Sint Christoffel, Reyndersstraat 5 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Het huis ‘St. Christoffel’ is ontstaan uit een grote eigendom die in de vroege XVde eeuw door ene Jan vanden Broecke van het pand de Griffoen, gelegen op de hoek van de Hoogstraat, werd afgesplitst. Die eigendom, genaamd de Roosboom, werd in de loop van de XVIde eeuw vooral door de rijke koopmansfamilie Sedano of Sedaens en hun nog rijkere aangetrouwde verwanten uit het geslacht van Hove verka­veld.

 

Op 28 mei 1547 splitsen de van Hoves twee stukken van de Roosboom: twee huizen die tesamen het Schilt van Colen worden genoemd en “... Een huys metter plaetsen, halven borneputte, fundo et omnobus pentinen[tys] geheeten sint christoffel gestaen en[de] gelegen inde Reynerstrate alhier, tusschen Jacobs de Rycke met syn[en] consorten huys en[de] erve [dit is de Griffoen] (die het water van desen voirs. huyse over de selve hen erve leyden moet voe[r]s[cr]. ter straten waerts vuyte) ex una, ende Servaes van Berchem ende syns wyffs twee huysen voe[rs]. [dit is het Schilt van Colen], en[de] de plaetse vander voirs. erfgeveren ande[r] huysinghe genaempt nu ter tyt den Roosenboom... achtere ex altera...”[1]. Kopers zijn de kuiper Jan Cuyts en diens echtgenote Katline Abberdaens die voorheen weduwe was van Bartelmeeus Sedaens en dus tot de familie van de comparanten behoorde. De verkoop­prijs bedroeg 64 Car. g. erfelijk. Er volgden ook nog een reeks voorwaarden i.v.m. lichtschepping en het feit dat de koop van het Schilt van Colen door de kopers van St. Chri­stoffel niet mocht ‘gecalengierd’, d.i. genaast, worden maar speciaal is toch wel het volgende: “Condicione dat de gemeyne voute oft privaete comende onder den voirs. schey­muer staende tusschen de plaetse van desen huyse en[de] vander voirs. erfgeveren ande[ren] huysinghe voers., en daer oppe men van beyde de selven huyse met twee diverse pypen nu gaende is, sal moeten geruympt worden over derve van desen selven huyse geheeten sint chri­stoffel, de welcke alsoe geruympt wesende, salmen onder in en[de] deur de selve voeten een[en] muer trecken opwaerts comen[de] en[de] responderende opden voers. scheymuer op gelycken kosten...”. Dit bouwen van die schei­dingsmuur in de beerput is zeker niet onmiddellijk doorgevoerd zoals we nog zullen zien!

 

Op 18 juni 1575 verkoopt Catlyne Abberdaens, ondertussen voor de derde maal gehuwd, nu met kuiper Michiel van Oudtsel, samen met haar zoon Adriaen Cuyts, suikerbakker, aan de tavernier Hendrick vande Sande en Maria Nijs het huis. De voorwaarde van het zetten van de scheidingsmuur in de beerput is nog steeds in de akte opgenomen. De koopprijs is gedaald tot 56 Car. g. erfelijk en het huis is o.m. belast met 3 stuivers kelderdeu­renchijns van de stad.  De reden was op dat ogenblik een lig­gende deur van 2 voet diep[2]. Het valt aan te nemen dat de nieuwe eigenaars hun huis, huurwaarde 60 gulden, ook de hele tijd voor zichzelf gebruikt hebben. Dit wordt toch zo gemeld door de cohieren uit 1579, 1584 en 1585. Henrick zelf zou er nog in 1579 zelf gewoond hebben, vanaf 1584 wordt ‘de weduwe van hendrick vande zande tap­per’ als ‘zelf bewoonende’ eigena­res opgegeven in het ‘Regis­ter houdende de huysen..’ en de cohie­ren. In 1586 wordt Jan Janssen als eigenaar en bewoner van het huis, huurwaarde 30 gulden, opgenomen in het cohier[3].

