De Mostaertmolen, Reyndersstraat 23 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

In een schepenbrief van 4 juli 1449 lezen we dat de draaiseler Laureys de Coster een rente verkoopt op "... sijn stede met huyse hove gronde etc. dwelc nu ter tijt twee woensteden sijn, gestaen ende gelegen in de haegsteghe weers jegens b[er]tel­meeus erve van raephorst over, neffens Jans erve vanden broeke ex una, ende de poerte metten ganghe der huysingen geheeten de gans met hu[r]en medeplegers toebeho[r]ende ex alt[er]a...[i]".  Eén jaar later, op 13/11/1450 verkoopt Laureys de Coster en zijn echtgenote Lysbeth vanden Houte een rente op 1 love die 2 kamers zijn, gesitueerd in de Haagstraat tussen Jan vanden Broeke en de uitgang van Steven in de Gans.  Achteraan paalt Costen van Berchem[ii]. Enigmatisch is de akte van 18 april 1450 waarin Claus vander Heyden aan Laureys de Coster nog een stuk erf in de Haagsteeg gesitueerd tussen Steven van Oerle en Claus vander Heyden verkoopt.  Die Claus vander Heyden komt ook nog voor in akten over de achterkant van de Grote Gans op de Reyndersstraat maar dan wel aan de andere kant van het poortgebouw aldaar, aangrenzend aan de Tennen Pot.  Was Laureys de Coster geïnteresseerd in gronden die wel in de buurt maar niet vlak naast zijn eigendom lagen[iii]?

 

Op 22 augustus 1455 koopt Costen van Berchem, eigenaar van de Halle van Armentières in de Hoogstraat van Laureys de Coster, draeyseler, en Lysbeth vanden Houte twee kamers in de Haag­steeg gesitueerd tussen Jan vanden Broecke en de uitgang van Costen van Berchem en Steven van Oerle, eige­naar en waard van de Gans op de Oude Koornmarkt 38.  De akte zegt dat Costen de hof achter die kamers gelegen al eerder van Laureys heeft gekocht en dat Laureys kamers en hof heeft gekocht van Wouter van Espemde. Costen zal op 15 december 1478 die twee kamers terug verkopen aan de barbier Robrecht vanden Beemde.  Op deze grond bevinden zich nu o.a. de huizen De Blauw Hinne en de Mostaert­molen, resp. Reyndersstraat 25 en 27[iv].

 

De naam 'Mostaermolen' slaat niet alleen op het huis in de Reyndersstraat maar ook op het aanpalende huis in de Pelgrims­straat 32 waarmee het één geheel vormde. Het staat dus op een eigendom dat op 15 december 1478 door Costen van Berchem afgesplitst werd van de latere Halle van Armentières. In de toenmalige be­schrijving lezen we dat het gaat over 'twee came[re]n', gesitueerd in de 'Haechstege' tussen de eigendom­men van Jan van den Broecke (d.i. een afsplitsing van de 'Griffoen', Hoogstraat 37) en de gemeen­schappelijke uitgang van Costen van Berchem en Steven van Oerle, eigenaar van de 'Grote Gans', op de Reyndersstraat[v]. Koper was de barbier Robrecht vanden Beemde die op 4 april 1486 er op zijn beurt een stuk van verkoopt aan de kaarsenma­ker Joos van Bassevelde. Op 13 december 1497 verkoopt deze laatste aan de stoeldraaier Jan Fierens "...een huys vanden twee huysen metten derdendeele vander weerdribben...", tussen het voorma­lig huis van Robrecht vanden Beemde, nu eigendom van Henrick de Witte, knaap van het St. Michielsklooster, en het voormalig huis van Lysbette Boeykens, nu eigendom van de tafels van de H. Geest van de O.L.Vrouwekerk, de latere 'Blauw Hinne', Reyndersstraat 21[vi]. Bij een regeling tussen de Heylwich en Jan Fierens, twee kinderen van hogergenoemde Jan, op 7 februa­ri 1532 n.s. wordt het huis gesitueerd tussen het erf van de stad "...oft erve die zy [de stad] voertyts gecocht hebben achter inden voirs. gemeynen deurgange..." uit de beginselver­klaring, en dat van de H. Geest[vii].

