De Gulden Roose, Reyndersstraat 17

Terug naar het overzicht van de huizen

  

Dit huis werd samen met zijn buren de Rode en de Witte Roose afgesplitst van de Roosboom. Voor de voorgeschiedenis van dit pand bekijke men dan ook de teksten over deze panden. Op het einde van de XVIde eeuw waren de drie Rozen nog steeds in de handen van dezelfde eigenaar. De bewoners waren uiteraard wel verschillend. Zo vermelden de cohieren voor 1579 als huurder voor de Gulden Roose, huurwaarde 51 gulden, Colette de Wee, in 1584 - 1586 de stoeldraaier Philips de (le) Wale[1].

 

De laatste die de drie huizen tesamen bezat was ook een stoeldraaier met name Hans vande Werve. Als deze op 6 april 1628 de Witte Roose verkoopt wordt er in de akte expliciet vermeld dat er een gemeenschappelijke beerput is die via de Gulden Roose moet geruimd worden[2]. De eerste transakties die het pand op zichzelf ondergaat dateren 15 april en 26 oktober 1654 wanneer er een verdelingen plaatsgrijpen tussen leden van de familie Kelle­ners, erfgenamen van Geertruyt Loycx[3]. Op 4 november van datzelfde jaar wordt Elisabeth Wildens eigenares. Haar erfgenamen verkopen het vervolgens op 21 augustus 1658 aan Elisabeth Muggens, de weduwe van Henrick Wildens, voor 1626 gulden[4]. In 1659 wordt de huurwaarde van het pand, voor­zien van twee schoorsteenpijpen, berekend op 50 gulden en huurt ene Cornelis de Kempener. Elisabeth Muggens krijgt dat jaar toelating van de eigenaar van de Roosboom, Cornelis van Hove, om een venster te vergroten “... tot vyf ruyten int viercant...”[5]. Voor 1667 vermeldt men als huurder Jan de Mees maar wordt er blijkbaar geen huurbelasting op dit huis gehe­ven[6].

 

Voor 1492 gulden verkopen de nazaten van Elisabeth Muggens en Henrick Wildens het huis volgens akte d.d. 3 maart 1672 aan Constanitinus Ceulemans, ‘oudt deken van[de] corenmeters deser stadt’, en Anna Diercx[7]. Of dit echtpaar er ooit gewoond heeft is twijfelachtig want in 1672 huurde Martinus Merckx aan 60 gulden en 1679 en 1682 wordt er als bewoonster aan een huur­waarde van 54 gulden de weduwe van Martinus Mercx gesigna­leerd[8]. Op 13 juli 1685 laat een erfgenaam van Anna, Geeraert Dierecsens, het huis aan Jacques Ghysbrecht en Anna Ceulemans. De cohieren van 1689 tot 1708 tonen een verassend beeld van heen en weer verhuis tussen de 3 rozen.  In de Gulden Roos zouden (niet in chronologische orde) hebben gewoond: Jacobus Augustus, Jan Baptista Wijnants, De weduwe van Martinus Merckx, Cornelis Gysens, Jan vander Put, Wouter Kips (zeker in 1704) en Dierick Gysels (zeker rond 1708)[9].

 

Op 13 april 1711 verkoopt Anna Ceulemans, weduwe geworden, samen met haar zonen, Andries en Ambrosius Ceulemans, hun minderjarige broer, en de twee dochters van Jacques Ghysbrecht uit een eerder huwelijk, het huis aan de oud- schoenmaker Barholomeus Bovie en Maria Cathuysers[10]. Hun erfgenamen ver­ko­pen op 11 juni 1738 voor nog slechts 570 gulden aan Jacobus Bastiaens[11].

 

Wat betreft het jaar 1754 beschikken we over nogal wat akten. Zetten we ze even op een rijtje.

1) Volgens de volkstelling werd het huis bewoond door Maria en Cornelia Backeler, gezusters, kantwerksters van beroep, en hun broer Guillielmus, ‘nachtwercker’[12].

