancker, Croon de Borcht, Mane, Belle, Oude Leeuwen, Goublom, Borcht, Cruys, Lelie, Roose, Snoecken, Tempst, Weerelt, Sterre, St. Joan, Berrie, Croon, Vercken, Arent, Roosen Hoet, Sweert, Clock, Gecroonde Leeuw, 3 Koningen, Ketel, Fortuyn, Swane, Oude Fortuyn, Hert, Pellicaen.
Namen van brouwerijen die te niet zijn gegaan: Sonne, Mane, Trouwe, Hert, Oude Swaen, Vlies en Hemelryck.
Brouwerijen die onder de stad vallen (beheerd worden door de stad): Sleutel (groot en klein), Londen, Engel (groot en klein),  3 brouwerijen Vlies, 2 brouwerijen Trouw. Deze laatste twee hebben een alias: Cleyn en Groot Antwerpen. Nota: ik vermoed dat groot en klein bij Sleutel en Engel wil zeggen dat er een dubbel alaam aanwezig is: één met grote kuipen en één met kleine kuipen.

ca.  1629: weer een proef om kosten en baten van het brouwen af te wegen.

Kosten van grondstoffen voor een brouwsel van 40 amen:
28 viertel mout aan 2 gulden. =                       56 gulden
12 viertel tarwe aan 5 gulden 2 stuivers =        61 gulden 4 stuivers
12 viertel ene aan 44 st. =                               28 g. 8 st.
8 viertelen boekweit aan 53 st. =                     21 g. 4 st.
Buildragersloon =                                              1 g. 10 st.
50 Lb hoppe  aan 4 st.=                                  10 g.
14 wagens kolen aan 20 st. =                          14 g.
Arbeid van de kolen =                                             10 st.
25 mutsarden =                                                 1 g. 5 st.

Totaal:                                                           192 g. 1 st. 

Vaste kosten:
Arbeid tot het brouwsel                                 10 g.
Maelghelt                                                        3 g. 12,5 st.
Amonitiegeld en de 13de ton                            5 g. 11 st.
Watergeld en gruytte                                              10,5 st.
Huishuur                                                          5 g. 10 st.               
Slijtage aan alaam en tonnen                             3 g.

Totaal                                                            28 g. 4 st.

Men heeft ook nog af te trekken:
18 viertelen draf aan 14 st.                             12 g. 12 st.                                       
20 tonnen kleinbier aan 7 st.                             7 g.
Gist en kolen                                                    3 g. 18 st.
Totaal                                                            23 g. 10 st.

TOTAAL:                                                    196 g. 15 st.

Er is nog de 13 ton en andere kosten
Resteert voor winninge van 40 amen bier: 23 st. 5.
Op een jaar kunnen de brouwers 3.627 gulden verdienen.

 

Uit SAA, GA 4427: Brouwers XII (1630-1636)

31/10/1634 verklaart het Hof van Brabant de klacht van de brouwers nietig inzake de uitvoering van de ordonnantie van 13 mei 1578 waarbij de inwoners (burgers en tappers) van de stad om de brouwers te ‘soulageren’ bij het inleggen van bieren aan het comptoir verschieten boven het recht van accijnsen en imposten van half een half ander bier 4 stuivers, van half stuivers bier 5 stuivers en van 8, 10, 12 en 16 stuivers bier 6 stuivers, in dien verstaande dat het selve verschoten geld hun bij de brouwers zou gecort worden aan de prijs van hun bieren, en dit zou in een apart boek en een kas bijgehouden worden.  Dan was er de ordonnantie van 15/01/1611 inzake de witte bieren en inlandse buiten bieren tot 6 stuivers en voor de half stuivers bieren tot 5 stuivers die was vernieuwd met de ordonnantie dat geen billetten meer zouden gegeven worden tenzij de 5 en 6 stuivers betaald waren en de brouwers bleven genieten van de 5 en 6 stuivers zonder die aan de burgers, tappers en andere inwoners te korten tot op 20/04/1611 met een nieuwe ordonnantie voorzien was dat de brouwers zich wel moesten reguleren aan de ordonnantie van 15/01/1611. Maar de facto voerden de brouwers dit niet uit. De stad eiste van de brouwers de betaling sedert 1578 van dat geld, op basis van de gegevens in het accijnskantoor. Maar de brouwers poogde die ordonnantie van 1578 die gemaakt was ten tijde van de rebellie als niet langer geldig te doen beschouwen. Zij verloren en moesten dus die 4, 5 en 6 stuivers sedert 1578 betalen.

Ongedateerde klacht van de burgers van de stad dat de brouwers in Antwerpen zo’n ongezond bier brouwen dat ze zelf moeten gaan brouwen in de twee stadsbrouwerijen De Sleutel en Londen. De bieren van de officiele brouwers die verkocht worden aan 8 en 6 stuivers zijn eigenlijk nog geen 5 of 3 stuivers waard.  De eigen brouwsels zijn voor de prijs veel beter en blijven beter in de zure tijd. Het gevolg is dat er zoveel gaan brouwen in de stadsbrouwerijen dat men niet meer zelf kan brouwen. Als men zijn graanvoorraad gemalen heeft, kan die, tegen men dan wel kan brouwen, al bedorven zijn, en dan valt men terug onder de macht van de gewone brouwers en hun ongezond bier. Die hebben een quasi monopolie. Er wordt gevraagd dat men een derde stadsbrouwerij zou oprichten.

18/03/1634: Request brouwers aan de stad: Er was een ordonnantie van het CBS van 12/11/1618 over de stadsbrouwerijen. Deze voorziet dat de concierge van de stadsbrouwerij “... gehouden sal sijn inden vloer van sijne wooninghe te hangen een lijste, daertoe een jegelyck acces sal mogen hebben, waerin gescreven sullen syn bij ordre de namen vande persoonen die versocht sullen hebben aldaer te brouwen, sonder dat hij daer inne off inden boeck sal mogen laten stellen off gebruijcken eenige gefingeerde oft andere namen, dan vande gene die metter daet aldaer sullen begeiren te laten brouwen....” Ze mogen enkel voor eigen consumptie brouwen en niet verkopen. Er is ook nog de ordonnantie van 12 januari 1622 die verkoop met winst verbiedt. Maar Hans Collijns en andere personen, een 15 of 16 in getal, zouden in diverse seizoenen alle weken tweemaal brouwen in de stadsbrouwerij, makende hun halfstuiversbier zo goed als tien schelling bier, dat ze verkopen met amen, ½ en ¼ amen, en betalen lagere accijnzen en ze verplichten de burgers om die af te nemen. Ze betalen niet mee in de onkosten van het waterhuis en onder die andere 15 personen zijn er zelfs die geen poorter zijn. Ze geven aan elkaar de sleutel van de stadsbrouwerijen door, zodanig dat die niet kan gevonden worden.  Sedert Bamis tot nu is er maar drie keer kunnen gebrouwd worden door en voor de burgers.  De zegelaars gaan zelfs ten huize van Colijns en de anderen om de accijnsbiljetten te halen van de bieren die zij leveren aan de geestelijkheid en de ander ingezetenen zoals men dat doet bij andere vrije brouwers.

22/04/1634 eist de stad (de schout) de naleving van het plakkaat van de raad van Brabant van 8/11/1633 dat verbood dat gemerkte tonnen van brouwers zonder hun toestemming worden gebruikt om er iets anders in te steken, ze te gebruiken om een stelling ervan te maken, of door kuipers herbruikte te worden tot wastobben en dergelijke met een boete van 4 gulden per ton. 

1635 (opdracht van de stad op 11 juni 1635 aan Pauwels van Halmale om dit te onderzoeken): request/klacht van de koehouders binnen de stad en de palen van Antwerpen dat de brouwers hun draf verkopen tot hun profijt met hele kuipen aan personen wonende buiten de stad zonder die aan de door de stad vastgestelde prijs per mand te willen aanbieden aan de inwoners van de stad. Hierdoor kunnen zij geen draf meer krijgen waardoor de melkprijs in de stad gestegen is. Ze vragen dat de stad de brouwers verplicht inwoners die erom vragen per mand te beleveren aan de vastgestelde prijs. De brouwers reageren zeggende dat ze altijd, zoals dat in een koopmansstad past, zowel aan de buitenlieden per kuip als aan de inwoners en buitenlieden per mand.  Dit gebeurt zo in alle steden. Ook hebben ze veel klanten uit de buitengebieden in de vorm van tappers die massaal bier aanhalen bij hen, tot voordeel van de stadsaccijns. Als ze dat niet meer mogen dan gaan ze naar Mechelen, Lier, Merksem, Donk of elders bier halen. Zij vragen dan ook dat men op dat request van de koehouders niet zomaar ingaat.
5/09/1635 verenigen de brouwers zich met de koeboeren van Vlaanderen en Brabant tegen de hoveniers van Antwerpen inzake de problematiek van de drafverkoop. 

25/08/1635: Brouwersnatie wordt bevestig in haar recht om als een soort rechtbank van eerste aanleg te functioneren tegenover haar leden. Bij een veroordeling (tot een boete) kan men op het accijnskantoor de biljetten van een brouwer tegenhouden tot die boete betaald is.

28/06/1636: reactie van brouwers tegen fraude in de stadsbrouwerijen:
-        
er moeten boetes gezet worden om de fraude tegen te gaan op de bepalingen van de stadsordonnantie (waar nog geen boetes voorzien werden).
-        
inwoners die willen brouwen in de stadsbrouwerij moeten een biljet halen bij de stadsaccijns.
-        
halfstuivers bier in de stadsbrouwerij gemaakt mag slechts 29 stuivers kosten.
-        
mogen ook geen groter kwantiteit boekweit in hun brouwsel doen dan voorzien in de ordonnantie
-        
Dekens en supposten van het gilde mogen dit alles controleren.
 

Uit SAA, GA 4428 Brouwers XIII (1637-1639)

Een request van de brouwersnatie aan de stad van 1637 wijst er nog eens op dat de reguliere brouwers in Antwerpen een alleenrecht hebben binnen de stad en dat poorters die buiten de stad brouwen, wat ze mogen, hun bieren alleen in de stad mogen brengen voor consumptie thuis en slijten mits betaling van dezelfde accijns en belastingen die binnen brouwers en poorters zijn betalende. Om dit privilegie te hebben, hebben ze veel geld betaald om één van de brouwerijen van Van Schoonbeke van de stad te kopen en daar naartoe te verhuizen. Ze stellen ook dat de stadsbrouwerijen waar particulieren mogen brouwen eigenlijk tegen het privilegie van de brouwers van Antwerpen ingaat maar dat ze het hebben toegestaan. Ze wijzen erop dat wie daar gaat brouwen, niet de kosten heeft die zij hebben: personeel, huishuur enz... Ze verzetten zich dan ook tegen plannen voor een derde stadsbrouwerij naast de grote en de kleine die er nu al zijn, en die volgens hen volstaan.

26/09/1637: een reeks poorters vraagt de oprichting van 2 bijkomende stadsbrouwerijen omdat ze dagelijks vaststellen dat ze met de huidige twee brouwerijen niet toekomen. Is ondertekend door: Aubertus Le Mire choordeken, Matheus lHermans cantor, Van Sant sum cantor, P. Coens canonicus, Ante de Tassis, Jaspaert de Moor, Denijs Syra, Sr. Peeter van Brakel, Barbara van de Greijn, Jan de Roff, Jan vanden Wouwere, Philips van Cortbemde, Balthasar van Cortbemde, Gabriel Francx, Jacques de Bie, Herman Nesscher, Adriaen van Leemputte, Jaen van Wachter, Guilliam Evermans, Cornelis Vasseur, Abraham van Oirschot, Thomas Noe, Hans Wouters, Jan Kanarij, Foursy Cordon, Fransois de Bot, Peeter Lauwereys, Silvester de Colnimba, Marcus van Laer, Hendrick Carebijn, Gillis Hannekart, Lenaert Lenaerts, Carel de Mans, Ghijsbrecht Ghijsens, Peeter Hendrickx, Franchois vanden Sande, Niclaes de Riemere, Jaspar Boels, Martinus vanden Broeck, Adriaen van Delen, Lenaert Hamers, Guilliam Brants, Symon Gobbart, Jan de Hondt, Peeter van Scharenbrouck. 

