Geschiedenis van 'Het Schilt van Leyden', Reyndersstraat 25-27

 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Dit pand, ook wel gekend als 'Het Wapen van Leyden' is ont­staan toen Sebastiaen van Dale, een vermogend koopman, stel­selmatig een aantal stallingen en poortgebouwen van zijn grote eigendom 'De Grote Gans' op de Oude Koornmarkt begon te verko­pen. Al in de jaren 1450 waren hier verschillende gebouwen waar Steven van Oerle, de toenmalige waard van de Gans, duide­lijk als eigenaar mee bezig was.  In een rentenbrief van 21 oktober 1451 vernemen we dat Steven en zijn zoon Jan renten verkopen op een 1° huis in de Reyneer­steeg tussen Laureys (de Coster), stoeldraaier en Claus vander Heyden dat achteraan aanpaalt aan het erf van de Tennen Pot en op 2° een stal in de Reyneersteeg achter dat huis (1°) tussen het erf van de Gans en de hof van de Tennen Pot.  Noteren we dat onder het huis een doorgang is met een poort waarvan 3/4 toebehoren aan Costen van Berchem, Jacop Pot en de erfgenamen van Jan Papen. Op 20 juni 1453 koopt Steven van Oerle van Claus vander Heyden nog een stukje erf in de Haagsteeg bij tussen zijn eigendom en Peter Jongelincx. Uit een akte van 15/03/1453 (54) blijkt dan dat het Steven van Oerle is die daar dat huis boven de poort heeft getimmerd[1].

 

'De Grote Gans' die dus doorliep sedert mensen­heuge­nis van de Oude Koornmarkt tot de Reyndersstraat was tot dan toe één van de voornaamste herbergen van de kooplui van de Duitse hanze geweest en al die stallingen en poortgebouwen achteraan op de Reyndersstraat waren tot dan toe voor de goede circula­tie en het herbergen van de gasten een absolute nood­zaak geweest. Nu de kooplui van de Duitse hanze een nieuw hanzahuis hadden waren er niet zoveel herbergen meer nodig en Sebastiaen van Dale heeft daarom ook die stallingen en poort­gebouwen ver­kocht. 

 

Op 18 maart 1542, nog voor hij 'De Grote Gans', waarvan hij door beërving al wel mede- eigenaar was, helemaal voor zich­zelf verwerft, verkocht Sebastiaen van Dale aan Jan Andries­sen, packere en zijn echt­ge­note Lysbetten Faes: "... een loove dat twee woon­ingen zijn metter poorten eenen cleyn[en] stalleken daerachte­re metten plaetske­ne, zoo diep als tvoirs. stalleken streckt en[de] linierecht vanden selven stalleken tot opten scheydemu­er staende tusschen dese erve ende derve vanden tennen pot gronde en[de] toebe­hoorten ge­staen ende gelegen inde reyner­strate alhier tusschen tstraet­ken loopende vuyt[er] zelver reyner­strate na doude corenmerct aen deen zijde ende derve vanden voirs. tennen pot ende thuys geheeten tgulden vlies aen dander zijde comende achtere aendes voirs. sebastiaens erve dat hij aldaer behou­dende blijft...". Aan de transaktie was ook nog de voorwaarde verbonden dat Sebastiaen nog voor kerst­mis een scheidingsmuur moest bouwen tussen zijn eigendom en het pas verkochte stuk. Deze muur moest even hoog zijn als de schei­dingsmuur tussen de Grote Gans en de 'Tinnen Pot' en lijn­recht van het stalleke tot aan die muur lopen.  De Tinnen Pot op de Oude Koornmarkt was een grote eigendom diege­legen was naast 'De Hage', het hoekperceel Oude Koornmarkt- Reyn­dersstraat waarde Reyndersstraat nog ooit naar genoemd geweest is (Haeghsteeg). De eigenaar van de 'Tinnen Pot' behield ook nog het gebruik van de gang en de poort van de loeve[2].

 

Jan Andriessen is duidelijk de man geweest die van deze eigen­dom een huis heeft gemaakt. Hij geraakte evenwel tot over zijn oren in de schulden en op 24 december 1573 verkoopt de amman op verzoek van Peeter van Baesrode, één van zijn voornaamste crediteuren, het huis na een openbare verkoop overdragen aan Jacob Crieche, deurwaarder in Brabant voor de prijs van 52 pond 1 schellinck Brabants erfelijk. De beschrijving van het verkochte luidt als volgt: "... een nyeuwe huysinge met vloere coeckene neercamere plaetse borneputte fundo et omnibus p[er]-tinen[tys] geheeten den wapen van Leyden gestaen ende gelegen inde Reynderstraete alh[ier] opten hoeck van[den] pelgrom­straeten aldaer, tusschen Claus sherwouters, huys en[de] erve geheeten tgulden vlies, en[de] de voors. pelgromstaete ex altera, commende achter aende huyse ende erve van steven cleys diemen heet van loemele..."[3].

