St. Berthelmeeus, Pelgrimsstraat 19

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Op 5 maart 1558 kwam dit pand in de handen van Thomas l'Hermi­te[i]. Uiteraard werd het verhuurd en in de periode 1577 - 1586 kennen we de namen van de huurders: in 1577, Peeter Willemaer of Willems(?), zeemleerverkoper, in 1584 Godevaert Andries en Barthel­meeus Jacops, schilder, in 1586 Jan Bauwens[ii] Mr. Thomas l'Her­mite was licenciaat in de rechten en staat bekend als ouderman in de lakenhalle. Samen met zijn echtgeno­te mocht hij wel tot de rijkste Antwerpenaars gerekend worden want echtpaar kon zich samen met Marten van Ranst, de half­broer van Margrie­te, de aankoop permiteren van het 'Hof te Pulle' te Wijnegem, een eigendom dat meer dan 40.000 gulden waard was[iii]. Bovendien bezat de familie ook een prachtig heren­huis op de Grote Markt te Antwerpen genaamd  'De Olifant'. Maar het is juist door die eigendommen dat de fami­lie zo geleden heeft in de woelige periode voor de val van Antwer­pen. Op 4 november 1576 verlie­ten de Spaanse soldaten, moege­tergd en steeds het slachtoffer van slechte uitbetaling van hun lonen, hun citadel om al plunderend, moordend en verkrach­tend aan de Grote Markt te belanden waar ze het stad­huis en de omliggende huizen in de as legden en de bewoners op dezelfde wijze trakteerden als onder­weg.

De Olifant ging mee in de vlammen op en zijn bewoners werden beroofd van hun meubelen, zilverwerk, juwelen, ... . Thomas is gemolesteerd geworden en heeft daar bovenop nog dwangsommen moeten betalen. Waarschijnlijk is de familie dan maar in Wijnegem gaan wonen maar ook daar waren ze niet veilig. In februari 1579 (dit is 1578 in de paasstijl) kwam Alexander Farnese, hertog van Parma, Borgerhout belegeren omdat daar een leger opstandelingen gesteund door Engelsen was bijeengebracht. Nadat dit leger terug in Antwerpen werd gedre­ven begonnen de Spaanse soldaten van de hertog de lusthoven in de omgeving te plunderen en in brand te steken. Het Pulhof onderging hetzelfde lot omdat het een machtig bolwerk was dat men niet graag in de handen van de opstandelingen wou zien vallen. Volgens hun zoon Jehan l'Hermite had Farnese nochtans in het Pulhof gelogeerd tijdens het beleg[iv].

 

Voor een familie die, hoewel Thomas waarschijnlijk nog wel in de lakenhandel bedrijvig was, grotendeels van renten en aller­lei pachten leefde, betekenden de onzekere tijden die dan nog volgden een aanzienlijke achteruitgang van de levensstandaard vooral toen Thomas in 1580 stierf om bij zijn broer in het hoogkoor van de St. Jacob begraven te worden. In het geheim lieten Margriete en de kinderen onder het Calvinistische bewind katholieke missen houden ergens in een woning in Ant­werpen maar wat voor woning? In 1584 huurde ze een bescheiden woning genaamd 'Bethleem' in de Cellebroedersstraat en ze heeft dit minstens tot in 1586 gedaan[v]. Tot in de beginjaren 1590 moest ze voortdurend aan het college uitstel vragen wat betrof het betalen van haar belastingen op wat haar nog restte en zelfs kwijtschelding en het college is op deze verzoeken ingegaan omdat de stad ook niet aan haar verplichtingen t.o.v. Margriete, die renten van de stad bezat, kon voldoen[vi].

 

Desalnietemin kon ze ook niet het onderhoud van haar huizen in de Pelgrimstraat blijven bekostigen zodat ze leeg bleven staan en enorm in huurwaarde afnamen, vooral nadat soldaten de loden goten hadden weggenomen[vii]. In een eerste request gedateerd 20 juni 1589 lezen we dat de drie huizen al drie en een half jaar leeg staan en doorn een tweede request d.d. 16 januari 1592 vernemen we dat de huizen in totaal drie à vier jaar hebben leeg gestaan en op het moment van het request wel verhuurd zijn maar slechts tegen 13 stuivers (waarschijnlijk per jaar, wat amper een dagloon van ongerschoolden is!) omdat ze nog niet in staat was geweest om de allernoodzakelijkste repara­ties te laten uitvoeren!

