De Roosboom, Reyndersstraat 11-13

1. Eén woning waar steeds nieuwe huizen uit ontstaan (tot 1713)
2. Twee Roosbomen (1713)
3. Verdere geschiedenis van de Roosboom, Reyndersstraat 11
4. Verdere geschiedenis van de Roosboom, Reyndersstraat 13

Terug naar het overzicht van de huizen

 

1.  Eén woning waar steeds nieuwe huizen uit onstaan (tot 1713)

 

Wanneer we bij Asaert (Huizen en gronden...) p. 80 zijn plan van het huizenblok Hoogstraat - Koornmarkt - Haagsteeg rond 1400 bekijken dan zien wij een nr. 34 met de naam de Moerboom, een nr. 35 dat naamloos is en via een gang uitgeeft op de Haagsteeg, een enorme witte vlek, en een huis nr. 36 dat in de Haagsteeg stond en in de loop van de XIVde eeuw werd afgebroken. In die witte vlek moeten minstens twee eigendommen gesitueerd worden: de Griffoen, die hoekhuis wordt Hoogstraat - Reyndersstraat, en de Halle van Armentières. Het zou toch wel wat eigenaardig zijn dat er een huis in de XIVde eeuw dat overigens als weef­huis zou hebben dienstgedaan wordt afgebroken om een straat te verbreden terwijl het volledig vrijstond. De Griffoen werd weliswaar omsloten door de ‘Halle van Armentières’ maar vormde toch een uitgestrekt geheel in het begin van de XVde eeuw. In feite zijn alle panden op de Noordzijde van de Reyndersstraat tussen de huidige Pelgrimsstraat en de Hoogstraat afgesplitst van deze Griffoen.

 

We moeten ons verhaal over al die afsplitsingen beginnen met een rentenbrief van 18 november 1424[1], waarbij de toenmalige eigenaar van de Griffoen, Jan vanden Broecke, een jaarlijkse erfelijke rente op dit eigendom schenkt aan de Heilige Geest­tafel. In 1443 ver­brandt waar­schijnlijk de Griffoen mee in de grote brand van de Hoogstraat, een gevolg van het feit dat de meeste huizen toen nog in hout waren. Op 23 januari 1459 o.s. (1460 n.s.) schenkt de nieuwe eigenaar(?) Jan de Bock een rente aan de Heilige Geesttafels[2].

 

Een belangrijke akte is die van 19 april 1463[3] waarbij de Griffoen opgenomen wordt in de huwelijksvoorwaarden van Rom­bout vander Berct en Mechteld, natuurlijke dochter van Willem vande Werve en Katline van Coelputte, eigenaars van het Sarazijshoofd twee huizen verder naar de Grote Markt toe. Be­lang­rijk is dat men bij de situering vermeldt dat het ach­teraan aangrenst aan het huizinge van Jan vanden Broeck wat erop wijst dat de eerst bekende eigenaar van de Griffoen blijkbaar al een deel van zijn perceel had afgesplitst vooral­eer de Griffoen te verkopen. Er bestond dus al een aparte entiteit op de Reyndersstraat tussen de acheruitgang van het erf van Costen van Berchem, de latere Halle van Armentières, en de Griffoen. We weten door verder onderzoek dat in feite al de huizen op de Reyndersstraat tussen Pelgrimsstraat en Hoog­straat behalve de Griffoen zelf, de Blauwe Haen, die pas in 1552 werd afgesplitst van de Griffoen, de Mostaertmolen en de Blauw Hinne, die tot 1478 bij de Halle van Armentières (Hof van Berchem) behoorden, op deze ‘huizinge van Jan vanden Broeck’ zijn ontstaan. Het feit dat men overigens spreekt over een huizinge wijst erop dat er een vrij presti­gieuze woning moet gestaan hebben.

