De Groote Hage,  Reyndersstraat 43 (gedeelte naast 45)

Terug naar het overzicht van de huizen

 

De Groote Hage vormt nu samen met de Peerhage het huisnummer 43 maar dit is niet altijd zo geweest. Zijn  naam heeft het pand gekregen omdat het de grootste afsplitsing is van het pand de Hage. De Groote Hage heeft de functie van de vroegere Hage op de Koornmarkt overgenomen, nl. herberg en dat kon gemakkelijk omdat dit pand niet alleen sedert 1610 over een dubbelgroot perceel aan de Reyndersstraat kon beschikken maar ook over een aanzienlijk perceel dat nog in 1546 van de aangrenzende Tennen Pot was vervorven. Aldus kreeg de Groote Hage drie nummers in het officieel wijkboek: nr. 245 - 247.

 

Zetten we de gebeurtenissen die aanleiding gaven tot het ontstaan van de 'Groote Hage' even op een rijtje:

 

1) Op 2 november 1546 verkoopt François Bernryder, weert in de Tennen Pot aan zijn collega Willem van Montfoort, weert in de Hage: Eenen stal zoo dien nu afgemetst moet worden met een deel van een[en] packhuysen daerneffens oostw[aert] te wetene tot opte gerechte helft vanden balck naest den vs. stalle meten geheelen muere vanden zelve stalle en[de] pack­huyse noortw[aer]t tot opte helft vanden vs. balcke en[de] metten oezyedruppe daer buyten na dese stadtrecht, gelegen achter de Tennen Pot tussen Willem van Montfoort Zuidwaarts, Niclaus sHerwouters erf ook van deze stal gespleten zijnde alwaar deze bezig is met een gemene scheidingsmuur te maken Westwaarts, De Tennen Pot Oost- en Noordwaarts[1].

Aldus geïntegreerd in de Hage kent het tot 1610 dezelfde geschiedenis als dit pand.

 

2) Op 3 november 1610 bekent Thomas Gramaye, de laatste eigenaar van de gehele Hage aan Jacob Janss[en] van Os verkocht te hebben eene huysinghe wesende nu ter tyt eene wtspanninghe met neercamer[e], keucken twee groote stalling­hen, met diverse oppercameren kelders, [ende] met eene groote pletse gronde [ende] allen den toebe­hoorten geheeten den grooten haghe gestaen ende gelegen inde reynerstrate alhier tusschen thuys genaempt de peerhage den cooper oic toebehoor­en[de] aen deen zyde westwaert ende thuys gecocht by Claes van Coelput stoeldraeyer aen dander zyde oostwaer"[2]. We verne­men ook dat het pand verhuurd wordt aan ene Govaert van Goidsenhoven. Gezien de ‘strategische’ ligging van de Groote Hage t.o.v. zijn buren zijn er ook wat bepalingen inzake afvoer van water. Ook vinden we nog het volgende nopende seker reepken erven liggende tusschen twee muren van de pompe af tot aen tcleyn plaetsken van tvoorhuys, is in dese vercoop­inghe oic begrepen, [ende] zal den cooper mede volgen tott[en] solderinghen van[de] ierste verdiepinghe toe, ende alst hem zal gelieven. De akte spreekt ook nog over een medepand­schap voor een cijns op de Tennen Pot wat betreft de  groote plaetse ende den langhen achterstal aende noortzyde va[nden] selve plaetse.

 

Een stuk van deze Groote Hage (de zg. 'Witte Lelie') gaat zijn eigen leven lijden als Jacob Janssen van Os op 17 juni 1617 overgaat tot de verkoop aan Thielman Broen of Brous, arbeider en tavernier van Een nyeuw betimmert huys met winckel keucken plaetse kelder hangen[de] camer oppercamere, solderen, halver weerdribbe (die inden keldere van desen huyse geruympt moet worden) gronde [ende] alle zynen toebehoirten gest[aen] en[de] gelegen inde Reynder­strate alhier daer de voers. cooper van meyning is wttehangen de witte lelie, tusschen thuys toebehoren[de] Jacq[ue]s van Coelput stoeldraeyer daer aff desen huys het water leyden moet aen deen zyde oostwaerts, [ende] de huysinge van[den] groote hage den voors. vercooper oick toebehoirende aen ander syde westwaert[3]. Thielman Brous bezat ook nog de Witte Roose, Reyndersstraat 15. Zeven dagen later verkocht van Osch ook nog de Peerhage.