Op 21/10/1637 weer zo’n verzoek.  Mensen willen zelf kunnen brouwen “mits de cleijne deucht van de brouwers bieren”. Steeds meer mensen willen dus zelf brouwen en de bestaande stadsbrouwerijen hebben te weinig capaciteit. Als men zich bij de tresorierskamer aanmeldt wordt men op een wachtlijst geplaatst en krijgt men te horen dat men vier maanden moet wachten. “Soo is haer versueck, dat U Eerw. tot gerieffs vande gmeijnte voorss. willen doen coopen een, ofte meer brouwerijen, op dat dije gene, dije d’accyse, en[de] der stadts lasten zijn draegende mogen ten minste geaccomodeert worden van eensen gesonden dronck biers, ende plaetse hebben te brouwen, gelijck alletom elders, daer het wordt geplogen, ter meer dat men ter contemplatie vande brouwers, van stadts wegen tot seer grooten coste heeft gemaeckt een canael van goet water, evenwel de bieren daeromme nijet beter, maer eer slechter zijn vallende, dat oock bij het coopen vande voors. brouwerij nu tegenwoordich goede occasie is pretenderende, de stadt nyet en zal verliezen, maer vercrijghen ghoede hypothecquen, om dije ten tijde [ende] wijlen t’employeren tot geene meest dienstich wordt, ende dat t’gene voors. is, tgemeynte ootmoedich versouck is, hebben dit weijnige geteekend ende noch honderden souden, des noot sijnde etc. was geteeckent bij dese naervolgende personen: Silvester Rummens, Merten de Nisaert, Gulliaume van Tongeren, Franchoijs Smitsincx, Jan van Herck, Dierick Smout, Peeter van Hoefroey, Adriaen Matheussens, Joos Smout, Sr. Eeraert van Houte, Jan Verdussen, Michiel Thomas, Guilliam Wils, Jan van Oshuysen, Hans Hermans, Woelput, Cornelis Pauwels, Pauwels Huijbrechts, Joannes Huijbrechts, Celicken Claessens, Machiel Franssen, Abraham Drapheus, Grognesnisse, Abraham Melijn, Merten Michielssens, Jaecques Vicquet, Joan Babtista Despontin, Adriaen Lauryn, Philips Bol de Jonghe, Niclaes de Bot, Hans Prost, Melchior Speco de Jonghe.” 

27/03/1638: In de stadsbrouwerij Londen zijn er frauduleuse toestanden aan de gang veroorzaakt door de kleine brouwers, tot groot ongerief van de gemeente die er niet kan brouwen en waarbij accijnzen ontdoken worden. 1° Volgens de concierge van die brouwerij zouden er slechts 2 à 3 brouwels per week gebrouwen worden. 2° Er zijn blijkbaar zeer oude toelatingen (biljetten) om te kunnen brouwen in omloop. Het biljet dat niet gebruikt wordt op het voorziene ogenblik is niet langer geldig. 3° Strikte regeling wat betreft afleveren van biljetten met inspraak door de concierge. 4° Biljetten moeten getoond worden aan de concierge. Ook toezicht door het zegelhuis waarbij men moet aangeven waar men woont (wat er als bord uithangt). 5° Brouwers die in opdracht van burgers daar brouwen moeten dit doen aan een vastgesteld loon. 6° Een kleine brouwer die toch verkoopt om winst te maken zal beboet worden en zijn situatie reguleren met het brouwersgilde. 

27/03/1638: Een verbod op het brouwen van zware bieren in Antwerpen is niet vol te houden. De Leuvense (waarvan zeker 200 tonnen aan de kaai staan), Mechelse, Herentalse, Lierse, Lubsche, Vlaamse en andere soorten van zware bieren zijn in belang aan het toenemen. In Delft maakt men het bier van Lubeck na en ook dat zou men leveren als Delftlubsch bier. Dit is de ondergang van de Antwerpse brouwers en betekent ook dat de arme poorters en soldaten geen klein bier meer zouden hebben omdat dit gemaakt wordt van goed bier. Ze worden hier op 28 maart ondersteund door een groep tappers die aangeven hoeveel last zwaar bier er gedronken wordt. Dit alles in het kader van een proces tussen brouwers en stad over de ordonnantie die het maken van zwaar bier in A’pen verbood (maximumtarief was 20 st. per pot). 

Het OLV-kapittel moest normaal 8 st. betalen op elke ton wit bier maar dit bedrag werd aangepast wanneer het bier was voor mensen die leden aan besmettelijke ziekten. Die vervangbedragen zijn serieus.  Er worden in die jaren heel wat bieren geleverd aan mensen die de haastige ziekte hadden, voor pesthuizen enz..., o.m. aan Stuyvenberg.

 

Uit SAA, GA 4429:  Brouwers XIV (1640-1649)

4/10/1647: tresoriers die controle doen op de stadsbrouwerijen + de concierge van brouwerij Londen verklaren dat er inderdaad fraude is geweest van kleine brouwers die voor zichzelf brouwden, dat ze daartegen altijd correct hebben opgetreden en er zijn twee ‘politicque ordonnantien’ gemaakt in 1642. Ze stellen echter dat die fraude niet de oorzaak ervan is dat de burgers van de gemeente die in maart of oktober willen brouwen, niet voldoende bediend zijn kunnen worden in deze brouwerijen. Maar er zijn nu al 70 à 80 burgers die willen brouwen en men komt niet toe met de bestaande brouwerijen aangezien men per week in beide brouwerijen samen maar een zes brouwsels kunnen gemaakt worden en als er een heiligendag is, dan maar vijf.

12/04/1642: brouwers eisen sterke controle op de stadsbrouwerijen.

S.d. : klachten over fraude in de stadsbrouwerijen. Men sluit een aantal beroepsgroepen uit die er niet mogen brouwen o.m.: tappers, wijntaverniers, zegelaars, proevers, ambtenaren van de bieraccijns, ... Gezworen stadsbrouwers en directeur mogen maar één keer per seizoen brouwen.  De ordonnantie van 20/10/1642 inzake de stadsbrouwerijen (het betreft Londen en De Sleutel) blijft in voege. Een ander document uit die periode gaf aan dat in Londen klein alaam aanwezig was, in de Sleutel groot alaam (zelfs een groot en een klein). Dat grote kan door meerdere personen bediend worden. De brouwers vragen op 27/04/1643 dat er echer nooit grotere groepen samen mogen brouwen in Londen dan 4 personen en in de Sleutel dan 8 personen.

april 1730: Protest tegen paardenbelasting van 30/10/1645. De brouwers zeggen dat ze hun paarden altijd correct gebruiken en niet zoals de ‘capitalisten’ waarvoor deze belasting bedoeld is, wiens paarden “uyt nacht plaisir worden gehouden...”.Dat geldt, vinden de brouwers, ook voor andere beroepsgroepen.  

16/08/1646: Brouwers klagen over groter aantal wanbetalers (kant van hun debiteuren) die vaak bankroet gaan.  

25/02/1647: Voor Peeter Lams, notaris, getuigen Mr. Jan Stockmans, licenciaat in de rechten, en raad en fiscaal van de admiraliteit, en  Louys Cocquyt, koopman, op verzoek van het brouwersambacht. Een aantal vertegenwoordigers van het gilde brachten met hen een bezoek aan brouwerij De Sleutel (stadsbrouwerij) en hadden een gesprek met de concierge Maerten De Nisart, die heeft verklaard dat de tresorier, rentmeester enz... op bezoek zijn geweest om eens te belijken of daar een derde stadsbrouwerij in past. De Nisart heeft er echter op gewezen dat er in de bestaande brouwerij zo weinig gebrouwen wordt dat  dit volgens hem niet nodig was. 

26/02/1647: Voor notaris Peeter van Leuven getuigt Herman de Cortte, oud deken van de graankopers, Guillaume Simons, oud deken van de Cleivieniersgilde (Colveniers) en wijkmeester van de stad en Peter Schrijnmaker, alle poorters,  verklaren uit gesprek met Cornelis Boon, concierge van de tweede stadsbrouwerij genaamd Londen, om half twaalf op de Brouwersvliet, vernomen te hebben datn de stad een derde stadsbrouwerij (het betreft een nieuwe reeks alaam in een bestaande stadsbrouwerij) wil oprichten maar dat Boon van mening was dat dit niet nodig is.  Hij meende zelfs dat men met één brouwerij zou toekomen indien dit enkel was voor het eigen gebruik van de eigen burgers en zonder dat er zijn die brouwen voor winst.   

De brouwers deden de stad dan ook een proces aan om de uitbouw van een derde stadsbrouwerij te verhinderen (zie verweerschrift van de brouwers van 6/11/1647). Er was ook de verklaring van Niclaes Minnaer en zijn echtgenote die al acht jaar zou gebrouwen hebben in de stadsbrouwerijen en dat onder gebruik van de namen van burgers die ze kenden maar zuiver uit eigen profijt.  Samen met nog een aantal andere kleine brouwers zouden ze in 1638 een aantal burgers zover gekregen hebben dat ze verklaarden dat twee brouwerijen niet volstonden. En die kleine brouwers schijnen elkaar zeer goed te kennen en familiair met elkaar om te springen. Ook de drie (voormalige) tresoriers Henrick van Halmale, nu buitenburgemeester, Jonker Willem Despomereaulx, oud schepen, en Jacques van Eijck, dienende schepen, verklaren dat de kleine brouwers in de stadsbrouwerijen tot eigen gewin brouwen. De brouwers hebben dan “van dach tot dach ... devoir gedaen op de tresoriers caemere omme de contraventien vande voorschreven cleijne brouwers ende andere brouwende tot eijgen gewin te beletten. Dat de selffve devoiren soo menichvuldich ende instant syn geweest dat somwijlen sulcx qualyck genomen is geweest, bij eenige vande tresoriers caemere seggende datter meer ander werck op de caemere te doen was, als doorgaens besich te syn met de saecken vande brouwers”. 

16/09/1647: brief van J. Snijers aan CBS? Het gaat hier over Jan Snijers, tresorier-generaal en later burgemeester van Antwerpen. Verklaart dat de stadsbrouwerijen nodig zijn omwillen van de slechte kwaliteit van het bier dat de Antwerpse brouwers nu brouwen, in zoverre dat plaatsen die vroeger bier haalden in Antwerpen in het Waasland zoals Dendermonde, Lokeren, Sint-Niklaas en tot in Hulst, nu zelf brouwerijen hebben opgericht. Ook rond de stad worden nieuwe brouwerijen om die redenen opgericht.  

4/10/1647: voor CBS verschijnen: Jacques van Eyck, gewesen tresorier-generaal en nu schepen van de stad, Jacques Breyel, schepen, gewesen tweede tresorier, Jan van Weerden, idem, Mr. Jan Snyers, tresorier-generaal en Jan Janssens, tweede tresorier, Cornelis Boone, concierge van de stadsbrouwerij Londen. Ze verklaren dat er in de stadsbrouwerijen enige fraude is geweest vanwege enkele kleine brouwers die voor zichzelf brouwen en dat de stad daar altijd op heeft gereageerd.  Dit i.m. met behulp van twee politieke ordonnanties van 1642.  Er is echter wel degelijk een tekort aan brouwmogelijkheden voor de 70 à 80 burgers die dat willen brouwen in het seizoen.  

Stad ontkent nog eens in 1649? van een derde stadsbrouwerij op te richten, maar wel een derde alaam te voorzien. Brouwers protesteren tot bij de kanselier van Brabant vragende geen derde alaam toe te laten. De stedelingen hebben altijd mogen brouwen en de overeenkomst is tussen stad en brouwers bevestigd in 1621. Maar afgelopen jaren hebben niet alle brouwers in de stadsbrouwerij zich kunnen gerieven volgens CBS. Het is seizoensgebonden. Granen worden slecht en men moest zijn mout en granen verkopen. Anderen zijn bij een reguliere brouwer gaan brouwen.  Het derde alaam is nodig met een ketel van 17 à 18 amen.
 

Uit SAA, GA 4430: Brouwers XV (1650-1655)

28/11/1650: Lenaert van Uffel, Guilliam Scholiers, Jacques de Wilde en Cornelis de Winter, brouwers in de stad, verklaren dat zij hun paarden enkel gebruiken voor hun brouwerij en niet om ze voor een ‘speelwagen, coetse of calisse’ te spannen. Bijgevolg vinden ze dat ze geen koetsgeld moeten betalen. Conclusie is dat ze paardgeld moeten betalen. 

30/12/1650: Stad stelt voor inzake het feit dat de brouwers nog altijd slecht bier leveren en de klachten in de brede raad daaromtrent gefundeerd zijn, ondanks de lage graanprijzen dat de burgers of tappers die bier wensen graan aankopen en daarmee naar de brouwer gaan die tegen een loon bier moet brouwen van dat graan op een correcte manier. Herhaling aan kanselier van Brabant in 1654. Stad wil ingaan tegen het monopolie van de brouwers en eist hun gehoorzaamheid.  