 

Op 19 april 1492 n.s. besluiten verschillende leden van de familie vanden Morter, erfgenamen van Jan vanden Broecke, een regeling die ze rond 1472 met diens weduwe Gneten Minnebode hadden getroffen, officieel op papier te zetten. Gneten is n.l. hertrouwd met niemand minder dan Gielis Stecke, de stads­secretaris, en men wil ruzie vermijden. Jan en Meester Claus vanden Morter, zonen van Jan vanden Morter de huidenvetter en Marie Milaets, worden volledig eigenaar verklaard van het “... woonhuyse, en[de] twee woensteden daer by gestaen inde Rey­neerstrate...”[4].

 

Hun erfgenamen verkopen het eigendom aan de Spaanse koopman Bertelmeeus Sondano of Sedaens op 9 december 1524 voor een erfrente van 14  gr. per jaar. De beschrijving luidt dan: “... Een huysinge metten hove plaetssen stallen poorten borne­putte weerdribben gestaen ende gelegen inde haechstege al[ia]s de Reynerstrate met noch drie huysen neffens der voors. poor­ten fundo et om[ni]b[us] p[er]t[inentys] gestaen inde voers. Reynerstrate, tusschen de huysinge geheeten de griffoen opten hoeck vander hoochstraten gestaen ex u[n]a en[de] wylen h[eer] costens van berchem des Ridders huysinge en[de] erve nu toebe­hooren[de] franscisque de Ricalde ex altera comende oic achte­re aen desselfs franscisque erve...”[5].

 

Berthelmeeus Soudaens laat zijn testament opmaken op 13 novem­ber 1538, enige tijd na de dood van zijn echtgenote Katline de Vaille. Dit huwelijk was kinderloos gebleven maar aangezien we hier te maken hebben met een volbloed Spaans koopman had hij twee natuurlijke kinderen die in dit testament bedacht worden: Berthelmeeus kreeg 3/4 van zijn eigendommen, Beatrix 1/4. Tevens lezen we dat vader Bethelmeeus woont in een huys met drie huyskens ernaast. Op basis van bovenstaande beschrijving kan men dus met enige zekerheid stellen dat onze Spaanse koopman wel degelijk in de Reyndersstraat heeft gewoond[6]. Later hertrouwde hij met Katline Abberdaens.

 

Het pand zoals het er op dat ogenblik uitzag werd door de erfgenamen geleidelijk verkleind maar zij behielden de kern voor zichzelf en dat werd de ‘Roosboom’, een proces dat toch wel zo'n 30 jaar zou aanslepen.

 

Op 28 mei 1547 worden er twee eigendommen afgesplitst:

1° Servaes van Berchem, Willemssone, kuiper van beroep en gehuwd met Marie Wils worden eigenaars van: “... Twee huy­sen... gestaen en[de] gelegen neffens een inde Reynerstrate alhier, tusschen thuys geheeten Sint Christoffel [waarover zo dadelijk meer] ex u[n]a , ende de poorte vander voirs. erfge­veren ande[r] huysinghe nu ter tyt genaempt den roosenboom (die zy aldaer noch behoudende bleven) ex altera, comende achter aende plaetse vander selver andere der voirs. erfgeve­ren huysinghe...”[7]. De kopers betalen 88 Car. g. erfelijk voor wat later het ‘Schilt van Colen’ zal genoemd worden.

2° Jan Cuyts, eveneens kuiper, en gehuwd met de weduwe van Bertelmeeus Sodano Katline Abberdaens, geraken op die dag in het bezit van “... Een huys metter plaetsen, halven borneput­te... geheeten Sint Christoffel...”, gelegen in de Reynders­straat tussen het pand van Servaes van Berchem en de Griffoen die moet toelaten dat er water van dit huis over zijn erf loopt. Langs achter grenst de Roosenboom met een gemene schei­dingsmuur aan[8]. Prijs: 64 Car. g. erfelijk.

