De Witte Roose, Reyndersstraat 15

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Dit huis werd samen met de Gulden en de Roode Roose (Reyndersstraat 17 en 19) gebouwd op het erf van de Roosboom. Vermelden we enkel de beschrijving uit de cruciale akte d.d. 19 februari 1569 n.s. waarin voor het eerst de drie nieuwe huizen worden vermeld:

bij verdeling van de erfenis van Wouter van Hove de Oude en Beatrix Sedaens werden Johanna van Hove en Guilliame Rubin eigenaar van “... Eene huysinghe geheeten den Roosboom dae­rinne heure voergen[oemden] vader en[de] moeder te woonen plaghen en[de] gestorven zijn met poorte, gange, plaetse, hove en[de] noch eene wooninghe daer ane gecomen hebbende voere aent straete, alwaer de voers. guill[aum]e [Rubin] en[de] zyn huysvr[ouw]e nu drye nyeuwe huysen ende meer andere meliora­tien gemaect hebben gronde en[de] allen den toebehoorten...”. Hoezeer de drie huisjes op elkaar lijken blijkt zelfs uit het boek van de stadskeldercijnsen van 1570-1610 waaruit blijkt dat ze elke een kelderdeur van 2 voet diep hadden waarop 4 groten aan de stad waren verschuldigd[1].

 

Hoewel ze dus nog één geheel vormden met de Roosboom zag de amman er op 9 augustus 1575 toch geen graten in om de drie huizen waarvan de twee uiterste nu expliciet ‘Witte en Roode Roose’ worden genoemd apart aan de belangrijkste schuldeiser, Jan de Castro, toe te wijzen nadat Guilliame Rubin (in de tekst staat ver­keerdelijk Guilli­ame Wijns) was overleden[2].

 

De Witte Roose, huurwaarde 50 gulden, werd door Jan de Castro niet zelf bewoond, huurders waren in 1579 ene Jan Pieterss en in 1584-1585 Pierre Fourmenoys, cremer. Het register van 1584 signaleert ons dat de Castro in de Huidevettersstraat woonde. In 1586 huurde Jaspar Beemers aan de gehalveerde huurwaarde[3]. Op 15 mei 1594 laat Jan de Castro de drie huizen verkopen aan Pedro de Valencia, ‘koopman van de natien van Spanje binnen Gent’[4]. Deze laat Jonker Maximilian Lanchals op 20 oktober 1611 de drie huizen verkopen aan de koopman Jacques Spieck[5]. Op 5 november 1611 doet Spieck ze in de handen van de stoeldraaier Hans vande Werve belanden. Hij betaalt er 3050 gulden voor[6]. Diezelfde Hans vande Werve wordt op 3 november 1612 ook eigenaar van de Gulden Keersvorm.

 

Eindelijk gaan de drie huizen hun eigen weg als Hans van de Werve op 20 maart 1624 de Roode Roose apart verkoopt. De Witte Roose verkoopt hij op 6 april 1628 aan Thielman Brous, arbei­der, voor 75 Car.g. 1 stuiver erfelijke rente. We krijgen aldus de allereerste beschrijving te lezen: “Een huys met winckel, keucken, kelder, halven borneputte, halve weerdribbe, die geruympt moet worden, over de huyse gen[aempt] de gulde Roose hierneffens gestaen, tot gelycken coste, oppercamers, solders gronde [ende] allen den toebehoorten ge[naempt] de Witte Roose...”, gesitueerd tussen de Gulde Roose en de Roosboom[7].