Na 20/04/1661: Het blijkt ook dat er behalve de brouwerij ‘Den Engel’ nog vijf andere brouwerijen inmiddels zijn opgericht tot gerief van iedereen. De brouwers hebben zich hier moeten bij neerleggen maar probeerden dan af te dwingen dat daar ernstige controle zou zijn op het feit dat men enkel voor zichzelf brouwde. Ze beroepen zich continu op de akkoorden van 6 september 1621 en 12 januari 1622. Die brouwerijen zijn door de stad op eigen grond gebouwd. De stad zegt ook dat beslissen over brouwen haar toekomt op basis van haar privilegie van Hertog Jan van 6/12/1306. Brouwers verwijzen natuurlijk ook nog naar het contract met Van Schoonbeke stellende dat dit hen moest bevoordelen en de stad daar over zwijgt. Maar zij zijn geen erfgenamen en het contract was maar 25 jaar geldig n.l. tot 1577.

29/04/1654: vermeldt dat in de Brede Raad al maanden klachten circuleren over de slechte kwaliteit van de Antwerpse bieren. De kwaliteit is niet gebeterd door het goedkoper worden van de granen. Ook vreemdelingen die in Antwerpen logeren beklagen zich over de slechte kwaliteit van de bieren die in de herbergen geserveerd worden. Daardoor is er een dalend verbruik in vergelijking tot andere steden en het platteland en dat is slecht voor de stadsfinancien. Oplossingen:
1° Stad heeft al geprobeerd een pegel in te stellen, heeft processen gevoerd tegen de brouwers, die niets hebben opgelost alleen dat de brouwers die proceskosten verhalen op de kwaliteit van het bier!
2° Men heeft ook het aantal stadsbrouwerijen willen optrekken van de twee bestaande naar meer, maar aangezien tappers er niet mogen brouwen brengt dat voor de mensen die bij de tapper drinken, geen zoden aan de dijk. Daarnaast zijn er tijdens het maartseizoen 80 biljetten om zelf te brouwen, wegens de drukte overgebleven.
3° Binnenlaten plattelandsbier. Gaat tegen de privilegies van de brouwers in.
4° Toegang tot de brouwersnatie vereenvoudigen: Brouwers wensen dit niet.
De voorgestelde oplossing is het kopen door de stad van een aantal bestaande brouwerijen en brouwers tewerk te stellen in zo’n brouwerij. De burger en de tapper kan dan de grondstoffen leveren. Bij andere beroepen wordt er ook op stukloon gewerkt met materiaal dat door de burgers is aangedragen. Inmiddels loopt er een procedure tussen brouwers en de stad over deze oplossing.

Ongedateerd stuk over de rosmolens in de brouwerijen. 18de eeuw.

“Dat van immemoriale tijden onder alle de brouwers geene andere rosmolens en sijn geweest als in de oude Leeuwen brouwer Pieter De Man, in de Borght brouwer Jan Baptista Cornelissen, Gouwblom Jan De Man brouwer toens der tijdt, welcke rosmolens van seer oude tijden anterieurelijcken de jaere 1702 sijn geweest ende gebleven in die brouwerijen, om dies wille de brouwers die plaetse niet noodigh en hadden daer ter contrarie de selfve in alle de andere brouwerijen uijtgebroken sijn geweest het gene sekelijck oock zoude hebben doen doen in de voors. andere drij brouwerijen ten waere men versekert hadde geweest de selfve aldaer naecktelijck wirden bewaert voor eenige extraordinairen noodt.
Ende niet ofte wijnich wirden gebruijckt, het welck sua verre waeracht is dat de rescribenten niet en sullen derven ontkennen ofte de brouwers van die 3 brouwerijen sonden selfs in noodt van stilte hun mout naer de watermolen van Schelle.
Dat de rescribenten wel geluckig sijn, conden zij maer soo veel bier vercoopen als er mout op die 3 waetermolens zoude connen worden gemalen want seker als van binnen Antwerpen geen vremt bier zoude worden gedroncken.”
In de marge staat een lijst met brouwerijen en of ze een rosmolen hebben. Hebben een rosmolen: Klock, Fortuyn, St. Jan, Borght, Roose, Berrie, Snoecken, Mantel, Vercken, Ancker, Klaveren, Lellie. De Goudblom gebruikt zijn rosmolen niet. Hebben geen rosmolen: Cruys, Croon, Pellicaen, Son, Middelborgh, Man, Cronenborgh, Temst. 

Peeter Mennens, oud deken van het hoofdambacht van de meerseniers, wil zijn ververij en een leeg erf aan de Herentalse Vaart ter beschikking stellen aan het CBS om er een brouwerij van te maken voor iedereen in de stad en hij vraagt toestemming aan het CBS. Ongedateerde akte. 

Op 9 december 1655 wordt door de Brede Raad nog voor één jaar het brouwersgeld verlengd van 1 schelling (6 stuivers) per ton wit en zwaar bier. Dit brouwersgeld werd voorgeschoten voor de brouwer door de burgers. Het betreft de gewone brouwsels maar ook voor wie gaat brouwen in de kloosters of andere brouwerijen. Ook moeten de brouwers 6 stuivers betalen op elke ton wit of zwaar bier die zij binnen de stad komen uitleveren.

28/12/1655: de wijkmeesters en de dekens van de diverse ambachten, vertegenwoordigende de twee leden van de Stad Antwerpen, verklaren de houding van de Brouwersnatie tegen de Stad niet te begrijpen en verwijzen naar het privilegie van de stad verleend in 1306 om zelfstandig zaken te beslissen en ze begrijpen de houding van de brouwers tegen de beslissing van 9/12 over het brouwersgeld niet. De brouwers hadden klacht ingediend maar moeten zolang die loopt, wel degelijk betalen en dat doen ze blijkbaar niet. En de stad heeft dat geld hard nodig gezien de vele problemen. Diezelfde dag reageren de tresoriers in dezelfde zin. Ze spreken over ongehoorzaamheid, weerspannigheid in moeilijke tijden. 

Op 29/12 verschijnt er een stedelijke ordonnantie die de onmiddellijke betaling van het Brouwersgeld eist.  Op 31/12 beslist het CBS dat de schout en 2 schepenen in alle brouwerijen gaan om alle tonnen in beslag te nemen (zonder ze te verwijderen) die er liggen zodanig dat er niet kan geexporteerd worden. Alleen mogen ze leveren aan de poorters indien ze de schelling Brouwersgeld betalen.

Dekens brouwers laten hun leden toch maar meewerken op 31/12/1655 maar ondertussen blijven ze procederen.  Op 3 januari 1656 grijpen schout en CBS en raad radicaal in: alles wordt in beslag genomen en de brouwers verliezen hun vrijheid tenzij ze binnen de 24 u. op de tresorierskamer komen verklaren te willen bier leveren met betaling van het brouwersgeld.

Daarna gaan de brouwers zelf vragen om mits betaling te mogen leveren binnen de stad. Ondertekenaars zijn volgende brouwers: Adriaen van Thielen, Guilliam Scholiers, Henric de Wilde, Peeter Schrijnmakers, Jaques van Male, Cornelis de Winter, Jaspar de Man, Jaques de Man, Anthoni de Backer, Jaques Scholiers, Anthoni Joossens, Jaques de Wilde, Jan Bruynincx, Balthasar Symons, Jan Knijff de Jonge, Jan de Man, Weduwe Jan de Bruijn, Niclaes Nimar, Jan Engelgrave, hebben hun sterk gemaakt voor de deken Lenaert van Uffele en oud-deken Jan van Nijp en voor de weduwe Jan Elias.

De stad neemt hiervan kennis op 9 januari 1656 en staat hen dit toe.

Ongedateerde akte: enkele personen willen hun eigendommen aan de Vuilrui open stellen omdat er twee tot vier brouwerijen zouden bijkomen waar men zelf kan brouwen. In functie van de grootte van de brouwketel is er een ander tarief voorzien wat het gebruik van het alaam betreft: ketel van 20 amen: 5 gulden; 25 amen: 6 gulden; 30 amen: 7 gulden enz...

Ongedateerde akte: brouwers zien af van hun proces tegen de stad inzake de ordonnantie van 9/12/1655.

 

Uit SAA, GA 4431: Brouwers XVI (1656-1659)

1/1/1656 van CBS aan de kanselier: rapport hoe ze tot dan de zaak van de weigering door de brouwers van het betalen van het brouwersgeld hebben aangepakt. Er was ook voorzien dat ook op buitenbieren en bier gebrouwen in de stadsbrouwerijen die 6 stuivers zou betaald worden. Ondanks dat weigerden de brouwers te betalen en is men hun kelders gaan visiteren om het bier dat er ligt onder arrest te nemen. Ook de stukken van 3 en 4/1 nopende deze kwestie zitten er bij. Op 6/1 verklaren de brouwers bereid tot betaling over te gaan wat door de groep op 9/1 wordt bevestigd.

Maar er blijven een aantal dwarsliggers volgens een akte van de stad van 11/01/1656.  

12/01/1656: brouwers beklagen zich bij de kanselier over de harde houding van de stad die had gedreigd met sluiting van brouwerijen en vervallen van het ambt.  Heel de maand januari volgt er nog allerlei correspondentie over die zaak. Volgens sommigen was de zaak goed voorbereid vooraleer de Breede Raad een beslissing had genomen.  

25/01/1656: weer een voorstel om 4 stadsbrouwerijen op te richten: 1 aan het Stadsspuihuis, 3 aan de stadsvesten achter de paters Capucijnen. Zelfde tarieven als boven.

26/01/1656: Nadat de stad hun brouwerijen weer gesloten had, nadat ze drie dagen hadden mogen bier leveren, vragen de brouwers een overeenkomst.

28/01/1656: “Project van accordt onder het advoy van[den] Breedenraedt
Dat de brouwers volgende d’ordonnantie van[den] 9 en decemb[er] sullen betaelen den schellinck in questie.
Datmen belasten sal die buytenbieren met gelycken schellinck.
Datmen handelen sal over gelycke belastinge vande bieren die gebrouwen sullen worden in stadts brouwerijen.
Dat die brouwers geerigeert synde uyt pure gratie vande heeren bij ordonnantie van 13 february 1587 in eene natie, met expresse conditie van te achervolghen, ende onderhouden stadts ordonnantien, ende daerenboven onder expresse reserve, dat het maer en sal geschieden bij provisie ende reserve vande macht van die voors. ordonnan[tie] ende gratie te veranderen, ende soo van nieuw te disponeren, als die weth naer gelegentheyt vande saecke souden goet vinden sullen lijden geene natie te syn, tot dat anders van stadts wegen sal wesen gedisponeert.
Dat dit gedaen synde, sal gedelibereert worden over middelen dyer souden mogen syn om die brouwers wederom in natie te brengen alles soo te vorens versien synde, dater stadt door die selffve natie niet en soude worden vercort, als voor desen is geschiet.
Dat dyen volgende de brouwers sullen mogen brouwen, als particuliere borgers, tot andere resolutie daerover behoorlyck te nemen tot meerder voordeel vande brouwers.
Dat die brouwers sullen affgaen den voorcoop vande graenen ende colen.
Dat daer mede alle pretense reformatien, processen off litispendentien begonst tsedert den 9en decemb[er] 1655 sullen cesseren.”

Een ander project (van de brouwers?) om de zaak op te lossen hielt het volgende in:
1° Betaling van de schelling,
2° Schorsing van de natie van de brouwers tot de stad anders beslist,
3° Heffing van de schelling op de buitenbieren en het bier gebrouwen in de stadsbrouwerijen,
4° (geschrapt) Afgaan van de voorkoop van graan en kolen,
5° Als dit gebeurd is zal men nagaan hoe de brouwers kunnen hersteld worden in hun rechten maar dan wel zodanig dat de stad en de inwoners zeker zijn dat op het vlak van de bieren alles correct verloopt,
6° Dat daarmee alle processen ophouden,
7° Dat men zal ophouden met het brouwen in alle kloosters,
8° Dat de brouwers zullen brouwen als doende voor poorters neringe.

31 januari komt de zaak in de Brede Raad voor en men beslist dat er een nieuwe ordonnantie op de bieren zal worden gemaakt.
Er komen 5 nieuwe brouwerijen bij voor de burgers. Als die in werking zijn, dan zal de tapper bij provisie mogen brouwen in brouwerij Den Engel. Dit is dus een bestaande brouwerij die door de stad is overgenomen. 

