De Cleynen Spiegel, Pelgrimsstraat 23

Terug naar het overzicht van de huizen

   

Dit pand is ont­staan toen Sebastiaen van Dale, een vermogend koopman, stel­selmatig een aantal stallingen en poortgebouwen van zijn grote eigendom ‘De Grote Gans’ op de Oude Koornmarkt begon te verko­pen. ‘De Grote Gans’ die dus doorliep sedert mensenheugenis van de Oude Koornmarkt tot de Reyndersstraat was tot dan toe één van de voornaamste herbergen van de koop­lui van de Duitse hanze geweest en al die stallingen en poort­gebouwen achteraan op de Reyndersstraat waren tot dan toe voor de goede circula­tie en het herbergen van de gasten een absolu­te noodzaak geweest. Nu de kooplui van de Duitse hanze een nieuw hanzahuis hadden waren er niet zoveel herbergen meer nodig en Sebastiaen van Dale heeft daarom ook die stallingen en poortgebouwen verkocht.

 

Op 13 januari 1543 n.s. verkocht Sebastiaen van Dale aan Clase Cleys alias van Loemele voor de prijs van 112 Carolus Gulden per jaar in erfelijke rente: “... eenen stal van onder tot boven metter plaetse oft lediger erve int viercant daer nef­fens gelegen ... gestaen en[de] gelegen int nyeustraetken loopende vuyter reynerstrate na[er] doude coremerckt achter de huysinge geheeten de gans tusschen den stal en[de] derve toebehooren[de] janne de fevere maerschalck ex una en[de] derve vander gans en[de] vander kevyen ex alt[era] comende acht[er] tot aen desselfs claes erve en[de] mue[re] van syn[en] acht[er]sten stalle en[de] voer aen strate...”[1].

Als voorwaarden worden opgegeven:

1° Dat het water van de Gans dat sedert mensenheugenis over de Spiegel geleid werd voortaan binnen het erf van de Gans zelf moet afgeleid worden.

2° Dat er een gemeenschappelijke scheidingsmuur moet gemaakt worden.

3° Dat Sebastiaen op zijn kosten ook nog een loden goot moet maken tussen de Gans en de afgesplitste stal. 

Het is duidelijk dat op deze plaats het huis ‘De Cleynen Spie­gel’ zal gebouwd worden.

 

De naam ‘Cleynen Spiegel’ is eenvoudig te verklaren omdat Claus Cleys eigenaar was van de Spiegel, een imposante herberg op de Oude Koornmarkt, die aanpaalde aan zijn nieuwste aan­koop. Claus Cleys zou overigens nog meer stallen van de Grote Gans verwerven. Op 6 mei 1546 koopt hij van hoefsmid Jan de Fevre en zijn echtge­note Margriete Sclercx[2] hun eigendom dat reeds als volgt beschreven wordt: “... een huys voer aen tstrate met een[en] grooten stalle daer achter, met nog een ledige plaetse en[de] een[en] huyse daer neffens dwelck een smisse is, oic voer aen tstrate, inde pelgro[m]strate alhier achter de huys[inge] geheeten de gans, gestaen tusschen des­selfs claes van lo[e]mele huys ende erve genaempt de spiegel ex u[n]a en[de] thuys ende erve vanden tennepot ex alt[er]a...”. Jan de Fevre en zijn echtgenote hadden het voorheen nog als stal van Sebastiaen van Dale gekocht. Op de plaats van deze eigendom bouwt Claus twee eigendommen uit: De Groenen Hoet en de Witten Engel wat de buurman van de Cleynen Spiegel zal worden.

 

Na het overlijden van Claus worden in 1560 zijn eigendommen onder de kinderen verdeeld en de Cleynen Spiegel belandt in de handen van Anthoenis Cleys van Loemele. Blijkbaar kwam deze man in financiële moeilijkheden want op 11 juli 1571 verkoopt de amman het aan zijn broeder Meester Steven Cleys van Loeme­le, notaris. Lezen we de beschrijving: “... Een voerhuys metter poorte gange achterhuyse borneputte regenbacke stal­len...”[3].

