Het Gulden Vlies , Reyndersstraat 29

Terug naar het overzicht van de huizen

 

De geschiedenis van het Gulden Vlies ook wel kortweg het Vlies genoemd moeten we een aanvang laten nemen op 1 juli 1490 wanneer Juffrouw Alyt Naben, weduwe van Gielis vanden Wijgaerde een stuk van haar aanzienlijke eigendom voor een erfrente van 2 pond 15 stuivers groten brabants per jaar verkoopt aan Reynier sHerwou­ters[1]. De beschrijving luidt als volgt: Een huys cu[m] fundo et p[er]tinen[tys] gestaen inde haechstege tusschen der selver Jonffr. aliten stalle e[de] huysi[n]gen geheeten de hage ex una, en[de] de poorte en[de] vutganck vanden huysingen gehee­te[n] de gans en[de] den ten­nenpot ex altra en[de] oick ach­ter.

Merken we op dat de tekst niet uitsluit dat het Vlies voorheen ook al een aparte entiteit was en dat de vereniging met de Hage tijdelijk was.

 

Reynier sHerwouters was mesmaker en gehuwd met Lysbeth Ordey toen op 4 september 1499 Laureys Monick, de ambitieuze eige­naar en waard van de Hage met hem tot een vergelijk kwam i.v.m. de gemeenschappelijk muur tussen hen beiden[2]: Alzo van alsulken gemeynen zydemuer oft ghevel als zy staende hebben inde Reyneerstrate, tusschen desselfs Rey­neers en[de] zyns wyfs huys westwaert en[de] des voers. lau­reys stal oostwaert, welcken zydemuer de voers. Reyneers en[de] zyn wyf nu ter tyt opgevuert en[de] gemetst hebben, hoogher dan des voers. laureys stal, Ende want de voers. laureys den voers. stal in toecomen[de] tijden in meyne[n]gen is opte rysene en[de] te vue[r]ne alsoe hooge als den voers. zydemuer, oft ghevel is. Laureys Monick mocht voortaan in die muur zoveel timmeren en metselen als hij zelf wilde. Belangrijk voor de geschiedenis van het Vlies is evenwel dat we zien dat Reynier 's Herwouters blijkbaar zijn huis al verhoogd had.

 

We tasten een beetje in het duister wat er verder met het echtpaar 's Herwouters is gebeurd. Op 16 maart 1528 n.s. verdelen Claus 's Herwouters, schilder, en Jan 's Herwouters de bezittingen van hun moeder Lysbette Joerdaens, weduwe van Reynier s'Herwouters[3]. Claus wordt de nieuwe eigenaar terwijl Jan een rente krijgt. Op 19 december 1533 koopt Claus er nog eens drie nieuwe huizen bij die ondertussen zijn afgesplitst van de Hage en die aan het Gulden Vlies aangrenzen[4]. Eén van deze huizen, het pand Den Hert verkoopt hij samen met zijn kinderen Peter, Jacob, Reynier en Marie op 1 juli 1563 aan Aert van Wyck, peltier en in 1564 verkoopt hij nog een huis: het '(wit) Peerdeken'. Waarschijnlijk veroorzaakte het over­lijden van Claus enige verwarring want na een verdeling binnen de familie wordt de verkoop van dit laatste pand overgedaan door Peter, Jacob en Reynier in 1565[5]. Wat er met de twee nog resterende panden n.l. de Cop, welk het huis was van de drie dat aangrensde aan het Vlies, en het Vlies zelf, is gebeurd is onduidelijk. De bronnen spreken elkaar hier tegen. Volgens het Register houdende de huysen zou in 1584 de familie 's Herwouters (tijde­lijk) geen eige­naars meer geweest zijn maar was Franchois [Sickeval] van Essen, woonachtig op de Paardemarkt en eigenaar van de Tennen Pot de bezit­ter van verschillende huizen in de Reynders­straat die hij verder verhuurde. De cohie­ren van 1579-1586 spreken een geheel andere taal: ze vermel­den als eigenaars van Het Swart Vlies, Den Gulden Cop en Naest den Hert (d.i. het Wit Peerdeken) Jan en Reynier Sherwouters tegelijkertijd met Dammansboek of den Amptman nomine officy, wat erop wijst dat ze in financiële problemen waren geraakt en veroordeeld waren.