 

Margriete van Ranst verkoopt St Berthelmeeus op 5 juni 1612 aan Jacques Bosmans en Elisabeth Criechin. Het wordt dan beschreven als "...een huys metter plaetsen halven borne­putte regenbacke gronde en[de] toebehoor­ten geheeten S[in]te Bert­helmeeus..." en de nieuwe eigenaars betalen er 744 gulden en een erfrente van 25 gulden per jaar voor[viii]. Ze kopen er later het huis ernaast, St. Thomas, bij. Na de dood van haar man hertrouwd Elisabeth met Jan Dens en het zijn hun kinderen die op 24 januari 1639 het huis verkopen aan Peeter van Wolschaten en Johanna Schumpst, elders Peeter Wolschot, buildrager van beroep, en Janneken Rempst(!) genoemd, voor 1550 Carolus­gulden en 68 Carolusgul­den erfe­lijk die hun eigendom meteen hypothe­ce­ren[ix].  Volgens hun testament d.d. 28 september 1658 woonden ze wel degelijk in de Pelgrimsstraat[x].  In 1659 blijkt het huis uitgerust te zijn met twee schoor­steenpijpen en bewoond te worden door Peeter Waer­schodt die nog steeds huurde in 1667 en 1672[xi]. Het eigendom met­een hypo­thece­ren is wat ook de kleermaker Daniel Diepmans doet wanneer hij en zijn echtge­note Franchyn­ken Simons op 5 april 1679 voor 1750 gulden van de kinderen van Peeter van Wolscha­ten St. Berthel­meeus over­koopt[xii]. Weduw­naar geworden en ziek te bed liggende laat Da­niel Diepmans op 20 mei 1681 zijn testament op maken bij hem thuis in St. Berthel­meeus en het valt op dat ook zijn buren Jan Simons, de 'geil­gieter' van St. Thomas, en Peeter Simons daarbij bedacht worden en dat zijn moeder Janne­ke Wybrechts nog leefde. Zij kreeg 1200 gulden, zes hemden en zes neusdoe­ken; zijn zuster Catlyne Diepmans kreeg naast kleding­stukken 'een steenrings­ken' en 'een silve­ren yserken met de geel goude manen daer ane'[xiii]. In 1682 wordt Daniel Diepmans als eigenaar vermeld en Franchois Diepmans als huur­der die er ook nog was in 1689[xiv].

 

Op 17 oktober 1692 verkopen de erfge­namen Diepmans ter aflos­sing van een erfrente het huis aan Niclaes Croes[xv].   Deze verhuurde zijn huis na 1700 aan ene Pieter van Overschee die Franchois Diepmans afloste[xvi].  De klein­kinderen van Croes' vrouw Anna Maria de Pret verkopen het op 5 de­cem­ber 1743 aan Carolus Wildiers voor 1404 gulden. Meteen hypothekeert Wil­diers het voor 400 gulden om het op 16 janua­ri 1747 voor 798 gulden aan de jongman Joannes Baptis­ta Joseph Wuch­ters, koop­man, te verko­pen[xvii]. Deze woonde zeker niet de hele tijd in de Pelgrims­traat want zijn testament van 1 juni 1783 is opgemaakt in zijn woonhuis in de Kloosterstraat en de nalan­tenschap omvat naast geld en koop­manschapen '... patroon­en ende parque­menten van canten..."[xviii]. In 1754 verhuurt hij het huis evenwel toch aan familie: Igna­tius Wuchters, 'knaep van de Smeden' en zijn echtgenote[xix]. Onder de erfgena­men be­von­den zich twee zonen waarvan één, Petrus Joannes Ignatius, notaris en een andere, Carolus Wuchters als koopman de sporen van zijn vader drukte. Samen met de andere kinde­ren verkopen dezen op 17 september 1783 St. Berthelmeeus aan Nicolaus de

Leeuw en Christina Ketels[xx].

 

We vinden dit echtpaar terug in 1796 als eigenaars-bewoners.  Hij is dan 54 en schoenmaker, zij is 53 en spinster, hun kinderen zijn Mari, 18, kantwerkster; Gabriel, 17, wever en tot slot Jean, 13, garenwinder of haspelaar.  De waarde be­droeg 1100 gulden[xxi].