15 april 1656 wordt het vonnis van de Raad van Brabant inzake de ordonnantie van 9/12/1655 voorgelezen. Dit ging tussen de stad en de suppoost van de brouwers: Jan van Nyp. De stad is niet verschenen tijdens de procedure. De ordonnantie van 9/12/1655 en alles wat eruit voortkwam wordt vervallen verklaard en de stad moet de proceskosten betalen. Kort daarna verklaart Jan van Nyp zich aan alle ordonnantien die gewijzigd zijn (gemodereerd) te willen houden en terug te willen brouwen. Hij verzaakt van alle processen tegen de stad. Op 25 mei staat de stad hem toe terug te brouwen.
Op 2 februari had de stad Jacques van Mael onder deze voorwaarden het brouwen toegestaan.

Uit andere documenten blijkt dat de stad het bijzonder hard gespeeld heeft in december 1655 en januari 1656, requesten om brouwerijen terug te mogen openen heeft afgewezen, brouwerijen wekenlang heeft gesloten. Volgens de brouwers hing er mogelijk een opstand in de lucht met plundering van hun brouwerijen. Onder die dreiging hebben ze alles dan maar aanvaard.  Op 1/2/1656 verklaren de dekens van het ambacht Adriaen van Thielen en Leonart van Uffels dat aangezien ze geen hoop hadden dat hun zaak tijdig afgehandeld zou worden, ze onder druk dan maar de voorwaarden van de stad aanvaard hebben maar dat het tegen hun rechten inging.

9/12/1660: Thoon, voor de brouwers als impetranten, tegen CBS als geintimeerden.
Verschillende getuigenissen van pachters van tollen, zegelaars enz. dat de buitenbieren niet belast worden met de schelling brouwersgeld, terwijl de Antwerpse bieren wel worden belast. Peeter Mercx, procureur en notaris, 56 jaar oud, verklaart het eigenaardig te vinden dat toen hij wijkmeester was hij moest vaststellen dat wijn en bier wel belast werden, maar koopwaar zoals zijde, goudlaken, cochenille niet. Ook Jonker Jan Anthoni Oostende, advocaat, heeft dit ondervonden. Analoge verklaringen die moeten aangeven dat het bier duidelijk de melkkoe is, en andere goederen niet belast worden. Getuigenissen dat op de avond van Driekoningen januari 1656 door de amman en de schepenen bier onder dwang is opgehaald in de brouwerij de Half Mane van Peter Pansius onder grote publieke belangstelling en dat diens vrouw op dat ogenblik het brouwersgeld heeft betaald. Het betrof zes- à zevenhonderd gulden. Het volk dreigde het huis te plunderen en nadat de heren zijn weggegaan zou dit ook gebeurd zijn indien een aantal mensen dat niet verhinderd hadden. Ook Anna de Man, de weduwe van Peter Pansius getuigt over het voorval. Haar man heeft daags daarna een verzoek om terug te mogen brouwen ingediend om zoiets niet meer te moeten meemaken, wat hem ook is toegestaan. De markgraaf getuigt ook dat het de bedoeling is geweest van de magistraat om een viertal brouwers gevangen te nemen maar de graaf van Fuensaldaña[1], die ziek in zijn bed lag, heeft via zijn kastelein laten verstaan dat het beter was de brouwers te vragen van op te houden.

16/03/1661: Jan van Nijp heeft terug een proces ingespannen bij de Raad van Brabant en wint opnieuw: alles wat hij na het eerste vonnis heeft overeengekomen met de stad wordt te niet gedaan.  

1659: stad claimt dat de familie en het personeel van de brouwers niet langer vrijgesteld zijn van de accijnzen op hun drinkbier als de andere poorters.

12/11/1656: Mannen werkzaam in een brouwerij en minstens 16 jaar oud hebben accijnzen te betalen op 4 amen per jaar. Vrouwen, dochters, kinderen tussen 8 en 16 hebben te betalen op 2 tonnen per jaar. Er wordt opdracht gegeven om in alle brouwerijen te tellen wie er recht heeft op hoeveel. Zie ook 12/12/1656: men had ontdekt dat de brouwers niet moesten betalen en dat wil men rechtzetten. Is zo vastgelegd op 12/09/1656. Er wordt gesteld dat dit meer dan 2000 gulden per jaar opbrengt. De stad heeft jaarlijks 400.000 gulden nodig om de uitgaven waaronder rentes te dekken. Wie nu nog vrijheid van accijns heeft zoals de geestelijkheid, heeft die slechts voor een paar tonnen.  Uiteraard waren de brouwers weeral een procedure gestart.

12/11/1656: Om te voorzien in een derde stadsbrouwerij is den Engel gekocht. Men kan er brouwen. Een concierge is aangesteld.
5/12/1656 is er al een reglement op deze brouwerij.

 

Uit SAA, GA 4432: Brouwers XVII (1660-1661)

17/01/1660: Jan Van Nijp tegen CBS: komt terug op het vonnis van 1656 erop wijzende dat het CBS hem hierin niet is tegemoet gekomen. Men heeft zelfs gedreigd om met wijkmeester en ambachtslieden bij hem binnen te vallen en alles in zijn huis te vernielen waardoor hij dan maar de eerdere overeenkomst heeft afgesloten. Hij ontkent niet dat de stad recht heeft op brouwersgeld, maar wel dat de brouwers dit moeten betalen (wat voor 1656 ook niet moest) 

9/03/1661: brouwers in het verweer tegen de nieuwe stadsbrouwerijen: Den Engel + 5 andere.

11/03/1660: CBS tegen Van Nijp: rechtvaardigen instellen 6 stuivers brouwersgeld als middel om dan noodzakelijk geld te verzamelen en ook wordt er gewezen op de bedenkelijke kwaliteit van de brouwsels. Hij is, nadat de andere brouwers gestopt zijn met procederen, in zijn eentje blijven doorgaan. Men heeft onlusten willen vermijden en men heeft meerdere malen op hem ingepraat om te stoppen met procederen. En dan heeft hij toegegeven, nadat men hem duidelijk gemaakt had dat hij bij zijn collega’s persona non grata zou worden. 

20/03/1660: Jan Van Nijp reageert tegen CBS. Verwijst nog eens naar de manier waarop hij onder druk is gezet door het college. 

1662: Inzake de stadsbrouwerijen. CBS tegen Brouwers: Er wordt op gewezen dat via het afkondigen van een soort ordonnantie op 7 januari 1654 de burgers en de tappers de kans hadden gekregen om granen te kopen en die te laten verbrouwen door een reguliere vrije brouwer. Maar de brouwers hebben dit weten te verhinderen, verwijzende naar eerdere overeenkomsten van 1611 en 1622.  10/09/1660 dienden de brouwers dan klacht in tegen CBS wegens oprichten, naast de Engel, van vijf andere stadsbrouwerijen. Stad had voorgesteld een strenge controle op de Engel en die vijf brouwerijen door te voeren dat er inderdaad alleen voor private consumptie zou gebrouwen worden. Daarover waren er al voor de stad positieve vonnissen geweest op 1/06/1655 en 9/03/1661. Wat de brouwers niet pikten. Ze willen sluiting. Stad zegt dat het akkoord van 12/01/1622 alleen spreekt over het feit dat men geen winst mag maken in de stadsbrouwerijen terwijl de kopie die de brouwers hanteren spreekt over de twee stadsbrouwerijen. De stad ontkent dat dit er in staat en als het er in staat dan is het een bevestiging van een reële situatie op dat ogenblik. Er staat geen woord over in dat er niet meer stadsbrouwerijen dan die oorspronkelijke twee (De Sleutel en Londen) mogen opgericht worden. Brouwen is overigens een vrijheid en de stad heeft de heerlijke rechten om hierover te beslissen sedert 1306.

14/05/1660 Jan van Nijp tegen CBS. Weer getuigenissen over de voorvallen van 1656, de bedreigingen die hij heeft gehad. O.m. Frater Petrus Daniels, minderbroeder, verklaart dat de toenmalige gardiaan van het Minderbroedersklooster, Pater Theodorus van Blitterswyck, Jan van Nijp schriftelijk heeft aanbevolen om het vonnis van de Raad van Brabant niet te doen uitvoeren maar het CBS te gehoorzamen omdat hij anders gevaar liep. Toenmalig burgemeester Jan Snijers getuigt dat hij de ambachtslieden maar met moeite kon bewegen om niet onmiddellijk geweld te gebruiken tegen Van Nijp. Van Nijp was zwager van de toenmalige rentmeester Diericx en hij en andere familieleden die aanvoelden welke druk er werd uitgeoefend hebben hem kunnen overtuigen. En hij heeft dan een schriftelijke verklaring ondertekend dat hij het vonnis niet zou uitvoeren. Ook pater Theodorus van Blitterswyck getuigt dat hij van Nijp heeft aangezet om het vonnis niet te doen uitvoeren.  

9/12/1660 Thoon (extracten): getuigenissen over de gebeurtenissen bij Peter Pansius. O.m. de getuigenis van Anna de Man, weduwe van P.P.

Er wordt gemeld dat op 12/01/1656 slechts een beperkt aantal brouwers terug mocht uitvoeren omdat men weigerde af te zien van de procedure bij de Raad van Brabant. Wie terug mocht leveren waren Borcht, Half Mane, Sweert, Roosenhoet, Temst en Claverbladt en diegenen die in de stadsbrouwerijen brouwden. 

1662: extract uit de eerste rekening vanden domeijne van Marcelis Librechts, rentmeester van de stad. Hieruit blijkt dat er nog steeds een halve stuiver gruitrecht werd geheven. De koning kreeg hiervan 17/32, De erfgenamen van Urssel 3/16, en de stad 5/32, jonker Kenix 1/8. De brouwers betaalden  voor de periode 1650 tot en met 1661 ineens 118 Lb 10 schellingen en 6 gr. Artois.

9/9/1661: de Raad van Brabant verklaart de ordonnantie van 9 december 1655 correct en dat de brouwers ten onrechte hiervan een wijziging verzochten. Ze worden veroordeeld tot de kosten van het proces.


Uit SAA, GA 4433: Brouwers XVIII (1663-1669)

9 juni 1663: PV van een conferentie van de gedeputeerden van alle leden van de stad gehouden op 9 juni 1663 “opden overslach van accord ende transactie tusschen de selve stadt er eenre ende de natie vande brouwers ter andere zijde.
Is een bespreking van de hangende processen tussen de brouwers en de stad.
Er zijn er drie:
1° Eén dat al loopt vanaf april 1654 vanwege de politieke ordonnantie van 7/1/1654.
2° Datgene dat ontstaan is op 14/12/1654 vanwege de ordonnantie van 9/12/1654.
3° Ook rond die tijd hetgene dat de brouwers verplicht accijnzen te betalen van hun drinkbier. 
Het eerste ging dus over de stadsbrouwerijen en den Engel alwaar brouwers zouden brouwen voor de tappers en de poorters. Hierop kwam dus een definitief vonnis van 9 maart 1661. De stad wou dit dan afdoen met een verklaring van een absoluut verbod op winst in de stadsbrouwerijen. Maar de brouwers waren daar niet mee tevreden en wilde de sluiting. Dus liep de zaak verder.
Het tweede ging dus over de schelling door de brouwers te betalen op elke aam bier die zij uit hun brouwerij aan de gemeente leveren.  Zij argumenteerden dat ze als beroepsgroep overmatig belast worden. Hun natie zou nu bestaan uit 27 personen en de belasting in kwestie brengt jaarlijks 40.000 gulden op, terwijl zij ook zitten met wanbetalers. De stad heeft echter voldoening gekregen van het hof op 9/12/1661. Maar de brouwers hebben hiertegen opnieuw geprotesteert.
Het derde over hun eigen drinkbier. De brouwers baseren zich op de overeenkomst met Van Schoonbeke en de daaruitvolgende vrijstelling waarvan ze al 80 jaar genieten.

Tegenvoorstellen van de brouwers:
1° Naast de drie alamen in de stadsbrouwerijen Londen en de Sleutel  zouden er twee komen in de Engel. Met de tien alamen die er nu zijn waren er 260 brouwsels gemaakt en dus volstaan vijf alamen.
2° Burgers en tappers zouden de schelling betalen maar de brouwers geven voor dat bedrag een korting op hun bier. Aldus is er een gelijkschakeling met de buitenbieren waar de tappers en poorters ook die schelling moeten op betalen.
3° Alleen de huidige brouwers zouden nog vrijdom van de accijns op drinkebieren houden gedurende 25 jaar.
De stad gaat die voorstellen nu onderzoeken en verder onderhandelen.

