Het Swert Peerdeken, Reyndersstraat 33

Boedelinventaris van Anna de Vos 1618

 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Het huisnummer 33 dankt dit achterhuis aan de gang die tussen het nummer 31 (De Cop) en nummer 35 (Het Wit Peerdeken) uitgeeft op de Reyndersstraat en die op dit ogenblik de officiële toegang is. Dit is echter, zoals we hogerop al konden zien, niet altijd zo geweest: tot een heel stuk in de negentiende eeuw situeerde de toegang tot het Swert Pe3erdeken zich tussen het huidige nummer 29 (Het Vlies) en nr. 31 (De Cop). Rond 1545 waren de huizen nr. 29, 31, 35 en 37 het eigendom van één eigenaar: Claus Sherwouters, een creemer.

 

Oorspronkelijk had dat wat later 'Het Swert Peerdeken' zou worden helemaal niets met de Reyndersstraat te maken: het vormde gewoon de achterkant van het imposante pand De Tennen Pot op de Oude Koornmarkt 66. Wegens financiële moeilijkheden moest de toenmalige eigenaar Franchois Bernryder dit pand verkleinen en het eerste stuk dat ervan kon worden afgeknipt was de achterkant. Zo verkoopt hij aldus op 26 oktober 1546 voor een erfrente van 48 Car.g. per jaar aan Claus Sherwouters Een stuck erven met een[en] eynde van een rystalle gronde en[de] toebehoirten gelegen achter des voirn claus sherwouters huysen inde reynerstrate alhier gestaen tuss[chen] jan an­driess. packers erve west­waert, ende des voirs francoys bernryders erve (daer dese erve alsnu afgenomen en[de] gespleten wordt) oost en[de] noort­waerts, aldaer de voirn. claus gehouden en[de] schuldich sal wes[en] op zynen cost alleene te makene, te wetene oostwaert, eenen gevelmuer loopende linierecht vuyten gevel oft zydemuer van zynen huyse oostw[aer]t alsoo breet hooge ende dick als den ouden gevelmuer vanden vs. rystal aldaer nu es en[de] gefun­deert [...] zoo diepe datmen daerop vouteren mach, ende noortw[aer]t eenen scheydemuer loopende linierecht vuyten noortwaerts vanden vs. stalle tot opten vs. jans andriess. erve. Deze muur zal gemeen zijn. Naast over een regeling inzake het lopen van water (ieder voor zich) is er gesproken over het feit dat Claus geen gebruik mocht maken van de poort liggen[de] onder des vs. Jan andriess huyse waar de Tennen Pot zijn doorgang had. Sedert mensenheugenis kon de Tennen Pot, zoals reeds gemeld, gebruik maken van een uitgang naar de Reyndersstraat die toebehoorde aan het pand de Grote Gans, Oude Koornmarkt 38-40, waarvan het stuk van Jan Andriessen was afgesplitst. Daarom dat Claus Sherwou­ters die op dit nieuwe perceeltje later het huis Het Swert Peerdeken zal doen optrekken een gang moest voorzien tussen zijn huizen aan de Reyndersstraat[1].

 

Wanneer is nu dat achterhuis ontstaan? In een verkoopakte van Den Hert (het huidige nummer 37) van 1 juli 1563 is er nog steeds sprake van een erve als achterbuur. Noch­tans worden er duidelijk regelingen getroffen i.v.m. licht­schepping langs die achterzijde zodat de discretie voor in geval er achterburen zouden komen, verzekerd is. In gelijkaardige akten van 1564 en 1565 betreffende het Wit Peerdeken vinden we ook derge­lijke regelingen. Zekerheid over het bestaan van een apart bewoond pand krijgen we pas vanaf 1579 met de Cohieren van Penningen. Het was vrij imposant: de huurwaarde bedroeg 100 gulden, ter vergelijking: de voorhuizen konden elk maar 42 gulden opbrengen. De cohieren beweren dat de eigenaar van het Swert Peert voor de periode 1579-1586, net zoals het Wit Peerdeken, de Cop en het Vlies, de amman was die de eigendommen van de gebroeders Jacques en Reynier Sherwouters beheerde en dat de herbergier Willem Nagels de hele tijd het Swert Peert huurde. Het Register inhoudende de huysen van 1584 vermeld, zoals reeds gemeld, voor de vier panden alleen een andere eigenaar: Franchois (Sickeval) van Essen, eigenaar van de Tennen Pot en woonach­tig op de Paardenmarkt; ook voor dit register is Willem Nagels de eigenlijke bewoner[2].