 

Op 9 februari 1575 n.s. worden de uitgebreide bezittingen van Steven Cleys onder zijn kinderen verdeeld[4]. Zijn zoon Niclaes, die nog bevoogd moest worden, wordt de nieuwe eigenaar van de Cleynen Spiegel dat nu als volgt beschreven wordt: “... Een voerhuys metter poorten gange achterhuyse borneputte opde plaetse noch een[en] borneputte inde kelder vuyt welcken borneput thuys ghenaempt den Engel zal met eene[n] pompen houden treckende ter eeuwighen daghen zijn water gel[yck] tzelve aldaer nu jegewoordel. getrocken ende gepomt wordt...”.

 

Volgens de cohieren van 1577 tot 1586 was Jan Nollens, de voogd van Niclaes van Loemele, de eigenaar. In 1577 wordt het pand aanzien als één geheel, huurwaarde 136 gulden, en ver­huurd aan de peltier Jan Mondesyn. Vanaf 1582 onderscheidt men twee woningen: ‘In het Voerhuys vanden Spiegel’, huurwaarde 80 gulden, huisde de bakker Adriaen Oliviers; ‘Den Cleynen Spiegel (achter)’, huurwaarde 56 gulden, werd eerst bewoond door Michiel Bas, in 1583 door Capiteyn Colbou, vanaf 1585 geven de cohieren geen huurder op. Het ‘Register houdende de huysen...’ geeft als bewoner voor 1584 Guilliam Michiels, makelaar in paarden[5]

 

De stadhouder bekrachtigt op 24 maart 1592 de verkoop van de Cleynen Spiegel aan Anna Pigge, weduwe van Jan vander Borcht (Vredenborch) omdat Niclaes Cleys bepaalde renten niet kon afbetalen. Deze akte is een bijzonder straf staaltje van overschrijven van vorige akten. Men wist wel dat Clase Cleys van Loemele dit pand in 1543 als stal met leeg erf had gekocht maar men heeft zich niets aangetrok­ken van de veranderingen die het had ondergaan en men neemt gewoon de beschrijving van toen over! Na de dood van Anna Pigge duurt het een tijdje vooraleer de Cleynen Spiegel in de handen komt van één per­soon. Op 8 november 1599 verkoopt Franchois de Smit, zoon van Andries en Catharina Ogeryns aan Johanna van Vredenborch, de dochter van Anna Pigge, als tweede vrouw nu weduwe van zijn vader, naast verschil­lende andere delen van huizen, zijn deel (1/3 van 1/4) in de Cleynen Spiegel[6]. Op 18 maart 1605 ver­krijgt Johanna Breden­bach (d.i. van Bredenborch of Vreden­borch) van haar zuster Adriana de helft van het pand... beschreven zoals in 1543 en op 6 februa­ri 1608 ver­koopt Andries Smit, Johanna’s zoon, zijn deel aan zijn moe­der[7].

 

Johanna hertrouwt met ene Jan van Turnhout en krijgt van hem nog vier kinderen: Hans, Anna, Johanna en Marie, die op 13 februari 1618 de erfenis van hun ouders moeten delen met hun enig overgebleven halfbroer, de koopman Andries de Smit. Johanna en Marie verwerven hierbij de Cleynen Spiegel. Andries verkoopt in naam van Johanna, die gehuwd was met Anthonis Mersman, 'bailliu [ende] dyckgraeff der stede nyerwaert' haar helft aan Marie op 6 april 1621[8]. Uiteindelijk is het dan nog de stadhouder die op 18 september 1626 het huis voor een erfrente van 120 gulden per jaar toewijst aan Gillis Begode die er in 1631 zou gewoond hebben[9].