21/01/1668: zaak tussen kinderen en erfgenamen van wijlen Peeter Henssens en de brouwersnatie. Er blijkt in de Brouwersstraat een mouterij te zijn, Sint Jan, gelegen achter de brouwerij De Gecroonde Leeuw waar Peeter indertijd brouwde. De mouterij was vervallen en de erfgenamen wilden daar nu één grote brouwerij van maken maar dit kan niet zonder toestemming van de stad. Dit was aangevraagd op 16/03/1667. Brouwers zien dit niet zitten zich baserende op het contract met Van Schoonbeke. Er zijn bovendien in de Nieuwstad nog 21 ander huizingen, met mouterij, aanwezig zijn die hun water evenzeer betrekken via het brouwershuis en die men zou kunnen ombouwen tot brouwerij. Het betreft de volgende mouterijen: Middelborch, de Belle, de Ploegh, het Weireltken, het Papegaeyken, den Arent Bredael, Sinte Peeter, de Corenblom, Zierickzee, de Trouwe, de Pauwe, de Cleijn Trouwe, den Pellegrom, Het Lammeken, den Gulden Leeuw, de Vijff Haringen, de Sterre, Het Bijltien, het Exterken en de Stad Schoonhoven. Er wordt gewezen op de overeenkomsten met de stad die het gebruik van de gronden en panden in de Nieuwstad vastlegden. Stad staat het ook niet toe.

6/7/1668: in een request aan de stad laten de kinderen en erfgenamen Henssen weten niet akkoord daarmee te zijn.

Zaak tussen Jasper de Gra en de brouwers. Start met een request van de Gra van 24/01/1669. Wilde zijn huysinge de Papegaai in de Brouwersstraat omvormen tot een brouwerij mits betaling van de nodige rechten. De stad wilde hier positief op ingaan maar de brouwers lieten dit niet toe en de zaak is aanhangig gemaakt voor de Raad van Brabant. Maar de stad maakte hem in 1672 vrijbrouwer en gaf hem op 19 maart 1675 de toestemming om dat huis tot brouwerij te maken en hij heeft alle rechten betaald. Stad baseert zich op haar vrijheden om dit toe te staan.

In een procedure tussen de stad en de brouwers ontkent de stad zelfs dat er nog een brouwersnatie bestaat.

Bij het conflict tussen de brouwers en de stad over de schelling verklaarde de stad van plan te zijn, indien de brouwers bleven dwarsliggen, om buitenbieren toe te laten aan de normale accijnzen en toe te laten dat de burgers in de kloosters mochten gaan brouwen voor eigen behoeften.  De brouwers bleven dwarsliggen en de ambachten en wijkmeesters in de Breede Raad hebben het college gevraagd om onmiddellijk over te gaan tot publicatie. Dit is ook gebeurd op 19/12/1667 met afroepen en trompetgeschal. Dekens uit de brede raad zijn zelfs naar de dorpen in de omgeving gegaan om één en ander te melden. Ook de hogere overheid is verwittigd. Op 21/12 werd in de Maandagse Raad voorgesteld dat de poorters voor de ponts bieren en de duurdere bieren op elke ton 3 gulden 12 stuivers zouden betalen boven de drie stuivers amonitiegeld. Deze bieren zouden ongeacht waar ze gebrouwen worden op dezelfde manier belast worden: buitenbieren, bier door de burgers gebrouwen in de kloosters of de stadsbrouwerijen. Dit  werd op 22/12 aanvaard. Brouwers mochten zelf geen bieren uitleveren in die periode.  

1667? Proces van de stad tegen Nicolaes Minnaer, Jacques de Volder en Leonaerd van Uffels, brouwers.  Betreft de ordonnantie van 1655 op het Brouwersgeld. Werd weer hard tegen hard gespeeld. Er was geen officieel gilde meer sedert 1656. Wie zich deken of ouderman noemde was niet benoemd door de burgemeesters en schepenen.


Uit SAA, GA 4434: Brouwers XIX (1672-1678)

14/02/1675 De tonnen verkleinen bij het uitkuisen ervan en de brouwers willen hier een gebod op waardoor ze niet verkleinen. Na de werken steeds hereiken en hermeten. Kuipers hebben een hele reeks verplichtingen waar ze zich moeten aan houden.  

15/03/1675: brouwers laten weten aan de stad dat ze Jacques Janssens niet willen aanvaarden als brouwer.

25/05/1675: Voor notaris Reijnier vanden Berghe verschijnen Jan de Man, Jacquessone en Jan van Nijp, dienende dekens brouwersambacht en die verklaren op bevel van de stad van 24/05 te moeten Jacques Janssens te aanvaarden als vrijbrouwer en als suppoost van de brouwersnatie en dat hij zijn huis mag ombouwen tot brouwerij, zoniet hangt hen een boete van 2400 guldens boven het hoofd. Ze hebben hem aanvaard op basis van de ordonnantie van 5 maart 1675. 

Analoge akte op 12 juni 1675 voor Gabriel dele Houzé. Dit na een proces tussen de brouwersnatie en de erfgenamen van Peeter Hanssens. Het zou gaan om het omvormen van het huis Sint Jan aan de Brouwersstraat tot een brouwerij. Het gaat hier over een concessie toegekend bij de wethouders van Antwerpen van 21/1/1669. 

26/11/1675: er is een proces lopende tussen de brouwersnatie en Jaspar de Gra. Discussiepunt is of de stad toelatingen mag geven tot het starten van nieuwe brouwerijen of dat de brouwersnatie dat recht heeft door tractaten van 1552 en 1555. Maar in 1560 heeft het CBS zich die macht toegeeigend. De Gra heeft zo’n toelating van het CBS sedert 1674 en de Raad van Brabant staat hem ook toe hiervan gebruik te maken.  

Einde 1675 (december). Stad aan de Raad van Brabant over de brouwers. Jagen de stad met processen voortdurend op kosten. De brouwers zelf heffen een patacon op elk brouwsel waardoor ze voor hun rechtszaken voldoende middelen hebben. Stad vraagt einde van de akte van 12 juni 1660 die de brouwers dat recht geeft. Stad klaagt dat de brouwers telkens onmiddellijk naar de Raad van Brabant stappen en niet meer met de stad willen onderhandelen. Een kopie werd op 24/12/1675 overhandigd aan Jan van Nijp, deken. Brouwers zeggen wel moeten te procederen bij diverse instanties en dat ze het geld nodig hebben. Dit alles mondt uit in een proces voor de Raad van Brabant. 

1588: request brouwersnatie aan de stad hoe ze altijd brouwers en tappers en andere debiteuren aan wie ze bieren geleverd hebben zonder dat ze betaald waren via de accijnzen hebben kunnen aanpakken n.l. dat indien ze via een andere brouwer zouden bier kopen, ze van de accijnsmeesters geen teken kregen zonder de brouwers betaald te hebben. Ook moesten nieuwe brouwers altijd inkomgeld betalen aan de natie vooraleer ze konden brouwen maar dat is nooit via een acte of ordonnantie op papier gezet. Een aantal supposten zouden de jaarlijkse kosten niet meer betalen en dus vragen ze dat die oude gebruiken op papier worden gezet. En dat wordt door de stad toegestaan op 13/10/1588.

In 1632 was er de zaak van Peeter Henssen die klaagt over een Jan Hermans, commis van de accijnzen, die weigert mede te werken. Het betreft de onkosten van het Waterhuis die soms niet prompt betaald worden.  Nog een zaak betreffend het waterhuis van 1576. 

Op 7 februari 1676 werd op verzoek van de amman (schuldeisers waren E.H. Henrico Hille Werven, priester, en Jacques vanden Berge en echtgenote) verkocht: “Een huys met vloere comptoire ceuckene metten achterhuyse ende vrijen vuytganck inde brouwers straete mouterije bovencamers solders gronde ende toebehoorten inde nieuw stadt alhier opden oosterschen vliet tussen de huijsinge ende erve genaempt den Temst aen d’een sijde oostwaerts ende de huijsinge ende erve genaempt de drije snoeken aen d’een sijde westwaerts...” Behoorde aan Jaspar de Gra en zijn echtgenote. Belast met een rente van 300 gulden erfelijk aan E.H. Henrico Hille Werven en één van 250 gulden erfelijk aan Jacques vanden Berge en echtg. Het wordt door deze laatste verworven voor 7125 gulden. Daar bovenop kwam dan de openstaande rente van 4.800 gulden kapitaal met interesten. Het betreft het huis het Papegaaiken. Van den Berge was koopman. De bedoeling van de Gra was er een brouwerij te beginnen en hij kreeg hiervoor toelating op 18/03/1675 op basis van een ordonnantie aangenomen in de Maandagse Raad  in februari 1675,  maar hij werd insolvent. Van den Berge zal later verklaren zelf niet van plan te zijn een brouwerij te beginnen.  

29/12/1675 verklaren de brouwers dat ze akkoord gaan met het betalen van de patacon per aam door hen gebrouwd bier aan hun natie zoals voorzien door de ‘acte vanden hove’ van 12 juni 1660. Ze kijken de boekhouding van de natie na en zien daar geen fouten in. Het betreft volgende personen: Jan van Nijp en Jacobus Knijff, dienende dekens; Jacques de Man, Jan de Man, Jan Engelgrave, Hendrick de Wilde, Niclaes Minnaer, Gaspar Schrijnmaeckers, Jan Wittebol, Jacques van Mael en Jan de Man Jacquessone, oud dekens; Artus van Uffels, Jan van Uffels, Reynier Borsbeeck, Jan Baptista de Wilde, Jan van Scherpenberch, Carel van Pruyssen en Simon Wouters, brouwers en supposten van de natie; Magdalena Macquereel, weduwe van den tresorier Schrijnmaeckers, Catharina van Meurs, weduwe van Gaspar de Man, Magdalena Scholiers, weduwe van Cornelis Gortter, Sara vanden Ackerstock, weduwe van Guillieme Scholiers, Elisabeth vanden Heuvel, weduwe van Dionijs Strijpen, Françoise Gobert, weduwe van Guillaume de Hert, Maria Anna Le Felou, weduwe van Jan Knijff, allen brouwersweduwen die de leiding van hun brouwerij in handen hebben.

(totaal dus 26 brouwers)

 Brouwersgeld of hoofdgeld van een geheel jaar van maart 1676 tot 12 maart 1677. Dit wordt wekelijks geind. Vergelijk met 1727-1730!

Bedrag gulden

stuivers

Naam brouwerij

aantal mannen

aantal vrouwen

52

16

Claverblat

3

2

52

16

Maene

3

2

85

16

Oude Fortuyn

5

3

19

16

Pelicaen

1

1

66

 

Arent

4

2

66

 

Tempst

4

2

85

16

Borcht

5

3

52

16

Roosenhoet

3

2

79

4

Oude Leeuwen

5

2

92

8

Mantel

5

4

59

8

Croonde Leeuw

3

3

52

16

Croonborch

3

2

66

 

Lelie

3

4

13

4

Roose

1

0

59

8

Goublom

3

3

66

 

Ancker

4

2

112

4

Fortuyn

6

5

52

16

Sterre

3

2

59

8

Cruys

3

3

59

8

Swaen

3

3

72

12

Snoecken

4

3

105

12

Ketel

6

4

85

16

Klock

5

3

85

16

Coninghen

5

3

85

16

Sweert

5

3

66

 

Belle

4

2

85

16

Croon

5

3

92

8

Vercken

5

4

66

 

Berry

4

2

66

 

Wereldt

4

2

52

16

Sint Jan

3

2

 

 

Hert

 

 

19

19

Sonne

2

2

STADSBROUWERIJEN

31

4

Engel

1

2

19

16

Sleutel

1

1

23

8

Vlies

1

1

15

12

Londen

0

2

TOTAAL

 

 

 

 122

87

 25/06/1676 verklaart de brouwersnatie dat ze alle kosten zal dragen betreffende de processen die stad aan het voeren is tegen Michiel de Decker, brouwer te Berchem. Hierbij wordt een importverbod van Berchems bier toegepast wat de hoofdmannen van de poorterije en de wijkmeesters op 26/06/1676 geen goed idee vinden. 

7/4/1677: in toepassing van de ordonnantie van 22/02/1677 moeten de brouwers tweemaal per jaar zijnde op 12 maart en 12 september binnen de 8 dagen komen mededelen op basis van de namen en toenamen van de personen en hun ouderdom wie ze als familieleden in hun huizen hebben en de knechten en dienstboden die ze in dienst hebben, ook als die van buitenshuis komen, dit moet oog op de bepaling van het hoofdgeld. Reactie brouwers: wijzen erop dat brouwen zeer seizoensgebonden is en dat het aantal knechten en meiden sterk fluctueert. Hiervoor een heel jaar betalen vinden ze niet correct.