De Roosboom liep dus achter het Schilt van Colen door, een situatie die we zelfs terugvinden op de oudste kadasterplans. In de akten vinden we voortdurend allerlei regelingen i.v.m. het scheppen van licht en het afleiden van water. Het interes­santste is wel de volgende bepaling zoals we ze aantroffen in de akte over Sint Christoffel: “Condicione dat de gemeyne voute oft privaete comende onder den voirs. scheymuer staende tusschen de plaetse van desen huyse en[de] vander voirs. erfgeveren ande[ren] huysinghe voers., en daer oppe men van beyde de selven huyse met twee diverse pypen nu gaende is, sal moeten geruympt worden over derve van desen selven huyse geheeten sint christoffel, de welcke alsoe geruympt wesende, salmen onder in en[de] deur de selve voeten een[en] muer trecken opwaerts comen[de] en[de] responderende opden voers. scheymuer op gelycken kosten...”. Men wou dus blijkbaar niet met elkaars afval verveeld zitten! Nochtans, tussen opname in een akte en realisatie blijkt er een zee van tijd te zitten zoals we nog zullen zien! Overigens was er ook nog een gemeen­schappelijke beerput tussen de Roosenboom en het Schilt van Colen.

 

Bertelmeeus’ zoon, m.a.w. Bertelmeeus jr., verkoopt zijn rech­ten op de Roosboom d.i. 3/4 van 1/2 en 1/6 van de andere 1/2 aan zijn zuster Beatrice die gehuwd is met koopman Wouter van Hove op 12 mei 1557 voor 3403 Car. g. 8 stuivers, d.w.z. dat de gehele woning zoals ze er op dat ogenblik nog bijstond ruim 7.425 Car.g. waard was. Beschrijving: “... Eene huysinghe geheeten nu ter tyt den Roosboom metter poorten, plaetse, borneputte, hove, gronde en[de] allen den toebehoor­ten...” in de Reyndersstraat tussen Servaes van Berchem's huis en de Blauw Hinne[9].

 

Op 24 april 1562 worden de dochter van Wouter van Hove, Johan­na, en haar man Guillaume Rubin of Rubyns eigenaar van de Roosboom. Op 28 januari 1563 n.s. komt het tot een regeling met de eigenaar van St. Christoffel opdat Rubin op de gemeen­schappelijke achtermuur mag metsen en vensters mag dichtma­ken[10].

 

Als Wouter van Hove de Oude en Beatrice Sedaens overleden zijn komt het “nae vele alteriatien en[de] zwaricheden” tot een overeenkomst tussen de kinderen op 19 februari 1569 n.s. De rede voor het gehakketak was niet ver te zoeken: er viel zo maar eventjes na openbare verkoop van alle eigendommen uit een totaal kapitaal van 19.599  17 schell. 5 p. 17.447  16 s. 4 p. Vlaams te verdelen! Na aftrek van onkosten hield ieder van de vier kinderen nog een erfrente ter waarde van 1634 Car.g. 14 stuivers per jaar over! We vernemen ook dat Beatrice een knecht had: Henrick Michielsen, en Johanne wordt bevestigt als eigenares van “... Eene huysinghe geheeten den Roosboom dae­rinne heure voergen[oemden] vader en[de] moeder te woonen plaghen en[de] gestorven zijn met poorte, gange, plaetse, hove en[de] noch eene wooninghe daer ane gecomen hebbende voere aent straete, alwaer de voers. guill[aum]e [Rubin] en[de] zyn huysvr[ouw]e nu drye nyeuwe huysen ende meer andere meliora­tien gemaect hebben gronde en[de] allen den toebehoorten...”[11].

 

Guillaume Rubin en Johanna woonden er evenwel niet zelf, dezelfde dag verpanden ze het ten voordele van hun kinderen en de akte vermeldt een alles behalve onbekende bewoner: Cornelis van Nispen.

