De Groenen Hoet, Pelgrimsstraat 27

Terug naar het overzicht van de huizen


Dit pand is ont­staan toen Sebastiaen van Dale, een vermogend koopman, stelselmatig een aantal stallingen en poortgebouwen van zijn grote eigendom ‘De Grote Gans’ op de Oude Koornmarkt begon te verkopen. De Grote Gans die dus doorliep sedert mensenheugenis van de Oude Koornmarkt tot de Reyndersstraat was tot dan toe één van de voornaamste herbergen van de koop­lui van de Duitse hanze geweest en al die stallingen en poort­gebouwen achteraan op de Reyndersstraat waren tot dan toe voor de goede circula­tie en het herbergen van de gasten een absolu­te noodzaak geweest. Nu de kooplui van de Duitse hanze een nieuw hanzahuis hadden waren er niet zoveel herbergen meer nodig en Sebastiaen van Dale heeft daarom ook die stallingen en poortgebouwen verkocht.

 

Nog op dezelde dag dat hij de Grote Gans  helemaal voor zich­zelf kon verwerven (30 maart 1542) verkocht Sebastiaen van Dale aan Jan de Fevre Petersso­ne, maerschalck (hoefsmid), en Margriete Sclerckx, zijn echtgenote, “... eenen stal lanck omtrent vie[r] en[de] tacht­entich voeten onbegrepen vander maten metter plaetzen oft lediger erven int viercanden daerneefens gelegen metten gronde ende toebehoorten gestaen ende gelegen int nieuw straetken loopende vuyter reynerstraten na doude corenmerct achter de huysinge geheet[en] de gans, tusschen den stal vander zelver huysinge dien erfgevere aldaer noch blijft behoudende, ende aldaer den muer tusschen beyde staende tot eeuwigen dagen sal zijn ende bliven gemeyn telcker zijde half ende half, aen deen zyde, ende de huysinge en[de] erve gehee­ten den tennen pot aen dander zyde comende metter voirs. platzen suytwestwaert aen tstalleken ende plaetsken van jans andriess[en] en[de] zijne wijfs huysen inde reynerstr[ate] gestaen...”. De prijs bedroeg 136 Carolus Gulden erfrente per jaar[1].

 

Merken we ook nog op dat uit hieruit twee huizen zullen ont­staan n.l. De Witten Engel en de Groenen Hoet zij het dat aangezien de drie huizen tussen de Kevie (Twaalf Apostelen) en het Schild van Leyden in de in de loop van de daaropvolgende jaren in de handen kwamen van 1 eigenaar dat er kleine wijzi­gingen moge­lijk zijn geweest inzake perceelschei­dingen.

 

Op 6 mei 1546 koopt Claus Cleys alias van Loemele, de eigenaar van de Spiegel, een grote herberg op de Oude Koornmarkt, en sedert 13 januari 1543 ook al eigenaar van een ander stuk erf van de Grote Gans, waarop hij later het huis ‘De Cleynen Spiegel’ zal doen optrekken, van hoefsmid Jan de Fevre en zijn echtgenote Margriete Sclercx[2] hun eigendom dat reeds als volgt beschreven wordt: “... een huys voer aen tstrate met een[en] grooten stalle daer achter, met nog een ledige plaetse en[de] een[en] huyse daer neffens dwelck een smisse is, oic voer aen tstrate, inde pelgro[m]strate alhier achter de huys[inge] geheeten de gans, gestaen tusschen desselfs claes van lo[e]mele huys ende erve genaempt de spiegel ex u[n]a en[de] thuys ende erve vanden tennepot ex alt[er]a...”. Op 24 mei 1555 verkoopt Claus aan zijn zoon Steven Cleys van Loemele, een befaamd notaris, “... een huysken oft wooninge dat een smisken te wesene plach, metten vloere coeckene gebruycke vander plaetsen weerdribben reegen­backe ende borneputte vanden  voirn. vercoopers andere huysen ende erve...” Daar de Witte Engel als aanpalend pand met name genoemd wordt kan het niet anders of we hebben hier wel degelijk met een aparte Groenen Hoet te maken zij het dat er duidelijk nog heel wat bindingen met de andere eigendommen van de familie Cleys van Loemele bleven bestaan[3]. In de akte van 24 mei 1555 vinden we nog een eigenaardige bepaling n.l. dat Claus zijn vroeger eigendom binnen twee jaar mag terugkopen voor dezelfde prijs en mits daarenboven de onkosten die Steven zou gemaakt hebben te betalen. Op 15 april 1556 doet Claus afstand van die rechten maar er volgen een hele reeks bepalingen en rechten die Steven krijgt i.v.m. de eigendommen die Claus heeft behouden[4]:

“Inden yersten de deure staen[de] achter inden muer noertwaerts, daer doere men gaet, van vuyten selven synen huyse, opden voirs. claus syns vaders plaetse voorscreven, Item noch daer toe, het vry gebruyck ten eeuwigen dagen, vander selver plaetsen, en[de] vanden borneputte, en[de] regenback, daer oppe staende, Item van oock der weerdribben staen[de] tusschen des voors. claus en[de] stevens syns soens huysen en[de] erven respective[lick] voirs., alsoe dinwoonde­ren, van desselfs stevens huyse, die altsamen tot noch toe gebesicht en[de] gebruyct hebben, en[de] dagelycx gebruyckende syn,...”. Steven moet wel 1/4 van de onkosten voor reparatie, onderhoud en ruiming van de borneput, regenbak en weerdribbe voor zijn rekening nemen. Merken we ook nog op dat men spreekt over ‘dinwoonderen, van desselfs stevens huyse’ wat erop lijkt te wijzen dat Steven er niet zelf woonde.

 

Op 9 februari 1575 n.s. worden de uitgebreide bezittingen van Steven Cleys onder zijn kinderen verdeeld[5] en zijn oudste dochter Yda, getrouwd met Peeter van Bloemendale, verwerft o.m. de Groenen Hoet. Amper drie weken later, op 4 maart 1575 verkoopt ze aan Jan Wagge, herbergier, en zijn echtgenote Agneete van[der?] Ameyen “... twee huysen oft wooningen daer af deenen geheeten is den groenen hoet met eender plaetsen die ten expireren vander hueren vanden naebescreven huyse geheeten den Engel gesepareert zal worden vander geheelder plaetsen in desen voers. huyse en[de] den huyse geheeten als voore int gemeyn toebehoorende waer aff den scheydemuer getrocken zal wordden twee voeten en[de] een halve voer by de pompe oost­waerts binnen smuers en[de] alsoe responderende opden vuyter­sten cant vanden keldergate oostwaerts lignirecht vuyte opden muer van[den] voers huyse geheeten den Engel gronde ende allen den toebehoorten...”[6]. Er volgen nog een hele reeks voorwaar­den inzake het scheppen van licht, het afleiden van water, enz... alsook de bepaling dat de verkopers de waterpomp op de plaats mogen blijven gebruiken.

 

We weten dat Hans Wagge (of is dit toch Jan?), herbergier of tavernier uit Sittard, ook lieutenant genoemd, in de periode 1577 - 1586, de eigenaar en bewoner van de Groenen Hoet was[7]. De huurwaarde bedroeg 80 gulden.

 

Ondertussen had Jan Wagge op 5 februari 1581 n.s. ook de Witten Engel gekocht van Yda Cleys van Loemele. Op 29 oktober 1596 verkoopt hij, ook gemachtigd zijnde door zijn echtgenote volgens een procuratie in Sittard opgemaakt, beide panden aan hun zoon Henrick Waggen[8]. In de beschrijving vinden we “... ierst twee huyse[n] dwelck nu een wooninghe is daeraff deen geheete[n] is den groenen hoet met eender plaets[e]... gestaen en[de] gelegen inde pelgromstrate alh[ier] tussch[en] tna­bescr[even] huys gen[aemt] den engel ex u[n]a en[de] jans criecke huys en[de] erve westw[aert]...” Merk op dat we nu al een paar keer over twee huizen naast elkaar hebben horen spreken daar waar we nu toch maar één pand herkennen.

