De Witten Engel, Pelgrimsstraat 25

Boedelinventaris van Anna Bouvet, 1645
Boedelinventaris van Maria Goyvaerts, 1653
 

Terug naar het overzicht van de huizen

    

Dit pand is ont­staan toen Sebastiaen van Dale, een vermogend koopman, stel­selmatig een aantal stallingen en poortgebouwen van zijn grote eigendom ‘De Grote Gans’ op de Oude Koornmarkt begon te verko­pen. De Grote Gans die dus doorliep sedert mensenheugenis van de Oude Koornmarkt tot de Reyndersstraat was tot dan toe één van de voornaamste herbergen van de koop­lui van de Duitse hanze geweest en al die stallingen en poort­gebouwen achteraan op de Reyndersstraat waren tot dan toe voor de goede circula­tie en het herbergen van de gasten een absolu­te noodzaak geweest. Nu de kooplui van de Duitse hanze een nieuw hanzahuis hadden waren er niet zoveel herbergen meer nodig en Sebastiaen van Dale heeft daarom ook die stallingen en poortgebouwen verkocht.

 

Nog op dezelde dag dat hij de Grote Gans  helemaal voor zich­zelf kon verwerven (30 maart 1542) verkocht Sebastiaen van Dale aan Jan de Fevre Petersso­ne, maerschalck*, en Margriete Sclerckx, zijn echtgenote, “... eenen stal lanck omtrent vie[r] en[de] tacht­entich voeten onbegrepen vander maten metter plaetzen oft lediger erven int viercanden daerneefens gelegen metten gronde ende toebehoorten gestaen ende gelegen int nieuw straetken loopende vuyter reynerstraten na doude corenmerct achter de huysinge geheet[en] de gans, tusschen den stal vander zelver huysinge dien erfgevere aldaer noch blijft behoudende, ende aldaer den muer tusschen beyde staende tot eeuwigen dagen sal zijn ende bliven gemeyn telcker zijde half ende half, aen deen zyde, ende de huysinge en[de] erve gehee­ten den tennen pot aen dander zyde comende metter voirs. platzen suytwestwaert aen tstalleken ende plaetsken van jans andriess[en] en[de] zijne wijfs huysen inde reynerstr[ate] gestaen...”. De prijs bedroeg 136 Carolus Gulden erfrente per jaar[1].

 

Merken we ook nog op dat uit hieruit twee huizen zullen ont­staan n.l. De Witten Engel en de Groenen Hoet zij het dat aangezien de drie huizen tussen de Kevie (Twaalf Apostelen) en het Schild van Leyden in de in de loop van de daaropvolgende jaren in de handen kwamen van 1 eigenaar dat er kleine wijzi­gingen moge­lijk zijn geweest inzake perceelschei­dingen.

 

Op 6 mei 1546 koopt Claus Cleys alias van Loemele, de eigenaar van de Spiegel, een grote herberg op de Oude Koornmarkt, en sedert 13 januari 1543 ook al eigenaar van een ander stuk erf van de Grote Gans, waarop hij later het huis ‘De Cleynen Spiegel’ zal doen optrekken, van hoefsmid Jan de Fevre en zijn echtgenote Margriete Sclercx[2] hun eigendom dat reeds als volgt beschreven wordt: “... een huys voer aen tstrate met een[en] grooten stalle daer achter, met nog een ledige plaetse en[de] een[en] huyse daer neffens dwelck een smisse is, oic voer aen tstrate, inde pelgro[m]strate alhier achter de huys[inge] geheeten de gans, gestaen tusschen desselfs claes van lo[e]mele huys ende erve genaempt de spiegel ex u[n]a en[de] thuys ende erve vanden tennepot ex alt[er]a...”. Op 24 mei 1555 verkoopt Claus aan zijn zoon Steven Cleys van Loemele, een befaamd notaris, “... een huysken oft wooninge dat een smisken te wesene plach, metten vloere coeckene gebruycke vander plaetsen weerdribben reegen­backe ende borneputte vanden  voirn. vercoopers andere huysen ende erve...” Daar de Witte Engel als aanpalend pand met name genoemd wordt kan het niet anders of we hebben hier wel degelijk met een aparte Groenen Hoet te maken zij het dat er duidelijk nog heel wat bindingen met de andere eigendommen van de familie Cleys van Loemele bleven bestaan[3]. De Witten Engel bleef dus in de handen van Claus.

