De Blauwe Haen, Reyndersstraat 3

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Alhoewel er op de plaats van de Blauwe Haen al sedert enige tijd een achterhuis van de Griffoen (Hoogstraat) was neergepoot  begint de Blauwe Haen pas echt te bestaan vanaf 16 december 1552 als de toenmalige eigenaars van de Griffoen de gebroeder Jacob, Medaert en Joos vanden Moere in erfelijk recht aan Jan Teyne Janssone, ‘schoteleir’ (schotel­maker) en zijn echtgenote Gheertruyden Struyve “... Een huys metten gebruycke vand[en] borneputte fu[nd]o et omnibus p[er]tinen[tys], geheeten den Blauwen haen...” geven. Dit huis wordt gesitueerd in de Reyndersstraat tussen de Griffoen (met een gemeenschappelijke muur) en het huis St. Christoffel, waarvan de Blauwe Haen het water zal moeten blijven afleiden naar de straat. In totaal wordt van de kopers een som van 75 Car. gulden erfelijk verwacht en die som moet voor de helft ten penning 16 afgelost worden tegen de daaropvolgende dag van St. Jan[1].

 

Noteren we nog een paar merkwaardige bepalingen: “Item dat den solde[r] vanden zelven blauwen haen comen[de] over die voirs. huyse en[de] erve van[den] griffi­oen, nyet leege[r] en[de] den trap, insgelix comende over derve vand[en] voirs. griffioen, nyet voirder vuyte ter erven wairts van[den] zelven griffioen, respective en zal mogen gestelt oft gemaict worden, dan die beyde respective nu jege­nwoirdelicken gestelt en[de] gemaict zijn...”. Er is ook sprake over een blauwe pilaar die onder de scheidingsmuur mag gemetst worden maar hierover zo dadelijk iets meer. En uit een latere akte hebben we nog het volgende overgeschreven[2]: “... Dat de proprietaris vand[en] vs. huyse genae[m]pt den blauwen haen (dwelck alle dwater van dese huysinghe geheeten den griffoen (al weert dat de selve in twee oft meer deelen gespleten werde) teeuwigen dagen leyden moet) onder den balck daer oppe den achtermuur vand[en] selven blauwen haen gemetst is, mach doen stellen eenen pileer van eenen voet int Ronde, buyten der eerden opwaerts, op derve van des vs. huysinghe, en[de] oick den selven achtermuer (die telcker zyden gemeyn is) opvueren alsoe hooghe alst hem gelieft...”.

 

De kelders van de Blauwe Haen waren vlot toegankelijk vanuit de straat via een kelderdeur van 2 voet diep waarop 3 groten cijns werd betaald[3].

 

De Blauwe Haen heeft lange tijd dezelfde eigenaars gehad die er ook gebruik van maakten. In 1579 werd er wel aan 30 gulden per jaar verhuurd aan Henrick Block. In 1584, 1585 en 1586 wordt het bewoond door de weduwe van Jan Theyne, maar dan mogelijk nu de zoon en als stoeldraaier genoteerd, een beroep dat we in de Reynders­straat nog meer tegenkomen[4]. Op 3 april 1601 verkoopt Jan Theynen, zoon van Jan en van Gheer­truyt Struyven al zijn rechten (de helft) op zijn huis aan Augustijn Bloemaert, houtbreker, en Agneete Kerstens, zijn echtgenote. De koop wordt echter gecalengierd door Peeter Mathijs, zoon van Wouter Mathijs en via zijn moeder Anna Theynen een klein­zoon van de oudste Jan en Gheertruyt Struy­ven op 10 april 1601. Peeter Mathijs verwerft van zijn zuster Barbara op 12 februari 1608 haar rechten (een kwart) op het huis[5]. Hij bezat al een kwart na de dood van zijn vader Wouter en is dus nu de enige eige­naar.

 

Op 7 maart 1642 verkoopt Peeter Mathijs, draaier, aan zijn collega Meester Liebrecht Bernaerts en diens vrouw Anna Henricx de Blauwe Haen. De kopers hypothekeren hun pand voor 124 Carolusgulden erfelijk[6]. Volgens het cohier van 1659 bewoonde hij zijn huis, huurwaarde 80 gulden en voorzien van 2 schoor­steenpijpen, zelf[7] en in 1667, wanneer de waarde gezakt is naar 72 gulden, woont hij er nog steeds[8]. Weduwe geworden verkoopt Anna Henricx, samen met hun zoon Joannes Liebrechts Bernaerts, onderpastoor in St.- Pauwels- Waas op 22 maart 1670 het huis aan Joannes Smidts, oud schoenmaker, en Barabar Machaers. De koopsom bedraagt 1000 gulden die meteen worden betaalt, en een erfrente van 62 gulden 10 stuivers per jaar, d.i. nog eens 1000 gulden. De kopers hypotheren bovendien voor nog eens 37 gulden 5 stuivers per jaar (596 gulden).  Maar reeds in 1672 blijkt Smidts overleden te zijn en zijn weduwe verhuurde tegen zo'n 54 gulden per jaar aan Jan Coectoren[9].