 

Opmerkingen:

 

1) Men gebruikt de term 'huysinge', wat wil zeggen groot huis, en dit kan niet alleen slaan op het eerder bescheiden hoekhuis waarin nu de 'Vagant' is gevestigd. Volgens het kadasterplan van 1823 zien we dat de 'Vagant' een geheel vormde met wat nu het buurhuis op de Reyndersstraat is. Deze twee eigendommen tesamen vormden dus de 'huysinge' waarover sprake is.

 

2) Steven Cleys van Loemele was de rijke eigenaar van 'De Spieghel' op de Oude Koornmarkt die eigenaar was geworden van de andere stallen en poortgebouwen van 'De Grote Gans' en waarop huizen waren gebouwd. De onmiddellijke buurman van 'Het Schilt van Leyden' in de Pelgrimsstraat zal 'De Groenen Hoet' genoemd worden.

 

3) In 1584 wordt er als eigenaar van 'Het Wapen van Leyden' Jan Crieck opgegeven en als huurder Vincent Vlaminx, 'gulde­bruer'[4].

 

Op 8 februari 1592 schijnt ook deze Jan Criecke in financiële  moeilijkheden gekomen te zijn want Pieter van Baesrode de jonge weet het nu te verwerven voor zichzelf door toedoen van de amman[5]. De koopprijs is 156 Carolusgulden erfelijke rente per jaar, dit is 2496 Carolusgulden den penning 16. Reeds op 16 november 1594 grijpt er weer een verkoop plaats als Peter van Baesrode, lakenkoopman, zoon van Peter wijlen, en zijn zusters Margriete, Clara en Barbere van Baes­rode het pand verkopen aan Joos van Breen, koopman, en zijn vrouw Susanna Cassiopin[6]. Op 23 december 1600 verkopen Susanna en de andere erfgenamen van Joos van Breen voor 205 Carolusgulden erfelijke rente aan de creemer Sebastiaen de Smet en zijn echtgenote Johanna de Meester[7]. In de beschrijving zijn er een paar zaken veranderd: "Een huysinghe met vloere, keucken, neercamer, plaetse, borneputte, regenback, weerdribben, diverse oppe[r]-ca­mers solders ende diverse kelders gronde [ende] allen den toebehoorten...".  Teneinde de diverse kelders vanaf de straat te kunnen bevoorraden was er een kelderdeur van 2 voet diep waarvoor elk jaar 5 groten aan de stad werden betaald[8].

 

Johanna de Meester was vooraleer ze huwde met Sebastiaen de Smet weduwe van Peter van Cantelbeke, van wie ze drie zonen had. Als ze sterft moet Sebastiaen op 14 februari 1623 met die drie zonen afrekenen en zij verwerven het Schilt van Leyden. Op 24 maart daaropvolgend verdelen de drie broers de eigendom­men verder en de tweede: weer een Peter van Cantelbeke wordt de nieuwe eigenaar mits het betalen van 2075 Car. g. aan verschillende schuldeisers[9]. Blijkbaar vond deze dat toch geen interessante manier om aan zo'n eigendom te geraken want op 7 oktober 1623 geeft Peter van Cantelbeke het Wapen van Leyden door aan Jan van Erp, seemeleerverkoper, gehuwd met Anna Geerts, die het in 1624 als onderpand voor een financiële transaktie gebruikt[10]. Daarnaast was het pand nog altijd zwaar belast en op 26 september 1626 verkoopt ook hij het aan zijn collega zeemkoopman Hans Lemmens en Anna Librechts, waarna hij de renten kan aflos­sen[11]. Volgens hun testament d.d. 18 okto­ber 1630 woonden de nieuwe eigenaars in de Reynders­straat en in 1635, 1636 en 1659 wordt Anna Li­brechts ons gesigna­leerd als 'de weduwe Lemmens', inwonende eigenares van het pand, huur­waarde 240 gulden, voorzien van zeven schoorsteen­pijpen.  Zij bleef zeemleer verkopen om in haar levensonderhoud te voor­zien[12].  Op 27 maart 1665 verhuurt ze het voor 240 gulden en voor een termijn van 3 jaar ingaande op 24 juni aan Wouter van Doren maar in 1667 wordt het, volgens de cohieren, voor 200 gulden ver­huurd aan Ghe­lande Door­nick terwijl we ook nog beschikken over het testament van Joanna van Doren, echtgenote van Andries Smits, d.d. 11 september 1668 waarbij het Schilt van Leyden expliciet als woonhuis wordt vermeld. In 1672 was de weduwe Lemmens terug als inwonende eigenares in het pand, huurwaarde 2OO gulden[13].  Ergens tussen 1680 en 1682 moet Anna Li­brechts overle­den zijn en kwam haar huis in uit­voering van haar testament in handen van Anna de Bodt. Beiden bewoon­den in 1680 het pand en de meerseniers vermelden de weduwe Lemmens weer terug in de Reyndersstraat in 1681 als verkoopster van leder[14]. In 1682 wordt Anna de Bodt nog steeds in het cohier opgenomen als inwonende eigenares terwijl de huur­waarde verder gedaald was naar 150 gulden[15].  Vol­gens haar testament van 6 september 1703 en de cohieren van 1689 tot 1708 bewoon­de Anna de Bodt het Wapen van Leyden samen met haar dienst­maart Elisa­beth Pronen aan wie ze wat kleine legaten geeft o.m. wat linnen. De O.-L.-Vrouwe­brieders worden bedacht met "... haere copere croone die in haer neer­camer is hangen­de...". Onder de andere legaten ver­melden we noch: "... twee silvere fourquet­ten met een effen steele..." en "... een gouwen heylichgees­tien met een fyn pereltien daer aen..."[16].