 
Uit SAA, GA 4435: Brouwers XX (1681-1688)

4/12/1681: Derde lid van de Brede Raad: ambachten verklaart dat er voortaan 8 guldens bier, op basis van de oude accijns, 4 guldens bier, waarop 2 gulden accijns betaald zal worden, en het klein bier naar gewoonte zal gebrouwen worden.

1681: brouwers zetten zich schrap als er weer sprake is van een pegel.  

1685: brouwers vragen CBS om op te treden tegen praktijken op het platteland: onder de prijs verkopen van bier, afremmen en extra controles op bier uit Leuven, Brussel en de akker van Immerseel.

Opbrengsten van de 7 stuivers van bieren die geëxporteerd worden.
Telkens van eind januari tot eind januari. Ik noteer het jaar dat al 11 maanden loopt: 

Jaar

Opbrengst gulden

stuivers

mijten

1685

5887

3

6

1686

5296

18

 

1687

5887

3

6

1688

7186

4

9

1689

6622

10

6

1690

10710

17

6

1694

10607

3

9

1695

11225

14

6

1696

11627

8

9

1697

12318

19

 

25/09/1689: Simon Wouters, deken van de brouwers, zat in zware schulden.  Krijgt 15000 gulden van de stad om de deurwaarders buiten te houden.

S.d. request bij de keizer door de stad. Er is een conflict met Leuven en zijn brouwers vanwege het feit dat het Leuvense bier maar maximaal 3 stuivers per pot in Antwerpen mag betaald worden. De Leuvenaars geven aan dat de transportkosten en tollen naar Antwerpen te hoog zijn om dan nog een bier te verkopen aan dat tarief. Volgens de Antwerpenaren belast de stad Leuven zelf de uitgaande bieren zo erg.  Brussel reageert zeggende dat ze geen probleem daarmee hebben. Men vermoedt dus dat de Antwerpenaren teveel winst wilden. 

Zaak Jaspar de Gra die in de Nieuwstad wil brouwen. Geeft een overzicht van de verkopen van het pand. Dit was oorspronkelijk van de stad gekocht door Melchior Schets, heer van Rumst, op 15/1/1562 en aan dit pand waren een aantal rechten verbonden zoals gebruik van de watertoevoer naar het Waterhuis, mits het delen in de onderhoudskosten. Die zijn tot op de huidige dag ongewijzigd gebleven.  Stad en brouwer de Gra sluiten een stilzwijgend akkoord. Men stelt vast dat de locatie geen probleem is, maar daarnaast moet hij nu als brouwer aanvaard worden. Dat is wel degelijk het recht van de stad om dat te bepalen. Zo heeft de stad in het verleden al Jasper Cossaert, Hendrick de Brouwer, wijlen N. Berrewijns, baas in brouwerij Croonenborch, Cornelis de Bouck en vele anderen die zelfs buiten de twee vlieten gebouwd hebben toegelaten. Nochtans klaagt de Gra erover dat men hem, die zelfs in de brouwzone binnen de twee vlieten zit, het brouwen wil weigeren. Het pand zelf waar hij wil brouwen is gelegen tussen twee brouwerijen en bovendien heeft dit bijgedragen tot de gelden voor de fortificatie. Het contract tussen de stad en de brouwers naar aanleiding van het oplossen van de zaak met Van Schoonbeke gaf een lijst van brouwers en hun nakomelingen die ervan zouden kunnen genieten.  Eén van de eigenaars was Cornelis Van Schoor die in dit contract expliciet werd genoemd. Bijgevolg moet de Gra van de afspraken kunnen genieten. Zoniet dreigde voor hem het faillissement en dat is dan ook gebeurd. De brouwers wenden dit faillissement aan om hem zijn recht om te mogen brouwen te ontzeggen. Hij is gehuwd en heeft zes levende kinderen. Hij was voorheen graanverkoper en moutmaker. Er zijn geen andere brouwers geweigerd in de natie met uitzondering van Martin Pauwels wiens brouwerij gebouwd was op een plaats buiten de cirkel van de twee vlieten in de Nieuwstad.  

 

Uit SAA, GA 4436: Brouwers XXI (1690-1699)

Mei 1691: klacht over het ammonitiegeld van 2 stuivers dat sedert 1678 is heringevoerd. Wordt een proces tussen brouwers en stad.

14/05/1696: er wordt een versterkte controle in de stadsbrouwerijen gevraagd. Het betreft het biljet waar een aantal namen op staan die niet gekend zijn. Men zal dit ook doen.

1696: Request van de brouwers om te bekomen dat ze niet aansprakelijk kunnen gesteld worden voor fouten begaan door hun knechten en personeel. Ze stellen dat die zaken achter hun rug doen en willen daar niet voor opdraaien. Misschien doen ze wel bewust fouten om hun meesters te ruineren. Bij de molenaren is voorzien dat als ze afstand doen van hun knechten (ontslag), ze niet vervolgd worden, en de brouwers wensen een analoge regeling. De aansprakelijkheid van de brouwers t.a.v. hun personeel was ingevoerd bij ordonnantie van 13/02/1587 en was vooral bedoeld om het ontduiken van de stadsaccijns tegen te gaan.  

6/10/1685: ordonnantie voorziet dat bij levering aan de kaai steeds aan de zegelaars de nodige documenten (reisbiljetten) moeten overhandigd worden. Als de zegelaars die niet correct binnenbrengen worden ze na de eerste keer geschorst voor 6 maanden en na de tweede keer voor altijd. De brouwersgasten die in gebreke blijven veroorzaken wegens de aansprakelijkheid van de brouwers dat deze na de eerste keer 100 gulden moet betalen, na de tweede keer zijn brouwerij zes weken sluiten en na de derde keer definitief sluiten.

14/02/1697: weer conflict over de stadsbrouwerijen. Stad houdt zich niet aan de overeenkomsten die een eed voorzien die brouwers moeten afleggen dat ze niet voor gewin maar voor eigen consumptie zullen brouwen. Stad kan die eed opleggen als men zijn biljet komt halen maar weigert soms zelfs de eed af te nemen. Op 27 februari 1697 veroordeelt de Raad van Brabant de stad om die eed telkens af te nemen op basis van de ordonnantie van 20/10/1642. Bij niet uitvoering hangt de stad een boete van 100 guldens boven het hoofd.
Op 27 maart 1697 verplicht de stad via een resolutie aan de kleinbrouwers in de stadsbrouwerijen dat ze niet voor winst mogen brouwen en alleen voor hun loon en dat de opdrachtgevers van het brouwsel in hun handen de eed zullen doen voorzien in de ordonnantie van 20/10/1642. De kleine brouwers weigeren dat echter en de zaak komt terug voor de Breede Raad omdat een aantal van die kleine brouwers er nu mee stoppen en daardoor een aantal burgers niet meer bediend worden in de stadsbrouwerijen. De stad is gaan onderhandelen met die kleine brouwers die voor zichzelf dan wel de eed hebben gedaan maar de brouwersnatie bleef aandringen op meer waarop de kleine brouwers weer stopten met brouwen.  Eind april, begin mei 1697 wil de stad dan ook opnieuw in proces gaan met de brouwersnatie over deze kwestie. Op 21/06/1697 laat deze via notaris Jacques de Vos weten dat overleg met de stad niets heeft opgeleverd.

1697: het is een zeer dure tijd en vooral de brandstoffen zijn zeer duur. Steeds meer arme mensen vluchten in de stad. Er zijn een aantal personen die een methode hebben gevonden waardoor men met 1/3 tot bijna de helft minder brandstoffen de grote ovens van industrieen zoals brouwerijen kan in gang houden. Er is hen een koninklijk octrooi verleend. Hierdoor kan de bierprijs op hetzelfde niveau als vroeger komen. Het octrooi verbiedt echter namaak gedurende 15 jaar van dergelijke ovens. De brouwers maken bezwaar tegen de kosten van de vernieuwing van die ovens en willen nog liever aan de huidige bierprijs blijven werken dan de vernieuwing toe te passen. De stad sluit een overeenkomst met de uitvinders. Ze hoopt van de koning de mogelijkheid te krijgen opdat ze brouwers en anderen kan verplichten om alle ovens te vervangen. De besparing van 6 tot 8 jaren lang in brandstof dient in geld aan de stad overgedragen te worden. De redenering is dat de brouwers, als ze niet van deze uitvinding gebruik maken, de hoge houtprijzen zouden betalen en dat is ook ten nadele van de stad die haar hout ook duur zou betalen bij werken. De stad geeft aan de brouwers die hun ovens vervangen drie maanden lang een renteloze lening. Ook willen de uitvinders drie ovens maken voor de brouwers op hun kosten die de brouwers dan drie maanden later zullen terugbetalen. De uitvinders geven een garantie dat als de ovens die ze gemaakt hebben niet naar voldoening werken, ze die terug zullen afbreken en de oude terugplaatsen. De uitvinders bieden een onderhoudscontract aan van de ovens tegen ongeveer 1 Karolusgulden per jaar.
Aangezien de uitvinders in het verleden al bedrogen zijn geweest door onoprechte verklaringen over het rendement van de ovens, zullen er personen aangesteld worden die met de uitvinders op een vertrouwelijke manier de zaak opvolgen. 

21/02/1698: Raad van Brabant (de koning) gaat in op de eis van de Antwerpse brouwers dat de stad de transacties en ordonnanties van 1621 en 1622 ten uitvoer brengt.  Er kleeft een boete aan van 100 gouden realen ten laste van iedere overtreder en op basis van de ordonnantie van 15 maart 1642 kunnen de brouwers zelfs de breuken aan hen doen betalen. Gaat over winst in de stadsbrouwerijen (nog steeds). Het proces kostte aan de stad 120 gulden.

Er was ook een vonnis geweest op 27/02/1697. Nieuwe leden brouwersambacht moeten zweren dat kleine bieren afgeleverd worden aan 29 stuivers per ton.

Er kan alleen nog in de stadsbrouwerijen gebrouwd worden mits het afleggen van een eed dat men de kleine bieren niet duurder brouwt dan 29 stuivers te ton. Wie er brouwt mag enkel zijn werkloon verdienen en geen winst maken waarvoor ook een eed moet afgelegd worden. Men noemt deze herziening en invulling van de vroegere ordonnanties en het proces dat eraan voorafging de ‘grote revisie’.

23 april 1698: de eed op basis van de ordonnantie van 1642 is gedaan door Peeter de Roij, Peeter van Boechoven, Cornelis de Clerck, Jan Bistmans en Jacobus Verschueren, stadsbrouwers. Maar er werd dus nog een strengere eed gevraagd door het ambacht die stricter aan art. 10 van de ordonnantie van 20/10/1642 beantwoordt en niet dat wat de stad ervan maakt. 

Op 17/12/1698 wordt door de stad geboden dat het de bierkruiers zijn die voortaan als enige het bier mogen vervoeren. De brouwers of hun knechten moeten het bier zelf brengen tot onder de reep en aanslaan ofwel brengen onder de waag en aan de kar van de bierkruiers. De bierkruiers moeten de lege tonnen terugbrengen naar de brouwers. Maar hier mogen de brouwers wel ook hun knechten voor inschakelen. Ingeval van brand moeten de brouwers water aan de bierkruiers bezorgen. De bierkruiers zijn een nieuwe natie die duidelijk onder invloed van de stad wordt opgericht. Daarvoor waren het de brouwers die zelf hun bier altijd transporteerden. De brouwers gaan hiertegen actie ondernemen. Volgens een waarschuwing van 22/12/1698 weigerden een aantal brouwers reeds veraccijnsde en bestelde bieren aan de bierkruiers over te dragen en dus te leveren. De stad vraagt dat men dit meldt. Inmiddels wenden de brouwers zich tot de Raad van Brabant, aldus een akte van 30/12/1698. Brouwers melden dat ze al zeker 140 jaar lang zelf hun bieren vervoerd hebben.  

3/1/1699: Voorbereiding nieuw contract waardoor de brouwers de bieraccijns en de accijnzen van gruis en het lepelrecht pachten voor drie jaar.

20/01/1699: Andries Cuypers, officier van de amman, heeft om 5 u. in de namiddag op basis van een vonnis dat de schout tegen hen heeft verkregen op 15/01/1699 van de wethouders heeft verkregen volgende vijf suppoosten van de brouwersnatie geexecuteerd: Mathijs Prommen, Thomas Gillot, Franchois Vermeulen, ??? Vermeiren en Adriaen Baert.