 

Op 20 maart 1612 worden de Groenen Hoet en de Witten Engel weer tesamen verkocht door Henrick Waggen, gesitueerd als koopman, aan Hilario Stannaerts, herbergier, en zijn vrouw Francynken Piersons. Beide panden kosten tesamen 350 gulden in erfrenten waarvan de kopers 100 gulden meteen afbetalen[9]. In de straatnaamlijsten van de meerseniers van 1636 vermeldt men expliciet dat de weduwe van Vincent Verhagen een brei- en naadwinkel had in de Groenen Hoet in de Pelgrimsstraat[10].  Rond 1639-1640 was Alexander Collet tavernier[11]. Op 5 mei 1653 verdelen de erfge­namen van Hilarius Standaerts de nala­tenschap zodanig dat de jongste dochter Susanna of Mar­griete Stand­aerts, gehuwd met notaris Andries Frans vander Donck, de Groenen Hoet en de Witten Engel verwerft[12].  Vol­gens de staat van Hilarius Stand­aert d.d. 4 november 1652 heeft Margriete een tijdje in de Groenen Hoet gewoond en ze had een deeltje van de boedel overgenomen waarvoor ze nog 121 gulden moest betalen[13] Twee dagen later, op 7 mei, verkopen ze de Groe­nen Hoet al aan de tavernier Franchois vander Westen en Susan­na Mi­chielsens. De waarde van het pand bedroeg 3808 gulden[14].

 

Nochtans weten wij uit processtukken uit 1653 - 1654[15] dat Alexander Collet daar nog steeds als herbergier huisde en een stukje van de Witten Engel huurde van Andries Frans vander Donck. Het is juist de wanbetaling van die huur die hem in conflict bracht met zijn buurman. In maart 1653 had Collet ene Maria Raemkens opdracht gegeven de huur van een halfjaar van dat stuk, in feite een achterkamertje, t.t.z. 48 gulden en 15 stuivers aan vander Donck te gaan betalen. Hiermee zou de huur betaald zijn geweest tot kerstmis 1653. Zowel Mevrouw vander Donck als Andries Frans weigerden het geld te aanvaarden omdat er was afgesproken dat de huur tot half maart 1654 moest betaald worden. Toen dit later ook niet gebeurde liet vander Donck beslag leggen op de meubels in het achterkamertje. Alexander Collet was, toen de substituut van de Lange Roede zijn werk deed, niet thuis, maar zijn dochter gaf aan de substituut als antwoord "... dat het wel was, ende daer mede was lachende...". Thuisgekomen kon haar vader daar niet mee lachen en hij probeerde aan te tonen dat vermits hij vroeger suppoost van de munt was geweest, dat hij onschendbaar was, en op 6 februari 1654 stelt hij mensen aan om hem te vertegen­woordigen maar vander Donck werd in het gelijk gesteld.

 

Op 11 april 1654 verkopen de nieuwe eigenaars van Notaris vander Donck en zijn echtgenote “een erve geweest hebbende eene stallinge gelegen achter de huysin­ge den groenen hoet inde pelgrimstraet alhier gestaen naest de erve [ende] den huyse de witten engel den vs. vander donck competeren[de] lanck dryenviertich voeten ende breet vierthien voeten...”, duidelijk met de bedoeling dit perceel aan de Witten Engel aan te hechten. De verkoper behoudt voor zichzelf wel de bouwmate­rialen ‘soo van tichelen als houdt’ die uit de stal komen. Verder spreekt de akte ook nog over een pomp van putwater die tot de Groenen Hoet behoort[16].

 

Op 24 maart 1655 laat Antonis Soetermans, tavernier in de Groenen Hoet, notaris Andries vander Donck noteren dat hij via zijn echtgenote een dreigement van een leerling van chirurgijn Guillielmus van Bloommen in de Hoogstraat had ontvangen[17].  In 1659 wordt het 'Groen hoy­ken', uitgerust zijnde met 5 schoor­steen­pijpen, verhuurd voor 72 gulden aan Jan de Pes­ter[18]. Op 14 juli 1661 verkoopt Fran­chois vander Westen aan Peeter van Beirlen. In 1667 huurt Artus Pits aan 96 gulden[19] en op 9 februari 1669 doet Franchois vander Westen als schuld­eiser de stadhouder het huis voor 3150 gulden toewijzen aan de brou­wer Henrick de Wilde[20].  Ook hij verhuurt het Hoeyken aan 90 gulden aan ene Joos de Crummen in 1672[21].  We schrijven 30 september 1680 als de oudste zoon van Henrick uit zijn eerste vrouw Elisabeth van Pruyssen, na afrekening met zijn stiefmoe­der Maria vanden Eynde en zijn halfbroer Jan Cornelis de Wilde, het huis, waarde 2825 gulden, verwerft[22]. Volgens de cohieren was Pee­ter Matthyssens, hoogst­waarschijn­lijk de hoedenmaker die de meerseniers in hun register van 1681 op de Oude Koorn­markt situeerden (dus de Pelgrimsstraat), kort na 1682 juist vervan­gen als huurder door Hendrick Maslien of Maskens terwijl de huurwaarde was ge­daald naar 90 gulden[23].  Bewoners in de periode 1689-1708 waren: Hendrik Maskens, Willem Posselius, Reynier Philips, Jan Zegers en Jan Baptist Leenar[24].