 

Om overzichtelijk te blijven delen we de geschiedenis van de Groote Hage en die afsplitsing die ik gemakkelijkheidshalve ‘Witte Lelie’ zal noemen even op.

 

1. De eigenlijke Groote Hage (off. wijkb. nr. 246 en 247)

 

Op 17 mei 1624 geeft J.J. van Os voor de som van 1660 gulden en een erfrente van 200 gulden per jaar (in totaal dus 4860 gulden) aan Jan Dens, cremer, en diens echtgenote Magdalena Pluym, de toestemming om te gebruiken en bezitten voor altijd Eene huysinge met hove neercameren, ceuckenen gronde [ende] allen den toebehoirten geheeten den grooten haghe metten huyse daer neffens oostwaerts gestaen oick metten gronde en[de] toebehoirten [ende] met alle tgene van schijnhout [ende] anders in[de] selve pande eert [ende] nagelvast is[4]. Om de zaak dus nog wat gecompliceerder te maken deelt men het geheel dus nog eens op in den Haghe (off. wijkb. nr. 246), het gewone huyse dat volgens de akte door ene Hans Truyens werd bewoond, en de Grooten Haghe (off. wijkb. nr. 247), het huysinghe, bewoond door de verkoper. Noteren we dat er 10 stuivers erfelijk keldercijns op het geheel moet betaald worden.

 

1a) De Groote Haghe (off. wijkb. nr. 247)

 

Op 27 juni 1635 verkoopt Jan Dens aan koopman Joos de Vaddere, één van de zonen van zijn overleden echtgenote Magdalena Pluym uit een vorig huwelijk Eene huysinghe met hove neercameren ceuckenen gronde, ende allen de toebehoorten genaempt de grooten haghe, gesitueerd tussen de Peerhaghe en het huis van Barbara van Weerden[5]. Op 1 februari 1637 laat Joos de Vaddere zich door Andries Dias vervangen wanneer hij zijn huis verkoopt aan de koopman Peeter Coeck[6]. Deze laatste ziet t.o.v. van de curatoren van het sterfhuis van Joos de Vaddere op 23 september 1638 af van de koop[7]. Eén van die door de Raad van Brabant aangestelde curatoren, Jan de Lettere, verkoopt voor een erfrente van 175 Car. g. per jaar de Groote Hage op 20 juli 1640 dan aan Jacobmyne van Huynez, weduwe van Jan Bunnens en Peeter Stappart, testamen­taire voogden over Jan Bunnens Janssone, en zoon van Jacobmyne[8].

 

De cohieren zijn hier nogal verwarrend wat betreft naamsvor­ming maar de volgor­de lijkt mij wel juist. Zo vinden we als buurman van de Peerhage in 1659, 1667 en 1672 telkens de huurder Laureys Carlena die een pand huurt waarde resp. 144,  150 en 200 gulden en voorzien van 5 schoorsteenpijpen[9]. Tegen 150 gulden wordt het onder de naam St. Joseph in 1682 en 1689 bewoond door Jan Bertels, handelaar in kant in de Reyn­ders­straat vanaf 1677 tot 1696[10].  Daarna wordt het bewoond door resp. Peeter Valckeneer en (zeker in 1704) de lakenhan­de­laar François van Heurck, door de meerseniers als bewoner van de Reyndersstraat gekend in 1700[11].

 

De familie Bunnens had een uitgebreide schare redelijk vermogende nazaten en verwanten. Eén daarvan, Charles Eugène Gobrisse, raad en rekenmeester, kwam in slechte papieren en op verzoek van Louis du Bois, Heer van Aische en Refail, Walhein, werd in maart 1723 zijn deel in het huis onder arrest ge­plaatst opdat het niet verder verkocht kon worden. In mei werd het arrest gecasseerd en werden verschillende leden van de familie Dujardin eigenaar van het pand[12]. De Dujardins laten het op 11 december 1734 verkopen aan Jacobus van Papekeel en Maria van Mechelen, dit voor het bedrag van 1400 gulden. De kopers hypothekeren meteen voor een erfrente van 75 gulden per jaar[13]. Zij verhuren in 1754 aan de diamantslijper Augustinus de Petter en zijn echtgenote[14]. Weduwe geworden verkopen Maria van Mechelen en haar enige dochter Maria Catharina van Papekeel het huis op 19 april 1759 voor 3600 gulden aan de koopman Henricus Bynen en Isabel­la Cort­hout. Nog diezelfde dag koopt deze ook het navolgende pand Den Cleynen Haghe er­bij[15]. In 1762 wordt hij ook eige­naar van de Peerhage.