 

In de jaren 1638-1639 komt het betreffende de erfenis van Margriete Angels, de inmiddels overleden echtgenote van Thielman Brous, genoteerd als cordewagenkruier, tot een proces[8] tussen Henrick van Diest, gehuwd met Johanna van Jugen, natuurlijke dochter van Margriete Angels, en Thielman Brous. In haar laatste testament d.d. 24 oktober 1631 had Margriete Angels, zich baserend op een plakkaat uit 1623, haar natuur­lijke dochter proberen zoveel mogelijk proberen te onterven omdat deze tegen de wil van haar moeder in voor haar meerder­jarigheid op 25 jaar, met van Diest was gehuwd. Ver­schillende getuigen verklaren echter dat Johanna wel degelijk meerderjarig was op het moment van haar huwelijk. Bovendien verklaart E.H. Robertus Sueertius dat het aanstaande koppel indertijd wel degelijk de toestemming is komen vragen aan Margriete, “... die welcke lanck gestampyt hebbende ende grootte commotie gemaeckt heeft ten leste geseyt, dat sy houwe nademael soo wilt...”. We weten overigens ook dat Brous en Angels waarschijnlijk nooit in de Witte Roose hebben gewoond. Het eerste testament van Margriete werd in 1615 in St. Christoffel in de Reyndersstraat gemaakt, en Margriete en haar dochter hebben samen op 15 april 1635 vanuit Margrietes toenmalige woning ‘De Drie Leliekens’ in de Hoogstraat naar de intocht van Prins Kardinaal Ferdinand van Oostenrijk gekeken wat betekent dat moeder en dochter zeker niet constant in onmin hebben geleefd. Als gevolg van dit alles wordt Thielman Brous in het ongelijk gesteld.

 

Op 15 mei 1640 kopen tavernier Hendrik van Diest en zijn echtgenote Johanna van Jugen 3/4 van het huis van Thielman Brous nadat zij als uitvoering van een vonnis al in het bezit waren gekomen van het overige vierde[9]. Weduwe geworden ver­koopt Johanna van Jugen samen met de voogden over haar minder­jarige kinderen op 23 september 1647, voor een erfrente van 115 gulden 2 stuivers per jaar, het huis aan de passementwer­ker Guilliam van Brusse­le en diens vrouw Johanna de Herde[10].

 

De volgende transactie grijpt al plaats op 25 september 1655 als de amman na een openbare verkoop het huis voor 1310 gulden en 260 gulden onkosten en renten aan Jacques Blommaert over­draagt[11]. Volgens het cohier van 1659 bewoonde hij het niet zelf maar was er ene Abraham Blommaert die het huis huurwaarde 50 gulden en uitgerust met twee schoorsteenpijpen van hem huurde[12]. Op 1 april 1665 goedt Jacobus Blommaert de wijn­koop­man Jan Baptista de Heyde en Jasparynken van Ginderdeuren in het huis. Zij hypothekeren hun huis en de wijntavernier Jan de Heyde, gehuwd met Anna Bejondo gebruiken hun huis de 'Stadt van Weert' in de Reyndersstraat, als onderpand bij de borg­stelling[13]. Het moet ons dan ook niet verbazen dat we Jan Baptista de Heyde in 1667 de belastingen op de tiende penning zien betalen.  In 1672 zou er gehuurd zijn geworden door Joannes de Loos en nadien Coen Coesmans[14]. De huurwaarde was teruggebracht op 48 gulden. Mag dit alles aanzien worden als een indicatie voor de benarde financiën van de oorspronkelijke eigenaars- bewoners? Op 8 februari 1673 doet de amman na openbare verkoop het huis bezorgen aan Andries Janssens en Maria vanden Kerckhoven voor de prijs van 1625 Car.g. Dit echtpaar was ook al geruime tijd in het bezit van de Roosboom . Onder de cijnzen vermeldt men een kelder­chijns[15]. Op 21 mei 1682 worden bij de verdeling van de erfe­nis van Maria vanden Kerckhoven haar kinderen uit een eerder huwelijk met Cornelis van Hove: Alexander, priester en later kapelaan van de timmerlieden, Maria, begijn in Mechelen, en Catharina, de nieuwe eigenaars van het huis dat op 1250 gulden wordt ge­schat[16]. Huurder dat jaar is de ‘Weduwe van Oisten­ryck’ die voor een huurwaarde van 54 gulden wordt getaxeerd en die er ook nog was in 1689[17]. Na 1689 huurt Jan Baptista Wynants[18].