 

In de Hollandse periode wordt St. Berthelmeeus bewoond door de natiegast P.F. Brioen. De oppervlakte van het perceel waarop het huis zich bevindt bedroeg toen 40 ca.[xxii]. In 1847 wordt het verkocht aan Joanna Catherina Elisabetha Elisa Brioen[xxiii] en in 1851 worden de weduwe en de dochter van Jan Frans Glade Brioen door beërving eigenaar. In 1876 wordt het pand verkocht aan Jan Frans Vanderstraeten- Baele, een timmerman die er ook gaat wonen en waarschijnlijk is hij het die een kleine verbouwing doorvoert zodanig dat het koertje verkleind wordt (zie plan 1876/7). In 1893 wordt St. Berthelmeeus het eigendom van notaris Pieter Gommaer Eugeen Belloy[xxiv]. Twee dames Belloy verwerven het in 1895: Maria Rosalie Joanna en Anna Helena Josefi­na. In 1898 vermeld Gervais op zijn plan dat een rente­nier(ster) het bewoont[xxv].  In 1913 blijft de tweede alleen over als eigenares en in 1917 verwerft de dienstmeid Dymphna Van Baelen het huis via een erfenis. In 1920 grijpt er weer een verkoop plaats en de nieuwe eigenaar is de schilder Matheus Adriaan Constant Fon­taine- Van Cant die er ook weer woonde. In 1925 erven zijn weduwe en kinderen het tot dat het op 6 janua­ri 1927 wordt toegewezen aan Jozef Corneel Oostermans- Maes, een zeeman die er zeker tot 1962 eigenaar en bewoner van was.

 


 

[i] SAA, SR 263, f° 100 v°. I. DERYCKE, “Over rijkdom en adeldom. De Antwerpse familie l'Hermite tijdens de Gouden Eeuw”, in: Heem­kundige Kring Jan Vleminck, jg. 1990, nr. 4, p. 87 - 120.

[ii] SAA, GA 4833, f° 35 r°; R. 2181, f° 99 r°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 6 v°.

[iii] Thomas studeerde recht te Leuven en Poitiers. Bron: J.-P. DEVOS, “Jehan l'Hermite, bourgeois d'Anvers, archer de corps de la garde et précepteur de la Cour de Madrid (1560 - 1622)” , in: Miscellanea Historica in honorem Leonis vander Essen, Bruxelles, 1947, p. 595 - 600.

[iv] Jean LHERMITE, Le Passetemps (uitgave C. RUELENS/ E. OUVER­LEAUX en J. PETIT), dl. I, Antwerpen, 1890,  p. XX; L. van der ESSEN, Alexandre Farnese prince de Parme gouverneur général des Pays- Bas, dl. II, Bruxelles, 1934, p. 90 - 93.  

[v] SAA, GA. 4833, f° 35 r°; R 2252, f° 186 v°; R 2357, f° 85 r°.

[vi] SAA, PK 665, f° 224 v° d.d. 8/07/1586; Ook Michiel vander Haghen, de echtgenote van haar nicht Katlyne Viertal klaagt in 1590 dat hij bepaalde sommen geld niet kon innen en hij vroeg dan ook aan het stadsbestuur "... quitscheldingen van[de]ier­ste twee jare[n] da[er]men drye jare[n] oyck onthouden en te v[er]achten al tot des supp[lean]s gro[t]en verdriet [ende] v[er]achtinge van justitie...". Bron: PK 668, f° 208 r°. 

[vii] SAA, PK 668, f° 57 r° - v°; PK 671, f° 12 r°.

[viii] SAA, SR 499, f° 363 r° - v°.

[ix] SAA, SR 653, f° 6 v° - 7 v°.

[x] SAA, N.3790, f° 43 v°.

[xi] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,ongefo­lieerd; R 2503 : Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 202.

[xii] SAA, SR 878 d.d. 5 april 1679, ongefolieerd; SR 877, f° 599 r° - v°.

[xiii] SAA, N 613, f° 45 r° - v°.

[xiv] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 r°, nr. 197.

[xv] SAA, SR 956, f° 197 v° - 199 r°.

[xvi] SAA, GA 4832, f° 64 v°, nr. 197; R 2516 : Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 197.

[xvii] SAA, SR 1146, f° 329 r° - 331 r°; SR 1164, f° 275 r° - v°.

[xviii] RAA, N 333, akte nr. 63.

[xix] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 39.

[xx] SAA, SR 1282, f° 250 r° - 251 r°.

[xxi] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2250.

[xxii]  Kadaster Antwerpen, Oudste legger 208, wijk 4, nr. 2809.

[xxiii] Kadastrale leggers wijk 4, art. 120.

[xxiv] Ibid., art. 4379.

[xxv] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 19).