Den (Gulden) Cop, Reyndersstraat 31

Terug naar het overzicht van de huizen

 

De geschiedenis van Den Cop moeten we een aanvang laten nemen op 24 april 1528 wanneer Peeter Neve een stuk van de Hage voor een erfrente van 44 Carolusgulden  per jaar verkoopt aan de droogscheerder Willem de Greve, zoon van Bartolomeeus de Greve. Het betreft eenen stal metten gronde en[de] toebehoerten lanck omtrent viertich voeten lancx der straten, en[de] breet om­trent 23 voeten binnen muers onbegrepen vander maten, gestaen en[de] gelegen inde Reyn­derst[rate] achter de leste stallinge vand[en] huyse geheeten de haghe, tussen de Hage, geschei­den hiervan door een steensdikke gemene muur, en het huis van Claus Reyniers, (bedoeld wordt Claus Sherwouters, zoon van Reynier Sher­wou­ters)[1]. Hieruit zullen later drie panden ontstaan:  Den Hert, het Wit Peer­de­ken en Den Cop.

In een rentebrief d.d. 28 juni 1528 betreffende de Hage verne­men we dat Willem de Greve bezig is met de drie huizen te bouwen en op 5 augustus en 3 november 1528 verkoopt Willem de Greve renten die drukken op drye nyeuwe huyzen[2]. Op 10 juni 1529 hypotheceert Willem de Greve de huizen ten voordele van Jan Bal, metser[3]. Is het deze man geweest die de huizen heeft gezet?

 

Op 1 juli 1529 verkoopt Willem de Greve aan Jan vanden Broecke alias van Beeringen, metser, zijn drie huizen[4] die gesitueerd worden als staande naast elkaar aan de Reyndersstraat tussen Claus Reyniers’ huis (het latere pand Het Vlies (cfr. supra)) en het erf van de Hage. Op 22 oktober 1529 verkoopt Jan vanden Broecke de drie huizen terug aan Willem de Greve die dezelfde dag datgene dat aanpaalde aan de Hage en dat later Den Hert wordt ge­noemd verkoopt aan Peter Neve, de eigenaar van de Hage[5]. Hoelang Peter Neve dit gehouden heeft is niet duidelijk.

 

Zeker is dat Claus sHerwouters, de eigenaar van het Vlies, via de brouwer Jan Mandekens op 19 december 1533 de drie huizen verwierf en we verhaalden hierboven reeds hoe hoe hij zich in 1563 en 1564 ontdoet van Den Hert en het Wit Peerdeken maar ondanks financiële problemen de familie sHerwouters toch wel eigenaars blijven.[6].

 

Volgens het Register houdende de huysen werd in 1584 den Cop verhuurd aan de weduwe Thon­ken Weges[7]. Maar in de cohieren vallen er andere namen (de huurwaarde was 42 gulden): tot iets voor 1579 heeft er mogelijk ene Jan Peeter, stoeldraaier gewoond (zijn naam is in 1579 doorge­haald), daarna tot 1585, de draaier Cerstiaen of Christiaen Visch en vanaf rond 1586 Jan du Bois[8]. Indien Thonken Weges de naam was van de weduwe van Christiaen Visch, wat ongebruike­lijk is want gewoonlijk vermeld de naam van haar overleden man, dan zijn er althans wat de huurders betreft geen contradicties[9].  Bouwkundig interessant is dat de Cop ergens vanaf de jaren 1570 beschikte over een kelderdeur van 1 voet diep die vanuit de straatkant de bevoorrading kon vergemakkelijken en waarvoor ieder jaar 3 groten aan de stad werden betaald[10].