 

 

1b) Den (Cleynen) Haghe (off. wijkb. nr. 246)

 

Op 15 januari 1627 verkoopt Jan Dens, als testamentair execu­teur van de uiterste wilsbeschikking van zijn inmiddels overleden echtgenote Magdalena Pluym en tesamen met haar zonen uit een eerder huwelijk Joos en Bernaert de Vaddere, voor 1400 gulden aan Barbara van[de] Weerde[n] Een huys met vloere keuckene, plaetskene, keldere, hangende camere bovenca­mer solder gronde [ende] allen den toebehoorten genaempt den cleynen haghe, tussen de Groote Hage en de Witte Lelie gesitueerd. Barbara van Weerden was de dochter van Jan van Weerden en van Jehanne Gauchiers en zuster van Marcelis van Weerden die zopas de Witte Lelie daarnaast had gekocht [16]. Er zijn nog twee belangrijke voorwaarden:

1° Het water van dit huis moet voortaan over de Groote Hage worden afgevoerd.

Ende dat den ganck van[den] selven grooten haghe byden comparant nochte syne nacomelinghen van nu voortaen nyet voorders opgebroken en sal mogen worden dan dyen nu es opdat de hangende camer van desen [ver]cochten huyse de welcke is comende boven den vs. ganck daerby nyet beschadicht en wor­den.

 


 

Dit betekent dat we mogelijk tot volgend schema kunnen komen:

 

 

Tennen Pot

 

 

 

 

(Witten Hert)

448

45

 

 

 

 

 

     gang

 

Groote Hage

(Witte Lelie/Gruen Hage)

449

 

17/06/1617: J.J.van Os - T. Brous

 

Cleynen Hage

43

15/01/1635: Jan Dens - Barbara van

Weerden

 

 

27/06/1635: Jan Dens - Joos de Vaddere

 

Peirhage

449

43

 

(Witten Hert inden Haege)

450

41

 

 

Doernehage

451

39

 

 

Appelhage

451

39

 

 

 

 

Waarschijnlijk is Barbara's vader, Jan van Weerden, in de jaren 1627-1631 bij haar komen wonen. Zijzelf was zeker in 1641 gehuwd met de kremer Thomas Ancker, en op dat ogenblik was er een nieuwe gemeenschappelijke borneput liggen­de in de kelder van de Witte Lelie.  Noteren we dat Ancker in de Reyndersstraat woonde in 1636[17].

 

In de cohieren van 1659 en 1667 wordt de Cleyne Hage verwar­rend aangeduid maar we menen dat het huis huurwaarde 40 gulden in 1659 en 48 gulden in 1667, uitgerust met drie schoorsteen­pij­pen en bewoond door resp. Emerich Stevens, peltier, en Peeter Tellier, hoedenverkoper het pand is waarover we het hier hebben.  Tellier woonde nog steeds in de Reyndersstraat in 1677 en 1681, maar waarschijnlijk niet meer in dit huis want we kennen een andere bewoner in 1672, een zekere Arthus de Coster[18].

 