 

Op 12 maart 1560 worden zijn bezittingen verdeeld en Steven weet ook de hand te leggen op de Witten Engel. Wanneer op zijn beurt Steven en zijn echtgenote Margriete vanden Eynde het hoofd voor altijd te rusten leggen worden op 9 februari 1575 n.s. hun uitgebreide bezittingen verdeeld[4] en de oudste doch­ter Yda, getrouwd met Peeter van Bloemendale, verwerft o.m. zowel de Groenen Hoet als de Witten Engel. Het laatste eigen­dom wordt als volgt beschreven: “... Een huys geheeten den Engel met een huys [daer]neffens suytwaerts gestaen met twee stallen gronde en allen den toebehoorten mitsgaders oick tgebruyck en[de] vryicheyt te[r] eeuwighen daghe van alsulcken licht als tvoors. huys geheeten als voore den Engel mitsgaders den stal oostwaerts gestaen daer toe oick toebehooren[de] door alle en[de] jegelycke de vensteren oft lichtschepping[e] inden mueren oost en[de] noortwaerts van selven huyse nu jegewoir­del. staende ter plaetse en[de] erven waerts van[den] nabescr. huyse geheete[n] de[n] cleyne[n] spiegel hiernaest noortwaerts gestaen mitsgaders oick ter plaetss[en] en[de] erven waerts van[de] voors. grooten spiegel respective nu jegewoordel. hebbende en[de] scheppen[de] zyn, groot tsamen metter erven liggende oostwaerts achter teynde[n] van[den] gemeynen plaetse en[de] borneputte die tuss[en] desen huyse metten toebehoorten voers. en[de] der voers. erfgenamen ander huys hen toebe-hooren[de] [daer]neffens suytwaerts gestaen en[de] gelegen gemeyn is halff en[de] halff acht roede[n] gelyck tzelve by gezwo[ren] erfscheyder gemeten is gestaen en[de] gelegen al neffens een inde pelgrimstrate alhier, tusschen thuys en[de] erve geheeten den cleynen spiegel vuyt welcken huyse dit voors. huys vuyten borneput staende inde kelder van[den] selven spiegel zal mogen trecken metter pompe aldaer nu jege­woordel. staende zyn waer gelyck tzelve aldaer nu getrocken wordt aen deen zyde noortwaerts, en[de] der zelve erfgen. ander huys gen[aemt] den groenen hoet metter gemeynder plaetse hier naer der voers yda van loemel oick te deele bevallen aen dander zyde zuytwaerts comende achter oostwaerts aende stal­linghe en[de] erve vanden tennen pot...”. N.B. Den Tennen Pot is het pand dat naast de Hage gelegen evenwijdig met de Reyn­dersstraat, de vroegere Haagsteeg, loopt.

 

Amper drie weken later, op 4 maart 1575 verkoopt Yda aan Jan Wagge, her­bergier, en zijn echtgenote Agneete van[der?] Ameyen “... twee huysen oft wooningen daer af deenen geheeten is den groenen hoet met eender plaetsen die ten expireren vander hueren vanden naebe­screven huyse geheeten den Engel gesepa­reert zal worden vander geheelder plaetsen in desen voers. huyse en[de] den huyse geheeten als voore int gemeyn toebe­hoorende waer aff den scheydemuer getrocken zal wordden twee voeten en[de] een halve voer by de pompe oost­waerts binnen smuers en[de] alsoe respon­derende opden vuyter­sten cant vanden keldergate oost­waerts lignirecht vuyte opden muer van[den] voers huyse gehee­ten den Engel gronde ende allen den toebe­hoorten...”[5]. Er volgen nog een hele reeks voorwaar­den inzake het scheppen van licht, het afleiden van water, enz... alsook de bepaling dat de verkopers de waterpomp op de plaats mogen blijven gebrui­ken. Op 5 februari 1581 n.s. koopt Jan Wagge van Yda ook de Witten Engel met alle bepalingen zoals boven[6].