 

Op 12 februari 1602 verkopen de twee dochters van Hendrick en Maria: Johanna en Heylwich, aan hun stiefvader Jan Hanssens, hun helft op het huis dat nu wat uitgebreider beschreven wordt: “... eenen huyse met vloere cuecke[n] neercamer over­deckte plaetse gemeyne[n] borneput regenback weerdribbe, oppercamers, solders, kelders...”[4]. Jan Hanssens bezat wegens het overlijden van zijn vrouw de andere helft al. De man kwam echter in financiele moeilijkheden en de amman droeg voor 121 Car.g. erfelijk het huis op 19 mei 1616 over aan koopman Hendrick Moens; en het muurtje in de beerput is nog steeds niet opgetrokken[5]!

 

Als de eigendommen van Hendrick Moens en zijn echtgenote Constantia Bonanomi, waaronder ook de Griffoen in de Hoog­straat (zie aldaar), op 4 maart 1643 worden verdeeld krijgt één van hun dochters, Constantia, St. Christoffel dat voortaan 'De Lelie' wordt genoemd[6]. Zij verkoopt het pand samen met de Roosenboom dat zij ook bezat op 18 april 1651 aan tavernier Thielman Brous of Brons[7].  Waarschijnlijk heeft hij dit pand ook ge­bruikt als herberg[8].  T. Brous was gehuwd met Cornelia Hermans. Het echtpaar kreeg één zoon, Thielman Brous, wiens voogden na de dood van zijn ouders op 26 april 1657 het huis verkopen voor 4000 gulden aan de bakker Augustyn Blommaert en zijn vrouw Margrie­te Stevens. De beschrijving wijst op enkele verbouwin­gen: “... Een huys met vloere ceuckene neercamer, overdeckte plaetse gemeynen borneputte weerdribbe gronde ende alle[n] de[n] toebehoirten met eenen nieuwen kelder onlancx onder de straete gemaeckt gen[aemp]t S[in]te Christoffel daen nu ter tydt de witte lelie wthangt...”[9]. De straatkelder waarover sprake is was vrij volumineus en leverde de stad een cijns op van 21 stuivers.  Volgens de cijnsboeken van de XVIIde en de XVIII­de eeuw dateerde de kelder wel degelijk van 1651.

 

Augustyn Blommaert heeft zijn huis zelf bewoond blijkens het cohier van 1659 waarin we St. Christoffel herkennen in een huis, huurwaarde 110 gulden, uitgerust met drie schoorsteen­pijpen[10]. In 1667 is de huurwaarde opgelopen tot 120 gulden om tegen 1672 terug te dalen naar 108 gulden[11]. Augustyn Blom­maert en Margriete Stevens kregen twee doch­ters: Susanna, die begijn werd, en Margarita, die huwde met Cornelis Truyens. Al in 1682 wordt deze Cornelis Truyens als bewoner van St. Chri­stoffel of De Lelie, huurwaarde 108 gul­den, aan ons gemeld[12] en ook in de jaren 1689 tot 1708 is hij bewoner[13]. Op 20 oktober 1700 verwerven Cornelis en Margarita na afrekening met Susanna het huis dat belast was met een erfrente ter waarde van 2000 gulden[14]. Cornelis heeft zijn vrouw voor hem het graf zien ingaan en hij hertrouwde met Anna Maria de Bie. De erfge­namen van Anna Maria de Bie kwamen tot een zodanige verdeling dat het huis op 11 december 1722 in de handen kwam van Meester Bakker Bartholomeeus de Bie en Joanna Nagels. De schatter kwam tot een bedrag van 2228 gulden en de nieuwe eigenaars huypo­thekeerden voor 400 gulden kapitaal[15].  Wat er dan gebeurd is met het pand is wat duister.  Feit is dat het Kapittel (van O.-L.-V.?) de keldercijns heeft afgelost op 3 oktober 1743.

 

Nadat de stadhouder van de amman tot openbare verkoop was overgegaan belandt het pand volgens akte d.d. 6 augustus 1751 in de handen van de hoefsmid Ludovicus Dominicus Andries en Isabella van Haelst die een bedrag van 1800 gulden moeten neertelllen[16]. Hij had evenwel al in juni werken aan het huis laten uitvoeren n.l. ‘een travaille’ aan het huis gemaakt waarop hij een stadscijns van 4 stuivers per jaar diende te betalen.  Samen met twee knechten bewoonde het echtpaar zeker in 1754 het huis[17]

 

