Turckyen, Pelgrimsstraat 18 (en 20?)

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Op 4 en 10 juli 1542 verkocht amman Godevaert Sterck o.m. vier huizen die behoorden tot het grote pand de Ooievaar op de Oude Koornmarkt. De eigenaar, Jan Berhout, een koopman, had blijk­baar na het bouwen van niet minder dan zeven huizen op de achterkant van zijn grote eigendom liquiditeitsproblemen gekregen en een aantal schuldeisers o.m. Jan Balbani[1] en Robert de Neufmille, lieten hem daarvoor vervolgen. Het vierde van de hogergenoemde vier huizen gesitueerd naast de drie huizen die tot De Ooievaar bleven behoren was het pand dat later ‘Turckyen’ zou genoemd worden en het werd in de handen gegeven van Mattheeus van Doerne die er een erfrente van 9 pond 1 pennick Brabants per jaar voor overhad[2]. Noteren we voor alle duidelijkheid de beschrijving: “Een huys cu[m] fu[nd]o et p[er]t[inentys] dwelck tvierde is vanden vier huysen gestaen inde nyeuv pelgromstrate alh[ier] comende van doude corenmerct af tusschen tderdde huys vanden zelven vier huysen ex u[n]a ende der natien vanden oisterlingen erve ex alt[r]a”.

 

De Mattheeus van Doerne waarvan sprake was maaldenier en hij huwde met Jacobyne Vermuyen die daarvoor getrouwd was met Franchois Coutheels. Het was met die familie dat Matheeus op 20 februari 1576 n.s. moest afrekenen toen zijn echtgenote gestorven was[3]. Nieuwe eigenaars van het huis dat reeds sedert 1574 beschreven wordt als zijnde twee woningen, worden de kinderen van Jacobmyne uit haar eerste huwelijk: Steven, Barbara en Franchyne Coutheel en deze Steven was ook weer maeldenier. Op 7 augustus van dat jaar verdelen dezen de erfenis verder onder elkaar en Barbara Coutheel, gehuwd met Egbert de Vriese krijgt het huis. Noteren we ook dat er sprake is van cijnzen te betalen op de kelderdeuren van elk twee voeten.  Het gaat over het luttele bedrag van 2 groten per jaar[4].

 

De twee woningen staan nu constant apart genoteerd. In 1577 spreekt men in cohieren enerzijds van een woning met een huurwaarde van 40 gulden en men bedoelt dan de linkse woning van de straat uit gezien met als huurder voor de ganse periode 1577 - 1586 Peeter de Vos van Brugge, handschoenmaker, ander­zijds van een woning met een huurwaarde 36 gulden, en men bedoelt dan de rechtse woning, gehuurd door Hans of Jan Coom­ans, schoen­maker van Valkenburg[5].

 

Op 13 maart 1613 grijpt er een verdeling plaats tussen de drie dochters van Egbert de Vriese en Barbara. Nieuwe eigenaars van beide woningen worden Joris vanden Bogaerden, zijdecremer, en Susanna de Vriese[6]. Het zou mij sterk verbazen indien dezen er ooit hebben gewoond: de cohieren bewijzen het tegendeel maar zijn in hun naamvorming en situering ontzettend vaag: in 1659 treffen wij naast de Cam naar de Reyndersstraat toe o.m. twee huurwoningen aan: één voorzien van twee schou­wen en met een huurwaarde van 42 gulden bewoond door de weduwe Leve­rincx, en een gelijkwaardige woning gehuurd door Philips Beuckelaer[7]. Deze laatste bewoont in 1667 de woning vlak naast de Cam, huurwaarde 45 gulden, indien we de cohieren mogen geloven. Als tweede huurwoning komt er in dat jaar ééntje van 36 gulden in aanmerking gehuurd door Marcus Roe­lants[8].  In 1672 is het register nogal vaag: eigenlijk is er slechts één rubriek: een huis van 45 gulden met als huurder ene Maximiliaen van Grooten Bril maar ook een Jan Anthoni Silvaerts zou een deel van het huis kunnen bewoond hebben[9].

In 1682 komen deze twee huizen terug met volgens de cohieren als eigenaar Norber­tus Mercx, wat mogelijk een verschrijving kan zijn voor Alber­tus Marcus. In ieder geval staat het huis naast de Cam, huur­waarde 42 gulden, leeg terwijl het andere, huurwaarde 36 gulden, door Gillis Stuyck werd gehuurd[10]. Wat meer duidelijk­heid krijgen we op 26 november 1688 wanneer de kinderen van Albertus Marcus die zelf een afstammeling van Joris vanden Bogaerden was, ovegaan tot de verdeling van de uitgebreide erfenis van hun vader. Clara Marcus, één van de kinderen, was een 'geprofessiede religieuse te S[in]te Mar­grietendale', een Victorinnenklooster in Antwerpen, en had afstand gedaan van de wereldse goede­ren om haar intrede te bekostigen dit ten voordele van de biechtvader van het kloos­ter E.H. Dominicus Nype. Samen met een broer van Clara, Joan­nes, wordt hij de nieuwe eigenaar van Turckye[11].