 

Hoe dan ook, het is toch Peter sHerwouters die op 7 januari 1612 aan Jan Lambrechts, klerk van de oudkleerkopers van Antwerpen, het Swert Peerdeken verkoopt en het wordt dan beschreven als Een achterhuys met poorte gange ceuckene kelders camere oppercamers solders regenbacke die de voors. erffgevere den voors. erffnemere geloeft dicht te leveren, pompe de welcke de v.s. erffnemere gehouden sal wesen bynnen ts[jae]rs naestcomende aen een[en] staeck te setten van[den] muer de s. jegenwoirdel[ick] inn is hangen[de], weerdribbe inden kelder liggende, ende noch eene halve weerdribbe liggende int nabeschr. voorhuys genaemt den hert gronde en[de] allen den toebehoorten genaemt tswert peerdeken[3], en wel degelijk gesitueerd tussen tgulden copken en tgulden vlies. Het toilet (sitten) van het Swert Peerdeken is gesitu­eerd op de halve weerdribbe en daarom dat het Zwert Peerdeken dan ook een derde van de onkosten van onderhoud en en voor het ruimen moet betalen.

 

Op 12 juni 1614 verkoopt Jan Lambrechts zijn huis alweer aan Jacques Heemmssen die optrad voor zijn broer de priester en licenciaat in de theologie David Heemssen. Noteren we bij die gelegenheid eens een keertje de uitgebreide regeling i.v.m. de gang: Synde te weten ende verclaerde de voors. vercooper dat dit voors. achterhuys heeft eenen vrijen deurganc met eenre poorte comende inde voors. reynerstrate neffens tvoors. huys genaemt tgulden kopken oostwaert bij westwaert onder deur het huys genaempt tgulden vlies alwaer den kelder loopt onder den ganck tot aen[de] scheymuer van het kopken, ende boven den deurganc zyn camers en solders is hebben[de], welcken scheymu­er van boven tot onder gemeyn is half ende halff [ende] moet den proprietaris van desen achterhuyse tot zijen cost[en] alleen onderhouden de mueren ter beyden zyden inden ganck te weten van[de] eerden af totten iersten solderinge boven de poorte dies en[de] vermogen de proprietarisen van tkopken [ende] [t]gulden vlies geen licht scheppen inde selven ganc, [ende] moet de proprietaris van tgulden vlies alleen onderhou­den de pype inde muer inde selven ganck comen[de] ten ware dat den muer van[den] proprietaris van desen achterhuyse gebroken oft geschent worden, en mach de proprietaris van tgulden vlies behouden zijnen waterloop comende lancx den ganck inde gote van[den] voors. achterhuyse loopende alzo ter straten waerts wte inde riole gelyc dyen nu loopende is[4].

 

Jacques Heemssen verhuurde het huis minstens vanaf 1616 tot 1618 voor 144 gulden per jaar aan Anna de Vos die er op 21 september 1618 overleed. Uit haar boedelinventaris d.d. 22 september (zie bijlage) blijkt dat ze delen van het Swert Peerdeken onderverhuurde: Barbara van Oproede huurde in 1618 voor 38 gulden per jaar: de neercamere met keldere en[de] de bovenste quartiere byde gaelderye; Cornelis de Claer had voor 18 gulden de keucken en[de] twee boven camers. In Anna’s eigen keuken was een schooltje onderge­bracht waar ze zelf les gaf[5]. Rond 1627 zou er een deurwaarder gewoond heb­ben[6].  Waarschijnlijk betreft het Meester Cornelis Declaer of de Claer, soms ook commissaris genoemd.  Hij wordt ons in 1645 in de Reyndersstraat gesigna­leerd in het testament van Franchina van Nerum. Deze vrouw werd tijdens haar ziekte ten huize van Meester Declaer door diens echtgeno­te verzorgd.  Ze bedacht haar dan ook met 400 gulden en wat juwelen en kleding[7].  In een andere akte uit 1645 lezen we dat ene Cornelis de Claes het Zwart Peerdeken huurde en dit lijkt mij een duidelijke verschrijving van Declaer[8].  Op 4 decem­ber 1656 draagt Meester Cornelis Declaer, gehuwd met Franchoi­se Steen­acker en noch steeds woonachtig in de Reyn­dersstraat, zijn deurwaarderschap over aan zijn substituut Frederick de Clerck mits dat hij nog wel gedurende zijn leven de helft van de inkomsten mag opstrijken[9].

