Den Witten Hert, Reyndersstraat 45

Terug naar het overzicht van de huizen

 

De geboortedatum van dit pand is 6 november 1610. Jacques van Colput, of Coelput, en zijn echtgenote Marie Brugmans verwerven: Een huys metter halver weerdribbe die tot gelycken coste van desen ende de nabeschre­ven huysinghe genaempt den grooten haghe, over derve nochtans vande selve huysinghe den haghe geruympt moet worden, met oock den gebruycken vande regenback pompe voor opte strate staende die tusschen desen huyse [ende] den nabeschreven huyse ge­naempt de mispelhaghe voordane zal zijn [ende] blijven gemeyn en[de] tot gelycken coste halff ene halff onderhouden moeten worden, gronde [ende] alle[n] den toebehoorten[1], gelegen in de Reyndersstraat tussen de herberg Groote Hage en de Mispelhage. Jacques van Coelput was volgens de documenten een holdraeyer, d.i. een houtdraaier, in een andere tekst wordt hij stoeldraaier en nog elders (in 1636), houtbreker genoemd.

 

Hij kocht er op 10 november 1636 ook nog het huidige nr. 41 bij en hypothekeerde toen beide huizen, waarvan het nr. 45 effectief nu Witten Hert, waarschijnlijk omdat er een uithangbord met die naam daarop hing, wordt genoemd, ten voordele van de huysarmen (daklozen)[2]. Het echtpaar van Coelput- Brugmans kreeg één dochter, Joanna, die huwde met Henrick (van) Breu­gel. Deze staat in het cohier van 1659 genoteerd als (inwonen­de) eigenaar van het Witten Herdt. Het pand was voorzien van 2 schoorsteenpijpen en de huurwaarde werd geraamd op 72 gulden. Noch datzelfde jaar echter op 19 augustus verkopen ze een pand aan de koopman Peeter Coeck den Jongen en op 26 augustus 1659 bekennen een aantal schuldeisers van Jacques van Coelput voldaan te zijn betreffende schulden die drukten op een huis wesende een backerye, genaamd Den Witten Hert inde Haege. Het gaat hier echter, zoals reeds gemeld, om het huis Reyndersstraat 41 dat dus eenzelfde naam kreeg als nr. 45[3]!

 

De Witten Hert waarover het hier gaat werd in 1667 gehuurd door ene Artus de Coster en op 23 december van dat jaar verkocht door Hendrick van Breugel, nu weduwnaar, en de voogden over de minderjarige kinderen, aan outschoenmaec­ker Jan Michielssens en zijn echtgenote Anna Radoviq[4]. Het cohier van 1672 is formeel: Artus de Coster moest zijn biezen pakken naar het buurpand (nr. 43) terwijl Jan Michielssens zijn huis met een huurwaarde van 80 gulden ging bewonen.  Vol­gens het cohier van 1682 was Peeter Jan Michielssen toen nog steeds inwonend eigenaar en de huurwaarde bedroeg terug 72 gulden[5]. Vanaf 1689 tot 1708 waren er achtereenvolgens Jan Michielssens, Jan Heyselincx en Jacobus August die ook al verderop in de straat had gewoond[6].

 

Op 26 augustus 1727 doet Elisabeth Michielssens, de enige dochter van Jan Michielssens en Anneken Hadock, afstand van de erfenis van haar ouders waaronder de Witten Hert. Maria en Jan Baptist Willemsens verkrijgen het huis[7]. In 1754 huurt de hoedenma­kersknecht Cornelis de Backer er samen met zijn vrouw en twee zonen[8].

 

Op 2 maart 1761 verkopen de erfgenamen van Joannes Willemssens en Maria Gevers de Witten Hert voor 650 gulden aan Anna Deckers[9]. Op 27 maart 1781 verkoopt ze het pand voor 1320 gulden aan Joannes Baptista Josephus Lion en Anna Catharina van Olmen die meteen hypothekeren voor 800 gulden ten voordele van de verkoopster[10].  In 1796 treffen we er dan ook volgende eige­naars- bewoners aan: Jean Lion, 45, kleermaker, gehuwd met de 36 jarige naaister Mari Houtendirick en met als kinderen Catherine Lion, 15, kantwerkster, Terèse Lion, 11 en Marie Lion, 10.  Verder woont ook Cornille Voorspraeck, eveneens naaister, 27, bij hen in.  Waarde van het pand: 1300 gulden[11].


 

[1] SAA, SR 489, f° 391 v° - 392 v°.

[2] SAA, SR 635, f° 351 r° - 352 v° en 359 r°. Gemeenschappelijk testament: N 3772, f° 135 v° - 136 r°. Het testament van Maria Brugmans d.d. 17 juli 1657 opge­maakt bij notaris Vander Donck in de Pelgrimsstraat spreekt over volgende voorwerpen die geprelegateert worden: een gouden diamant- en een gouden trouwring, zilveren lepels en een dito zoutvat. Bron: N 3774, f° 68 r° - 69 r°.

[3] SAA, SR 753, f° 118 v° - 119 r°; 154 r° - v°.

[4] SAA,  SR 808, f° 378 v° - 379 v°.

[5] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk 1672, nr. 181; GA 4831: Burger­lijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 178.

[6] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 178; GA 4832, f° 63 v°, nr. 178.

[7] SAA, SR 1091, f° 300 v° - 301 v°. In 1732 bewoonden Maria en Joannes Baptista Willemssen een huis in de Minderbroeders­straat: N 2758, f° 85 r° - 88 r°.

[8] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 35, nr. 134.

[9] SAA, SR 1213, f° 340 r°- 341 v°.

[10] SAA, SR 1275, f° 248r° - 249 v°.

[11] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2275 en 2276.