 

Maar de vander Westens bleven als schuldeisers achter het huis aanzitten. Op 27 augustus 1707 geeft de amman het huis aan Maria vander Westen die een rente in kapitaal 2650 gulden heffende was en al vier jaar geen betaling had ontvangen. Zijzelf moet nog maar 600 gulden opleggen om het huis voor zichzelf te verwerven[25]. Op 8 augustus 1744 verwerven de kin­de­ren van Christiaen Pedro Wouters en Clara Jacoba Hoonis die eerder gehuwd was geweest met François vander Westen, als erfenis het huis[26]. De boekbinder Petrus Keirsmaeckers, zijn echtgenote, en zijn twee dochtertjes van resp. 2 en 3 jaar oud bewoonden het pand in 1754[27]. Op 23 oktober 1759 verkopen de kinderen Wouters het huis voor 803 gulden aan Meester Chirur­gyn Joannes Franciscus de Jeude en Joanna Janssens[28]. Zij verkopen op 19 januari 1774 voor 1800 gulden aan Franciscus vander Auwera en Joanna Engels die meteen hypothekeren voor 1200 gulden. Kort daarna gaat dit paar over tot een echtschei­ding en vander Auwera weet het huis volgens akte d.d. 29 maart 1775 voor zichzelf te behouden om het kort daarna op 9 juli 1778 voor 2800 gulden aan Joannes Baptista van Aerden en Catharina Bom te verkopen. Dezen hypothekeren meteen voor 1800 gulden[29].

 

In 1898 werd het pand bewoond door een rentenier[30].

 


 

[1] SAA, SR 201, f° 215 r° - v°.

[2] SAA, SR 222, f° 150 r°.

[3] SAA, SR 257, f° 150 r° - 151 r°; over Steven Cleys van Loemele: P.K. 2923 (= de Burbure, Historische nota's, vol. 4), p. 17. O.m. de graveur Hieronymus Cock behoorde tot zijn klanten.

[4] SAA, SR 259, f° 46 r° - 47 r°.

[5] SAA, SR 339, f° 550 r° - 562 r°.

[6] SAA, SR 339, f° 592 v° - 594 r°.

[7] SAA, GA 4833, f° 34 v°; R 2181, f° 100 r°; R 2286 en 2213, f° 5 v°; R 2317, 2237 en 2350, f° 6 r°.

[8] SAA, SR 420, f° 235 r° - v°.

[9] SAA, SR 496, f° 274 r°- v°.

[10] SAA, GA 4215.

[11] SAA, W 716, f° 309 r° - 343 r°.

[12] SAA, SR 725, f° 144 r° - 145 r°.

[13] Te weten: “een bedde, thien tenne bierpotten, een latte met dry hangels, diversche tenne biermaeten, tweelff coopere candelaers, diversch yserwerck, diversche tenne schotelen, diversch houtwerck ende andere diversche overgenomene meube­len”. Bron: SAA, N 3788, f° 600 r° - 601 r°.

 

[14] SAA, SR 725, f° 23 r° - v°.

[15] SAA, Processen Supplement, nr. 3707.

[16] SAA, SR 729, f° 16 r° - 17 v°.

[17] SAA, N 3772, f° 19 r°.

[18] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­folieerd.

[19] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[20] SAA, SR 815, f° 36 v° - 37 v°.

[21] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 197.

[22] SAA, SR 882, f° 154 v°.

[23] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 v°, nr. 192; GA 4217.

[24] SAA, GA 4832, f° 64 v°, nr. 192; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 192.

[25] SAA, SR 1014, f° 717 v° - 718 v°.

[26] SAA, SR 1150, f° 139 r° - 140 r°.

[27] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 39, nr. 148.

[28] SAA, SR 1208, f° 308 r° - 310 r°.

[29] SAA, SR 1253, f° 53 r° - 54 r°; SR 1254, f° 139 r° - 140 r°; SR 1263, f° 432 r° - v°.

[30] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 27).