 

Als David vander Heemssen komt te overlijden wordt zijn erfenis verdeeld onder zijn overblijvende broeders E.H. Joannes vander Heemssen en Peeter Heemssen. Priester Joannes  verkrijgt aldus het Swert Peerdeken op 17 maart 1644[10].

De cohieren zijn niet eenvoudig te interpreteren wat betreft de bewoners. In 1659 vinden we twee woningen die mogelijk het Swert Peerdeken vormden: de weduwe de la Clar (Declaer) huurde aan 36 gulden een woning en Heer Michiel Reynders aan 40 gulden. Beide woningen hadden elk twee schoorsteenpijpen. In 1667 wordt Heer Reynders, priester vermeld, die vier huizen (ver?)­huurde van elk 24 gulden.  In 1672 doet men er iets vager over: Michiel Rynders beschikt over dry huysen ach­ter en de gezamenlijke huurwaarde van het complex is 100 gul­den[11]. Veel wordt echter duidelijk als we in 1682 in het cohier vier huizen aantreffen van in totaal 96 gulden, waarbij doorge­haald staat P. den armen onder de rubriek In de Poort. Ze stonden volgens het cohier allen leeg[12]. Ook in de cohieren van 1689 tot 1708[13] vinden we eenen ganck met 4 huys­kens die door de armen zouden gebruikt zijn. We hebben hier dus te maken met een huis dat ‘omgebouwd’ (sic) werd tot vier kleine wonin­gen waar daklozen konden worden onderge­bracht door de Kamer van de Huisarmen. Het feit dat ze in 1682 als ledigh worden vermeld zal eerder met de fiscale situatie te maken hebben - er moest geen belasting betaald worden door of voor die armen - dan wel met reële leegstand. Van 1715 tot 1727 werden ze door de Kamer verhuurd. In het register leest men het volgende[14]:

Een achterhuysinghe genaemt het swert peerdeken uytcomende met eene poorte inde reijndestraet...

Dit huis valt uiteen in:

1) het gaelderyken met eene camer daer nevens; huurder van bamis 1716 tot 1723 voor 18 gulden per jaar: Jan Baptist van Ophem; dan stond het leeg tot kerstmis 1723 waarna Huy­brecht del Court kwam huren. Hij en zijn gezin syn in januari 1725 opgecraemt arm. Het stond weer leeg tot 20 mei 1725 waarna Jan de Graci tot St. Maarten 1726 huurde en dan verhuisd is.

2) De camer nevens de voorsch. werd tot kerstmis 1724 ver­huurd voor 18 gulden aan Peeter de Riemer. Daarna verhuisde hij en bleef het leeg staan tot half maart 1725 toen Philippus Haesdonck kwam huren. Deze betaalde slechts voor een korte periode en werd vrijgesteld door aalmoezenier Grigis vanwege zijn armoede.

3) De camer gestaen inden hoeck met bovecamer en sol­der werd aanvankelijk verhuurd aan Bastiaen Vyterhoeven voor 20 gulden. In 1720 nam zijn weduwe de huur over maar al snel kon ze niet meer betalen. Ze verhuisde kerstmis 1724 en werd opgevolgd door de weduwe van Henric de Roover.