 

Volgens de Cohieren van Penningen (1577 - 1586) bestond de Engel tot omstreekt 1582 uit twee woningen: er was een voor­huis, huurwaarde 54 gulden, dat bewoond werd door de eigenaar zelf: Pieter (van) Bloemendael, tavernier, en echtgenoot van Yda Cleys van Loemele. Een ander deel had een huurwaarde van 70 gulden met als huurder Marten Tetelyn, uitspanningshouder. Vanaf 1582 is er alleen nog ‘De witte[n] engel met de stallin­gen’, huurwaarde 100 gulden, en men geeft in 1582 (verkeerde­lijk?) als eigenaar ene Willem van Thienen op, vanaf 1583 Hans (alias Jan?) Wagge. In 1584 zou, volgens het ‘Register houdende de huysen...’, Hans Nollens van Mechelen, eigenaar van de Cleynen Spiegel, huurder zijn geweest van de Witten Engel maar de Cohieren geven terzake geen uitsluitsel[7].

 

Op 29 oktober 1596 verkoopt Jan Wagge, ook ge­machtigd zijnde door zijn echtgenote volgens een procuratie in Sittard opge­maakt, beide panden aan hun zoon Henrick Waggen[8]. Op 20 maart 1612 worden de Groenen Hoet en de Witten Engel weer tesamen ver­kocht door Henrick Waggen, gesi­tueerd als koopman, aan Hilario Stannaerts of Standaert, her­bergier, en zijn vrouw Francynken Piersons. Beide panden kosten tesamen 350 gulden in erfrenten waarvan de kopers 100 gulden meteen afbetalen[9].  Dat Hilarius echter niet tot de topherbergiers moet gerekend worden blijkt uit het feit dat hij niet kan schrijven als hij op 22 juni 1635 de Witten Engel verhuurt aan Guillielmus Mertens voor 24 pond Vlaams per jaar. De eerste termijn was al begonnen op 15 maart 1635 en liep tot 15 maart 1639[10].  Tot haar overlijden op 20 november 1645 werd een kamer verhuurd aan Anna Bouvet, weduwe van Jacques Snoeck en we beschikken over de boedelbe­schrijving (zie bijlage).  In haar testament van 18 november staat te lezen dat ze vanwege haar hoge leef­tijd niet meer kon schrijven[11].

 

Op 5 mei 1653 verde­len de erfgenamen van Hilarius Stand­aerts de eigendommen zodanig dat de Witten Engel en de Groenen Hoet aan de jongste dochter Susanna Standaerts, gehuwd met notaris Andries van der Donck toekomen[12]. Op dat ogen­blik schat men de Witten Engel op 5136 gulden. De Groenen Hoet wordt verkocht op 7 mei daaropvolgende maar op 11 april 1654 komt er een stukje Groe­nen Hoet terug: “een erve geweest hebbende eene stallinge gelegen achter de huysin­ge den groenen hoet inde pelgrimstraet alhier gestaen naest de erve [ende] den huyse de witten engel den vs. vander donck competeren[de] lanck dryen­viertich voeten ende breet vierthien voeten...”, en het wordt meteen en defi­nitief aan de Witten Engel aangehech­t[13]. I.v.m. dat stukje had vander Donck in 1653 een proces met zijn buur­man die de huur ervan niet voldoende wou aflossen (zie Groenen Hoet). We weten dat zeker op 25 oktober 1653 Andries vander Donck zijn kantoor uit St. Matthys (Pelgrimsstraat 21) al had overgebracht, een kantoor waar ook zijn zoon Andries Frans vander Donck tot 1659 werkzaam was[14]. De processtukken en de cohie­ren van 1659[15] en 1667 en hun testa­ment uit 1668[16] geven duide­lijk aan dat nota­ris An­dries Frans van­der Donck en zijn vrouw de Witten Engel hebben be­woond. De Witten Engel was er prestigieus genoeg voor: voor­zien van acht schoorsteen­pijpen met een huurwaarde van 240 gulden in 1659 die weliswaar terug­viel tot 150 gulden in 1667 was het het belangrijkste pand aan die straatzijde van de Pelgrims­straat en kon het wedijveren met de middenmoot van de panden op de Oude Koorn­markt. Zeker tot 1653 verhuurde men ook nog een kamer alwaar op 1 februari van dat jaar ene Maria Goyvaerts, een jongedoch­ter, is overle­den[17].

