Den Witten Herdt in den Haege, Reyndersstraat 41

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Op 6 november 1610 verkoopt Thomas Gramaye een de bakker Hendrick van Breugel en zijn echtgenote Susanna Kerstens: Een huys metten gronde ende toebehoorten wesende een backerye gestaen [ende] geleghen inde Reynderstrate alhier[1], gesi­tueerd tussen de Doernehage en de Peirhage. We vernemen dat de kopers het huis toen al gebruikten en dat men wat betreft de watervoorziening aangewezen was op de twee pompen op straat die ook door de Doernehage en de Appelhage werden ge­bruikt.

 

Op 10 november 1636 verkopen Hendrick, weduwnaar geworden, samen met zijn kinderen Anna en Hendrick en de voogden over zijn minderjarige kinderen aan de houtbreker Jacques van Coelput en Maria Brugmans, het huis voor een erfrente van 150 Car. g. per jaar[2]. Dit echtpaar was sedert 1610 eigenaar van De Witten Hert, Reyndersstraat 45, en zij zullen deze naam doorgeven aan hun nieuwe eigendom zij het dat er het attribuut in den Haege als onderscheid wordt aan toegevoegd. Het echtpaar van Coelput- Brugmans heeft in 1659 slechts één erfgenaam: hun dochter Joanna die gehuwd was met ene... Henrick van Breugel. Het is dit koppel dat op 19 augustus het huis van de hand doet en nieuwe eigenaar wordt de koopman Peeter Coeck de Jongen. In de akte is er sprake van een huurder, wellicht een bakker, want hij moet 114 gulden, een zak bakkerskolen en een eierbrood per jaar betalen.  Hij moet kunnen huren tot Bamis 1661[3]. In 1659 staat Jan Goudes als huurder opgegeven; de huur­waarde bedraagt 84 gulden en het huis was uitge­rust met twee schoor­steenpij­pen. In 1667 en 1672 huurt ene Jan Baptiste Laba­tier of de la Batur voor nog slechts 60 gulden[4].

 

Op 24 februari 1680 verkopen de kinderen van Peeter Coeck aan Jan Baptista vander Weyden en Margarita Geboers het huis[5].  Jan Baptista was als bakker in de Reyndersstraat lid van de meerseniers in 1677 en 1681 en zijn weduwe staat in 1682 en 1689 in het cohier als bewonende eigenares[6]. Tot 1708 kennen we dan nog volgende huurders: Anthonis de Vos, bakker, Huy­brecht Steenlet en tot slot (zeker in 1704) Peeter Docquier[7]. Op 29 oktober 1739 ver­koopt Jan Baptista vander Weyden, als curateur van de insol­vente boedel van zijn zuster Anna vander Weyden, weduwe van Geeraert de Vos, aan de voor­naamste schuld­eiser Jan Baptista Caria en Theresia van Opij tegen 650 gulden ter aflossing van de schuld[8]. Bij een verde­ling op 17 juni 1747 belandt het in de handen van Joannes Baptista Caria, zoon van Jan Baptista Caria en diens eerste vrouw Anna Maria van Paesschen[9].

 

In 1754 wordt het huis al bewoond door matrasmaker Peeter Baseliers, zijn vrouw, zijn twee zonen van resp. anderhalf en 6 jaar en zijn twee dochters van resp. 12 en 15 jaar[10]. P. Baseliers en zijn vrouw Joanna Catharina Pittoor weten er hun eigendom van te maken op 29 april 1765 door het dan voor 662 gulden te kopen van Joannes Baptista Caria. Ze hypothekeren het meteen voor 600 gulden[11]. Ze doen daar een goede zaak aan want op 20 december 1770 kunnen ze het voor 957 gulden verko­pen aan Martinus Leys en Wouterina Strick die meteen hypothe­keren voor 800 gulden. In de beschrijving noteert men: eertyts geweest zynde een backerye[12].

 

In 1796 blijkt de familie er wel degelijk te wonen en er ook diverse beroepen op na te houden.  Het pand is 950 gulden waard[13].

 

                                                Naam

                                                Beroep

           Leeftijd

                                       Martin Leys

                                           W. Strick

                                        Henry Leys

                                       Martin Leys

                                        Henry Leys

                                        schoenmaker

                                                naaister

                                       diamantslijper

                                                musicus

 

               54

               54

               26

               23

               84

 


 

[1] SAA, SR 489, f° 388 v° - 389 v°.

[2] SAA, SR 635, f° 351 r° - 352 r°. Waarschijnlijk bewoonde het echtpaar van Coelput het huis Reyndersstraat 45 (zie aldaar).

[3] SAA, SR 753, f° 154 r° - 154 v°; N 3776, f° 41 r° en f° 77 v°.

[4] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 186.

[5] SAA, SR 885, f° 245 r° - 247 r°.

[6] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 183; GA 4216-17.

[7] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 183.

[8] SAA, SR 1131, f° 335 r° - 337 r°.

[9] SAA, SR 1164, f° 371 r° - 372 v°.

[10] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 37, nr. 139.

[11] SAA, SR 1226, f° 241 v° - 242 v°.

[12] SAA, SR 1239, f° 472 r° - 473 r°.

[13] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2273.