 

In 1659 huurt Martinus Wamback aan 120 gulden het huis dat uitgerust is met drie schoorsteenpijpen[10]. De kinderen van Gillis Begode en Sara Verborcht komen op 16 april 1665 tot en zulkdanige verdeling dat Augustyn[11] de eigenaar wordt. Men schatte het toen op 3750 gulden en men beschreef het toen als “Eene groote schoone huysinghe achter met eenen grooten stal gronde ende allen den toebehoorten genaempt den cleynen spiegel...”. Augustyn hypothekeerde het op 7 mei 1665 voor 75 gulden per jaar[12] en in 1667 verhuurt hij het nog steeds aan Marten Wambach, nu voor nog maar 108 gulden[13], vervolgens ging hij er zelf in wonen volgens het cohier van 1672 maar in 1682 en 1689 verhuurde hij aan Artus Nyskens of Messchers en vervolgens Herman Messchers[14].

 

Volgende eigenaar en bewoner was ene Cornelis Baerts, plaat­drukker van beroep, gehuwd met Margriete van Essen, en hij koopt op 12 mei 1700 het huis van Sara en Gaspar Begode, kinderen van Augustyn en Emerantia Franckaert, voor 1635 gulden (wat dus nog minder dan de helft is van de vorige schatting van 1659!)[15]. Op 25 september 1734 verkoopt Mar­grie­te van Essen het aan de afstammelingen van Robert Hustin. Op 30 september 1757 kopen Peter de Meter en Anna Margritte Convents het huis van die erfgenamen voor 1348 gulden[16]. Peter was saaitrekker van beroep en woonde er al zeker in 1754 samen met een zoontje van drie, een dochtertje van zes en één persoon huispersoneel; er werd toen geen echtgenote vermeld[17]. Het is echter toch niet zo goed gegaan met dat gezin want op 29 januari 1760 wijst de amman op verzoek van schuldeisers het huis voor 1121 gulden toe aan Joannes Bernar­dus van Dalewyck.  De meerseniers namen de Meter echter nog op in hun registers van 1765 en 1768 met de lako­nieke mededeling ‘is weg’[18].

 

In 1898 was hier een drukkerij gevestigd[19].

 


 

[1] SAA, SR 207, f° 204 r° - v°.

[2] SAA, SR 222, f° 150 r°.

[3] SAA, SR 328, f° 134 r° - 135 r°.

[4] SAA, SR 339, f° 550 r° - 562 r°.

[5] SAA, GA 4833, f° 34 v°; R 2181, f° 99 v°; R 2286 en 2213, f° 5 v° - 6 r°; R 2317, 2237 en 2350, f° 6 r° - v°.

[6] SAA, SR 433, f° 351 r° - v°.

[7] SAA, SR 457, f° 17 v° - 18 r°; SR 471, f° 390 v° - 391 r°.

[8] SAA, SR 533, f° 170 v° - 172 v°; SR 547, f° 130 r° - v°.

[9] SAA, SR 547, f° 436 v° - 437 v°; N 3753, vol. I, f° 91 r°.

[10] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­folieerd.

[11] We kennen een Augustyn Begode, gehuwd met Emerentiana Franckaert waarvan we een testament hebben opgemaakt in hun woonhuis in de Pelgrimsstraat d.d. 18 juli 1647: SAA, N 3764, f° 286 v° - 287 v°.

[12] SAA, SR 792, f° 314 v° - 315 v°; f° 320 v° - 321 v°.

[13] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[14] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 199; GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 r°, nr. 194.

[15] SAA, SR 989, f° 307 r° - 308 r°; GA 4832, f° 64 v°, nr. 194; R 2516: cohier vant huyshuergelt, ongefolieerd, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 194.

[16] SAA, SR 1199, f° 84 r° - 86 v°.

[17] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 39, nr. 150.

[18] SAA, SR 1211, f° 291 r° - v°; GA 4220-21.

[19] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 23).