 

Notaris Egidius Cornelissen en zijn echtgenote Isabella Jacobs kopen op 27 mei 1669 het huis van Susanna Stand­aert die weduwe was geworden. De nieuwe eigenaars verko­pen meteen een rente van 437 gulden 10 stuivers per jaar, d.i. 7000 gulden kapi­taal[18].  Ze gaan er ook wonen blijkens het cohier van 1672[19]

 

Dit was blijkbaar toch wat hoog gemikt want op 23 decem­ber 1678 doet de amman het huis toewijzen aan Maria de Co­ninck, die echter overleden was, voor 7810 gulden. De be­schrijving luidt als volgt: "... eene huysinge met diver­sche neercamers, bovenca­mers, comptoire keuckens, plaetse, hove kelders gronde [ende] allen den toebe­hoorten..." en het erf dat van de Groenen Hoet afkomstig was. De dochter van Maria de Coninck en Michiel Stappaert, Anna, verkrijgt het op dezelfde dag wegens de verdeling van de goederen van haar moeder[20].

 

In 1682 wordt de Engel voor 132 gulden verhuurd aan Cornelis Pick.  Deze was lid van de meerse en staat in de naamlijst van 1681 onder de Oude Koornmarkt genoteerd, dus de Pelgrims­straat.  Er zou ook nog een weduwe bij hem gewoond hebben[21], In de periode 1689 tot 1708 kennen we volgende bewoners: Egidius Peirboom, de weduwe van notaris Pauwels, Juffrouw Anraey en Johanna Dekens[22]. De volgende eige­nares is een nicht van Anna Stap­paert die luistert naar de naam Anna Theresia Stappaert en dit volgens akte d.d. 14 januari 1722[23]. Haar nicht, Maria Catha­ri­na Stappaert, ver­wierf het dan weer na een verdeling voor 1805 gulden op 16 juni 1759[24]. Wil dit nu zeggen dat we, omdat er alleen maar vrouwen als eigenares hebben, geen notaris in de Witten Engel kunnen aantref­fen? Vergeet het maar! De volkstelling uit 1754 wijst niemand minder dan de befaamde notaris van Hullegarde, ammans­klerk, zijn vrouw en één persoon huispersoneel als bewoners aan. Nochtans was de studie van notaris van Hullegarde el­ders[25].

 

Op 29 oktober 1766 verkoopt Maria Catharina Stappaert voor 4000 gulden het pand aan Petrus Geley, ‘coopman ende fabrica­teur in witte gaerens’, en Elisabeth Grauws. We vernemen dat de kopers het pand al aan het gebruiken waren en ook de meerseniers kennen hem als garenkoopman in de Pelgrimsstraat in 1765 en 1768, zijn weduwe in 1773 en 1781. Ze denken overi­gens kapitaalkrachtig genoeg te zijn om de koopsom in één jaar af te betalen[26]. Op 26 mei 1774 verkoopt Elisabeth Grauws, nu weduwe, samen met de enige zoon E.H. Petrus Fran­ciscus Geley, het huis voor maar 3400 gulden aan Henricus Bynen en Isabella Corthout.  Deze katoenhandelaar heeft er wellicht niet ge­woond, daarvoor had hij zijn huis in de Reyndersstraat 43[27]

In 1898 was er in het huis een ‘agent’ gevestigd[28].


 

     *maerschalck: hoefsmid-paardendokter

[1] SAA, SR 201, f° 215 r° - v°.

[2] SAA, SR 222, f° 150 r°.

[3] SAA, SR 257, f° 150 r° - 151 r°; over Steven Cleys van Loemele: PK 2923 (= de Burbure, Historische nota's, vol. 4), p. 17. O.m. de graveur Hieronymus Cock behoorde tot zijn klanten.

[4] SAA, SR 339, f° 550 r° - 562 r°.

[5] SAA, SR 339, f° 592 v° - 594 r°.

[6] SAA, SR 362, f° 521 r° - v°.

[7] SAA, GA 4833, f° 34 v°; R 2181, f° 100 r°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 5 v°.

[8] SAA, SR 420, f° 235 r° - v°.

[9] SAA, SR 496, f° 274 r°- v°.

[10] SAA, N 3755 (1635), f° 153 v° - 154 r°.

[11] SAA, N 3762, f° 138 r° - 139 r°.

[12] SAA, SR 725, f° 144 r° - 145 r°.

[13] SAA, SR 729, f° 16 r - 17 v°.

[14] SAA, N 3770, f° 79 v°Merken we op dat er ook nog een Jan Baptista van der Donck was, op 17 juni 1666 ons gesignalleerd als procureur: N 3783, f° 120 r°.  Notaris Andries Frans vander Donck trok met zijn kantoor in de loop van 1659 naar de Huidevettersstraat: zie o.m. N 3791, ongefolieerd blad aan f° 6 v° verbonden (akte van 26/8) en f° 44 r° (akte van 4/12).