4) De camer den hoeck om met bovecamer ende solder werd verhuurd tot 1718/19 aan Antonette Wagemans voor 29 gulden. Daarna huurde de weduwe de Riemer.

5) De twee bovencamers met solder werden tot 1721 aan 16 gulden verhuurd aan de weduwe Croes. Vanaf 1721 huurde Catharina Schillemans.

 

Op 3 april 1727 wordt het Swert Peerdeken officieel overgedra­gen aan de huisarmen of daklozen waarna het op 30 april daaropvolgend door de aalmoezeniers van de stad wordt verkocht aan Daniel de Riemer voor 1455 gulden[15]. Deze hypothekeert voor 1000 gulden ten voordele van de daklozen. Compleet onbaatzuchtig was de Riemer zeker niet want in 1754 noteert men bij de volkstelling vrij cynisch: ganck in de Render­straet bewoond door 9 menschen soo mans als vrouwen en[de] 6 kinderen met als typering alle seer gemeyn volck[16].

 

Op 18 februari 1764 verwerft Maria de Wandeleir, gehuwd met de witwerker Peeter Willeme, na verdeling van de goederen van de familie de Riemer, voor 1466 gulden het Swert Peerdeken[17]. Op 10 maart 1769 doet weduwnaar Peeter Willemmé het voor 1875 gulden in de handen van Joannes Dom belanden.  Deze kruidenier wordt ons door de meerseniers gemeld vanaf 1768[18].

 

Zijn oudste zoon, ook een Joannes Dom, weet het op 11 januari 1794 voor zichzelf te verwerven nadat het op 3800 gulden geschat wordt. Tot de inboedel van het Swert Peerdeken be­hoort: de kribbe rasteelen ende voordere toebehoortens tot den voituerhouwers stiel ende affairens eenigsints toebe­hoorende, wat veel zegt over het gebruik dat waarschijnlijk de eigenaars zelf van vader op zoon ervan hebben gemaakt. Joannes Dom junior hypothekeert zijn pand overigens voor 2000 gulden kapitaal ten pennink 20[19].  We vinden iedereen als bewoners terug in 1796: Jean Dom is een 29 jarige huurkoet­sier, zijn echtgenote Marie Vleeshouwer, 27, herbergierster, hun kinderen Jean en Marie van resp. 2 en een half jaar oud en verder wonen er nog de dienstbode Terèse Verspreet, 22, en de koetsier Alexandre Huysmans, 26, en beiden ongehuwd.  Waarde van het pand: 3500 gulden[20].

 


 

[1] SAA, SR 222, f° 93 r° - 94 r°.

[2] SAA, GA 4833, f° 347 v°; R 2330, f° 7 v°; R 2291, f° 100 v°; R 2292, f° 91 r°; R 2211, f° 97 v°; R 2223, f° 96 v°; R 2323, f° 94 r°; R 2242, f° 98 v°; R 2354, f° 99 v°.

[3] SAA, SR 500, f° 45 r° - 47 r°.

[4] SAA, SR 508, f° 93 r° - v°. Noteren we dat E.H. David Heemssen volgens zijn testament van 15 augustus 1642 aan het Groenkerk­hof woonde: N 3476, f° 359 r° - 363 v°.

[5] SAA, N 3491, ongefolieerd.

[6] SAA, N 3840, ongefolieerd, akte d.d. 27 juli 1627: Staat van Catharina vanden Berghe.

[7] SAA, N 3762, f° 153 r° - v° d.d. 30 september 1645. "... haer roode saeye siele, haeren sondertschen vlieger, haer diamanten cruys, haren besten diamant rinck, ses van haere beste hemp­den, ende eenen lap nieuw lynwaet lanck omtrent elff ellen...". Zie ook N 3762, f° 213 r°.

[8] SAA, SR 1092, f° 288 r° - 290 v°.  Hij wordt ons ook nog gemeld in een akte uit 1654 betreffende de Witten Engel in de Pelgrims­straat 25 waar hij verkeerdelijk als bewoner van het Wit Peerdeken staat genoteerd: SR 729, f° 17 r°. 

[9] SAA, N 3790, f° 36 r° - v°.