Barbara van Weer­den had een dochter, Monica Ancqué of Ancker, die gehuwd was met Emerich Stevens. We beschikken overigens over hun testament d.d. 3 december 1656[19]. Na de dood van Emerich her­trouwde Monica Dionys van­der Jeucht, de deken van de peltiers. Volgens hun testament van 1 oktober 1675 bewoonde het echtpaar alleszins een huis in de Reynders­straat.[20]. Ondanks het feit dat Dionys toen op zijn ziekbed lag is hij het die als haar weduwnaar bij akte d.d. 29 april 1681 samen met de andere erfgenamen het huis voor 1206 gulden verkoopt aan de begijn Susanna Blom­maerts die een erfrente van 25 gulden per jaar verkoopt[21]. Zij verhuurt haar pand rond 1682 en aan Nico­laes Compas voor 72 gulden, in 1689 aan diens weduwe[22] daarna voor het­zelf­de bedrag aan achtereenvolgens Peeter van Pee, Joannes Bachaert (zie Peerhage) en Glande du Bré[23].  Haar erfge­naam, Joannes van Lemens, verkoopt het op 11 augus­tus 1707 aan Dierick Ghysels en Josina Meures voor het nogal luttele bedrag van 725 gul­den[24]. Op 6 augustus 1728 verkopen ze het alweer tegen een erfrente van 43 gulden 15 stuivers per jaar (d.i. 700 gulden) aan Peeter Willemsens die volgens zijn testament van 8 februa­ri 1744 aan de Vrijdagmarkt woonde. Dat de vorige eigenaars zeker niet tot de topklassen behoorden mag blijken uit het feit dat Ghysels niet kon schrijven[25]. De zoon van Peeter Willemsens, Joannes Petrus, die nochtans gezworen roeper was van beroep, weet maar 500 gulden te verkrijgen als hij het huis van zijn vader op 18 november 1744 verkoopt. De nieuwe eigenaars zijn Joannes de Jongh en Elisa­beth Cockx en zij verkopen een erfrente van 350 gulden kapi­taal[26]. Dat ze er ook gewoond hebben blijkt uit de volkstel­ling van 1754 waar we Jan de Jong terugvinden als natiegast samen met zijn vrouw en twee zonen van resp. 7 en 11 jaar oud[27]. Op 19 april 1759 verkopen ze hun huis aan de koopman Henri­cus Bynen en Elisa­beth Corthout voor 650 gulden die de facto deze woning terug verenigt met de vorige[28].

 

 

2. De 'Witte Lelie' (off. wijkb. nr. 245)

 

Op 4 juni 1625 geeft Thielman Broen aan de zwaartveger Marce­lis van Weerden en zijn vrouw Catherina Bogaerts zijn huis in erfelijk recht voor de som van 1082 guldens eens en een erfrente van 15 Carolusgulden per jaar, in totaal dus 1322 gulden. Ook op dit huis drukte een keldercijns[29]. Op 12 april 1627 al moet Marcelis van Weerden na het overlijden van zijn echtgenote, in de akte Catlyne Bogaerts genoemd, afrekenen met Catlyne van Beetse­laer, natuurlijke dochter van Pauwels van Beetselaer, maar hij weet zijn huis voor zichzelf te behouden. Op 12 augustus 1627 verkrijgt hij van zijn vader Jan van Weerden, ook zwaardveger van beroep, die overleg heeft gepleegd met zijn beide dochters Barbara (zijn buurvrouw) en Catlyne, alle [ende] yegel. de coopmanschappe van geweer[en] wapen[en] [ende] gereetschapp[en] van dyen van [den] winckel [ende] neering zyns comparants en[de] oick alle den huysraet [ende] meublen (wtgenomen de naegespecifieerde die hy comp. thenwaerts reserveert) alle so [ende] gelyck al tselve hem comparant tegenwoirdel[ick] toebehoort. Jan sr. behoudt voor zichzelf: alle zyn cleedren van lyne [ende] wolle een bedde met hooftpeulne, twee saergien coetse behansel [waer]toe een oircuss[en], alle zyn[en] lynwate een[en] silveren becker, een kiste ee[n] sitstoel ee[n] yseren pot een[en] hangel, een tafel, zyn aerdewerck [ende] een werckvyse. Met dit alles is hij dan waarschijnlijk naar zijn dochter Barbara in het aanpalende pand getrokken (cfr. supra) want Marcelis moest in ruil het huis tussen de Witte Lelie en de Hage huren gedurende vier jaar aan 60 gulden per jaar ten behoeve van zijn vader. Daarnaast moest hij ook nog in vier jaar 100 gulden aan zijn vader betalen en voor het onderhoud van diens woning instaan[30].

