De Roosehage: Reyndersstraat 53

Terug naar het overzicht van de huizen

 

De koopakte van 8 november 1610 laat ons weten dat Mathys Martens en zijn echtgenote Anna vander Neesen de nieuwe eigenaars worden van wat stereo­tiep als Een huys metten gronde [ende] toebehoorten genaempt de Roosehage wordt beschreven en gesitueerd tussen de Donderbusse en de Crieck­hage. Zij waren daarvoor al huurders[1]. Uit de verkoopakte van dit laatste pand weten we dat de Roosehage toegang had tot de beerput van de Crieckhage die tot gelijke kosten moest geruimd worden via de Crieckhage. Het echtpaar Martens - vander Neesen kreeg zeker drie kinderen die hen overleefden: Martinus, Maria en Sara en de zoon werd op 14 januari 1642 de nieuwe eigenaar van de Roosehage[2]. Samen met zijn echtgenote Cornelia van Campen had Martinus Merttens wellicht in de Roosehage al een testament laten opmaken in 1637[3]. In de cohieren van 1659, 1667 en 1672 worden een aantal huizen met elkaar verwisseld maar we mogen toch met enige zekerheid zeggen dat Marten Martens zijn huis in die jaren echt heeft bewoond[4]. Het had een huurwaarde van 80 Car. g. en was uitge­rust met twee schoorsteenpijpen. In 1682 en 1689 werd het bewoond door de weduwe Mertens, d.i. Cornelia van Campen[5], daarna en zeker in 1704 tot 1708 door hun zoon Geeraerdt Mertens[6], die bij een verde­ling op 9 juli 1699 het huis voor zichzelf had weten te behouden[7]. De zoon van zijn broer Melchior, Geeraert Mertens, gehuwd met Anna Maria Brons, erft het bij een verdeling d.d. 14 november 1716[8].

 

Na de dood van haar man verkoopt Anna Maria Brons, samen met hun drie overblijvende kinderen, het huis op 4 augustus 1744 voor 500 gulden aan Jacobus Goris en Joanna Verreycken die het meteen hypothekeren voor het volle bedrag[9]. Jacobus Goris en zijn echtgenote staan in 1754 als bewoners geboekt. Van beroep was Jacobus 'natiegast van[de] werff'[10]. Na de dood van Joan­na verkoopt Jacobus, samen met de familie van zijn overleden vrouw op 14 juni 1765 het huis voor 724 gulden aan Maria Catharina Wouters, de weduwe van Peeter Lambreghts[11]. Zij verkoopt alweer op 6 mei 1769 voor 908 gulden aan Joannes Franciscus Willemsens en Joanna Catharina Huygens[12].

 

De situatie is in 1796 nogal onduidelijk wat dit pand aangaat.  Ik vermoed dat de rubriek waarbij ene Anna Wilms, woonachtig in de Zilversmidstraet, als eigenares staat aangeduid dit huis, waarde 1800 gulden, behandelt.  Huurders zijn dan François Neefs, 43, en François Lauwens, 40, beiden pruikenma­kers, Françoise Delfor­ge, 36, naaister en echtgenote van Lauwens, en de kinderen van Lau­wens: François, 8; Jeanette, 7; Jean, 4 en Anne, 2[13]


 

[1] SAA, SR 489, f° 400 v° - 401 r°.

[2] SAA, SR 674, f° 296 v°.  De meerseniers kennen in 1636 een weduwe Mertens in de Reyndersstraat die in vlas handelde (GA 4215).

[3] SAA, N 3756 (1637), p. 199 - 202 en 211 - 212.

[4] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 178.  Marten Martens staat telkens verkeerdelijk genoteerd als eigenaar van de Mispelha­ge.

[5] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 r°, nr. 174.

[6] SAA, R 2516 : Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 174; GA 4832, f° 63 °, nr. 174.

[7] SAA, SR 981, f° 502 r° - 503 r°.

[8] SAA, SR 1051, f° 585 r° - 586 r°.

[9] SAA, SR 1152, f° 258 r° - 259 v°.

[10] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 33, nr. 130.

[11] SAA, SR 1224, f° 217 v° - 218 v°.

[12] SAA, SR 1236, f° 99 r° - 100 r°.

[13] Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2279.