[10] SAA, SR 648, f° 159 v° - 163 r°.

[11] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 192 tot 194.

[12] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 189.

[13] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 189; GA. 4832, f° 64 r°, nr. 189.

[14] Archief OCMW (nu Felixarchief), KH, R 898, p. 190 - 194.

[15] SAA, SR 1092, f° 288 r° - 290 v° en f° 290 v° - 294 v°.

[16] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 37, nr. 145.

[17] SAA, SR 1223, f° 124 r° - 125 v°.

[18] SAA, SR 1238, f° 165 r° - 167 v°; GA 4221, 4224, 4227, 4230-31, 4234-35, 4237-38, 4240.

[19] SAA, SR 1319, f° 5 r° - 8 v°.

[20] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2267.

 

Bijlage

 

Boedelinventaris d.d. 22 september 1618 van de goederen van Anna de Vos, dochter van wijlen Peeter de Vos en Anna vanden Bulck, overleden in het Swert Peerdeken, Reyndersstraat 33. Haar erfgenamen zijn enerzijds de kinderen van haar broer Antho­nis de Vos, met name Anthony, Peeter, Jacques en Magdalena, anderzijds de kinderen van haar broer Peeter de Vos met name Peter, Anna, Maria, Elisabeth en Sara.

Bron: SAA, N 3491, ongefolieerd. Reeds gedeeltelijk gepubliceerd in E. DUVERGER, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventien­de eeuw, dl. II, Brussel, 1985, p. 28 - 30 (= nr. 296).

 

Ierst inde neercamere

 

Een herthoute schyfftafel metten voet,

Een carpetten tafelcleet,

Een herthouten overdeckte coetse behangen met dornixe saye gemerckte valle ende twee gordynen daer op bevonden,

Een goet bedde metten hooftpeulne,

Een tycken oircussen met een flouwyne daer over teghen,

Twee lende cuskens met heure fluwynkens,

 

Een groen [ende] een witte spaensche saergien,

Een herthoute ceucken schappraeye met twee boven sloten ende beneden twee opgaende deuren daer inne bevonden,

Een viercantich leeren cofferken metten naergeruerden gelden te wetene,

Een[en] dobbelen ducaet met een ringesken daer aen om aenden halsse te hangen,

Ende in diversche silvere muncte ende payeme[nte] met eenige oorden daer onder, tsamen vierthien guldens elff stuyvers,

Een gouden suffe van dryen,

Een gouden ringhesken wesende een peerleken,

Een silveren Agnus dei met een gelasken daer voore ende een clyn silvere ketenken daertoe,

Een laeckene borseken,

Een silvere beckere,

Een silvere lepele,

Een teenen sluytcorfken,

Seventhien slaephuyven,

Derthien paeren ponjetten onder goede ende quade,

Neghen memorie doecxkens,

 

Een hooge doose daer inne vyfthien haersnoeren,

Wat geprinte beelekens,

Drye werckpatronen,

Vyff tweelkens tot altaer cleekens dienende,

Vyff fluwynkens tot leder caskens,

Twintich snutteldoecken,

Vierthien onderste van halsdoecken,

Noch vyff steeckpatroonen,

Twee clyn kieckhorekens,

Een leere consistorie van een[en] boeck,

Een clyn cruysken van perlemoyer,

Eenen lichsteen,

Een paer swertte gebreyde caussens,

Een slecht boratten borsken met mouwen,

Een slecht ryssels reysmantelken,

Een honscoten huycke mette casse,

Een[en] boratten rouw hoet,

Een nieuw boratten lyfken met mouwen,

Een laeckene lyffken oick met mouwen,

Een goede boratten huycke in heure casse,

Eenen nieuwen boratten rouhoet,

Eenen laeckenen rouvlieger met gewerckte boratte venten,

Eenen ongeboorden honscoten vlieger,

 

Eenen ongevoederden swertten laeckenen vlieger,

Eene swertten kersyen vlieger oick ongevoerdert,

Een moreyt laeckene sielken met een trypen boordeken ende rooden baeye g[e]voedert,