 

Op 12 maart 1611 beërft Peeter Serwou­ters  Jan of Hans van Weerden, zwaard­veger, en zijn echtgenote met Een huys met vloere, ceuckene, kelders, camers, gronde ende allen den toebehoorten genaemt het copken gestaen ende gelegen in[de] Reynderstr[ate] alhier tusschen den inganck van[den] achter­huyse genaemt tswert peerdeken aen deen zyde ende thuys ge­naemt twit peerdeken aen dander zijde, comende achter aen[den] voors. achterhuyse genaemt tswert peerdeken met allen tgene [daer]inne eertvast ende nagelvast is behou­denl[ick] dat tselve huys op beyde zyde[n] ende achter op halve[n] muere[n] is staende ende voorts met alsulcken servituten van licht­scheppinge[n] ende andere als tvoors. huys tegenwoordel[ick] hebbende ende schep­pende is achter over derve van[den] voors. achterhuyse tswert peerdeken de welcke nu noch nemmermeer anders oft voorder en sullen mogen worden gemaect, gestelt, belet noch becommert, dies geloeft de voors. erfgever binen een[en] jaere naestco­mende de pompe van[den] voors. achterhuy­se staende inde[n] muer van dese[n] huyse genaemt het copke[n] aen een[en] vast­staende[n] staecke te doe[n] hange[n] ende sette[n] sonder des voors. erffnemere cost, last oft schae­de[11]

 

Op 30 december 1630 verdelen Marcelis, Barbara en Catherina van Weerden, de drie kinderen van Jan en Janneken Gansiers, de bezittingen van hun ouders zodanig dat het Copken in de handen komt van Catherina en haar man Dierick Verpoorten[12]. Noteren we dat van 1625 tot 1634 Marcelis een huis naast de Groote Hage bezat en dat Barbara van 1627 af zijn buurvrouw was in een huis dat van de Groote Hage was afgesplitst (zie verder). Voor 328 Car. g. eens en een erfrente van 75 Car.g. per jaar koopt Marcelis, zwaartveger, van zijn zuster op 17 december 1636 het Copken over. Diezelfde dag koopt hij van buurman kleermaker Artus van Lamoen, eigenaar van het Gulden Vlies, het recht om met een buis en een pomp water uit de put van het Gulden Vlies te trekken[13].

 

Het cohier van 1659 is nogal onduidelijk in het opgeven van de huizen tussen het Wit Peerdeken en het Schilt van Leyden. We menen wel de rubriek te kennen van het Vlies maar voor de Cop en het Swert Peerdeken staan er drie rubrieken als één groot eigendom opgegeven wat helemaal niet klopt met de reali­teit. Het zou kunnen dat het huis met een huurwaarde van 66 gulden, voorzien van twee schoorsteenpijpen en bewoond door ene Dierick Gobel, De Cop is.

 

Na een openbare verkoop door de amman belandt het huis op 22 maart 1660 in de handen van Anna Liebrechts, de weduwe van Jan Lemmens en dit voor een bedrag van 1500 gulden. Zij bezat ook het Wapen van Leyden en hypothekeerde beide huizen in janua­ri 1661[14]. Dierick Gobel bleef er wonen (?) aan 48 gulden in 1667, in 1672 woonde de mandenmaker Adriaen Albos er tegen 60 gulden[15]. Hij werd opgevolgd volgens de cohieren van 1682[16] en van 1689 tot 1708 door de verkeer­delijk als proprietaris genoteerde Jan van Weirlick­huy­sen[17].

 

Inmiddels was Marie Adriaenssens eigenares geworden van zowel het Wapen van Leyden  als de Gulden Cop en naar Nederland verhuisd zodanig dat beide panden in 1704 onder arrest worden geplaatst om de belastingen te kunnen verhalen. In 1707 worden ze terug vrijgegeven en op 27 juni 1708 verkoopt Marie Adriaenssen de Gulden Cop voor 660 gulden aan haar bewoners, de oudschoenmaker Jan van Weirelyckhuysen en Anna de Lobel[18]. Tot 1767 blijft het pand in handen van de familie de Lobel die er volgens de volkstelling in 1754 de metsersknecht Joseph Carel, zijn vrouw, hun zoon van 3 en hun dochtertje van 7 jaar laten wonen[19].