 

Bekijken we de huurders: volgens de cohieren werd het huis, huurwaarde 42 gulden tussen 1579 en 1586 gehuurd door de kleermaker Lucas Dierix[6] maar volgens het Register houdende de huysen werd in 1584 het Vlies, hoe bescheiden ook, verhuurd aan niet minder dan drie gezinnen: naest het zwert peerdeken huurde inderdaad Lucas Dierix, kleermaker; Opde Camer huurden Adriaen, arbei­der, en zijn vrouw; Noch huurde Roe­lant, verver, en zijn echtgenote[7].    Het is  misschien nuttig het Swert Peerdeken, waarmee we later nog te maken krijgen, hier even voor te stellen. Het Swert Peerdeken, Reyndersstraat 33, is het huis achter het Vlies, de Cop, het Wit Peerdeken en den Hert gelegen waarvan de ingang zich tot een heel stuk in de negentiende eeuw situeerde tussen Het Vlies en De Cop daar waar hij nu tussen De Cop en het Wit Peerdeken kan aangetroffen worden.

 

 

Op 9 juli 1603 doet de amman vanwege renten die Gielis vander Donck heffende was op: Den Hert, Het Wit Peerdeken, Den Cop, Het Swert Peerdeken en Het Vlies, deze vijf huizen na een openbare verkoop overdragen aan Peeter 's Herwouters[8]. De akten stipuleren dat Hans 's Herwouters de vorige eigenaar was! Op 27 april 1615 verkoopt Peeter 's Herwouters aan Char­les Maele­ry en zijn echtgenote het Vlies nadat hij in de loop van de jaren 1611-1614 de andere vier huizen had verkocht.

 

Op 1 maart 1632 verkoopt Philips van Mallery, plaatsnijder, in naam van zijn vader de plaatsnijder Charles van Mallery aan de bewonende kleermaker Artus van Lamoen: Een huys met winckele eenen kelder die loopt onder den ganck van thuys tswert peerdeken met camers ende solders, die loopen boven den ganck vant voors. huys tswert peerdeken weerdribbe daer van de pijpe comt inden ganck van tswert peerdeken, met eenen borne­putte inden kelder staen­de, daer het huys tswert peerdeken water wttreckt door middel van eender pompe gronde ende allen den toebehoir­ten genaemt het gulden vlies[9]. De akte stipu­leert verder dat het Swert Peerdeken, dat dus achteraan aan­grensde het water van desen huyse het vlies leyden moest van synen water­steen door den gange alsoo ter straeten waerts gelyck tselve nu jegen­woirde­lick zijnen cours [ende] ganck is hebbende. De koopsom bedroeg 1210 Carolusgulden en ter financie­ring hiervan hypo­thekeerde Artus van Lamoen zijn eigendom onmiddellijk met een erfrente van 62 Carolusgulden per jaar. Op 17 december 1636 gaf Artus van Lamoen aan zijn nieuwe buurman Marcelis van Weerden, eigenaar van het Copken, de toelating om via een buis water uit zijn put te pompen[10].

 

In het nogal onduidelijke cohier van 1659 meen ik de rubriek betreffende een huis huurwaarde 60 gulden met twee schoor­steenpijpen gehuurd door ene Vuyttenhoven te mogen toewijzen aan Het Vlies[11]. Het huis wordt door van Lamoen op 9 decem­ber 1664 verkocht aan de loodgieter Gielis van Wttrecht en diens vrouw Janneken van Roys. De nieuwe eigenaars hypotheke­ren hun huis onmiddellijk en hebben er blijkbaar in 1667 ook gewoond zij het dat de huurwaarde was gedaald tot 50 gulden om met dezelfde bewoners opnieuw te stijgen naar 60 gulden in 1672[12]. Dit bedrag wordt betaald in 1682 door Jan van Wttrecht, even­eens loodgieter en de zoon van de vorigen[13] en in 1689-1708 achter­eenvolgens door Jan van Utrecht, Jan Schotia en rond 1704 Fran­cois Vuytterhoeven[14].  Vader van Uytrecht was lid van de meerseniers in 1677, de zoon van 1677 tot 1696[15].