Een swertlakenen rourocxken,

Eenen goeden swertten laeckenen rourock met rooden baey gevoedert,

Een violet laeckenen rocxken met een trypen boordeken onder hebbende een frenie,

Wat swertten baey wt eenen rock getoert,

Eenen gekeperden boratten voorschoot,

Een swert laeckene siellyff,

Twee rysselse lappen,

Twee swertte honscoeten voorschoyen,

Een boratten moussel met swert bont,

Een paer overtreckmouwen,

Een silvere brille,

Ses lynwate nachthalsdoecken,

Twee witte vrouwe voorschoeyen,

Twee servetten,

Eenen kerckboeck in swert leder gebonden,

Een ront doosken daer in een clyn paternosterken van silvere teexkens,

Een clyn coopere kelcxken met twee coopere dexelkens,

 

Een coralen paternosterken met een cooperen medaliken,

Een eynde van eenen coralen paternoster met gelasen teexkens,

Twee cleyn silvere candelaerkens tot een aultaerken,

Een ront doosken daer inne drye croontkens van draetwerck, ende een hertteken van tselve,

Twee clyn coopere candelaerkens,

Twee clyn aultaerkens van draetwerck,

Drye meykens van zydewerck met heur potken,

Drye andere meykens onderpotkens,

Een paer potkens met meykens,

Een paer coopere heel cleyn candelaerkens,

Een rondt doosken daer inne zekere craeghskens van eenen Jesus,

Twee gedraeyde rondekens met voetkens,

Een violette laeckene tesse daer inne wesende in diversche payement tsamen dryendertich stuyvers een blanck,

Eenen sayen riem met coopere beslach,

Een thienken van Ambre,

Een withertteken,

Twee engelkens ende twee nonnekens kinder popwerck,

Een herthouten gelaesberct daer inne een porcheleynen commeken wat gebroocken wyngelasen,

 

Eenen teenen overdeckten ketel,

Een copere vierclocke,

Tweendertich diversche leesboecken in leeder gebonden,

Thien diversche schilderykens in weeckhoute gestoffeerde lystkens met gelaeskens daer voore staende,

Een groen laeckenen schoucleet met een groen zyde frenie daer aen,

Een paer coopere brantysers met ysere voeten,

Een houten lampberdeken,

Een tenne lampe,

Een gedrueckte litanie van onserLieverVrouwe in een swert lystken,

Een schilderyken wesende een doodshooft in een swert lystken,

Een beenen aentrecker met een yseren treckerken,

Drye diversche borstels,

Een houten schutselken zynde geel geschildert,

Een grooten legentboeck gebonden in swert leder metter handt gescreven zynde,

Twee groen laeckene sittecussen,

Twee oude gesteckene sittecussens,

Een gestreept sittecussen,

Drye groen geschilderde leenstoelen,

Eenen spaenschen stoel met groen laken becleet,

Een groen kersyde naetcussen sluytende

 

daer innen niet anders dan eyndekens breynaet ende van lynwaet van cleyne weerde,

Een gestecken spellecusken,

Een cooperen schorshaecxken,

Een lynwaetschorre,

Een widt geleysen schotelken,

Een yseren hamerken,

Een van houte gesneden salvatorken,

Een oick van houte gesneden lieven Vrouweken beyde gestof­feert,

Een spiegelken in een swert casken,

Een paer coopere tresoorcandelaers,

Twee coopere candelaers,

Een van houte gesneden cruycefix gestoffeert,

Een croone van houte gesneden,

Eenen coecker met een mesch hebbende eenen yvooren hecht,

Een cleyn teenen hulmandeken daer inne

Twee paeren leere hantschoenen,

Een weeckhoute laede daer inne,

Vier cleyn aultaercuskens,

Eenen rock van eene lievevrouwe van root sattyn geboort met valsch goutwerck,

Eenen anderen lieven Vrouwen rock van gebeelt wit ende root damastwerck oick geboort als vore,

Eenen lieve vrouwen hooftdoeck van silvere gestreeptwerck,

 