 

Op 28 februari 1767 verkopen de erfgenamen de Lobel het aan Maria Schoeters, de weduwe van Joannes Bessens, voor 691 gulden die meteen voor 700 gulden hypothekeert door ook een deel van een andere rente als onderpand te geven.  Deze dame had er volgens de meerseniers minstens vanaf 1765 tot 1773 een lijnwaadhandel[20]. Haar twee overgebleven zonen, Petrus en Joannes Bes­sens, weten De Cop op 23 februari 1779 voor 919 gulden aan Joan­nes Peeters en Elisabeth Steffens te verkopen en ook dezen hypothekeren: voor 400 gulden.  Joannes Peeters was als kruidenier in de Reyndersstraat lid van de meerseniers volgens de registers vanaf 1781[21]. We vinden het echtpaar dan ook terug als bewoners in 1796: hij is dan 56 en werkman, zij is even oud en heeft een winkel (boutique).  Waarde van het pand: 900 gulden[22]

 


 

[1] SAA, SR 174, f° 110 v° - 111 r°.

[2] SAA, SR 173, f° 190 r°; SR 174, f° 132 v° en 191 v°.

[3] SAA, SR 175, f° 225 r°.

[4] SAA, SR 175, f° 278 r°.

[5] SAA, SR 175, f° 89 r° - 90 r°.

[6] SAA, SR 183, f° 99 v°.

[7] SAA, GA 4833, f° 347 v°.

[8] SAA, R 2330, f° 8 r°; R 2291, f° 100 v°; R 2292, f° 91 r°; R 2211, f° 97 v°; R 2223, f° 96 v°; R 2323, f° 94 r°; R 2242, f° 98 v°; R. 2354, f° 99 v°.

[9] SAA, SR 222, f° 93 r° - 94 r°.

[10] SAA, T 167, f° 39 r°; T 169, f° 17 v°, nr. 147/294; T 172, f° 23 r°, nr. 294.

[11] SAA, SR 491, f° 96 v° - 98 r°.

[12] SAA, SR 603, f° 151 v° - 152 v°.

[13] SR 638, f° 371 v°; 372 r° - 373 r°.

[14] SAA, SR 761, f° 59 r° - 61 r°; SR 763, f° 48 r° - 50 r°.

[15] GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 191. Albos was mandenmaker volgens de straat­naamlijsten van de meerseniers van 1677 tot 1700.  Hij heeft ook in de Pelgrimsstraat gewoond.

[16] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 188.

[17] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 188; GA 4832, f° 64 r°, nr. 188.

[18] SAA, SR 1017, f° 458 r° - 459 r°. De kopers konden geen van beiden schrijven. Testamenten:

26/12/1717: Jan van Weirelyckhuysen en Anna de Lobel waarbij zij aan haar halfzuster Joanna de Lobel "... haere scheire met silvere ketene ende haer silvere naeldekokerken..." geeft en haar gouden trouwring aan het beeld van Onze Lieve Vrouw van Goed Succes in de St.- Walburgiskerk: N. 3968, f° 390 r° - 391 v° en f° 396 r° - v°; 26/08/1735: Joanna de Lobel: N. 4376, ongefolieerd; 09/04/1738: Joanna de Lobel laat alles aan haar inwonende kozijn Josephus de Lobel: N. 4377, ongefo­lieerd; 12/06/1762: Josephus de Lobel: N. 4398, ongefolieerd, akte nr. 44.

[19] SAA, PK 2561 : Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 37, nr. 144.

[20] SAA, S.R. 1231, f° 38 v° - 41 r°. Ook deze eigenares is het schrift niet machtig. Het testament van Maria Schoeters d.d. 15 april 1773 is opgemaakt bij notaris Mortelmans in de Reyn­dersstraat: N. 2680, ongefolieerd, akte nr. 6.  GA 4220-21 en 4224.

[21] SAA, SR 1268, f° 446 v° - 449 r°; GA 4227, 4230-31, 4234-35, 4237-38, 4240.

[22] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2268.