Op 14/7/1699 (zie document van 24/7/1699 van de Raad van Brabant) is er een vonnis geweest tegen de brouwers en voor de bierkruiers. Zij accepteren dit niet en vragen een aanpassing.


Uit SAA, GA 4437: Brouwers XXII (1700-1706) (in feite tot 1716)

4/01/1700: de herziening van de Grote Revisie is niet geworden wat de brouwers verwacht hadden. De stad heeft het proces voor de Raad van Brabant op 24/12/1698 gewonnen. Op 4 januari 1700 stelt de brouwersnatie procureur Nicolaes de Wandel aan om opnieuw een proces te starten voor de Raad van Brabant. In de jaarwissel van 1701-1702 sturen de brouwers aan op een minnelijke schikking maar ze wijzen op de “continuele notable excessen die dagelycx geschieden in deser stadtsbrouwerijen” en als daar niets wordt aan gedaan zal men voort moeten procederen. De stad stelt op verzoek van de brouwers op 9 januari 1702 Jonker Jan Augustijn de Lannoy, oud burgemeester en schepen, en Jonker Peeter Happaert, oud burgemeester, aan als onderhandelaars. 

1700: gebod: om het ontduiken van de accijnzen door het gebruik van te grote tonnen tegen te gaan enerzijds en de burgers te benadelen door het gebruik van te kleine tonnen anderzijds wordt er voorzien in een minimum van 104 potten die in een ton kunnen en 112 maximum. Het zijn de branders die iedere ton moeten meten en van een merkteken voorzien die verantwoordelijk zijn. Als men een ton vernietigt moeten alle merktekens van branders en kuipers onleesbaar worden gemaakt. 

29 maart 1700: er is nog altijd een probleem tussen de stad en de brouwers inzake de uitvoering van het contract van 10/02/1660 inzake de twee stuivers per aam. Men wil dat beide partijen het contract als uitvoerbaar beschouwen. Betrokken brouwers zijn: Jan Bordincx, Henrick Lauwereys, Jan Mandekens, Melchior van Trist, Jan Stockmans, Jan Kint, Willem Verlint,  Jen Verboirt, Henrick van Houte, Cornelis Schoor, Gelayn Verstappen, Cornelis Cornelissen, Geert Baers in de naam van Hans vanden Broecke, Sebastiaen van Hove en Cornelis Vervecken.

1703 (met reactie van de stad: aanstelling van jonker Jan Augustijn de Lannoy als vertegenwoordiger op 10/07/1703): Conflict tussen brouwers en bierkruiers die blijkbaar niet genoeg inspanningen doen om de bieren tijdig bij de burgers te krijgen en met de grote warmte is dat een ernstig probleem. Ze hebben volgens de brouwers te weinig karren en paarden.Daarnaast klacht over de ordonnantie die de brouwers een hele administratieve poespas oplegt, ook inzake de buitenbieren. De buitenlieden zouden voortaan bij de brouwers zelf hun bieren moeten halen wat betekent dat ze een stock moeten aanleggen. En daarnaast moeten de brouwers persoonlijk het reisbiljet overhandigen aan de poortwachters.  

11/02/1711: Request van de brouwers aan de stad dat ze wanneer de natie vergadert en de suppoosten opgeroepen hebben om aanwezig te zijn, diegenen die niet ziek of uit de stad zijn, een boete van 2 schellingen te kunnen heffen en bij protest dit bedrag te mogen verviervoudigen. Ze vrezen anders groot absenteisme op de vergaderingen.  Dit request wordt ingewilligd met het gebod van 3 augustus, afgeroepen op 18 augustus 1711 dat ook voorziet dat de supposten verplicht de twee gildenmissen (St. Arnoldus en de Zielemis voor de gestorven brouwers) bij te wonen. De vergaderplicht was al opgenomen in een ordonantie van 18/4/1678. 

Na 3/08/1711 (datum van een ordonnantie die de import al beperkte): brouwers reageren nog eens tegen de massale import van Leuvens bier via Mattias de Pester die ze inkeldert maar vaak, met toelating van het hof, ook als azijnbier verkoopt. Dit moet aan banden gelegd worden want hierop worden ook minder accijnzen geheven dan op de eigen brouwsels. Er wordt immers geen lepelrecht, steenkolen- en gruisrecht op geheven. En heel wat andere lokale ambachtslieden die met het brouwen verbonden zijn, verdienen niets aan de import van Leuvens bier: kuiper, smid, molenaar, wagenmaker, gareelmaker, seeldraaier, mandenmaker, buildrager, korenmeter. De brouwers wijzen erop dat het Leuvens bier alleen sterk bier is, daar waar de Antwerpse brouwers slechts één ton goed bier kunnen verkopen tegenover twee tot vier tonnen klein bier. Er zouden wel 1000 huishoudens zijn die de kost winnen door klein bier te verkopen.

De ordonnantie is gepubliceerd op 6/8/1711. De stad had schulden ten gevolge van het aankopen van graan voor de armen, graan dat zeer duur was geweest. Om de bieraccijns voldoende te laten opbrengen voorzag de ordonnantie dat de geimporteerde bieren enkel na betaling van de bieraccijns mochten gekelderd worden. 

26/09/1711: Voor schepenen Petrus Henricus Schut en Philips Ignace van Valckenisse geeft Jfr. Clara Theresia Vinck, weduwe van Henrico Engelgrave, voormalig rentmeester en twee tresorier van de stad, aan Franciscus vande Velde X Jfr. Maria de Voocht: “... een huijssinge wesende eene brouwerije metten plaetse, neercameren, ceuckenen, tonne huysken, ast, stallinge, gebruyck vander waterhuyse, gronde ende allen den toebehoorten, genaemd de Croone gestaen ende gelegen inde nieuw stad alhier opden Brouwersvliet aldaer tusschen de brouwerije genaempt het vercken (waer aff dese brouwerije eertijts gespleten is) ende waer aff de mueren tusschen beijde staende gemeijn sijn ende blijven sullen halff ende halff aendeen sijde westwaerts ende de huijssinge van deser stadts bieraccijse aen dander sijde comende achter vuijt inde brouwersstraet metten kool oft gruijskelder die voor desen, aende voorscreven huijssinge niet en heeft geweest ende nu geapproprieert wort dotte selve huijssinge ende brouwerije ende alsnu gespleten wort van sekere huijssinge de joffrouwe erfgeversse bij appaerten coop competerende ende welcken huijsse gestaen is neffens de bieraccijse ter brouwersstraet waerts, die sij blijft behouden (ende buijten den voorschreven hier vooren affgespleten kelder) in desen niet mede gecomprehendeert wort, ende voorts met allen den aleme totte voorschreve brouwerije dienende soo tonnen, halffvaten, vierendeelen, backen, cuijpen, aeckers, valeemers, stuijckmanden en de specialijcken ende generalijcken alles wat vanden aleme dependeert met gasten bedden, ende hen decksels ende tot ieder bedde twee paer laeckens, twee cruijders peerden met hen getuijge, bierwagens, volgers ende biertonnen ende oock allen anderen toebehoorten daervan oock dependerende sonder reserve of exceptie metten horologie staende inde tweede camer...”. Peeter Antonis en Jfr. Anna de Ram hebben de brouwerij op 24/03/1626 overgedragen aan Henrick Zegers en Cathelijne Janssens en die hadden als enige erfgenaam Johanna Zegers die gehuwd is geweest met dhr. Joan Engelgrave, schepen. De erfgeefster was de erfgename van Joan Engelgrave. Kostprijs: een erfrente van 1406 gulden 10 stuivers jaarlijks.

1711: er is nog altijd een succesvolle import van Leuvens en Diesters bier.

Geeft enkele cijfers verkoop door tappers in amen:

Jaar

vreemd bier

goed Antwerps bier

half stuiversbier

(tot?) 1677 (jaarlijks maximum)

3.272

30.926

39.480

1702

12.948

16.077

41.552

1710

15.041

16.876

35.825

Er wordt gesuggereerd door de brouwers dat ook de buitenbieren gemengd moeten zijn: goed en klein bier.

Bij herhaling wordt in de loop van de zeventiende en ook nog in 1713 een koninklijke ordonnantie gepubliceerd die uitgaat van de Raad van Vlaanderen die omwille van het oneigenlijk herbruik door andere brouwers van buiten Antwerpen van tonnen van Antwerpse brouwers, dit verbiedt en stelt dat tonnen steeds terug moeten naar de oorspronkelijke eigenaar.

Er zijn in 1714 in verband met het bier conflicten met Lier en Leuven. Protectionisme is de oorzaak. Tussen Antwerpen en Leuven wordt er wel een akkoord uitgewerkt.

5/3/1716: Ordonnantie tegen de fraude in de stadsbrouwerijen. De lijsten van de brouwsels komen niet overeen met de realiteit. Er worden valse namen gebruikt en er zijn valse verklaringen. De rol van de stadsbrouwers wordt hierin cruciaal: zij moeten weten voor wie ze brouwen en dat dit zonder winstgevend motief is.


Uit SAA, GA 4438: Brouwers XXIII (1717-1744)

Einde 1717 moeten de kleine brouwers van de stadsbrouwerijen een nieuwe eed zweren.

25/03/1716: de hoofdmannen van de andere naties vinden de ordonnantie van 5/3/1716 te ingewikkeld en willen dat ze wordt afgeschaft. De burgers worden door de slechte tijd al genoeg verdrukt. Hiervan werd op 19/02/1718 nog eens een kopie gemaakt.

5/03/1718: Notaris Bernardus Herreyns laat weten in opdracht van de brouwers naar Adriaen Schillemans, concierge van de stadsbrouwerijen de Grote en de Cleyne Engel en de Grote en de Cleyne Trouw geweest ze zijn. Hij heeft lijsten willen opvragen van wie de laatste seizoenen gebrouwen heeft en hij kon die niet geven, zeggende dat hij ze doorgegeven had aan de ambtenaren van het Zegelhuis, en hij geen kopie kon maken. De  brouwers laten hem nog eens duidelijk weten hoe hij die lijsten moet bijhouden. Bevat ook een reeks lijsten. De brouwers controleren die lijsten en speuren frauduleuze praktijken op.

In 1727 werd er voor 63 mannen en 52 vrouwen hoofdgeld betaald. In 1728 waren er 63 mannen en 54 vrouwen, in 1729  idem, in 1730: 61 mannen en 52 vrouwen. Vergelijk met 1677!

Brouwerij

Mannen 1727

Vrouwen 1727

Mannen 1730

Vrouwen 1730

Claver-bladt

2

3

2

3

Maene

4

2

4

1

Pelicaen

2

2

2

2

Tempst

2

2

2

2

Borght

2

3

2

3

Oude Leeuwen

4

3

4

3

Goublom

3

2

3

2

Mantel (begon te brouwen 23/06/1728)

0

0

2

3

Croonborgh

2

1

2

1

Lelie

2

2

2

2

Roose

4

3

4

3

Ancker

3

3

3

3

Fortuyn

2

2

2

2

Sterre

3

1

3

2

Cruys

3

2

3

2

Snoecken

2

3

2

3

Klock

3

3

3

3

Coninghen (insolvent in 1728)

2

1

0

0

Croon

4

3

2

2

Vercken

3

2

3

2

Berry

2

3

2

3

Middelborgh

3

2

3

2

Sonne

3

3

3

2

Sint Jan

3

1

3

1

 TOTAAL 

 

 63

 52

61

52 

 Verdwenen brouwerijen reeds in 1727 zijn Roosen Hoet, Gecroonde Leeuw of Montenaken, Goudblom, Eenhoren, Swaen, Sweert en Wereldt.

1/02/1731: Notaris Bernardus Dominicus Herreijns begeeft zich in opdracht van Frans Balsa, deken en brouwer in het Vercken naar de stedelijke maalaccijns en hij geeft aan dat Balsa een gezin heeft met vijf personen en dat hij nog een rosmolen heeft. Hij heeft een beurs met geld getoond voor de ‘menagie’ van de vijf personen en hij heeft betaling voorgesteld als deken van de brouwers voor alle rosmolens die de brouwers nog hebben.  