 

Wanneer Guillaume sterft moet zijn weduwe het wat kalmer aan doen en de amman verkoopt op 9 augustus 1575 de drie huizen waarover sprake was. De schuldeiser, Jan de Castro, koopt ze op voor een erfrente van 42  10 schellingen. Twee van de drie huizen hadden reeds een naam: de Witte en de Roode Roose; het derde wordt later de Gulde Roose en ze gaan als dusdanig dan ook een eigen leven lijden[12]. In het cohier van 1579 haalt men de naam Cornelis van Nispen als huurder door en noteert men Jacques Vermeulen[13]. De huurwaarde bedraagt 80 gulden.

 

Op 21 mei 1580 verkoopt Johanna zelf nog de Roosboom en zelfs na al die afsplitsingen blijft het een duur en impressionant pand: waarde 1434 Car.g. eens, beschrijving: “...een huysinghe geheeten nu ter tyt den roosboom, met poorte vloere ceuckene stove neercamere bottelrye plaetse achtercoeckene, logie oft packhuyse, borneput, regenbacke weerdribben, hove, en[de] een huyse oft wooninge [daer]neve comen[de] voir aent strate [ende] van des[en] huysinge nu ter tyt apart bewoont worden­de...”, gesitueerd tussen het Schilt van Colen en de Witte Roose, met de Halle van Armentières als achterbuurman[14]. Koper is Meester Jacques van Houtens of verlatiniseerd Jacobus Houtus, en zijn echtgenote Maria van Linden. Onder de namen 'Jacques van Hove', 'Mr. Jacques van Houthuysen' wordt hij in 1584 - 1586 gesignaleerd als bewo­ner[15]. De huurwaarde is ge­daald tot 72 gulden een bedrag dat in 1586 gehalveerd werd.

 

Op 17 augustus 1588 blijkt dat onze schoolmeester met zijn vrouw als burger in Aken woont en dat ene Remacles Vergou­wen de opdracht heeft gekregen om de Roosboom aan de Atrechtse koop­man Jan Lohinel te verkopen voor 2800 Car.g. te betalen in ‘grogreyn de Lille et daras’ (grof greyn van Rijsel en Ar­ras)[16]. Op 26 augustus 1592 verkoopt Lohinel het alweer aan Peter van Tonge­ren, boekverkoper, gehuwd met Catlyne Mouren­torf (Moretus?), die het op 22 oktober 1594 alweer van de hand doet[17]. De koper is een peltier: Godevaert Andriess[ens]. Deze laat op 23 maart 1616 het eigendom aan zijn zoon Abraham, lid van de meerseniers in 1636.  Zijn weduwe, Elisabeth van Goer­le, verkoopt het op 24 maart 1655 aan de koopman Abraham de Baill(i)eu(r) en diens echtgenote Marie Granier. De nieuwe eigenaars moeten 5.450 gulden betalen voor: “... Eene huysinge metter poorten voor aen[de] straete met twee plaetsen neerca­mer twee ceuckens packhuyse eertyts eene wooninge geweest zynde bottelrye diver­sche bovencamers [ende] comptoire solders kelders hove borne­put [ende] gedeelte van eenen anderen borne­put inden hoff regenback gronde ende allen den toebehoirten...”[18]. Op 22 april 1655 verklaart de Baillieu dat hij zijn weerdribben moet ruimen maar dat hij uitzonderlijk dat via zijn eigen huis laat doen omdat de vrouw die de Keers­vorm bewoond ziek is en de Roosboom toch leeg staat[19]. Reeds op 21 maart 1658 wordt het huis alweer verkocht, nu aan de timmer­man Cornelis van Hove die gehuwd was met Maria vanden Kerckhoven die hun eigendom meteen zwaar hypothe­ke­ren[20].

