St. Matthijs, Pelgrimsstraat 21 (2de woning)

Terug naar het overzicht van de huizen

  

Bij de verdeling van de ‘Twaalf Apostelen’ onder de kinderen van Merten l'Hermite en Elisabeth de Meere op 5 maart 1558 kwam het “... huys metter plaetse, halven borneputte, reegenbacke, achtercamerken...” toe aan Thomas l'Hermite, die dus ook het buurpand Sint Thomas bezat (zie aldaar). Met een huur­waar­de van 84 gulden per jaar in 1577 was het meteen het duurste pand uit de reeks van de ‘Twaalf Apostelen’. Huurders tussen 1577 en 1586 waren achtereenvolgens[1] vanaf:

1577: De weduwe van Jan van Haveren, tavernier

1582: Pierson Willemaert

1584: op de kamer: Geert Assche, droogscheerder uit Maastricht

1586: Jan Rosseau.

 

Op 22 februari 1618 ver­koopt Thomas’ weduwe, Margriete van Ranst St. Matthijs aan Antho­nise van Lint, stadbode op Rijssel en Luik, en zijn echtgenote Anna Snaeyers, dochter van Louis Snaeyers[2]. In de beschrijving veran­dert het ‘achter­ca­merken’ in een ‘achterhuysken’. Anthonis heeft in 1639 het huis zeker bewoond samen met zijn tweede echtgenote Johanna van Winterbe­ke[3]. Antonis overlijdt op 24 oktober 1639 nalatende zes kin­de­ren: Anthonis, Loys, Zacharias, Johanna, Catharina en Anna. De vier laatsten waren nog minderjarig. Volgens de staat van de weesmees­ters­kamer d.d. 19 februari 1640 waren de inboe­del, de papieren, en de contanten tesamen 2133 gulden 12 st. waard. De meubels brachten bij openbare verkoop nog eens 1350 gulden 1 st. op[4]. Verschil­lende mensen hadden bij Anthonis geld ge­leend.

 

Op 15 maart 1640 verkoopt Anthonis’ tweede echtgenote Johanna van Winter­beke, samen met de kinderen van Anthonis en Anna Snaeyers, St. Matthijs voor een erfrente van 157 Car.g. 7 stuivers aan notaris Andries vander Donck. Deze hypothe­keert zijn eigendom meteen o.m. voor 100 Car.g. erfrente ten voorde­le van de kunstschilder Meester Franchoys Snijders en zijn echtgenote Margriete de Vos. In de loop van de maand mei 1640 bracht notaris Andries vander Donck zijn woning en kan­toor over van de Reyndersstraat naar St. Matthys[5]. Nochtans heeft nota­ris vander Donck het huis niet de hele tijd bewoond want we kennen een aantal huurders en we weten dat hij in de ‘Wit­ten Engel’, twee huizen verder naar de Reynders­straat toe woonde: op 25 oktober 1653 wordt de dit pand voor het eerst expliciet aangeduid als zijn kantoor en dat van zijn zoon Andries Frans. In 1659 wordt St. Mat­thys met een toenmalige huurwaar­de van 114 gulden en blijkbaar uitge­rust met vier schoorsteen­pij­pen verhuurd aan Peeter Paschier Go­dyn, een juwelier gehuwd met Catherina de Bra die er op 22 april van dat jaar hun testament laten opmaken[6], in 1667 aan Peeter Ver­plancken.  Met die naam was er een kremer lid van de meer­seniers.  Hij staat opgenomen in de straatnamenlijst van de Oude Koornmarkt van 1681 maar dit sluit zeker niet uit dat hij in de Pelgrims­straat heeft gewoond, wel integendeel[7].  In 1672 staat de naam van E.H. Swinnen, priester, doorgehaald en wordt deze vervangen door Gillis de Vos[8].  In 1682 wordt er verhuurd aan Bart­ho­lo­meeus Thijs[9], in 1689 aan de weduwe Janssens, vervolgens aan Jan Blommaert en tot slot aan Mijn­heer Dierickx.  Op 3 januari 1697 ver­koopt Andries Frans Van der Donck jr., notaris te Antwer­pen, het huis aan Hen­drick Mes­kens, taver­nier, en Chris­tina Rober­tus die er wel degelijk zijn gaan wonen[10].

