De Doernehage: Reynderstraat 39 (deel)

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Op 6 november 1610 ver­koopt Thomas Gramaye één van zijn kavels aan kleermaker Henrick Janssen en zijn echtgenote Anna Haeck. Het wordt gewoon beschreven als Een huys metten gronde ende toebehoorten... de doerneha­ge[1] en het wordt gesitueerd tussen de Appelhage en het huis van Hendrick van Breugel, dit is Reyndersstraat 41. Ook in deze koop was het gebruik van twee pompen op de straat inbegrepen. De kopers konden hun huis niet onmiddellijk volledig gebruiken: er waren huurders nl. Daniel Wilemssens en zijn vrouw, maar dezen kochten diezelfde dag het huis Reyndersstraat 49 dat toen gebruikt was door Henrick Janssen zodanig dat het niet onmoge­lijk is dat ze vrij snel van woning zullen verwisseld hebben.

 

Nadat Henrick Janssen op 31 juli 1621 zijn kinderen uitkoopt na het overlijden van zijn vrouw verkoopt hij op 15 mei 1636 zijn huis aan Peter Smidt, pasteybakker, tenminste zo lijkt het want in een akte van 7 juli 1648 laat makelaar Jacques de Vos weten dat Peter Smidt eigenlijk helemaal niets heeft gekocht en dat de gebroeders Henrick en Jan Janssens, de zonen van Henrick en Anna Haeck na het overlijden van hun vader de feitelijke eigenaars zijn geworden. Zij verkopen hun huis op 23 september 1648 aan de arbeider Jan Andriessens en Johanna Raeymaeckers die onmiddellijk een kleine rente verkopen[2].

 

Op 24 oktober 1658 treedt Peeter Melyn, koopman, als curator van het sterfhuis van Jan Andriessens op om volgens een procuratie die in Leiden werd opgemaakt voor 2123 gulden het huis te verkopen aan Coenraet Thiras of Chiras en Lucia van Hove. Van deze som geld gaat 1200 gulden naar de vijf wezen van Jan Andriessens en Johanna Raeymaeckers[3]. Om de aankoop te finan­cieren leent verkoopt hij een erfrente van 50 Car. g. per jaar aan zijn zuster Martina Thiras. Toch heeft hij zijn huis waar­schijnlijk niet zelf bewoond: ene Joos de Heert huurde het pand in 1659; de huurwaarde bedroeg 90 gulden en twee schoor­steenpijpen gaven mogelijkheden tot verwarming. De huurwaarde is nogal drastisch gezakt naar 50 gulden als het in 1667 verhuurd wordt aan Franciscus Uttenhove die in 1672 en 1682 huurt aan 60 gulden[4]. Bewoners in de periode 1689 tot 1708 waren: Franchois Uytterhoeven, Adriaen Govaerts (zie verder en Appelhage), Albert Ouwers, Peeter Loxhi en tot slot Jan Franciscus van Bomber­gen, waar­schijn­lijk een verwant van de eigenaars van het buurpand de Appelha­ge[5].

 

Op 6 december 1692 verkopen de erfgenamen Chiras - van Hove, het huis voor 800 gulden aan de eigenares van de Appelhage: Susanna de Hooge, weduwe van Jan van Bombergen[6] zodanig dat we nog enkel de bewoners moeten melden. In 1754 zijn dat de cladschilder Joannes van Ort, zijn echtgeno­te en zijn drie dochters van resp. 6, 11 en 16 jaar oud[7]. Daarna worden Appel- en Doernehage ook als één geheel gebruikt.


 

[1] SAA, SR 489, f° 389 v° - 391 r°.

[2] SAA, SR 639, f° 10 r° - v°; SR 704, f° 178 r° - v° en f° 207 r° - v°.

[3] SAA, SR 750, f° 198 v° - 199 v°.

[4] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 187; GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 184.

[5] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 184; GA 4832, f° 54 r°, nr. 184.

[6] SAA, SR 950, f° 351 v° - 351bis r°.

[7] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 37, nr. 140.