[15] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­folieerd.

[16] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; N 2509, f° 68 r° - 69 r° d.d. 11 november 1668. Ze hadden nog een zoon Philips die nog minderjarig was. De oudste zoon, Andries Frans, was al notaris.

[17] SAA, N 3770, f° 201 r° - 205 v°: Boedelinventaris op 3 februari door vander Donck zelf opgemaakt (zie bijlage). Merken we op dat deze Maria Govaerts al zeker in 1652 huurde van Hilarius Standaerts aan 16 gulden per jaar: N  3788, f° 600 v°.

[18] SAA, SR 816, f° 86 r° - v°; f° 136 v° - 137 r°.

[19] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 198.

[20] SAA, SR 869, f° 223 v° - 238 r°; SR 873, f° 212 v° - 213 v°. Testament van Maria de Coninck 2 november 1678 was opgemaakt in haar woonhuis in de Wolstraat: N 3808, f° 330 r° - 333 r°.

[21] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 r°, nr. 193; GA 4217.

[22] SAA, GA 4832, f° 64 v°, nr. 193; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 193.

[23] SAA, SR 1075, f° 130 v° - 131 v°. Testament van Anna Stappaert van 21 november 1719 opgemaakt in haar woonhuis in de Wol­straat: N 4249, ongefolieerd. Testament van Anna Theresia: N 1709, ongefo­lieerd, akte nr. 218 d.d. 12 november 1725 maakt duide­lijk dat ze de Witten Engel in de Pelgrimsstraat en een ge­lijknamig pand in de Zwartzus­ters­straat verhuurde.

[24] SAA, SR 1206, f° 72 r° - 73 v°.

[25] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 39, nr. 149.

[26] SAA, SR 1228, f° 202 v° - 204 r°; GA 4220-21, 4224 en 4227.

[27] SAA, SR 1253, f° 241 v° -243 r°.

[28] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 25).

Bijlage 1: Boedelinventaris van Anna Bouvet, 20 november 1645

Zij is weduwe van Jacques Snoeck en gestorven op 20 november 1645 in haar woonkamer in de Witten Engel.

Erfgenamen zijn haar zoon Anthonis Snoeck en Barbara van Eemeren, Jorisdochter, 'daar Janneken Snoek de moeder van was'.

Bron: SAA, N 3762, f° 136 r° - 137 r° d.d. 20 november 1645.

Nota: Notaris van der Donck vindt het zelf nogal weinig.

 

[f° 136 v°]

Op haere wooncamere

 

een leeren comcoffer met ysere banden [daer]inne bevonden een silveren hooftyserken een silveren lyffriem eenen silveren sleutelriem metten haeck, een silvere naelde, een silvere cruysken, eenen gouden platten rinck, eenen gouden rinck met eenen cladbeck eenen ronden gouden trouwrinck, een gouden suffe in drye wat quaet gouden passement I[tem] een wit satty­nen kinder mutsken I vrouwen armosynen borste, 2 lapkens swertten baeye I lap root stamet lanck anderhalff elle, I swert honscoten vlieger I swert laeckenen lyffken I swertte akenssaeye schorsse I swerten saeyen rock, I swerten aecken­saeye schorsse I couleurden laeckenen rock met drye fluweele boorden, I root laeckenen rocxken met een passement geboort, vyff paeren slaepelaeckenen, twee witte voorschoeyen, I paer gebreyde socken, tweelff vrouwenhempden, vier ammelaeckenen, negen servetten, elff fluwynen groote [ende] cleyne

 

[voor 84 gulden, 5 1/2 stuiver contant geld]

...