26/02/1732: zaak tussen de stad en de erfgenamen van Peeter Henssens die de bestaande mouterij Sint Jan, gelegen in de Brouwersstraat achter de brouwerij De Gecroonde Leeuw, die vervallen was, wilden ombouwen tot een brouwerij. Brouwers zagen dat niet zitten want dan zouden andere huizen, waaronder een aantal mouterijen die gebruik maken van het water uit de gemeenschappelijke houwer, ook aanspraak kunnen maken op het opstarten van een brouwerij. Het betreft de huizen: Middelborgh, De Belle, De Ploegh, Het Weireltken, Het Papegaeijken, Den Arent, Bredael, Sinte Peeter, De Corenblom, Zierickzee, De Trouw, De Pauwe, De Cleyn Trouwe, Den Pellegerom, Het Lammeken, Den Gulden Leeuw, De Vijf Haringen, De Sterre, Het Beijltien, het Exterken en de Stad Schoonhoven. Dit zou de ondergang van de bestaande brouwerijen betekenen. Ze verwijzen naar de ontstaansgeschiedenis van de brouwerijen aan de Nieuwstad waarbij men acht brouwerijen minder heeft gebouwd dan voorzien en zeker nu is het niet zinvol nog brouwerijen op te richten. Nochtans was dit in 1668 wel toegestaan door het CBS.

16/10/1734: Brouwers stellen voor in plaats van het paardengeld jaarlijks aan de stad te betalen de som van 25 Lb. Vlaams om gerust gelaten te worden. De stad zal dit toestaan mits men 150 gulden per jaar betaalt.

16/01/1745: Brouwers tegen de stad omwille van een ordonnantie van 12/01/1745. Ze betalen wel het voorziene maar voor de notaris protesteren ze met klem. De stad aanvaart het protest niet en eist stipte uitvoering van de ordonnantie en laat dit op 18/1/1745 weten aan die notaris die dit niet accepteert.

18/05/1743: Peeter de Pauw, voerman uit Leuven, krijgt van de tresorier-generaal geen toelating om te mogen leveren aan de Dam. Op 21 mei blijk dat de knecht van de Paul door de stad is willen gaan met vier tonnen, en dat de stad die terug heeft buitengeduwd.

Op 8 juni 1743 getuigen verschillende poorters van Leuven bij de plaatselijke notaris Dehulder dat ze voortdurend Leuvens bier naar en door Antwerpen hebben gedaan en meestal zijn lastig gevallen door de tresorier-generaal. Daarom hebben ze ook in de winter via omwegen geleverd aan hun klanten op het platteland . In geen enkele stad is men zo streng. Komt tot proces voor de Raad van Brabant. Leuvense magistraat eist de vrije doorgang door de stad op basis van de Blijde Inkomst. Antwerpen staat uiteindelijk toe dat de Leuvense voerlieden door de stad trekken mits een grondige controle bij het binnenrijden en het buitenrijden. 

Einde 1744: protest brouwers tegen de invoering van een nieuwe belasting op graan. Ook worden er hoger belastingen geheven op de vissen.

 

Uit SAA, GA 4439: Brouwers XXIV (1745-1788)

1745?: Namen van de brouwers en de brouwerijen in de stad 

Brouwerij

Brouwer

Specificatie

Claveren

Peeter Brouwer

kapitein

Roose

Peeter de Bridt

schepen van het Kiel

Halff Maen

Peeter Pesijn

 

Lelie

Joan van Horenbeeck

Kerkmeester van de burcht

Sterre

Guillielmus Peeters

 

Snoecken

Carel Leemans

Kerkmeester van de burcht

Sonne

Jacobus Pesijn

 

Mantel

Jan Baptista Peeters

 

Cruys

Engelbert de Winter

Kerkmeester van de burcht

Croon

Jan Baptista Potto

 

Berrie

Joan de haan

 

Tempst

Jacobus van Horenbeeck

 

Clock

Joan Bertrijn

Kapelmeester van O.L.V.

Coningen

Hendrick Mertens

 

Pellicaen

Cornelis Jacobs

 

Ancker

Wed. Strijpen

 

Oude Leeucken

Wed. Stijlaerts

De zoon

Fortuyn

Wed. Allaerts

 

Sint Jan

Wed. Montenaken

 

Goublom

Wed. Boets

 

Borght

Wed. Kannekens

 

Vercken

Wed. Balsa

 

Stadsbrouwerijen: Grooten en Clijnen Engel, Grooten en Clijnen Sleutel, Groote en Clijn Trouwe, Buiten, Middel en Clijn Vlies, Londen.

29/01/1745: conflict tussen brouwers en stad over de accijns van 1 stuiver op de granen. Stad meldt dat de brouwers hun prijzen aanpassen naar het hun gelieft. Er is al gepoogd met de dekens tot een overeenkomst te komen maar het lukt niet. De zaak eindigt met een vonnis van de Raad van Brabant van 13/03/1747 waarbij de eisen van de brouwers worden afgewezen. 

9/07/1745: kwestie tussen de brouwers enerzijds, en de stad, de Staten van Brabant en de dekens van het molenambacht anderzijds. Gaat over het verzegelen van de rosmolens van de brouwers en het verplaatsen bij wijze van proef van de productie naar de watermolens de Cisternemolen en Sint Jan. 

16/08/1745: sedert 1702 was er een algemeen verbod op het thuis malen van granen met quernemolens, handmolens etc...  Bleven nog actief zonder weten van de Staten en de stad de rosmolens van Peeter Stijlaert in de Ouden Leeuw, Jan Baptista Boots in de Gouwblom en Jan Baptista Kannekens in de Borght en dit tot 1729. Anderen willen nu nieuwe rosmolens oprichten en de stad vraagt dat de Staten de Brouwersnatie verplichten dit tegen te gaan. De Staten gaan daar op in. De brouwers mogen op de twee watermolens wel een vrije molenaar aanstellen en een toezichter van hun  granen en de thuislevering van het gemalen graan moet een een redelijk tarief gebeuren. Als de brouwers van de diensten van de twee molens niet tevreden zijn kunnen ze steeds twee of drie windmolens extra voorzien en bemannen. 

11/10/1748: problemen met de Herentalse vaart en de Schijn omdat men in Oelegem een blekerij oprichtende is die water van de vaart moet betrekken. Gaat vervuiling geven en dit is tegen het contract met Van Schoonbeke in. Er wordt ook gevraagd om de vaart regelmatig te ruimen. 

5/03/1716 is er een gebod geweest vanwege fraude in de stadsbrouwerijen met lijsten van valse namen. Brouwen voor winst is er niet toegelaten.

15/01/1754: stad reageert tegen de voerlieden van de brouwers die voor verkeersoverlast zorgen bij het leveren in de stad. Moeten hun karren dichter tegen de huizen plaatsen om anderen niet te hinderen. De namen van de brouwerijen zullen op plaatjes op de borst van de paarden worden aangebracht. De voerlieden voor de stadsbrouwerijen gebruiken het stadswapen en het nummer van de brouwerij.

5/5/1755: ordonnantie inzake de stadsbrouwerijen van 5/3/1716 is gecesseerd. Die was toch zeer controversieel en werd niet nageleefd van in het begin. De brouwers zijn daar niet gelukkig mee. Zij stellen in een procedure en hun grieven d.d. 29/10/1755 dat die ordonnantie van 1716 volledig in de lijn lag van die van 15 maart en 20/10/1642 en er een verduidelijking van was. Ze was enkel gericht op het bestrijden van fraude in de stadsbrouwerijen ten nadele van de stads en statenbelastingen en de brouwersnatie. Het gaat vooral over gesjoemel met namen en handtekeningen, op de lijsten. Door het opheffen van de ordonnantie van 1716 worden eigenlijk die van 1642 deels mee opgeheven. Dus die van 1755 moet ingetrokken worden. Is weer een hele juridische procedure.

Overtredingen door Jacobus Frederickx, officaaal van de bieraccijns, en de Apostelinnen in de Meistraat die toch zijn gaan brouwen in de stadsbrouwerijen. Daarna hebben de Apostelinnen beloofd het niet meer te doen, maar ze deden het nog wel in de brouwerij De Grooten Engel. 

Gebod van 7/10/1765 moet fraude tegengaan: sterke controle van de tonnen. Herbevestiging van de ordonnantien van 15/3 en 20/10/1642. Bepaalde tonnen mogen niet lang meer gebruikt worden. 4/12/1765: Bepaalde brouwers zouden nog graag langer die tonnen te blijven gebruiken. 

9/05/1772: Bevel Raad van Brabant Bepaalde Antwerpse brouwers exporteren hun bier in ongeijkte tonnen, wat al niet mag, maar die bovendien meer bier bevatten dan op de ton is aangegeven. Ze mogen die tonnen blijven gebruiken mits ze te ijken en aan te duiden hoeveel potten de ton bevat. Zoniet worden ze geconfiqueerd. 

Mei 1773: brouwers protesteren tegen de bouwmeester Melaerts, gehuwd met de weduwe van wijlen de metser Eeckelaers, die een pand heeft gekocht op de Brouwersvliet en uitkomende met een achterpoort in de Brouwersstraat t.o.v. de stadsbrouwerij de Grooten en de Cleynen Engel en vlak bij andere brouwerijen. Hij is daar kalk aan het lossen en ze hebben schrik dat hij van het pand een kalkschuur zal maken wat nadelig is voor de kleur van de witte bieren aangezien brouwers hun vensters moeten openzetten tijdens het brouwproces. Er mogen volgens de ordonnantie van 14/01/1653 geen turfschepen in de Brouwersvliet komen. 

17/07/1777: visitatie aan de stadsbrouwerijen: oplijsting van werken
Grote Trouw: de ovens en stellinge te voorsien en daecken.
Middel Vlies: het hout gereet te maeken voor een nieuwe cuype. De ovens en stellinge te voorsien.
Cleynen Engel: de binne gelaesen te verloeijen de ovens en stellinge te voorsien.
Grooten Engel: eenen nieuwen schepper, den back te voorsien; eenen nieuwen los aecker, den reep door vervecken naer te sien, de ovens en stellinge te voorsien.
Groote Sleutel: een nieuw houte goot de ovens en stellinge te voorsien; een alf venster, eenen nieuwen kelder val.
Sondeken: den voorgevel de canteelen af te nemen en met pannen te beleggen.

6/02/1788: dekens brouwersgilde hebben onder druk het zopas afgeschafte weeggeld in de stadshal betaald en stellen een notaris aan om dit door de stad te doen terugbetalen.  Ondertekend door: Jacobus van Goorlaecken, Pierre Joseph de Bridt, Jos. Ant. Peeters, Frans Jacobs, Philip Jacques van Broekhoven, Dominicus J. Gentil, Jacques J. van Dooren, Anthon. Leemans, Algidus Gerardi, A. Kannekens, J.N.Y van Essen, T.C. Janssens, P.F. Janssens, Charles van Eijndhoven en P.F. Peeters. 

3/10/1788: dekens brouwersgilde stellen op basis van een decreet van de Raad van Brabant van 24/11/1733 Jaobus de Blé voor als vrije meester molenaar op de Sint Jans watermolen en stellen een procedure in het vooruitzicht indien de stad deze man niet zou willen aanstellen.

 

Uit SAA, GA 4440: losse stukken

Bevat ook nog een protest van de brouwers dat ze hun rosmolens moesten uitbreken met een beslissing van Maria Theresia van 28/10/1752.  De windmolens van de stad Antwerpen en de twee slechte watermolens waren volgens de brouwers niet voldoende, vooral bij windstilte (zoals nu al een achttal weken). Want dan hebben de bakkers voorrang bij de watermolens. In zo’n situatie zouden de brouwers graag drie rosmolens hebben maar die zijn op dit moment in zeer slechte staat en er zijn geen molenaars noch paarden te bekomen. Daarom willen ze permanent twee of drie rosmolens met molenaars en personeel erbij. 

Na 1700: het invoeren van de bierkruiersnatie heeft als gevolg dat de brouwers minder knechten nodig hadden. Dus zouden ze ook minder belastingen op personeel moeten betalen.

 

Uit SAA, N 2207, f° 12 r°, 18 januari 1636 (gevonden en geparafraseerd door Hugo Lambrechts)

Op verzoek van de dekens van de brouwers van Breda

Jaspar Schrijnmakers, brouwer in de Roosenhoet in de Nieuwstad, Jan de Bruyne, brouwer in het Claverblat achter de Anckervliet, beiden dekens van de natie van de brouwers, Niclaes de Backer, brouwer in de Fortuyne op de Paardenmarkt en Jan Bruynincx brouwer in de Clocke in de Nieuwstad, beiden oud-dekens van vs natie, verklaren dat de brouwers in deze stad vermogen te brouwen zo voor de burgerij als voor de buitenlieden dezer stad, allerhande bieren van 6 gld, 7, 8 10 en 12 gld en tot elks gerief en begeerte.


[1] Het betreft: Alonso Pérez de Vivero y Menchaca (Valladolid, h.1603 - † Cambrai, 21 de noviembre de 1661) séptimo vizconde de Altamira y tercer conde de Fuensaldaña zoals men hem kan vinden op de Spaanse wikipedia.