 

Op 9 mei 1634 verkoopt Marcelis zijn huis aan Jac­ques van Heyst, een nes­tel­besla­ger, en diens vrouw Anna de Coninck[31]. In de kelder werd kort voor 20 maart 1641 een gemeenschappelijke borneput met de Cleyne Haghe, eigendom van Thomas Ancker en Barbara van Weerden (zie hoger) gestoken[32].  Mogelijk werd het huis rond 1647 bewoond door de bakker Martin de Pauw en zijn echtgenote Sara Castens die op 27 februari 1647 hun testament laten opmaken in een huis op de Reynders­straat met name De Lelie[33].  Vol­gens de cohieren van 1659 en 1667 heeft ook Jacques van Heyst zijn pand, aldaar genoemd Gruen Hage echt bewoond. Het was uitge­rust met twee schoor­steenpij­pen, de huurwaarde bedroeg 54 gulden.  In 1672 woonde er echter Judith Daems[34].  Jacques en Anna kregen één dochter, Anna van Heyst, die huwde met Corne­lis van Heilen. In 1682 vinden wij de weduwe van Eelen vermeld in het cohier zij het dat er ook nog ene Peeter van Iper zou gewoond heb­ben[35]. Vanaf 1689 tot 1708 worden achter­eenvolgens Peeter van Pee (zie hoger), Anthoni van Aken en de weduwe van François Boeckx als huur­ders aan 54 gulden per jaar gesigna­leerd[36].

 

Op 20 januari 1702 geeft Elisabeth van Heilen, dochter van Cornelis en Anna van Heyst en gehuwd met de diamantsnijder Jan Kops, het huis aan leden van de familie Schut, ter aflossing van een rente van 125 gulden per jaar[37]. De bankier Joan Gisberto van Delft, weduwnaar van Catharina Ludowina Schut, erft het op 12 april 1737[38]. In 1754 verhuurt hij het aan garentwijndersknecht Jacob Verhullen, diens echtgenote, hun twee zoontjes van resp. een half en drie jaar oud en hun dochter van 9 jaar[39]. De erfgenamen van J.G. van Delft zitten na zijn dood met een enorme erfenis waaronder contanten, juweelen, gout ende silverwerck, obliga­tien en fondsen in Engelandt. Het huis in de Reyn­ders­straat belandt met de achterstallige huur volgens akte d.d. 29 juli 1755 bij Joan Baptista van Delft[40]. Deze doet het op 22 januari 1763 voor 450 gulden verkopen aan Peeter Janssens die meteen hypothe­keert voor 350 gulden[41]. Zijn twee dochters, Isabella Jans­sens en Joanna Francisca Janssens verkopen het op 20 maart 1781 voor 1285 gulden aan de koopman Henry Bynen en Isabella Corthout die daarmee de voormalige Grote Hage volle­dig terug in handen krijgt[42].  Ze beschikten bovendien over de Peerhage die ermee verenigd wordt tot het prestigieuze pand nr. 43 dat we nu kennen.  Katoenhandelaar Henricus Beynen was als lid van de meerseniers wonende in de Reyndersstraat van 1765 t.e.m. 1786.  Vanaf 1788 werden de zaken beheerd door zijn weduwe[43]

 

Het moet ons dan ook niet verbazen dat in 1796 zowat de ganse familie er woonde:

1° Isabelle Corthout weduwe Beyne, 70, negociante

2° Emanuel Beyne, 45, priester

3° Pierre Beyne, 44

4° Philippe Beyne, 38

5° Catarine Beyne, 28

Geen van de kinderen was gehuwd. In de marge staat de veelzeggende uitdrukking: très grand fortune.  Hun huispersoneel waren de knecht Henry Wuyts, 31; de dienstmaagden Petronelle Vanhouwe 32 en Agnes Mares.  De totale waarde van de gehele woning bedroeg 10.000 gulden, een topwoning dus[44].

 

In 1898 werd het huidige nummer 43 van de Reyndersstraat nog steeds als drie aparte huisnummers genoteerd. Vertrekkende naast het huidige nr. 41 waren er drie rubrieken: 33: [= Peerhage] boutique, 35: dépot, 37: maison[45].

Heden ten dage wordt het volledige pand Reyndersstraat 43 gebruikt door vrijmetselaars (Grootoosten van België) wat meteen het 'Arbeid adelt' boven de mooie ingang verklaart.


 

[1] SAA, SR 222, f° 94 r° - 95 r°.

[2] SAA, SR 486, f° 90 r° - 91 v°.

[3] SAA, SR 527, f° 302 r° - v°.

[4] SAA, SR 568, f° 235 r° - v°. Hun testament van 23 april 1605 situeerde hen toen nog bij de Beurs: N 2581, ongefolieerd.

[5] SAA, SR 631, f° 118 r° - v°.

[6] SAA, SR 644, f° 149 r° - 150 v°.

[7] SAA, SR 651, f° 145 r°.

