St. Thomas, Pelgrimsstraat 21 (1ste woning)

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Bij de verdeling van de Twaalf Apostelen onder de kinderen van Merten l’Hermite en Elisabeth de Meere op 5 maart 1558 kwam het “... huys metter plaetse, halven borneputte, reegenbacke, achtercamerken...” toe aan Thomas l’Hermite[1]. Mr. Thomas l’Her­mite was licenciaat in de rechten en staat bekend als ouderman in de lakenhalle. Samen met zijn echtgeno­te mocht hij wel tot de rijkste Antwerpenaars gerekend worden want echtpaar kon zich samen met Marten van Ranst, de half­broer van Margrie­te, de aankoop permiteren van het ‘Hof te Pulle’ te Wijnegem, een eigendom dat meer dan 40.000 gulden waard was. Bovendien bezat de familie ook een prachtig heren­huis op de Grote Markt te Antwerpen genaamd  ‘De Olifant’. Maar het is juist door die eigendommen dat de familie zo geleden heeft in de woelige periode voor de val van Antwer­pen. Op 4 november 1576 verlie­ten de Spaanse soldaten, moege­tergd en steeds het slachtoffer van slechte uitbetaling van hun lonen, hun citadel om al plunderend, moordend en verkrach­tend aan de Grote Markt te belanden waar ze het stadhuis en de omliggende huizen in de as legden en de bewoners op dezelfde wijze trakteerden als onder­weg.

De Olifant ging mee in de vlammen op en zijn bewoners werden beroofd van hun meubelen, zilverwerk, juwelen, ... . Thomas is gemolesteerd geworden en heeft daar bovenop nog dwangsommen moeten betalen. Waarschijnlijk is de familie dan maar in Wijnegem gaan wonen maar ook daar waren ze niet veilig. In februari 1579 (dit is 1578 in de paasstijl) kwam Alexander Farnese, hertog van Parma, Borgerhout belegeren omdat daar een leger opstandelingen gesteund door Engelsen was bijeengebracht. Nadat dit leger terug in Antwerpen werd gedre­ven begonnen de Spaanse soldaten van de hertog de lusthoven in de omgeving te plunderen en in brand te steken. Het Pulhof onderging hetzelfde lot omdat het een machtig bolwerk was dat men niet graag in de handen van de opstandelingen wou zien vallen. Volgens hun zoon Jehan l’Hermite had Farnese nochtans in het Pulhof gelogeerd tijdens het beleg.

 

Voor een familie die, hoewel Thomas waarschijnlijk nog wel in de lakenhandel bedrijvig was, grotendeels van renten en aller­lei pachten leefde, betekenden de onzekere tijden die dan nog volgden een aanzienlijke achteruitgang van de levensstandaard vooral toen Thomas in 1580 stierf om bij zijn broer in het hoogkoor van de St. Jacob begraven te worden. In het geheim lieten Margriete en de kinderen onder het Calvinistische bewind katholieke missen houden ergens in een woning in Ant­werpen maar wat voor woning? In 1584 huurde ze een bescheiden woning genaamd ‘Bethleem’ in de Cellebroedersstraat en ze heeft dit minstens tot in 1586 gedaan. Tot in de beginjaren 1590 moest ze voortdurend aan het college uitstel vragen wat betrof het betalen van haar belastingen op wat haar nog restte en zelfs kwijtschelding en het college is op deze verzoeken ingegaan omdat de stad ook niet aan haar verplichtingen t.o.v. Margriete, die renten van de stad bezat, kon voldoen.