 

Volgens akte d.d. 9 april 1739 worden na een verdeling van de erfenis van de van Hoves Isabella Boeykens en haar echtgenoot de apotheker Guillielmus Franciscus Vets de nieuwe eigenaars[19]. Men schatte het toen op 502 gulden. Op 17 janua­ri 1742 verkopen ze het voor 600 gulden aan hun buurman Cornelis Bastiaens, eigenaar van het nummer 13, en zijn vrouw Isabella Clara van Dooren. Volgens de beschrijving is de halve borneput inmiddels uitgerust met een pomp. Om de aankoop te financieren verkopen Bastiaens en zijn vrouw een hypotheekren­te voor de volle koopsom[20]. Uit de volkstelling van 1754 vernemen we dat het huis dat jaar zeer intensief werd bewoond. Er huisden:

- de metsersknecht Laureys Charles, zijn echtgenote, zijn zoontje van één jaar oud en twee dochtertjes van resp. 6 en 4 jaar

- Agnes Vleminckx, naaister

- Anna van Ceulen, kantwerkster

- Anna Wegh, naaister.

 

Op 21 juli 1781 verkopen de kinderen van de tweede man van Isabella Clara van Dooren, n.l. Daniel Cuylits, dit pand samen met een deel van de Roosboom en de Gulde Roose voor 4900 gulden aan Charles de Buck en Maria Helena Bauduin die meteen een erfrente van 3200 gulden ten penning 16 verkopen[21].

Deze huizen worden in 1796 duidelijk als één geheel gebruikt door Charles Debuck 46 jaar oud en waskoopman, zijn echtgenote Elene Boude­wijns van dezelfde leeftijd, Charles' kinderen Pierre, 17, Charles, 16, François, 14, Jean, 12, Justine, 11 en Jeanette, 7 en tot slot Catherine Maxtieux, hun 28 jarige dienstbode[22].

 

In 1898 noteert Gervais op deze plek een woonhuis[23].


 

[1] SAA, SR 318, f° 70 r° - 78 v° en f° 83 v° - 84 r°; 84 r° - v° voor de volgende verwijzing; T 167, f° 38 r°.

[2] SAA, SR 341, f° 428 r° - v°.

[3] SAA, GA 4833, f° 116 r°; R 2330, f° 6 v°; R 2221, f° 50 v°; R 2238, f° 58 v°; R 2498, f° 63 v°.

[4] SAA, SR 414, f° 326 r° - 327 r°.

[5] SAA, SR 494, f° 325 v° - 326 r°.

[6] SAA, SR 492, f° 415 r° - v°.

[7] SAA, SR 591, f° 297 r° - 298 r°; zie ook SR 593, f° 91 r°.

[8] SAA, Processen Supplement, 5479.

[9] SAA, SR 659, f° 223 r° - v°. Vroeger bewoonden ze het huis St. Gommaer in de Hoogstraat (N 3757, f° 268 r° - 272 r°), in 1642 worden ze gesignaleerd in de Bergstraat (N 3760, f° 19 r° - 22 r°).

[10] SAA, SR 700, f° 228 r° - v°.

[11] SAA, SR 736, f° 212 v° - 213 r°.

[12] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd.

[13] SAA, SR 793, f° 255 r°; f° 252 r° - v°; 356 r° - 357 r°; 357 r°.

[14] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 60.

[15] SAA, SR 843, f° 156 v° - 157 v°.

[16] SAA, SR898, f° 161 v° - 164 v°.

[17] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 57 r°, nr. 58 1/2.

[18] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, derde wijk, 2de kapitein, nr. 58 1/2; GA 4832, f° 136 r°, nr. 58 1/2.

[19] SAA, SR 1133, f° 278 v° - 283 v°.

[20] SAA, SR 1145, f° 12 r° - 13 r°.

[21] SAA, SR 303 r° - 305 v°.

[22] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2261.

[23] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 9).