Het Wit Peerdeken: Reyndersstraat 35

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Voor de ietwat rommelige voorgeschiedenis van het Wit Peerdeken en zijn buren verwijzen we naar de bestanden over de Reyndersstraat 29-33. We beperken ons hier tot de 'eigen' geschiedenis vanaf de zestiende eeuw. Eerst en vooral waren er, vooraleer het Swert Peerdeken, werd opgericht een aantal nauwkeurige bepalingen opgenomen waar de eigenaar van het Wit Peerdeken aan gebonden was: Dies sal de ven­ste[r] inden muer van desen voirs. huyse achter noirtwaert vaststaen­de met yseren gheerde ende gelasen boven reycx ende breet wesende vier ende een halff voeten ende hooge vyff en[de] een halff voeten soe die nu staet tallen dagen aldair moeten blyven staende en[de] men en sal met gheene timmeragie metsel­rye oft ande[r] edificie op acht voeten na de voirs. venste[r] tot eeuige dagen mogen gema­ken. Ook met den Hert was er een regeling: ende en selen de voirs. erfnemeren noch heure nacomelingen alsulcken licht als het voirs. huys genaempt den hert is scheppende achter noortwaert vuyten muer van desen voirs. huyse te gheenen dagen mogen benemen noch verduysteren in eeniger manieren, wel verstaende dat dit voirs. huys gheen ande[r] vensteren gaten oft licht en sal mogen hebben ter erven en[de] huys[en] waerts der voirs. erfgeveren dan de voirs. venste[r] alleenlick[1].

 

Over de huurder van het Wit Peerdeken zijn alle bronnen het eens: voor de periode 1579 - 1586 was dat ene Nicolaes Bony, ook Bounnier of Bonneyse genoemd, een verkoper van zeemvellen[2].

 

Peeter 's Herwouters verkoopt op 17 mei 1612 aan ­David Impens, een kousenmaker, en Catlyne of Catherina Bour­geois Een huys met winckele kelder ceuckene, hangende camer, groote voorcamer twee solders weerdribbe gronde ende allen den toebehoorten. Ene Philips vande Werve wordt als huurder vermeld en hij mag daar, gezien zijn overeenkomst, nog een tijdje blijven alhoewel in het testament van David Impens en Catlyne Bourgeois van 30 augustus 1612 te lezen staat dat ze in de Reyndersstraat woonden[3].

 

Op 5 april 1636 geeft Catharina Bourgeois, inmiddels hertrouwd met Bernaert Gherstelincx, in erfelijk recht aan kleermaker Michiel le Court en Anna Franckens of Vranckens, het huis dat nu ook uitgerust is met een pompe. De erfnemers verkopen een rente van 56 gulden 5 stuivers erfelijk.  De oorspronkelijke nota­risakte van 4 februari spreekt nog van een huurder die aan 13 pond Vlaams per jaar mag blijven huren.  Het testament van Michiel le Court en Anna Franckens van 7 decem­ber 1653 doet er ons niet aan twijfelen dat ze er echter achteraf gingen wonen[4].  In 1659 wordt de weduwe la court (sic) vermeld als (inwo­nende) eigen  ares van het huis dat uitgerust was met twee schouwen en een huurwaarde van 84 gulden had. Het cohier van 1667 is zeer onduidelijk wat betreft de huizen aan die kant maar ik meen in het huis met een huurwaarde van 78 gulden, gehuurd door ene Abraham Creuj het Wit Peerdeken te mogen herkennen.

 

Op 25 juni 1669 verkopen de erfgenamen van Anna Franckens en Michiel le Court voor 1825 gulden het huis aan plaatsnijder Theodor van Utrecht en Maria Wiggers. Het enige wezenlijke verschil in de beschrijving is dat de pomp niet meer expliciet wordt vermeld en dat er sprake is van het gebruyck vanden Regenback gestaen inden ganck achter aenden selven huyse"[5]. Na de dood van Theodor van Utrecht her­trouwt Maria Wiggers Theodor van Meirlen bij wie ze vier kinderen had: Constantia, Susanna Maria, die krankzinnig werd, Cornelis en Theodor, later een befaamd notaris. Men vermeldt het huis in het cohier van 1672 met de mededeling dat van Meirlen het bezit maar dat het leeg staat.  Van Meirlen zou in de Lombardenvest gewoond hebben met zijn gezin[6]

 

In 1682 zou Maria Wiggers volgens het cohier alweer weduwe geworden zijn en verhuurde ze het huis aan 72 gulden aan Livinius van Vladderacken[7]. In 1689 tot zeker 1704 huurde Melchior Uytterhoeven die er een lijnwaadwinkel had als we de meerseniers en hun registers van 1696 en 1700 mogen geloven, daarna huurde Jan Geeraerts rond 1708[8]. Op 5 mei 1700 wordt bij verde­ling van de uitge­breide bezittin­gen van de familie van Meir­len, het Wit Peerde­ken met nog verschillende andere huizen toegewezen aan Con­stantia, dit ook omdat zij haar zuster Susanna Maria moest onderhouden[9]. Het pand blijft nog een hele tijd in de fami­lie: op 19 augustus 1710 erft Cornelis het van zijn zuster, op 26 februari 1737 diens zoon Gaspar[10]. Gaspar (of Jaspar) laat rond 1742 zijn huizen opkalfateren en o.m. krijgt het Wit Peerdeken een beurt. Wij weten dit omdat een aantal mensen komen klagen vanaf april 1742 dat zij hun geld nog niet ontvangen hebben. Specifiek hadden volgende personen volgende schulden te vereffenen inzake het Wit Peerdeken[11]:

 

Naam schuldeiser

             Beroep

          Schuld

Carel van Brecht

Jan Vermeiren

Joannes Jacobus Alewyns

Wouter Becky

timmerman

huisschilder

slotenmaker

metser

?