 

Na de dood van haar man hertrouwde Barbara Machaers (Macharis) de handschoenmaker Peeter Vereycken en samen met de erfgenamen van zijn vrouw verkoopt deze op 16 februari 1680 het huis aan de draaier Jan Pector voor 1625 gulden. Wanneer deze laatste zijn huis moet hypothekeren verklaart hij dat zijn vrouw Anna de Nys medeeigenaar is[10]. In het cohier van de Burgerlijke Wacht uit 1682 vinden wij Jan Pector terug als betaler van de cijnzen voor de Blauwe Haen die merkwaardigerwijze ‘De Dry Vogelhuysen’ wordt genoemd en waarvan de huurwaarde nog maar 60 gulden is[11]. In 1689 noteert men als bewoner Jan Pector, vervolgens kwam Anthony Bosschaert in de Blauwe Haen wonen.  Hij werd er opgevolgd door zijn weduwe die bleeft tot 1708[12]. Jan Pector heeft buiten Anna de Nys nog twee vrouwen gehad: Barbara van Wol­schot, van wie hij twee kinderen had, en Joanna de Cou, die na zijn dood met drie kinderen verder door het leven moet. Zij wordt op 21 februari 1696 eigenares van de Blauwen Haen[13].  In 1704 zou de weduwe van Gillis Meerts, die ook in de Hoog­straat in het buurpand Mechelen woonde, gewoond hebben in de Blauwen Haen maar dat is dan wel in tegenspraak met het cohier van 1689 (-1708) volgens hetwelke, zoals gezegd, Anthony Bosschaert en zijn weduwe tot 1708 in de Blauwen Haen hebben gewoond[14].

 

Eén van die drie kinderen, Joannes Pector, gehuwd met Jacomy­ne van Miert laat laat op 14 mei 1738 zijn testament in de Blauwe Haen opmaken. Hun erfge­namen zijn hun twee kinderen Joannes Baptiste en Maria There­sia waarvan eerstgenoemde niet alleen het huis met een tegen­waarde van 1000 gulden krijgt maar ook: “... allen de gereet­schappen tot het draeyen dienen­de benef­fens twee ledicanten metten behanghsels beddens wolle mattras­sen vier sargien ende voorts soo de selve werden beslapen ende schouwcleet, item een schapraeye met dry sloten item een taffel met vier stoelen ses paer laekens ses paer flouwynen een dosyn servettenen dry ammelaekens alle van de beste...”, dit onder de voorwaarde dat hij bij hen blijft wonen tot de dood van de laatste. Hij krijgt ook de winkelgoederen, het hout en de meubels. We kunnen hieruit afleiden dat er in de Blauwe Haen van vader op zoon een houtdraaierij was[15]. Een document van 21 maart 1752 situeert de inmiddels weduwe geworden Jacomyne van Miert in de Hoogstraat maar gezien de ligging van de Blauwe Haen valt het niet uit te sluiten dat ze eigenlijk toch nog steeds daar woonde[16].

 

Bewoners in 1754 waren de glazenmaker Peeter Rysheuvel, zijn echtgenote, een zoon van 13 jaar en twee dochtertjes van resp. 4 en 9 jaar[17].

 

De laatste akte over de Blauwe Haen is die van 19 augstus 1786. De zoon van Joannes Pector en Jacomyne van Miert, Joannes Baptista Pector, en zijn vrouw Elisabeth Taeymans verkopen dan voor 1400 gulden waarvan 1000 gulden moet dienen om een erfrente af te betalen aan Josephus Franciscus Ratinckx en Maria Catharina van Necken[18].  In 1796 bewoonden ze het pand, waarde 700 gulden, wel degelijk, Joseph was toen 64 en glazenmaker, Maria was 45 en naaister, en een ongehuwde kant­werkster van 40 jaar met name Terese Geerts woonde bij hen in[19].

 

In 1898 was er in de Blauwe Haen een garen- en bandwinkel (mercerie) gevestigd[20].

 

 


 

[1] SAA, SR 245, f° 460 r° - v°.

[2] SAA, SR 246, f° 237 v° - 238 r°.

[3] SAA, T 167, f° 37 v°; T 169, f° 16 v°, nr. 140 (= cijnsboeknr. 283).

[4] SAA, GA 4833, f° 116 r°; R 2330, f° 6 r°; R 2221, f° 50 r°; R 2238, f° 58 r°; R 2498, f° 63 r°.

[5] SAA, SR 440, f° 510 r° - 511 r°; SR 440, f° 335 r°; SR 474, f° 262 r° - v°.

[6] SAA, SR 674, f° 319 v° - 321 r°.

[7] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd.

[8] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[9] SAA, SR 824, f° 241 r° - v°; GA 4829, cohier kapitein Wans 1672, nr. 54.

[10] SAA, SR 881, f° 388 r° - 390 r°; f° 394 v° - 395 r°.

[11] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 57 r°, nr. 53.

[12] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, derde wijk, 2de kapitein, nr. 53.

[13] SAA, SR 972, f° 494 r° - 495 r°.

[14] SAA, GA 4832, f° 135 r°, nr. 53 (en 52).

[15] SAA, N 1208, ongefolieerd, akte nr. 53.

[16] SAA, N 2992, ongefolieerd.

[17] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 445, nr. 46.

[18] SAA, SR 1293, f° 514 r° - 516 v°.

[19] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2255.

[20] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 1).