 

Het cohier van 1689 laat ons weten dat rond 1708 'Men­heer Canonick Beddaf' in het Wapen van Leyden woonde[17]

 

Na de dood van Anna de Bodt kwam het pand in handen van Catha­rina de Bodt die gehuwd was met Gerard Adriaenssens. Hun dochter, Maria Adriaenssens, woonde een tijdje in Nederland en daarom werd het pand samen met de Gulden Cop in 1704 onder arrest geplaatst op bevel van issuie- en rentmeesters opdat alle belastingen zouden betaald worden. In 1707 werden de arresten gecasseerd en we zien de Amsterdams koopman Abraham Focken op 10 oktober 1707 een rente van 600 gulden op het Schilt van Leyden verkopen in opdracht van Maria Adriaens­sens[18]. Marie Adriaenssens verkoopt het pand zelf uiteindelijk op 28 juni 1708 aan Heer Gabriel François Essers, drossaart van Boechout, die meteen hypothekeert voor 137 gulden 10 stuivers erfelijk per jaar (2200 gulden kapitaal) maar desal­nietemin volgens zijn testament uit 1719 in Bouchout blijft wonen[19]. De voogd van zijn kinderen, Michiel Creten, verkoopt op 30 augustus 1726 aan Steven Car­lier en Anna Jaurain voor de rente van 2200 gulden en een koopsom van 2855 gulden.

 

Op 21 augustus 1727 doet notaris J. Kramp echter een akte registre­ren van 11 juni 1727 die een schuldbekentenis inhoudt van Martinus Herbariom, meester kleer­maker, gehuwd met There­sia Barbara Lenaerts, die het huis bekent gekocht te hebben. Hij moet aan Steven Carlier nog verder afbetalen[20]. Theresia Barba­ra Lenaerts verkoopt samen met schepen Jonker Jan François van Parys, die haar echtgenoot verving "... mits de indisgratie van den selven..." het huis aan Charles Neel en Anna Maria Bunel op 31 oktober 1730. Er drukten toen voor 2200 gulden renten op en het huis werd toen geschat op 3400 gulden. De kopers hypothekeren het onmiddel­lijk voor 150 gulden erfe­lijk[21]. Anna Maria Bunel kan, weduwe gewor­den, na afrekening met haar minderjarige kinderen, het huis voor zichzelf behou­den op 24 augustus 1752[22]. Zij bezat overi­gens ook de Gulde Keers­vorm, Reyndersstraat 9 maar ze woonde wel degelijk in het Wapen van Leyden blijkens haar testament van 1753 en de volks­telling van 1754. Van beroep was ze 'beldekensmaeckster' en ze woonde daar samen met haar drie zonen van resp. 12, 17 en 19 jaar, haar twee dochters van resp. 9 en 15 jaar en één persoon huisperso­neel.  Als lid van de meerse komt ze voor in de straatnaamlijst van 1765[23].