 

Ook uit de cohieren weten we dat de Roosboom een duur pand bleef. In 1659 bedroeg de huurwaarde 240 gulden, het was uitgerust met zes schoorsteenpijpen, de bewoner heette Jacques Ramson[21]; in 1667 was het opgesplitst in 2 rubrieken: een leeg huis, waarde 220 gulden, en een huis van 100 gulden, 'gehuurd' door de 'weduwe van Hooff'[22].  Nochtans had volgens een huur­contract van 12 februari 1666 één van de huizen, huurprijs 150 gulden per jaar, verhuurd moeten geweest zijn aan ene Baltha­sar Boels[23].  En op 28 maart 1667 werd er een huurcontract afgesloten tussen Maria en Anthonis vander Roer.  Er was een termijn voorzien van zes jaar, ingaande op 24 juni en de huurprijs bedroeg 160 gulden per jaar[24].  Uit haar huwelijk met Cornelis van Hove behield Maria vanden Kerckhoven drie kinde­ren, Alexander die priester werd, Maria die begijn werd in Meche­len en Catharina. Na de dood van Cornelis hertrouwde Maria vanden Kerckhoven met Andries Jans­sens, van wie ze nog één zoon kreeg, Andries de Jonge, en met wie ze in 1673 de 'Witte Roose' kocht.  Andries Janssens staat overigens in het cohier van 1672 al opgenomen als eigenaar en bewoner van het deel van 96 gulden (het nr. 13) terwijl het grootste huis, huurwaarde 130 gulden (het nr. 11) werd verhuurd aan Jan Goetsbloets[25]

 

Na het overlijden van Maria wordt haar man volgens akte d.d. 21 mei 1682 de nieuwe eige­naar van de Roosboom[26]. Het huis werd toen geschat op 7500 gulden. In 1682 wordt Andries Jans­sens wel degelijk gesigna­leerd als bewoner van het pand, huurwaarde 196 gul­den[27]. In 1689-1708 betaalt hij nog wel de belas­tingen op de huur maar woont hij op het einde van die periode in de St. Jans­vliet.  De meerseniers vermelden echter een stoffenverko­per met die naam in de Reyndersstraat in 1696 en 1700[28]

 

 

2. Twee Roosbomen (1713)

 

Op 3 oktober 1713 verkopen Cornelius Guillielmus Janssens, lic. in de beide rechten, kantor en kannunik van de St.- Jacobkerk, zoon van Andreas junior en Anna Paris, en Bernardus van Vit­beek, wijnkoopman, en weduwnaar van de zuster van Cornelius Anna Catharina Janssens, voor 2200 gulden aan Guil­lielmus Paris en zijn zuster Isabella Paris “... een huys oft wooninge metter groote poorte voor aen de straete deel synde van eene grootere huysinge tot nu toe te saemen tot eene wooninghe gebruyckt geweest synde, [ende] nu van malcanderen gesepareert [ende] gespleten wordende, metten gronde [ende] allen den toebehoorten genaemt den selven grooten huyse den roosenboom...”[29]. Deze woning wordt nu gesitueerd tussen de Gulden Keersvorm en de andere woning van de Roosboom; het gaat hier m.a.w. over dat deel dat het meest in de richting van de Hoogstraat is gelegen. Gemakkelijkshalve zullen we het huis waar het hierom gaat onder Reyndersstraat 11 onderbren­gen. Het andere stuk, wat dus nog tijdelijk in de handen van de erfgenamen Janssens bleef, draagt dan het nummer 13. Note­ren we nog dat de kelder van het nummer 11 onder het nummer 13 bleef doorlopen en dat het nummer 13 de plaveien boven deze kelder moest onderhouden.

 

Op 25 mei 1714 wordt dan het nummer 13 toegewezen van Corneli­us Guillielmus Janssens en het wordt dan als volgt beschreven: “... een huys ofte wooninge deel geweest synde van eene groot­ere huysinge voor desen te samen tot eene wooninge gebruyckt geweest synde, [ende] nu onlanx van malcanderen gesepareert [ende] gespleten synde, metten gronde ende toebehoorten...”, en wel degelijk gesitueerd tussen de andere Roosboom en de Witte Roose[30]. Cornelius kreeg in diezelfde akte ook de Roode Roose in zijn bezit.

