De Appelhage, Reyndersstraat 39 (deel)

Terug naar het overzicht van de huizen

 

De geschiedenis van de onmiddellijke buurman van Reynders­straat 37 begint ergens rond 6 november 1610 toen Thomas Gramaye bij de opdeling van de Hage Een huys metten gronde [ende] toebehoorten genaempt d'appelhage, gesitueerd in de Reyndersstraat tussen den Hert en de Doernehage verkocht aan de toenmalige huurders van het gebouw, de oudkleerkoper Jaspar vander Herstra­ten en Catherina van Valckensteyn. De akte stipuleert tevens dat de gebruikers van het huis zich van twee pompen op de straat mogen bedienen, zij het in overleg met de buren, ook wat onkosten betreft[1]. Met een oudkleerkoper zitten we toch wel bij de middenklasse.  Dergelijke mensen traden regelmatig op als veilingmeesters op de vrijdagse markt, ook wat de verkoop van huizen betreft, en het is dan ook niet te verbazen dat wanneer Catherina, weduwe geworden, samen met de enige zoon het huis op 25 februari 1636 verkoopt dat die zoon, ook een Jaspar vander Herstraeten, notaris is. Koper is de kousenmaker Lucas de Hooge en zijn echtgenote Anna Linguoy of Lingoir.  Volgens de meerseniers woonde de Hooge dat jaar al in de Reyndersstraat[2]. Dit echtpaar hypothekeert hun huis meteen voor 40 Car. g. per jaar in erfelijke rente. Op 12 januari 1653 laat Lucas’ tweede vrouw Digna Franckens haar testament aan haar ziekbed opmaken en dit ziekbed situ­eert zich in de Appelhage.  Het echtpaar heeft een dochter met name Digna de Hooge[3].

 

Ook volgens het cohier van 1659 heeft Lucas de Hooge zijn huis, huurwaarde 90 gulden per jaar, uitgerust met twee schoorsteen­pijpen, echt gebruikt en gebruikte hij ook nog een pakhuis naast Den Hert, huurwaarde 30 gulden en voorzien van één schouw. Op 28 april 1668 worden de eigendommen van Lucas en van zijn twee vrouwen: Anna Lingoir en Digna Franck, onder een hele serie erfgenamen verdeeld en Susanna de Hooge, zijn dochter uit zijn eerste huwelijk wordt de nieuwe eigenares van het pand dat geschat werd op 2400 gulden. We zien haar man Jan Bombergen, kousenverkoper, als gebruiker van een pand, huur­waarde 72 gulden, opgegeven in 1667 en 1672 dat volgens mij te identificeren valt als de Appelhage[4]. In 1682 en 1689 wordt de weduwe van Jan van Bombergen als inwonende eigenares vermeld.  En ook de meerseniers kennen dit echtpaar[5],  In 1692 koopt Susanna de Hooge er het buurpand de Doerne­hage bij. Vol­gens een akte d.d. 4 januari 1698 wordt Cathari­na van Bomber­gen, dochter van Jan van Bombergen en Susanna de Hooge, en gehuwd met Adriaen Govaerts de nieuwe eigena­res van Appel­hage en Doernehage. Het eerstgenoem­de pand werd toen geschat op 1500 gulden[6]. Rond de eeuwwisseling bewoonde Adri­aen Ge­vaerts of Govaerts, eveneens bij de meerseniers gekend als kousenhande­laar in 1700, inderdaad beide huizen maar ook nog een Peter Schram heeft rond 1708 in de Appelhage gewoond[7].

 

Hun enig kind, Joan­nes Gevaerts, zilversmid, verkoopt beide panden voor slechts 100 gulden (!) aan Jonker Jan François van Parijs. We dagteke­nen 22 december 1736[8]. In 1754 werd de Appelhage ver­huurd aan Peeter Ové, metserdiender die er ook een winkeltje had. De man was gehuwd en een zoontje van een half jaar oud en een dochter van 11 jaar[9].

 

Appelhage en Doernehage worden op 15 mei 1756 verkocht door de nazaten van van Parijs aan Joannes Baptista Suremont en Anna Petronella Boeckx. De Appelhage wordt dan geschat op 448 gulden en de Doernehage op 401 gulden[10]. Wat zij met die panden hebben gedaan, weten we niet. We beschikken ook over geen akten meer betreffende het ancien régime.

 

Wat we nog wel weten, is de situatie in 1796.  Bewoners en tegelijkertijd eigenaars van de Dorenhage en de Appelhage zijn dan Mari Wynen, 68, weduwe, en handelaarster in bedden; de kantwerksters Françoise en Jeanette de Browne, resp. 43 en 34 jaar oud; Gille de Browne, 40 jaar en gehandicapt.  De waarde van de gezamenlijke huizen bedroeg 1800 gulden[11].

 


 

[1] SAA, SR 489, f° 378 r° - 388 v°.

[2] SAA, SR 639, f° 1 r°- v°; GA 4215.

[3] SAA, N.3770, f° 5 r° - 6 r°.

[4] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd. Men zal Jan Bombergen aantreffen als huurder van het huis den Hert en men zal bij Appelhage een weduwe de Clerck aantreffen. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat het cohier wat betreft de Reynders­straat zeer onzorgvuldig is opgesteld en dat heel wat verwis­selingen zijn gebeurd, zowel wat betreft huisnamen als wat betreft statuut (p(roprietaris) of h(uurder)) van de betaler.  Voor 1672 een zelfde situatie: GA 4829, cohier van de eerste wijk, nr. 188.

[5] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 185.  Bij de meerseniers vinden we Jan van Bombergen, kousenverkoper in de Reyndersstraat in 1677 en 1681, zijn weduwe in 1696: GA 4216-18.

[6] SAA, SR 981, f° 221 r° - 223 v°.

[7] SAA, R. 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 185; GA 4832, f° 64 r°, nr. 185; GA 4219.

[8] SAA, SR 1121, f° 194 v° - 195 v°.

[9] PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 37, nr. 141.

[10] SAA, SR 1197, f° 231 v° - 233 r°.

[11] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2272.