Twee witte lynwaete gordynkens met cantkens tot aultaerkens,

Twee roode armosyne gordynkens,

Twee roode fluweele aultaercleekens,

Twee van wit damaste autaercleekens,

Twee groen armozyne gordynkens,

Noch een partye aultaerdingen van clynder importancie,

Een herthoute sluytbancke met een slot daerinne,

Een Jesus hempdeken van lynwaet daerop geborduert zynde,

Een ander Jesus hempdeken van camericxdoecke met cantkens,

Vier paeren slapelaeckenen,

Vier gebeelde hantdoecken,

Tweelff fluwynkens cleyn zynde,

Ses groote flouwynen,

Eenen nachthalsdoeck,

Drye witte lynwate voorschoyen,

Seven ammelaexkens, Twee servetkens,

Twee droochdoecxkens,

Een partye hooft bandekens,

Vyff blauw droochdoecxkens,

Tweelff servetten,

Een ammelaecken,

 

Derthien vrouwen hempden,

Drye quade lobben,

Drye op gesette lobben,

Acht gestyffde doecke huyfkens,

Een van houte gesneden tafereelken van Christus Maria ende Ste Anna gestoffeert zynde met twee deuren,

Een schilderye op paneel olieverve in eene gestoffeerde lyste van daer christus vanden cruyce is gedaen,

Een coopere wywatervaetken met een quispelken,

Een herthoute spennebanck daer inne,

Een nieuw beddeken metten hooftpeulne,

Een witte spaensche saergie,

Een oudt tycke oircussen,

Een herthouten parys bancxken,

Seven papiere geschilderde tafereelkens

In gestoffeerde lystkens,

Een houten elle,

Een pennemesch,

Een schilderye op panneel olie verve in een witte houten lyste van Ste Catharina de sena,

Een aultaerken van een schilderyken met twee deurkens vande geboorte christi op paneel met olie verve geschildert, ver­ciert

 

met een groen aultaercleeken ende lynwaete dweelkens daertoe,

Een cleyn cooperen arm croenken tot het zelve aultaerken,

Een van houte gesneden onse Lieve Vrouwe met eenen witten armosynen rock verciert,

Een[nen] Jesus oick van houte gesneden ende gestoffeert met een hempdeken ende een coralen paternosterken verciert midtsgaders noch een slecht paternosterken byde oick met gelase teexkens ende een vilte hoeyken,

Eenen van houte gesneden Ste Peeter oick gestoffeert zynde,

Een schilderye op doeck water verve in een swertte lyste van thoffken van Oliveten,

Eenen staenden houten candelaer,

Een marienbeeldeken in een gesneden gestoffeerde lyste boven ront zynde,

Een op papiere geschildert tafereelken in een swert lystken,

Een matte,

Een houten preckstoel met een gestecken sitten,

Een herthouten kinderstoelken,

Eenen laeckenen vrouwen hoet in een casse

 

Een weeckhouten berct,

Een weeckhouten lade met lapstucken,

Eenen vegher met synen stock,

Eenen herthouten keersback,

Eenen rolstock,

Een houten hangelsken daermen opwerckt,

Een cruytbusse boecxgewyse gemaeckt,

Eenen weeckhouten torffback daerinne,

Een paer slapelaeckenen,

Twee beddecleeden,

Een lobbe,

Vierentwintich gesteckene huyven,

Een vrouwen hempde, Een servette,

Seven doecken huyfkens,

Een ront naetcorfken met lynevodderye van cleyne weerde,

Een schoenborstelken,

Tweelff paren ponjetten,

Drye omslachskens,

Twee paeren trype muylen,

Een paer dunne schoenen,

Een[en] smoutpot met wat smoudt daer in

 

Inde schole oft ceucken

 

Elff weeckhoute bancken

Een houten tooch

 