 

 

3. Verdere geschiedenis van de Roosboom, Reyndersstraat 11

 

Op 26 mei 1736 verkopen de erfgenamen van Isabella Paris dit deel van de Roosenboom voor 1430 gulden aan Adriaen Bosmans en Catharina Cossens[31]. Na de dood van Adriaen weet Catharina volgens akte d.d. 22 juni 1744 het huis, toen geschat op 1300 gulden, voor zichzelf te behouden[32]. Op 21 september 1746 ver­klaart notaris Allefeldt op basis van haar testament zijn collega Jan Baptista van Dun, tot nieuwe eigenaar zodanig dat hij het huis kan verkopen om Catharina's schulden af te beta­len en met wat moest resten, de restauratie van de 'Borghtkercke', d.i. waarschijnlijk St.- Walburgis, te helpen financieren. Op 9 december 1746 verkoopt van Dun het huis voor 1527 gulden aan Peeter Ghysen[33]. Vast staat dat in 1754 iemand anders die niet van de familie was er woonde n.l. de koopman Louis Gallonde, zijn zuster Magdalena en een dienstmeisje[34].

Anna Maria Clara van Dongen, de kleindochter van Peeter Gysen en gehuwd met Judocus Joannes Baptista van Langehoven ver­werft het huis op 25 oktober 1777[35].  In 1796 is Langenhoven nog steeds eigenaar, huur­ders zijn Louis Boonen, 25 en huurkoet­sier, zijn echtgeno­te Mari Dom, 27 en Terèse Dirckx, 18 en dienstbode[36].  De waarde bedraagt 1300 gulden.

 

In 1898 zou men er een café uitgebaat hebben[37].

 

 

 

4. Verdere geschiedenis van de Roosboom, Reyndersstraat 13

 

We schrijven 9 februari 1730 als Cornelius Janssens dit huis verkoopt aan de chirurgijn Meester Joannes Franciscus de Soto en Jacobyne de Meuller en dit tegen een erfrente van 125 gulden per jaar (2000) gulden)[38]. Dit is ook het bedrag dat Cornelius Bastiaens en Isabella Clara van Doren betalen als dezen het op 9 december 1739 van het echtpaar de Soto kopen[39]. In 1742 kopen dezen er ook nog de Witte Roose bij.

 

In 1754 huurt oud-schoenmaker Adriaen Gommers, samen met zijn vrouw en zijn vier dochtertjes van resp. 2, 5, 7 en 8 jaar dit deel van de Roosboom[40]. Dat jaar erven Isabella Clara van Dooren en haar tweede man Daniel Franciscus Cuylits ook nog de Gulde Roose en het Schilt van Coelen. Dit laatste pand ver­kopen ze twee jaar later.

 

Op 21 juli 1781 verkopen de kinderen van Daniel Cuylits de Gulde Roose, de Witte Roose en dit stuk Roosboom voor 4900 gulden aan Carolus de Buck en Maria Helena Bauduin die meteen hypothekeren voor 3200 gulden ten penning 16[41].  Volgens de naamlijsten van de meerseniers woonde deze wasmaker al zeker in de Reyndersstraat vanaf 1781[42]. Deze huizen worden in 1796 duidelijk als één geheel gebruikt door Charles Debuck 46 jaar oud en was­koopman, zijn echtgenote Elene Boude­wijns van de­zelfde leef­tijd, Charles' kinderen Pierre, 17, Charles, 16, François, 14, Jean, 12, Justine, 11 en Jeanette, 7 en tot slot Catherine Maxtieux, hun 28 jarige dienstbode.  Er is geen waarde genoteerd maar men zegt wel dat de familie over 4000 gulden kon beschikken[43].