Op 17 juni 1705 verkoopt de amman ook St. Thomas, het buur­huis, aan hem voor 1370 gulden[11]. Voortaan zullen beide panden één geheel vormen. Nadat zijn eerste vrouw Christan Robertus overleden is en hij hertrouwd is met Helena Schenckx moet hij afrekenen met zijn kinderen uit het eerste huwelijk om zijn twee eigendommen  in handen te houden; hij regelt dit op 3 september 1708[12]. Op 6 juni 1712 verkopen zijn erfgenamen St. Matthijs en St. Thomas aan Guilliam Een­ens, eveneens taver­nier, voor 6100 gulden[13]. Hiertoe verkoopt deze laatste een rente van 5200 gulden. Ik heb er dus geen moeite mee om te stellen dat vanaf de late XVIIde eeuw in St. Thomas en St. Matthijs door de toenmalige eigenaars café, of deftiger, een wijntaverne is gehouden gezien het belang dat ze er aan ge­hecht heb­ben!

 

Op 4 januari 1737 grijpt er weer een verandering plaats: Anna Maria Moons, de echtgenote van Guilliam Eenens, was hertrouwd met Joannes Mampaey. Wanneer hij nu op zijn beurt zijn vrouw verliest moet hij afrekenen met de kinderen uit het vorige huwelijk en hij wordt de nieuwe eigenaar van St. Matthijs en St. Thomas waarvan wordt gezegd "... nu totten voors[schrev]en huyse geapproprieert..."[14]. Op 16 september 1747 verkopen Jan Carel van Dyck en Paulus Verbert, beiden voogde over de min­derjarige kinderen van Joannes Mampaey en Anna Maria Moons aan Cornelis vander Jeught en Margerita Snyers de beide huizen voor 2800 gulden[15]. Waarschijnlijk waren ze er al een tijdje als huurder gevestigd want als Margerita Snyers op 24 mei 1747, dus nog voor de aankoop, ziek in bed ligt wordt de notaris erbij gehaald om een testament op te maken en het woonhuis situeert zich in de Pelgrimsstraat[16]. In 1755 bij de eerste volkstelling blijkt Cornelis vander Jeught inderdaad in St. Thomas en St. Matthijs als herbergier te wonen met zijn vrouw, een zoon van 19 jaar, een dochter van 16 jaar en 1 lid huispersoneel. Op kamers van zijn eigendom wonen ook nog Mart. vanden Nest, droogscheerdersknecht, en Joannes Dreyvels, diamant­ver­zetter[17]. St. Matthijs komt in ieder geval voor op de lijst van de wijntaverniers uit 1759[18]. Weduw­naar ge­wor­den verkoopt Corne­lis vander Jeught samen met Joan­nes vander Jeught, mees­ter loodgieter, en nota­ris E.J. de Querten­mont als voogden over de minderjarige kinderen St. Thomas en St. Mat­thijs voor 3880 gulden aan Ferdinand van Pruyssen en Maria Anna de Wilde op 9 maart 1769[19]. Voor het overige loopt de geschiedenis nu volledig samen met die van St. Thomas.


 

[1] SAA, GA 4833, f° 34 v°; R 2181, f° 99 v°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 6 r°.

[2] SAA, SR 529, f° 331 r°.

[3] SAA, N 3757, f° 219 v° - 220 r° d.d. 20/10/1639. Johanna van Lint, dochter van Anthonis en Anna Snaeyers verkreeg 125 gulden 5 stuivers voor haar 'moederlijke goederen'.

[4] SAA, W 716, f° 309 r° - 343 r°.

[5] SAA, SR 663, f° 186 r° - v°  en 186 v° - 188 r°. Vergelijk in N 3758 de laatste vermelding van de Reyndersstraat als kan­toor: 29 april, eerste vermelding St. Matthijs Pelgrimsstraat: 2 juni.  Van der Donck was geen kleine notaris: hij had in de rond 1643 twee klerken in dienst: Laureys Pauwels en Jan Baptista Bonnaert. Rond 1647 waren Wouter Vrancken en Fran­chois Haeckx van dienst.

[6] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd; N 3770, f° 79 v°; N 3791, f° 18 r°.

[7] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4217.

[8] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 200.

[9] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 r°.

[10] SAA, GA 4832, f° 64 v°, nr. 195; R 2516, cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 195.

[11] SAA, SR 1008, f° 419 r° - 420 r°.

[12] SAA, SR 1019, f° 561 v° - 563 r°.

[13] SAA, SR 1032, f° 238 r° - 239 v°.

[14] SAA, SR 1124, f° 303 v° - 304 v°.

[15] SAA, SR 1163, f° 179 v° - 181 r°.

[16] SAA, N 1217 d.d. 24 mei 1747, ongefolieerd.

[17] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 39.

[18] SAA, GA 4589: Lijst van de wijntaverniers Anno 1759, ongefo­lieerd nr. 18.

[19] SAA, SR 1238, f° 155 r° - 156 v°.