Eenen herthoute stoel,

Een gestreept sittecussen,

Eenen lakenen sotscappruyn,

Een weeckhoute lanckwerpige tafel,

Een houten soutvat,

Een blaesbalck,

Een weeckhoute berct,

Een ketenhangelken,

Een ysere treffken,

Eenen teenen setel,

Een cussen daer in van gestreept werck,

Een biesen sidtstoeltken,

Een weeckhouten rechtbanck daer in,

Een keesmandeken,

Wat eerdewerck,

Tweelff tenne schotelen van verscheyde sorten,

Eenen tennen suypencroes,

Een gedeckt tennen soudtvat,

Een cantich tenne soudtvat,

Seven tennen teljoeren,

Een tennen spoubecxken,

Eenen tennen pispot,

Seven tenne lepels,

Drye tenne commekens,

Acht steenen soo potten pinten als uperkens al met tenne dexels,

 

Een cleyn houte kistken,

Een coopere vischpaen,

Een clyn coopere vischpaenken,

Tweelff nieuwe roode geschilderde houte teljoren,

Noch ses oude roode geschilderde teljooren,

Een cleyn herthoute kinder amarisken,

Eenen herthouten dwelier met eenen hantdoeck daer aen,

Eenen blauwen schappraeydoeck,

Een herthoute toeslaende schabeltafelken,

Een borstelen vagerken, Een aerden conffoir,

Een houten stoeffken, Een schilderyken op panneel olie verve in lyste van eenen Ecce homo, Een scheiffberct, Twee teenen sluytcorfkens, Een getraliet mandeken, Wat houte rommelerye,

Een ydel tonneken, Twee coopere potketelkens,

Een coopere panneken, Eenen cooperen vierketel,

Eenen roostere, Eenen yseren potheyse, Een ysere latte met twee hangels, Eenen yseren lepel, Eenen vertende cooperen potketel,

Eenen houten eemer met ysere banden beslagen,

Een preckstoel met groen laecken becleet,

Een herthouten voetschabelleken, drye papiere schilderykens in lystkens, Een contrefeytsel van eenen vrouwen broeder op panneel olieverve

 

In lyste, Een cleyn schilderyken op panneel in lyste vande Bootschap Maria, Een cleyn hangelken, Een lampberdeken, Een baelmandeken, wat witte houte teljoren, ende houte pollepels, Een sieftken, Een herthouten laeyken, Een ysere tanghe, Eenen cleerborstel, Een canifassen matrasse Eenen groenen geschil­derden leenstoel, Twee vrouwe stoelen met biese sitplaetsen, Een oudt sayen schoucleedt,

 

Opde Camer boven de Ceuckenen

 

Een herthoute schyfftafel metten voet

 

 

Opden solder

 

Een deel houte wortelen tot brant,

 

Opde plaetse

 

Een leere, Een tobbeken, Een schuerbancxken

Eenen houten block, Een wit berdeken, Wat eerdewercx

 

Inden kelder

 

Een tonneken met een weynich boter,

Een bierstellinghsken,

Een bier vierendeelken,

Een tobbeken,

Wat branthout,

Wat boschcolen.

 

[Vervolgens worden de waardepapieren opgesomd o.m...] 

Een cleyn viercantich boecxken inhoudende specificatie ende declaratie van[de] kinderen die by daffl[yvige] ter scholen gegaen hebben en[de] met wat zy voor schoolgelt bet[aelden] alsoock wanneer hennen tyt is begonst geweest inhouden[de] tselve boecxken [daer]aff tweelff besc[hreven] bladeren en[de] alhier gequoteert...

 

[hieruit blijkt dat de leerlingen op zeer verschillende tijdstippen in de loop van het jaar toekwamen om les te volgen. Men volgde blijkbaar voor een bepaald bedrag les]

 

Besluit

 

Deze dame woonde, zoals dikwijls met alleenstaande vrouwen, redelijk comfortabel op een beperkte ruimte. In de ‘school’ was er eigenlijk niet veel ‘didaktisch materiaal’ te bekennen maar in die tijd was dat wellicht ook niet nodig. Het is een open vraag hoe Anna de Vos haar leerlingen die voortdurende in- en uitschreven in één lokaal dat zij dan nog als keuken gebruikte  concreet wat wist bij te brengen. Eén tuchtmiddel had zij zeker tot haar beschikking: een zotskap!


 

mey: zou dat een meitak kunnen zijn?