Op 14 september 1790 verkopen de erfgenamen van Ludovicus Dominicus Andries het huis voor 3000 gulden aan meester hoef­smid Joannes Kiven en Anna Maria Vast. Het beroep van de nieuwe eigenaars en het feit dat ze meteen voor het volle bedrag een erfrente verkopen ten penning 20 doet ons vermoeden dat ze er ook wel zullen gewoond hebben[18] en dit wordt ons bevestigd door de telling van het jaar IV waar we kunnen vaststellen dat Jean Kiven, 48 en smid, inmiddels weduwnaar is en zijn huis bewoond samen met zijn kinderen Matieu, 19, smid; Mari, 18, naaister; Jeannette, 13 en kantwerkster; Anne, 9 en Henriette, 6.  Merkwaardig is dat in de daaropvolgende rubriek van de telling het huis blijkbaar verder wordt besproken en we volgende bijkomende eigenaars-bewoners kunnen aanwijzen: Jean Stevens, smidsgezel, 37 jaar, en Elisabet Stevens, dienstbo­de.  De waarde bedraagt dan 3000 gulden[19].  Noch merkwaardiger is dat we in 1797 ene Joannes Kiven en ene Maria Elisabet Stevens het Schilt van Keulen zien opkopen.  Maar in het cijnsboek van de XIXde eeuw staat vermeld dat in 1818 de cijns op de ‘travaille’ werd geschrapt omdat de travaille niet meer be­stond en dat Jan Kieven nog steeds eigenaar was[20].

 

In 1898 werd er in St. Christoffel een café uitgebaat[21].


 

[1] SAA, SR 226, f° 83 r° - v°.

[2] SAA, SR 343, f° 299 r° - 300 r°; T 167, f° 38 r°.

[3] SAA, GA 4833, f° 116 r°. R 2330, f° 6 r°; R 2221, f° 50 r°; R 2238, f° 58 r°; R 2498, f° 63 r°.

[4] SAA, SR 447, f° 17 v° - 18 v°.

[5] SAA, SR 520, f° 369 v° - 371 r°.  Het is bijna zeker dat de tavernier Henrick van Diest en zijn echtgenote Janneken van Eugen of van Jugen, zoals blijkt uit hun testament, dit pand in 1639 bewoonden.  Zij waren resp. de schoonzoon en de doch­ter van de volgende eigenaar Thielman Brous.  Het hogergenoem­de testament noemt de Lelie in de Reyndersstraat hun woonhuis maar rond die tijd was er nog een tweede huis met die naam in de Reyndersstraat n.l. een gedeelte van het pand ‘De Groote Hage’, Reyndersstraat 43. Bron: N 3757, f° 108 v° - 110 v°.

[6] SAA, SR 676, f° 342 v° - 345 r°.

[7] SAA, SR 720, f° 26 v° - 27 v°. Over deze man en zijn eerste echtgeno­te, die in 1615 in St. Christoffel zou gewoond hebben, zie de 'Witte Roose'.

[8] SAA, N 3790, f° 38 v° d.d. 5 december 1656 spreekt van een herberg ‘De Lelie’ in de Reyndersstraat.  Ook een deel van de Grote Hage, Reyndersstraat 43, zou in aanmerking kunnen komen maar dat was op dat ogenblik eigendom van een nestelbeslager.

[9] SAA, SR 742, f° 154 r° - 155 r°.

[10] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd. N 3773, f° 120 v°.

[11] SAA, R 2503 : Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 55 (waar het pand de Lelie wordt genoemd).

[12] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 57 r°, nr. 54.

[13] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, derde wijk, 2de kapitein, nr. 54; GA 4832, f° 136 r°, nr. 54.

[14] SAA, SR 988, f° 37 v° - 38 r°.

[15] SAA, SR 1074, f° 272 v° - 274 v°; f° 281 v° - 282 r°.

[16] SAA, SR 1176, f° 142 v° - 143 r°.

[17] SAA, T 169, f° 17 r°, nr. 142/4 (288/4); T 172: cijnsen..., f° 23 r°, nr. 288/4; PK 2561: Volks­telling 1755 Ie - 4e wijk, p. 445, nr. 47.

[18] SAA, SR 1303 II, f° 155 r° - 158 r°.

[19] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2256 en 2257.

[20] SAA, MA 3563, f° 43 v°, 84, nr. 288/4.

[21] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 1°)