 

Op 11 januari 1554 n.s. geeft Jan Fierens, stoeldraaier, aan zijn dochter Agneete Fierens, gehuwd met Mathys Beeren, en zijn minderjarige kinderen Heylken, Marie en Lysbette Fierens, kinderen die Jan had van Anna Thys, de helft en meteen al zijn rechten op "... Een[en] huyse vanden twee huysen metten derdendeele vander weerdribben fu[nd]o et p[er]tinen[tys], nu ter tyt den hoeck vander pelgromsst[rate] wesen[de], gestaen en[de] gelegen inde haechstege datmen heet de Reynersstege tuss[chen] wylen Robrecht van[den] beempde huys en[de] erve was gen[aempt] de blauwe hinne ex una, en[de] de voirs. pelgromsstrate ex alt[era], comen[de] metten erven eynde aen wylen heer costens van berchem Ridders stal en[de] erve was...", m.a.w. achteraan aangrenzend aan de 'Halle van Armentières'. De kinderen bezaten de andere helft al en betalen voor dit deel 10 gulden erfelijk per jaar. Men zegt ook nog dat Jan Fierens het had van zijn vader, ook een Jan Fierens[viii].

 

Voor drie erfrenten, 12 pond 10 schellingen brabants per jaar, en twee maal 12 gulden per jaar, verkopen de kinderen van Jan Fierens hun ouderlijke woning aan Jan vanden Wouwer, metser, en Mar­griete opte Beke alias Keldermans en dit volgens akte d.d. 9 maart 1558 n.s.[ix]. Dit echtpaar koopt er op 2 mei 1581 ook nog het Schilt van Colen bij. In cohieren van 1579 tot 1585 vinden we de Mostaertmoelen terug met een 'kadastrale' huurwaarde van 30 gulden en met als bewonend eigenaar onze Jan vanden Wouwer. Het register van 1584 noemt hem 'vetwaerder' (vettewarier). Het huis was voorzien van een kelderdeur van 2 voet diep waarvoor aan de stad 3 groten per jaar werd be­taald.  In 1586 verhuurde hij aan Philips vande Werve[x]. Bij de verde­ling van zijn erfenis krijgt zijn dochter Barbara, gehuwd met deze Philips vande Werve, samen met haar neefje Baltha­sar Elincx, het huis[xi]. Philips vande Werve koopt het deel van zijn dochter Maria vande Werve (1/4) op 22 september 1598[xii]. Na de dood van Barbara vande Wouwer hertrouwt Philips met Elisa­beth Bene. Na de dood van haar man koopt zij al diens andere erfgenamen uit en ze betaalt op 21 maart 1603 een erfrente van 80 gulden 4 stuivers erfelijk voor 7/8 van het huis[xiii].

 

Volgens verschillende akten uit 1623 was Elisabeth Bene inmiddels overleden en was de Mostaertmolen in handen gekomen van een hele reeks erfgenamen. Ene Joachim Molders, scherm­meester van beroep en echtge­noot van Susanna vande Werve, dochter van Elisabeth, en voogd over een de kinderen van Abraham Bene voerde een calengiering door op 9 oktober 1623 en verkreeg het van de stadhouder van de amman op 24 oktober daarpvolgende[xiv]. Molders en zijn echtgenote verkopen het op 7 februari 1630 tegen een rente van 118 gulden erfelijk per jaar aan hun schuldeiser voor die rente, aalmoezenier Jacques de Letter[xv]. Deze heeft samen met zijn echtgenote Franchoise van Immerseel in de Reyndersstraat gewoond in de jaren 1640. In dat jaar was hij overigens tresorier van de stad[xvi]. Op 5 december 1650 verkoopt de Letter, in de akte vermeld als gewezen tresorier van de stad, het pand voor een erfrente van 115 gulden 12 stuivers per jaar aan de timmerman Jan Peeters en zijn vrouw Agneete Lauwkens die korte tijd nadien toch zullen gevonden hebben dat dit voor hen wat hoog gegrepen was en die op 5 december 1651 terug verkopen aan de Letter[xvii]. Uit de testamen­ten van het echtpaar de Letter- van Immerseel uit 1653 en van de weduwe van Immerseel uit 1655 valt af te leiden dat ze in de Reynders­straat op de hoek van de Pelgrimsstraat woon­den[xviii].