 

Desalnietemin kon ze ook niet het onderhoud van haar huizen in de Pelgrimstraat blijven bekostigen zodat ze leeg bleven staan en enorm in huurwaarde afnamen, vooral nadat soldaten de loden goten hadden weggenomen[2]. In een eerste request gedateerd 20 juni 1589 lezen we dat de drie huizen al drie en een half jaar leeg staan en door een tweede request d.d. 16 januari 1592 vernemen we dat de huizen in totaal drie à vier jaar hebben leeg gestaan en op het moment van het request wel verhuurd zijn maar slechts tegen 13 stuivers (waarschijnlijk per jaar, wat amper een dagloon van ongerschoolden is!) omdat ze nog niet in staat was geweest om de allernoodzakelijkste repara­ties te laten uitvoeren! St. Thomas vertegenwoordigde in de periode voor het financieel debacle van Margriete een huur­waarde van 78 gulden per jaar en het was daarmee één van de duurste huisjes uit de reeks van de 'Twaalf Apostelen'. Huur­ders in de periode 1577 - 1586 waren de weduwe van Jan van Somme de Oude en vanaf 1582 Meester Jan van Somme, procureur[3]

 

In 1612 koopt Margriete haar zoon Jehan l'Her­mite, kamer­knecht van Filips II en Filips III, uit en op 30 oktober 1624 ver­koopt ze St. Thomas aan Jacques Boschmans en Elisabeth Crie­chin, die al eerder eige­naars waren geworden van St. Bartholo­meus[4]. Na de dood van haar man her­trouwd E. Crie­chin met Jan Dens en het zijn hun kinderen die op 24 januari 1639 het pand verkopen aan Jan Muntsaert en Catherina van Breen voor een erfrente van 125 gulden per jaar[5]. De familie Munt­saert was redelijk vermogend. Jan Baptis­te Munt­saert, waar­schijnlijk de zoon van onze Jan, staat in 1668 geboek­staafd als koopman en hij had volgens een staat van goed en een inventaris van dat jaar nogal wat eigen­dommen in Eke­ren[6]. St. Thomas werd door hen dan ook niet bewoond: in 1659 huurde Jacques vander Hagen het pand[7]. Reeds op 11 augustus 1666 verkopen de erfgena­men van Jan Muntsaert en Catherina van Breen St. Thomas aan Jan Simons en Mayken van Ameldonk[8] die er in 1667 en 1672 al zeker wo­nen.  Jan staat overigens in de naamlijst van de meerseniers anno 1677 als geelgieter genoteerd onder de Oude Koornmarkt, dus de Pelgrimsstraat[9].

 

Betreffende deze Jan Simons en zijn echtgenote zijn we uit­zonderlijk goed ingelicht. In een staat van goed opgemaakt op 13 april 1677[10] staat te lezen dat Jan Simons kopergieter ('geilgieter') was en dat zijn woon- en werkhuis St. Thomas was. We vernemen dat Mayken is overleden en dat zij haar man achterliet met vier kinderen: Peeter, Maria Anna, Jan en Cornelis, resp. 28, 23, 20 en 17 jaar oud. Daniel Diepmans, kleermaker en de buurman van St. Berthelmeeus, was medevoogd over de laatste drie kinderen. Wat hield het beroep van koper­gieter zoal in? In de staat van goed vinden we hierover een schat van gegevens: Jan Simons had geld te ontvangen voor koperen nagels en koperen gordijnringen en er lagen ook kope­ren knopen in de winkel. Een zadelmaker uit Brussel en een gareelmaker van de Paardenmarkt behoorden tot zijn kliënteel. We vernemen ook dat Mayken overleden is nadat een apotheker en twee doktors haar hadden proberen te genezen van een ziekte. Op 14 april 1677 verwierf Jan Simons St. Thomas terug volledig voor zichzelf nadat de kinderen waren uitbetaald maar hij gaf het meteen weer weg aan zijn dochter Maria Anna en haar man Balthasar van Oostenrijk vanwege de hulp die hij van hen had gekregen[11]. Op 28 april 1679 verkochten dezen het dan weer aan de broer: Peeter Simons en zijn echtgenote[12] maar deze verhuu­rt het pand, in 1682 en 1689 aan Andries Uiterhoeven[13]. Na 1700 huurt eerst Jan van Eertbrugge en daarna woonde er Hen­drik Meskens, wijnta­ver­nier, die ook al St. Mat­thijs huurde en dit laatste pand in 1697 voor zichzelf had verworven (zie aldaar)[14].