 

Op 19 juni 1691 doet Joannes Marcus afstand van al zijn rech­ten op Turckye ten voordele van Dominicus van Nype[12]. Op 17 januari 1696 geeft deze het pand in opdracht van de priorin van het klooster van St. Margrietendale aan Egidius van Bus­dom die de baten ervan doorspeelt aan het klooster[13]. Aldus laat de officier van de Cortte Roede op 22 septem­ber 1711 weten dat de priorin van de Victorinnen van St. Margrie­tendale moet gecon­sulteerd worden bij een eventuele hypotheke­ring of ver­koop[14].  We weten ook dat Turckye was voorzien van twee kel­der­deuren van resp 2 1/2 en 2 voet diep waarop jaarlijks 2 groten werden betaald aan de stad[15].

 

In de jaren 1689 tot 1704 huurde in eerste instantie de weduwe van Peeter Tel­liers het huis van 42 gulden en Gillist Stuyck, Jan Baptista van Oppen en Maria Popels het huis van 36 gulden.  Daarna werd het huis van 42 gulden ge­huurd door Peeter de Groot, en dat van 36 gulden nog steeds Maria Po­pels[16].

 

Op 19 augustus 1756 verkoopt de priorin in kwestie voor 500 gulden aan de bakker Petrus Josephus Arenhout en Anna Maria Everaerts “... een huys ofte wooninghe vande twee huysen oft wooninghen wesende de wooninghe noortwaerts met het ge­bruyck vande pompe staende opde straete, gronde ende allen den toebe­hoorten...”[17]. Om aan die 500 gulden te geraken moeten de kopers het huis en nog een paar andere hypothekeren voor het volle bedrag. Weduwe geworden verkoopt Anna Maria Josepha Everaert samen met de andere erfgenamen het huis op 30 juni 1785 aan Elisabeth Tardie, een ongehuwde dame, voor 1205 gulden[18]. Haar erfgenamen verkopen het op 31 oktober 1795 aan Petrus Segers voor de ongebruikelijke maar in de Franse tijd wellicht normale koopsom van 228 ons zilver[19].  In 1796 staat deze Pierre Segers als eigenaar-bewoner van 70 jaar van het huis waarde 800 gulden genoteerd[20].  Wanneer rond 1812 de Franse overheid de stadskeldercijnsen nog eens wil innen dan zien we dat er twee eigenaars zijn: Jos Emery, die de belache­lijke 0,09 Fr. per jaar aflost in 1823 en de weduwe van Corne­lis de Bie die pas aflost in 1825[21].


 

[1] De Balbani's waren groot- financiers te Antwerpen en Lyon die ook aan warenhandel en grondspeculatie deden. In 1545 richtte Jan Balbani in de Predikheerinnestraat de grootste suikerraffinaderij van die tijd op; het ‘Suikerhuis’.

Zie: F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 5, Brussel, 1981, p. 253.

[2] SAA, SR 206, f° 162 r°.

[3] SAA, SR 345, f° 11 r° - 14 r°; SR 340, f° 53 r° - 54 r°.

[4] SAA, SR 347, f° 63 r° - 64 v°; vergelijk met RAA, Schepenbrieven, nr. 680; SAA, T 167, f° 38 v°; T 169, f° 17 r°, nr. 143 (= 289).

[5] SAA, GA 4833, f° 34 r°; R 2181, f° 101 r°; R 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 4 v°.

[6] SAA, SR 507, f° 14 r° - v°; 14 v° en 42 r°; 42 r° - v°; 42 v° - 43 r°.

[7] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd.

[8] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[9] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 167.

[10] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 r°, nr. 163 en 164.

[11] SAA, SR 933, f° 115 r° - 123 r°.

[12] SAA, SR 952, f° 208 r° - 211 r°.

[13] SAA, SR 971, f° 161 r° - 162 r°. Clara Maria Marcus, een zuster van Joannes, was in 1688 al novice in het Victorinnen­klooster van St. Margrietendaele: N 2519, f° 279 r° - 280 r°.

[14] SAA, SR 1028, f° 301 v°.

[15] SAA, T 172, f° 23 r°, nr. 289; T 155, f° 16 r°, nr. 289.

[16] SAA, GA 4832, f° 62 v° - 63 r°, nr. 162 en 163; R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd.  We kennen een Peeter Teliers die als hoedenmaker is de jaren 1677 en 1681 actief was in de Reyndersstraat 43.

[17] SAA, SR 1196, f° 301 v° - 303 v°.

[18] SAA, SR 1288, f° 353 r° - 354 v°.

[19] SAA, SR 1323, f° 109 v° - 111 v°.

[20] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2230.

[21] SAA, MA 3563, f° 44 r°, 85, nr. 289.