13 g. 12 st.

?

 8 g. 12 st.

 

Huurder in die periode was ene Max van Heule die elk jaar 42 gulden op tafel moest leggen[12]. Met van Meirlen ging het in­der­daad niet goed. Hij werd insol­vent verklaard en de curator, notaris Petrus Josephus Cools, verkoopt op 18 augustus 1742 het Wit Peerdeken voor 532 gulden aan Ignatius Boels en Anna Margarita Cleynendens die meteen een rente op dit en een ander huis verkopen van 31 gulden 5 stuivers erfelijk. De beschrij­ving is een klein beetje veranderd: Een huys met winckel, kelder, ceuckene, bovencamer, hangende camer, solders, gron­de[13]. Volgens de volkstelling van 1754 bewoonde dit echt­paar het Wit Peerdeken wel degelijk. Ignatius Boels was pruikenmaker van beroep[14]. Hun testamentair executeur ver­koopt het huis op 15 maart 1776 voor 817 gulden aan Michiel Schoenmaeckers en Joanna Catharina de Vooght die meteen dit huis en een huis op het Hopland voor 600 gulden hypothekeren. Op 19 december van dat jaar kunnen ze het al verkopen voor 1070 gulden aan Peeter Boogers en Anna Maria de Clerck[15].

 

In 1796 treffen wij volgende eigenaars-bewoners aan: Peeter Bogaers, 46, timmerman, en zijn echtgenote Isabelle Teys, 32 en naaister.  Waarde van het pand: 800 gulden[16].


 

[1] SAA, SR 302, f° 154 r° - 155 v°. Het betreft hier een niet verleden akte waarbij de gebroeders sHerwouters het pand zouden overdragen aan Hubrecht Douper. Hoewel deze verkoop niet door is gegaan mogen we er redelijkerwijs van uit gaan dat de bouwhistorische gegevens uit de akte wel een correcte weergave van de feitelijke toestand zijn.

[2] SAA, GA 4833, f° 347 r°; R 2330, f° 8 r°; R 2291, f° 100 r°; R 2292, f° 90 v°; R 2211, f° 97 r°; R 2223, f° 96 r°; R 2323, f° 94 r°; R 2242, f° 98 r°; R 2354, f° 99 r°. Hoe dan ook was Hubrecht Douper dus duidelijk geen eigenaar.

[3] SAA, SR 497, f° 230 v° - 231 v°; N 2401, f° 146 r° - v°.

[4] SAA, SR 693, f° 119 r° - 120 r°; N 3755 (1636), f° 36 r°; N 3755 (1636), f° 113 r° - 114 v°. De kleermaker Michiel le Court fungeerde in de jaren 1636 e.v. regelmatig als getuige op het kantoor van notaris vander Donck op de Reyndersstraat. Testamenten: N 3770, f° 120 v° - 121 r° en f° 182 r° - 183 v°. Het testament van Anna Franc­kens van 23 maart 1663 daaren­tegen is om de één of andere rede opgemaakt in een huis aan de Paardemarkt: N 3780, f° 19 r° - v°.

[5] SAA, SR 817, f° 33 r° - 34 v°.

[6] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 190.

[7] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 187.

[8] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 187; GA 4832, f° 64 r°, nr. 187; GA 4218-19.

[9] SAA, SR 989, f° 344 v° - 345 v°. Het testament van Constantia van Merlen maakt geen melding van haar woning die ze betrok samen met een winkeldochter en een dienstmaart: N 3880, ongefolieerd, d.d. 14 januari 1701.

[10] SAA, SR 1027, f° 256 r° - 257 v°; SR 1125, f° 25 v° - 27 v°. Cornelius van Meirlen en Sara Maria Huybrechts hadden vijf kinderen, waarvan één, Cornelius, ook krankzinnig was. In de akte is er bij de verdeling sprake van  copere plaeten ende voordere gereetschappen dienende, ende gedient hebbende tot het bedrijff der negotie van partyen ouders, gelyck oock de coopmanschappen. Testament van Cornelis van Merlen en Sara Maria Huybrechts: N 813, ongefolieerd, 12 januari 1718. Het testament van Sara Huybrechts d.d. 17 januari 1731 zegt expliciet dat bovengenoemde gereedschappen dienden voor een drukkerij. De testatrice woonde op de Meir: N 1720, ongefo­lieerd.

[11] SAA, SR 1143, f° 125 r° - v°; f° 125 v° - 126 r°; f° 129 v° - 130 r°; f° 489 r° - v°; SR 1145, f° 120 v°.

[12] SAA, IB 2033.

[13] SAA, SR 1144, f° 79 r° - 80 r°.

[14] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 37, nr. 143. Zelfs meester peruquier: N 1741, ongefolieerd, akte nr. 187 d.d. 5 juli 1741. De testamentaire beschikkingen van Anna Margareta Cleynendes uit 1773 tonen duidelijk aan dat ze ook als weduwe in het Wit Peerdeken bleef wonen: N 2680, ongefo­lieerd, akte nr. 7 en 18.

[15] SAA, SR 1258, f° 59 v° - 60 v°; f° 338 r° - 340 r°.

[16] SAA,Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2269.  Het is toch merkwaardig dat de meerseniers ook een Peeter Bogaers in de Reyndersstraat kennen vanaf 1786 maar deze handelde in stof­fen.