 

Op 17 juni 1705 verkoopt de amman St. Thomas aan deze Hen­drick Meskens voor 1370 gulden[15]. Nadat zijn eer­ste vrouw Christan Robertus overleden is en hij hertrouwd is met Helena Schenckx moet hij afrekenen met zijn kinderen uit het eerste huwelijk om zijn twee eigendommen in handen te houden; hij regelt dit op 3 september 1708[16]. Op 6 juni 1712 verkopen zijn erfgenamen St. Matthijs en St. Thomas aan Guil­liam Een­ens, eveneens tavernier, voor 6100 gulden[17]. Hiertoe verkoopt deze laatste een rente van 5200 gulden. Uit het voorgaande valt op te maken dat de XVIIIde eeuwse eige­naars ook de ge­bruikers van het pand waren gezien het belang dat ze er aan gehecht hebben, m.a.w. er is daar zeker café gehouden!

 

Op 4 januari 1737 grijpt er weer een verandering plaats: Anna Maria Moons, de echtgenote van Guilliam Eenens, was hertrouwd met Joannes Mampaey. Wanneer hij nu op zijn beurt zijn vrouw verliest moet hij afrekenen met de kinderen uit het vorige huwelijk en hij wordt de nieuwe eigenaar van St. Matthijs en St. Thomas waarvan wordt gezegd "... nu totten voors[schrev]en huyse geapproprieert..."[18]. Op 16 september 1747 verkopen Jan Carel van Dyck en Paulus Verbert, beiden voogde over de min­derjarige kinderen van Joannes Mampaey en Anna Maria Moons aan Cornelis vander Jeught en Margerita Snyers de beide huizen voor 2800 gulden[19]. Waarschijnlijk waren ze er al een tijdje als huurder gevestigd want als Margerita Snyers op 24 mei 1747, dus nog voor de aankoop, ziek in bed ligt wordt de notaris erbij gehaald om een testament op te maken en het woonhuis situeert zich in de Pelgrimsstraat[20]. Bij de volks­tel­ling van 1755 blijkt vander Jeught met zijn gezin als herber­gier in de St. Matthijs en St. Thomas ook effectief te wonen[21].  Weduwnaar ge­wor­den verkoopt Cornelis vander Jeught samen met Joannes vander Jeught, meester loodgieter, en nota­ris E.J. de Querten­mont als voogden over de minderjarige kinderen St. Thomas en St. Mat­thijs voor 3880 gulden aan Ferdinand van Pruyssen en Maria Anna de Wilde op 9 maart 1769[22].

 

Sedert 7 september 1745 was dit echtpaar in het bezit van het pand 'De Grote Gans' op de Oude Korenmarkt dat met St. Thomas en St. Matthijs dan ook waarschijnlijk als één geheel zal gebruikt zijn geweest. Van Ferdinand van Pruyssen (1710 - 1780) weten we zeker dat hij in de Gans zijn florissante wijnhandel heeft bedreven. Het moet hier dan ook gezegd worden dat hij in 1771 600 stukken (soort vaten) wijn verhandelde en daarmee de grootste wijn­koopman van Antwerpen was[23]. Hij bezat hiertoe niet alleen de Gans maar ook de huizen Sint Thomas en Sint Matthijs in de Pelgrimsstraat. Door zijn collega's werd van Pruyssen als hun onbetwiste leider aanzien. Zo trad hij als hun vertegenwoordi­ger op t.o.v. het stadsbestuur in de strijd voor de belangen van de wijnkooplui o.m. wat betrof de toepas­sing van de nieuwe wijnordonnantie van 1757[24]. Melden we tot slot nog op dat in 1770 zijn collega d'Henssens over zijn handelsonderneming getuigt: “... cette maison est preférable a toutes les autres pour la sollidité...”[25].