[8] SAA, SR 660, f° 312 v° - 313 v°.

[9] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,ongefo­lieerd; R 2503 Lyste vande cohier van het omschryven... 1667, ongefo­lieerd, telkens onder de rubriek Inde Haege; GA 4829, cohier eerste wijk 1672, nr. 184.

[10] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 181; GA 4216-18.

[11] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 181; GA 4832, f° 64 r°, nr. 181; GA 4219.

[12] SAA, SR 1078, f° 194 v° - 195 v°; f° 222 v° - 223 r°; f° 474 v°; f° 480 r° - 482 v°.

[13] SAA, SR 1114, f° 283 v° - 286 r°.

[14] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 35, nr. 137.

[15] SAA, SR 1206, f° 389 r° - 390 v°.

[16] SAA, SR 581, f° 94 v° - 95 v° en f° 96 r° - v°.

[17] SAA, GA 4215.

[18] SAA, GA 4216-17; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 183.

[19] SAA, N 3773, f° 119 v° - 120 v°.

[20] SAA, N 2832, ongefolieerd. Jacobus, de zoon, zou bedacht worden met een zilveren kommetje en twee zilveren lepels met zijn naam op.

[21] SAA, SR 889, f° 241 r° - 242 r°. Zijzelf bewoonde zeker rond 1707 het huis 'Sinte Catharina' in het begijnhof van Antwer­pen: N 859, ongefolieerd, testament van 28 mei 1707.

[22] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 180.

[23] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 180.

[24] SAA, SR 1016, f° 123 v° - 125 r°.

[25] SAA, SR 1095, f° 70 r° - 71 r°; N 2627, ongefolieerd, testa­ment van Petrus Willemssens van 8 februari 1744.

[26] SAA, SR. 1152, f° 166 r° - 167 v°.

[27] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 35, nr. 136.

[28] SAA, SR 1206, f° 392 r° - 393 r°.

[29] SAA, SR 573, f° 122 v° - 123 v°. We vinden ook nog een Marce­lis van Weerden terug bij een erfenis inzake de 'Gulden Cop'.

[30] SAA, SR 586, f° 137 r° - v°; SR 585, f° 198 r° - 199 v°.

[31] SAA, SR 626, f° 372 v° - 373 r°. Originele notarisakte d.d. 19 april 1634: N 3754 (1634), f° 155 r° - v°. Noteren we dat dit de eerste eigenaar is die A. THYS opneemt in het Bulletin des prop­riétés van 1876, p. 8 en 9 in een artikel dat hij ver­keerde­lijk over de Krieckhage laat handelen. Gezien de grote naamsverwarring die ook uit de cohieren blijkt is het evenwel niet onmogelijk dat in de negentiende eeuw dit pand toch die naam droeg.

[32] SAA, N 3759, f° 41 r° - v°.

[33] SAA, N 3764, f° 91 r° - 92 v°.

[34] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 182.

[35] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 179.

[36] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 179; GA 4832, f° 63 v°, nr. 179.

[37] SAA, SR 996, f° 296 r° - 297 v°. De familie van Delft woonde in de Lange Gasthuisstraat volgens hun testamenten: 06/07/1735: Catharina Ludwina Schut, wed. van Joan van Delft: N 1729, ongefolieerd, akte nr. 181; 17/06/1739: Joan Gisberto van Delft en Maria Schenaerts: N 1736, ongefolieerd, akte nr. 135. De families van Delft en Schut behoren tot de grote Antwerpse fortuinen van de achtiende eeuw (zie K. DEGRYSE, De Antwerpse fortuinen... (=Bijdragen tot de Geschiedenis 2005 (jg. 88), bijlage 1 A en B). Het feit dat Schut aan een garentwijndersknecht verhuurt, hangt mogelijk samen met zijn handel in garen en linten en de blekerij, m.a.w. het is misschien één van zijn werknemers.

[38] SAA, SR 1125, f° 65 v° - 74 v°.

[39] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 35, nr. 135.

[40] SAA, SR 1194, f° 81 r° - 103 v°.

[41] SAA, SR 1219, f° 91 r° - v°.

[42] SAA, SR 1275, f° 242 r° - 243 r°.

[43] SAA, GA 4220-21, 4224, 4227, 4230-31, 4234-35, 4237-38 en 4240.

[44] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2274.

[45] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 33-37).