 

Françoise van Immerseel, verkoopt op 30 maart 1658 aan Meester Jacques Blommaert en zijn echtge­note Maria Blommaert[xix]. Bewo­ner van het pand in 1659 was evenwel ene Gielis van Vuytrecht die volgens het cohier het pand dat voorzien was van twee schoorsteenpijpen aan 100 gulden zou gehuurd hebben[xx]. Noch­tans weet Jacobus Blommaert, als hij samen andere erfgenamen van zijn overleden vrouw het huis op 22 december 1664 verkoopt er van de schoenmaker Eduaert Willaert(s) en Elisabeth Brandt 3275 gulden voor te doen betalen[xxi]In het cohier van 1667 vinden we één van de zonen van Eduaert, Balthasar als huurder van het pand, huur­waarde 110 gulden, vermeld.  In 1672 werd oorspronkelijk verhuurd aan B. Van Es, kort daarna aan Fran­chois Ducé[xxii]. In 1682[xxiii] en van 1689 tot 1708[xxiv] wordt het huis voor 84 gul­den verhuurt aan Dierick Lus of Clusens.

 

Balthasar, gehuwd met Catharina Mast, en Jan Willaert, gehuwd met Joanna Maria Fallet, rekenen af met hun broer Eduaert op 14 mei 1689 en komen aldus in het bezit van de Mostaertmolen en nog een flink huis in de St. Michielsstraat dat voorzien was van een 'gaelderye'[xxv]. Uiteindelijk verkopen ze het op 24 april 1692 aan zijn uiteindelijke bewoners, de schrijnwerker Dierick Clusen en zijn vrouw Maria Francot. Ze krijgen nog maar 2000 gulden voor het pand en de kopers hypothekeren al meteen voor 1000 gulden[xxvi]. Hun testament d.d. 19 september 1705 laat er geen twijfel over bestaan dat ze de Mostaertmolen ook echt bewoonden[xxvii]. Na de dood van Maria Francot her­trouwde Dirick Cluysen nog met Joanna Hemanx en later met Anna Maria Mortels. Al deze huwelijken bleven kinderloos. In 1740 over­leed Dierick Cluysen in zijn woonhuis dat toen op de Meir gelegen was. In 1752 trok Anna Maria Mortels met haar zuster Petronella uit Antwerpen naar Roermond. In 1754 zou de Mos­taertmolen bewoond zijn geweest door meester wagenmaker Frans van Roy, zijn vrouw, zijn dochtertje van zeven, zijn twee zoontjes van resp. 6 en 8 jaar, één knecht en de kantwerkster Anna M. Michielsens[xxviii].

 

Op 6 november 1759 verkopen erfgenamen van Dierick Clusen en Anna Maria Mortels voor nog maar 480 gulden het eigendom aan Franciscus Snoeck en Maria Lambrechts. De nieuwe eigenaars konden niet schrijven wat toch wel een indicatie mag wezen voor hun lage sociale stand op dat ogen­blik[xxix]. Nochtans blijkt F. Snoeck bij zijn overlijden erfmunter geweest te zijn. Zijn weduwe koopt de kinderen uit op 1 december 1783[xxx].  In 1796 verhuurt ze het pand, waarde 2450 gulden, aan de kleermaker L. Steger, 35 jaar oud, zijn echtgenote de kant­werkster Mari Peeters, 21 jaar oud, en hun 3 maanden oud zoontje J.B. Steger[xxxi].

 

In 1898 was er een lingeriezaak in de Mostaertmolen geves­tigd[xxxii].


 

[i] SAA, SR 41, f° 41 r°.

[ii] SAA, SR 43, f° 262 r°.

[iii] SAA, SR 43, f°301 r°.