 

[f° 137 r°]

I blauwen lynwaten voorschoeyt, I violett akenssaeyen voor­schoeyt, I swertten stramynen voorschoeyt, I groen [ende] een witte saergien 3 oorcussens een lendecusken, I paer slaeplaec­ken vier hempden, I tarenteynen beddecleedt I meelsack, I stramynene huycke II blauw lynwate voorschoeyen, twee quaede groen gordynen, I herthouten schabeltaeffelken, een sanglefie­re huycke I slecht taeffelcleedt, I cleyn herthouten kistken, I swert baeyen lyffken, I quade swertten schorsse, een bedde met hooftpeulue, II merct corven, I lobdoose, twee vrouwen lobben I hoop halff hout I hoop boschcolen I quaet schoucleedt drye tenne schotelen I tennen sausierken I cooperen aecker, I tennen commeken, I silveren lepel, I silveren croesken aende weese gelegateert, I cooperen boterpanneken, een coope[ren] bedtpanne drye eerde drinckpotten, I coope[ren] vischpaen, I cooperen blaecker, I cooperen candelaer, I hangyser I schuppe een tange, eenen blaesbalck I coope[ren] vierketel, I dryvoet­stoel, I tennen waterpot I weeckhouten rechtbancke

 

Bijlage 2: Boedelinventaris van Maria Goyvaerts, 3 februari 1653

Zij is jongedochter, die op 1 februari 1653 om half negen 's avonds in haar woonka­mer in de Witten Engel is overle­den. De inventaris is opge­maakt door de schoonzoon van haar huisbaas: notaris Andries vander Donck. Ze had nogal wat neefjes en nichtjes als erfge­namen.

Bron: SAA, N 3770, f° 201 r° - 205 v° d.d. 3 februari 1653.

De inventaris bevat nogal wat papieren. Zij was een dochter van Hans Goyvaerts en Cornelia Buysen. Zij moet rond 1617-1618 haar moeder op vrij jonge leeftijd verloren hebben want zij werd een tijdje bevoogd. De papieren lijken erop te wijzen dat Maria Goyvaerts (bescheiden) kon leven van renten en pachtsom­men die ze ontving en die drukten op akkerland in Roosendaal en Etten. Wij beperken ons hier echter tot het huisraad.

 

Opder affl[yvigen] camer

 

Inden eersten een ledicant met een blauw behanghsel 3 [ver]gulde toppen opt vs. ledicant, I stroyen matrasse, I bedde met hooftpeulne, 2 sargien I oorcussen, I cleyn herthou­ten taeffelken, I cleyne schrynhoute kiste, I groote schryn­houte kiste I herthoute eedtschappraeyken, I coffer met ysere banden noch een cleyn cofferken om eenige fraeyicheyt in te leggen, 2 groen houte stoelen I stroyen stoel, I schildery wesende een marienbelt, noch 5 oft 6 cleyne schilderykens van cleyne importantie, I huycke met eenen hoet daer toe, noch I quade huycke sonder hoet, I bruynen perpetuanen rock met baey gebaedert noch I swertten perpetuanen rock met een lyff, ende twee borsten [daer]toe, I faillie, I swertten aeckens saeyen voorschoyt, I swerte lakene moessel 2 paer slaepelaeckens 7 vrouwe hempden, I wit nopkens lyfken I nachthalsdoeck, 11 neusdoecken 14 ondersten van halsdoecken 3 flouwynen I witte vorschoy

2 blauwe lynwate voorschoyen, 12 vrouwen halscragen, 9 vrouwe rondecragen, 12 slaephuyven, 10 flebbekens eenige prondelrye van lynwaet, 3 lapkens kant van cleyne importantie, 5 servet­ten, 4 droochdoecken, 2 tennen tellioren 2 tenne schote­len I tennen commeken I tennen mostaertpot 2 tennen lepelen I tenne lampe, I tenne wywatervaetken, 2 steene drinckpotten met tenne decxsels, I silveren lepel I silveren yserken I coperen sie­potteken I coperen bierketel I tange I ysere brandtyser I blaesbalck I hangel, I potheysken I coperen candelaer I paer schoenen met I paer muylen [ende] een paer coussens.

 

liggend geld: I gulden 5 stuivers.

 

 

Commentaar

 

Wat we in deze boedel vinden is de minimale uitrusting van een oude juffrouw.  Haar kamer was van alles voorzien om zich te kunnen behelpen en zal met die paar schilderijtjes geen echt kale indruk hebben gegeven maar van enige luxe kan men zeker niet spreken en veel kleding bezat ze zeker niet. Men kan aannemen dat ze praktisch altijd hetzelfde droeg maar wel regelmatig de kragen verving om toch nog een ‘frisse’ indruk te geven.


 

cladbeck: "steentje" uit geslepen glas of kristal.

perpoint: wambuis uit vilt gemaakt, waarschijnlijk wordt hier bedoeld een rok zoals een wambuis uit vilt gemaakt.

prondel: rommel.