2) Twee vaklui laten dit huis en het ‘Schilt van Colen’, toen ook eigendom van erfgenamen van Jacobus Bastiaens, onder arrest plaatsen: de koper­slager Balthasar Borckx, in opdracht van Rumoldus Govaerts, en houtkoopman Jan vanden Bossche, wat mogelijk wijst op (dak)werken aan dit huis of het ‘Schilt’[13].

3) Tenslotte gaan de erfgenamen van bovengenoemde eigenaars het huis en de Gulde Roose onderling verdelen zodanig dat op 14 november 1754 Isabella Clara van Dooren, weduwe van Corne­lis Bastiaens, en nu gehuwd met Daniel Franciscus Cuylits, de nieuwe eigenares wordt van het Schilt en de Gulden Roose[14].

 

Het Schilt van Colen wordt achteraf verkocht en een deel van de Roosboom en de Witte Roose worden erbij gekocht en door de erfgenamen Cuylits op 21 juli 1781 samen met de Gulde Roose voor 4900 gulden verkocht aan Charles de Buck en Maria Helena Bauduin. Dezen hypothekeren de drie huizen meteen voor 3200 gulden ten penning 16[15].  Deze huizen worden in 1796 duide­lijk als één geheel gebruikt door Charles Debuck 46 jaar oud en waskoopman, zijn echtgenote Elene Boude­wijns van dezelfde leeftijd, Charles' kinderen Pierre, 17, Charles, 16, François, 14, Jean, 12, Justine, 11 en Jeanette, 7 en tot slot Catherine Maxtieux, hun 28 jarige dienstbode[16].

 

In 1898 noteert Gervais dat er verschillende huishoudens (ménages) gevestigd zijn in de Gulden Roose[17].

                                                                          

 


 

[1] SAA, GA 4833, f° 116 r°; R 2330, f° 6 v°; R 2221, f° 50 v°; R 2238, f° 59 r°; R 2498, f° 64 r°. In 1586 was de huurwaarde eens te meer gehalveerd tot 25 gulden.

[2] In alle verkoopakten van de Gulden Roose staat er verkeerde­lijk ‘Roode Roose’ te lezen wanneer die beerput ter sprake komt.

[3] SAA, SR 729, f° 254 r° - v°; S.R. 732, f° 28 r° - 29 r°. We weten in ieder geval dat Geertruyt Loycx en haar man Peeter Beenhouwers, kousenmaker van beroep, in 1629 in de Reynders­straat woonden blijkens hun testament: N 2549, f° 100 r° - v°. Zie ook nog N 3761, f° 98 v° en f° 107 r° - v°; N 1830, f° 188 r° - 189 r°.

[4] SAA, SR 748, f° 545 v° - 546 v°. Van deze Elisabeth Muggens, een vrij rijke vrouw die wellicht ook niet in de Reynders­straat heeft gewoond bestaat een testament d.d. 18 oktober 1655, gedeeltelijk gepubliceerd in: E. Duverger, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventiende eeuw, vol. 7, Brussel, 1993, p. 172 (nr. 2031), en één van 3 maart 1665: N 3782, f° 10 r° - v°.

[5] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,ongefo­lieerd; N 4345, f° 10 r°.

[6] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[7] SAA, SR 838, f° 239 v° - 240 v°.

[8] In 1679 laat deze weduwe zich als arm opgeven opdat ze geen belastingen zou moeten betalen: SAA, R 2509, f° 43 r°, nr. 59; GA 4829, cohier kapitein Wans 1672, nr. 61; GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 57 r°, nr. 59.

[9] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, derde wijk, 2de kapitein, nr. 59; GA 4832, f° 136 r°, nr. 59.

[10] SAA, SR 1028, f° 77 v° - 79 r°.

[11] SAA, SR 1128, f° 75 r° - 76 r°. Wat betreft de familie Basti­aens, tevens eigenaars van het Schilt van Colen , Reynders­straat 7, zie de noten aldaar.

[12] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 445, nr. 53.

[13] SAA, SR 1189, f° 346 v° - 347 v°; 377 r° - v°.

[14] SAA, SR 1188, f° 364 r° - 367 r°.

[15] SAA, SR 1274, f° 303 r° - 305 v°.

[16] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2261.

[17] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 11).