 

Op het culturele vlak valt er nog te vermelden dat hij als heilig- geestmeester provisor was in 1744 van de opera (of wat daar toen onder verstaan werd: men gaf ddar wat toneel, dik­wijls door amateurs, koorddansen en aanverwante circusnummers en heel af en toe werd er ook nog wat gezongen[26].    

 

Op 9 oktober 1792 verkopen de kinderen van Ferdinand en Maria Anna St. Thomas en St. Matthijs aan Joannes Baptista Heylen en Anna Maria Verhaegen[27].

 

Volgens de volkstelling van 1796 bewoonden deze mensen hun huis eigendommen, opgetelde waarde 5000 gulden wel degelijk.  Jan Heylen was 36 en herbergier, Mari was 40, hun kinderen Mari en Jean waren resp. 4 jaar en 3 maanden.  Ze hadden een dienstmaagd met name Mari Vanhemelen, 21 en verder huurden nog Michel de Cleer, een weduwnaar van 64, kleermaker en N. Bom­berg, 60, diamant­slijper[28].

 

Ook in 1898 vormden St. Thomas en St. Matthijs één geheel met als functie café[29].

                                                                            

 


 

[1] SAA, SR 363, f° 100 v°; I. Derycke, “Over rijkdom en adeldom. De Antwerpse familie l'Hermite tijdens de Gouden Eeuw”, in: Heem­kundige Kring Jan Vleminck, jg. 1990, nr. 4, p. 87 - 120.

[2] SAA, PK 668, f° 57 r° - v°; PK 671, f° 12 r°.

[3] SAA, GA 4833, f° 35 r°; R 2181 f° 99 v°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 6 r°.

[4] SAA, SR 566, f° 146 r°.

[5] SAA, SR 653, f° 5 v° - 6 v°.

[6] SAA, N 3798, f° 107 r° - 108 r° en f° 222 r° - 223 r°.

[7] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd.

[8] SAA, SR 799, f° 315 r° - v°.

[9] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 201; GA 4216.

[10] SAA, W 1140, f° 44 r° - 81 r°.

[11] SAA, SR 866, f° 232 v° - 234 r°; Ibid., f ° 249 v° - 250 v°.

[12] SAA, SR 880, f° 356 r° - 357 r°.

[13] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 r°.

[14] SAA, GA 4832, f° 64 v°, nr. 196; R 2516, cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk tweede kapitein, nr. 196.

[15] SAA, SR 1008, f° 419 r° - 420 r°.

[16] SAA, SR 1019, f° 561 v° - 563 r°.

[17] SAA, SR 1032, f° 238 r° - 239 v°.

[18] SAA, SR 1124, f° 303 v° - 304 v°.

[19] SAA, SR 1163, f° 179 v° - 181 r°.

[20] SAA, N 1217 d.d. 24 mei 1747, ongefolieerd.

[21] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 39.

[22] SAA, SR 1238, f° 155 r° - 156 v°.

[23] K. Degryse,  De Antwerpse fortuinen... (= Bijdragen tot de Geschiedenis, vol. 88), Antwerpen, 2005, p. 91.

[24] SAA, GA 4586, b.v. akten nr 1 en 10. Er is ons ook nog in 1743 ene François van Pruyssen bekend: “... directeur ende inspec­teur generael der imposten vande Wijnen ende Brandewijnen...” van de Staten van Brabant, departement Antwerpen: zie: SAA, SR 1148, f° 232 r° - 234 r°.

[25] SAA, IB 1965 (oude nummering), d.d. 8 februari 1770.

[26] SAA, PK 2928 (= De Burbure, Historische nota's, vol. 9), p. 503.

[27] SAA, SR 1311, f° 461 r° - 463 v°.

[28] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2251.

[29] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 21).