 

Op 11 maart 1699 doet notaris Thomas Pauwels, in opdracht van de kinderen van Jan van Wttrecht afstand van het huis om een rente van 1600 gulden kapitaal te doen afbetalen[16]. De nieuwe eigenaar is het sterfhuis van wijlen E.H. Joannes Librechts, pastoor te Rijkevorsel, die de crediteur van de desbetreffende rente was. Dit is meteen de laatste transaktie die het pand gedurende het ancien régime onderging!

 

Wel weten we wie er nog in 1754 woonde: de weduwe Spraeckmans, bonnetmaakster, met haar zoon van 14 en haar dochter van 26 jaar. Op de kamer woonde Jan Hens, zijn vrouw en één meisje van acht jaar oud.  In de straatnaamlijsten van de meerseniers komt de weduwe Spraeckmans voor in de Reyndersstraat van 1765 tot 1773[17]

 

In 1796 was het pand in handen van de aalmoezeniers van St. Andries.  Huurders waren J.B. Dirckx, 35, bustier[18], zijn echtgenote Jeannette Bressens, 31, en hun dochtertje van enkele maanden oud.  Waarde van het pand: 1800 gulden[19].


 

[1] SAA, SR 98, f° 29 v°.

[2] SAA, SR 115, f° 37 v°.

[3] SAA, SR 172, f° 480 r° - v°; SR 170, f° 433 v°.

[4] SAA, SR 183, f° 99 v°.

[5] SAA, SR 292, f° 168 r° - 169 r°; SR 297, f° 486 r° - 487 r°; S.R. 302, f° 154 r° - 155 v°.

[6] SAA, R 2330, f° 7 v°; R 2291, f° 100 v°; R 2292, f° 91 r°; R 2211, f° 97 v°; R 2223, f° 96 v°; R 2323, f° 94 v° ; R 2242, f° 98 v°; 2354, f° 99 v°.

[7] SAA, GA 4833, f° 347 v°.

[8] SAA, SR 450, f° 241 r° - 242 v° en f° 242 v° - 244 r° voor het Swert Peerdeken. Het (gulden) Hert wordt op 23 augustus nog­maals verkocht aan Peeter 's Herwouters.

[9] Procuratie Charles de Mallery aan zijn zoon: SAA, N 3753, vol. I, f° 16 r° - v° d.d. 22/10/1631.  Notariaatsakte verkoop d.d. 20 januari 1632: N 3753, vol. II, f° 4 r° - v°. SR. 614, f° 342 r° - 343 r°.  Artus van Lamoen ging regelmatig als getuige de akten van notaris vander Donck in de Reynders­straat be­krachtigen.

[10] SAA, SR 638, f° 371 v°.

[11] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd. We nemen dit cohier niet meer op in de voetnoten.

[12] SAA, SR 787, f° 247 v° - 248 r°; R 2503: Lyste vande cohier van het omschry­ven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefo­lieerd, reden waarom we dit cohier ook niet meer in de voetnoten opnemen; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 195.

[13] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 190.

[14] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 190; GA. 4832, f° 64 r°, nr. 190.

[15] SAA, GA 4216-4218.

[16] SAA, SR 985, f° 103 r° - 104 r°.

[17] SAA, PK 2561 : Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 37, nr. 146.; GA. 4220-21, 4224.

[18] Bustier: bij dit ‘Frantwerps’' woord kan men zich allerlei betekenissen inbeelden.  Het meest plausibele lijkt mij een maker van bustes in de betekenis van borstbeelden.  Nochtans kennen de meerseniers een Jan Baptista Dirckx in de Reynders­straat die in 1793 kousen verkocht.  Zijn naam staat enkel in dat register (GA 4238) in potlood ingevuld.  Met deze combina­tie zitten we dan ook meer in de lingeriesector.

[19] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2266.