 

Haar zoon Charles Neel wordt bij akte d.d. 28 augustus 1766 de nieuwe eigenaar. Het huis werd toen geschat op 4245 gulden en hij verkoopt een rente van 2800 gulden kapitaal om zijn aan­koop te bekostigen[24]. Mogelijk omdat de renten die er nu op drukten wat zwaar wogen schenkt hij het pand op 11 oktober 1770 aan zijn twee zusters Rosalia Joanna en Joanna Carolina Neel[25].  In 1796 zien we dat de familie Neel het pand verhuurd aan de apotheker Charles Franck, 46 jaar oud, zijn echtgenote Catharina de Jode, 48 jaar oud, Janette Franck, 10, apothe­kersgast J. Leys, 30 jaar en Elisabette Vantiggelen, 40 en dienstbode.  De meerseniers weten ons te vertellen dat apothe­ker Franck al in de Reyndersstraat woonde vanaf 1786.  Waarde van het pand: 5000 gulden, en daarmee vergelijkbaar met de beste huizen op de Oude Koornmarkt[26].

 

Ook in 1898 vormde het Schilt van Leyden nog steeds min of meer een geheel alhoewel Gervais op zijn plan een duidelijke streep trekt van de binnenkoer naar de Pelgrimsstraat.  Het werd gebruikt als café[27].

 


 

[1] SAA, SR 44, f° 337 v°; SR 46 f° 202 r° en f° 287 v°.

[2] SAA, SR 201, f° 213 r° - 214 r°.

[3] SAA, SR 336, f° 334 r° - 335 v°.

[4] SAA, GA 4833, f° 347 v°.

[5] SAA, SR 405, f° 4 r° - v°.

[6] SAA, SR 415, f° 77 v° - 79 r°.

[7] SAA, SR 436, f° 377 r° - v°.

[8] SAA, T 167, f° 39 r°.  Dit register dat de periode 1570-1610 zou moeten bevatten spreekt van na Jan Criech over ene Gillis Eestericx als eigenaar.

[9] SAA, SR 560, f° 61 r° - 63 v°; 69 v° - 70 v°.

[10] SAA, SR 563, f° 299 r° - 300 r°; S.R. 568, f° 234 v°.

[11] SAA, SR 577, f° 130 r° - v°; 143 r°. Een deel van deze rente was in handen van van Erp's schoonvader Philip Geerts. Zie W 691, f° 173 r°.

[12] SAA, N. 2549, f° 48 r° - 49 r°; N 3755 (1635), f° 51 r°; GA 4215; R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­folieerd.

[13] SAA, N 3782, f° 60 r° - v°; R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 196;  N. 3785, f° 107 v° - 108 r°.

[14] SAA, N 3806, f° 3 v° - 4 v°.; N 3810, f° 68 r° - 69 r°; f° 218 r° - v° en f° 219 r° - 220 v°: testamenten van Anna Librechts en Anna de Bodt; GA 4217.

[15] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 191.

[16] SAA, N 4238, ongefolieerd. In hetzelfde register vinden we een wijziging van haar testament d.d. 1 oktober 1703. Het testa­ment zelf voorzag n.l. dat Maria Adriaenssen Geeraertsdochter haar erfgename was. Deze was echter een tijd in de Verenigde Provinciën gaan wonen. Anna vermoede dan ook dat daar proble­men konden van komen en dat haar testament door de keizer aangevochten kon worden en haar bezittingen naar zich toen trekken ondanks het feit dat Maria door Anna was grootgebracht en sedert kort weer in de stad woonde. Indien de ambtenaren van de keizer haar erfenis zouden willen aanslagen zouden twee priesters als erfgenamen fungeren; GA 4832, f° 64 r°, nr. 191.

[17] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 191.

[18] SAA, SR 1004, f° 165 v°; SR 1007, f° 315 v°; SR 1012, f° 335 v° - 336 r°; SR 1014, f° 230 r° en f° 258 v° - 260 r°.

[19] SAA, SR 1017, f° 459 v° - 460 r°; N 1997, ongefolieerd, akte nr. 144.

[20] SAA, SR 1087, f° 112 r° - 113 v°; SR 1091, f° 101 r° - 102 v°.

[21] SAA, SR 1102, f° 506 r° - 507 v°.

[22] SAA, SR 1179, f° 246 v° - 248 v°.

[23] SAA, N 4182, ongefolieerd, akte nr. 45; PK 2561: Volkstel­ling 1754 Ie - 4e wijk, p. 39, nr. 147; GA 4220.

[24] SAA, SR 1229, f° 341 r° - 342 r°.

[25] SAA, SR 1240, f° 471 r° - 472 v°.

[26] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2265; GA 4230-31, 4234-35, 4237-38 en 4240.

[27] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 19).