[iv] SAA, SR 50, f° 252 v°; SR 94, f° 241 r°.  Zie ook: I. DERYCKE, ‘Drie panden aan de hoek Reyndersstraat-Pelgrimsstraat...’ in: 10 jaar De Vagant.  Tentoonstelling van historische documenten..., Antwerpen, 1995, p. 5-15.

[v] SAA, SR 94, f° 241 r°.  Reeds in 1449 naast Jan vanden Broecke de verkoop door Costen van Berchem aan de stoeldraaier Laureys de Coster van een 'hoefken' in de Reyndersstraat (SR 41, f° 366 r°).

[vi] SAA, SR 112, f° 187 r°.

[vii] SAA, SR 180, f° 203 v° - 204 r°.  Wat betreft het erf dat de stad al bezat: SR 123, f° 282 v°.

[viii] SAA, SR 249, f° 42 r° - v°.

[ix] SAA, SR 266, f° 278 v° - 279 v°.

[x] SAA, GA 4833, f° 116 v°; R 2330, f° 7 r°; R 2221, f° 51 r°; R 2238, f° 59 v°; R 2498, f° 64 v°; T 167, f° 38 v°; T 169, f° 17 r°, nr. 142 (= 288).  De cijns op de kelderdeur werd afgelost in 1693.

[xi] SAA, SR 407, f° 66 v° - 67 v°.

[xii] SAA, SR 431, f° 258 r°.

[xiii] SAA, SR 449, f° 118 r° - 119 v°.

[xiv] SAA, SR 558, f° 96 v°; f° 108 r° en f° 268 r° - 269 r°.

[xv] SAA, SR 600, f° 5 r°.

[xvi] SAA, N 3758, f° 266 r°. Oud-tresorier in 1642 (N 3761 (1643), f° 147 v° - 148 r° en f° 149 r° - v°); testament van de Letter en zijn echtgenote d.d. 28 augustus 1645: N 3762, f° 46 r° - 49 r°. Het echtpaar had geen kinderen maar enkel neven en nichten.

[xvii] SAA, SR 713, f° 518 v° - 519 v°; SR 717, f° 71 v° - 72 r°.

[xviii] SAA, N 3770, f° 11 r° - 13 r°; f° 224 r° - 227 r° en f° 228 r° - 231 r°; N 3772, f° 161 r° - 163 v° Ook haar testamen­ten van 7 april en 18 september 1658 zijn opgemaakt in de Reyndersstraat maar of het dan nog in de Mostaertmolen is is zeer twijfelachtig.  Alhoewel het kan zijn dat ze nog slechts een deel gebruikt.  Zo verklaart zij: "...  dat egeene andere meublelen noch huysraet haer en syn competerende, dan degene die sy op haer slaepcamer ende op het comptoir neffens haer slaepcamer ende anders gene.  N 3775, f° 48 r°; f° 124 v° - 125 v°.

[xix] SAA, SR 747, f° 61 v° - 62 r°. Franchoise van Immerseel is op 30 oktober 1660 overleden. Haar boedel is bewaard: N 3777, f° 214 v° e.v.

[xx] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd.

[xxi] SAA, SR 785, f° 134 r°- 135 r°.

[xxii] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 64.

[xxiii] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 57 r°, nr. 62.

[xxiv] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, derde wijk, 2de kapitein, nr. 62; GA 4832, f° 136 r°, nr. 62.

[xxv] SAA, SR 940, f° 197 r° - 198 r°.

[xxvi] SAA, SR 957, f° 127 v° - 128 v°.  De meerseniers kennen een Dierick Clusen in de Reyndersstraat maar dan als vettewarier in 1696 en 1700 (GA 4218-19).

[xxvii] SAA, N 1608, f° 155 r° - 156 v° en f° 162 r° - v°; testament van Joanna Hemanx uit 1722: N 3858, ongefolieerd, akte nr. 31 maakt ondanks het feit dat ze op haar ziekbed ligt geen melding van het woonhuis.

[xxviii] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 447, nr. 56.

[xxix] SAA, SR 1207, f° 76 v° - 84 v°; f° 211 r° - 216 v°.

[xxx] SAA, SR 1283, f° 113 v° - 116 r°.

[xxxi] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2264.

[xxxii] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 17).