 


 

[1] Archief  OCMW, HG 153, f° 62, art. 648.

[2] Archief  OCMW, HG 153, f° 28 v°, art. 385.

[3] SAA, SR 65, f° 130 r°.

[4] SAA, SR 100, f° 247 r° - v°.

[5] SAA, SR 166, f° 404 r°. Noteren we dat Berthelmeeus de Sondano ook nog eigendommen bezat in Hoboken: SR 165, f° 160 r° - v°; SR 166, f° 139 v°.

[6] SAA, Coll. 5, f° 123 v° - 126a r°.

[7] SAA, SR 226, f° 82 r° - v°.

[8] SAA, SR 226, f° 83 r° - v°.

[9] SAA, SR 263, f° 186 r° - 187 r°. Merken  we op dat Wouter van Hove op 12 mei 1562 ook nog eigenaar zal worden van "... Eenen groote steenen huysinge omwatert zynde met al tgheene datter eertvast en[de] nagelvast en[de] oick met allen dan anderen huysraede die daer inne is en[de] der selver aengaet gestaen tot broechem aende evenderheyde, metten poorten, plaetsen borneputte, grachte, brugghe, hove bogaerde, duyfhuyse pleyne, stalle castelleynhuyse..." en een reeks hoeven daarbij, in totaal voor een waarde van 1.962 Car.g. Zie: SR 290, f° 212 v° - 213 v°.

[10] SAA, SR 291, f° 83 v°.

[11] SAA, SR 318, f° 70 r° - 78 v° en f° 83 v° - 84 r°; 84 r° - v° voor de volgende verwijzing.

[12] SAA, SR 341, f° 428 r° - v°.

[13] SAA, R 2330, f° 6 v°.

[14] SAA, SR 294 v° - 295 r°.

[15] SAA, GA 4833, f° 116 r°; R 2221, f° 50 v°; 2238, f° 58 v°; R 2498, f° 63 v°.

[16] SAA, SR 392, f° 198 r° - 199 r°.

[17] SAA, SR 407, f° 32 v° - 33 v°; SR 415, f° 186 r° - v°.

[18] SAA, GA 4215; SR 736, f° 278 v° - 279 v°.

[19] SAA, N 3772, f° 30 r° - v°.

[20] SAA, SR 750, f° 385 v° - 387 r°.

[21] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­folieerd.

[22] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[23] De voorziene termijn was drie jaar ingaande op 15 maart 1666.  Bron: SAA, N 3783, f° 10 v°.

[24] SAA, N 3784, f° 160 r°.

[25] SAA, GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 58 en 59.

[26] SAA, SR 898, f° 161 v° - 164 v°.

[27] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 57 r°, nr. 57 - 58.

[28] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, derde wijk, 2de kapitein, nr. 57 - 58; GA 4832, f° 136 r°, nr. 57 en 58; GA 4218-19.

[29] SAA, SR 1038, f° 249 r° - 250 v°.

[30] SAA, SR 1043, f° 245 v° - 250 r°.

[31] SAA, SR 1121, f° 67 r° - 69 v°.

[32] SAA, SR 1151, f° 83 r° - 85 v°.

[33] SAA, SR 1161, f° 240 r° - 242 r° en 242 v° - 244 v°.

[34] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 445, nr. 50.

[35] SAA, SR 1262, f° 572 v° - 580 v°.

[36]SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2260.

[37] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 7).

[38] SAA, SR 1102, f° 10 v° - 12 v°. Aankondiging verkoop: N 4434, ongefolieerd, begin derde laatste katern.

[39] SAA, SR 1131, f° 198 v° - 199 v°.

[40] SAA, PK 2561 : Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 445, nr. 51.

[41] SAA, SR 1274, f° 303 r° - 305 v°.

[42] SAA, GA 4227, 4230-31, 4234-35, 4237-38.

[43] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2261.