St. Simon, Pelgrimsstraat 17

 Boedelinventaris van Cornelis Nicol 1729
 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Bij de verdeling van de erfenis van Merten l’Hermite en Elisa­beth de Meere op 5 maart 1558 n.s. belandde dit huis samen met St. Mattheeus en St. Philips in de handen van Elona l'Hermite, dochter van Merten enerzijds, en Katlyne Viertals, dochter van Jan Viertal, heer vande Meere in Vlaanderen, en Heylwich l’Hermi­te, een andere dochter van Merten, anderzijds[1]. Via beërving belandden de drie huisjes bij de familie vander Hagen, aangetrouwd met de Viertals, waarvan de voornaamste telg Jonker Michiel vander Hagen was, gehuwd met Catherine Viertal. Hun drie zonen, Ridder Lucas, Jonker Philips en Jonker Marcus, persenaet (lakenkeurder) te Deinze, en hun dochter Sussanna vander Hagen regelde op 21 juni 1622 de nalatenschap en Marcus werd daarbij de nieuwe eigenaar van de huisjes[2]. In opdracht van de amman verkocht de stadhouder en schepen Godefridus Rijsheuvels ze op 28 mei 1627 aan Meester Cornelis van Nispen, licenciaat in de rechten, die als erfge­naam van Balthasar van Nispen renten te ontvangen had die erop drukten[3]. Vanaf dan kent ieder huisje zijn eigen geschiedenis wat eigenaars betreft. Wat de huurders aangaat zijn er natuur­lijk wel steeds verschillen geweest en in de periode 1577 - 1586 waren dat de volgende personen: vanaf 1577 Aert Spelder, peltier, daarna vanaf 1582 Jan vande Stocke eveneens peltier maar nu uit Brussel afkomstig[4].

 

Op 4 juni 1627 verkoopt Cornelis van Nispen St. Simon aan Herman Clin­germans en Maria Hermans en de beschrijving luidt dan: “... een huys met vloere ceuckene plaetse gronde en[de] allen den toebehoirten...”[5]. Hun dochter Maeyken laat in dit huis op 30 juni 1635 haar testament opmaken, vrij kort voordat ze krankzinnig wordt[6]. Herman Clinger­mans was kleermaker en hij liet in St. Simon zijn testament opmaken op 1 maart 1637[7]. Hieruit blijkt dat hij ofwel nogal arm was, ofwel niet erg gelovig want hij legateert maar 15 stuivers aan goede werken!  Op 22 september 1638 laat de inmiddels weduwe geworden Maria Hermans haar testament in de Pelgrimsstraat opmaken en zij blijkt toch wel over wat juwelen te beschikken[8] Op 5 mei 1653 verkochten Maria Hermans en haar dochter Catherina Clinger­mans het huis aan Steven Peeters, schoenma­ker, en zijn echtge­note Maeyken Goeyvaerts voor 1700 gulden die daartoe onmiddel­lijk een rente op het huis verkopen[9]. In 1659 blijkt deze Steven Peeters er ook effectief te wonen en dat het eigendom uitge­rust is met twee schoorsteenpijpen[10]. Ook in 1667 staat hij er als bewoner opgegeven[11]. Zijn dochter, Elisabeth Pee­ters, verkoopt het dan weer op 8 oktober 1671 aan Henrick Leverincx en zijn zuster Maria Leverincx[12]. In 1672 en 1682 staat Hen­drick als bewonend eige­naar opgegeven[13].  Van Henderick Leve­rincx, zoals hij ook ge­noemd werd, weten we uit verschil­lende docu­menten opge­maakt bij zijn overlijden op 4 januari 1694 zeker dat hij de helft van zijn huis bewoon­de; de andere helft werd gehuurd door ene Joseph Se­raerts die in 1694 nog achter­stalli­ge huur te betalen had. We weten ook dat Hendrick pas gestor­ven is nadat er nog een chirurgijn, een dokter en een apothe­ker aan te pas waren gekomen en in de boedelinventa­ris vinden we geen speciale zaken: het huis was eenvoudig bemeu­beld: waarde inboedel: 155 gulden 12 1/2 stui­ver terwijl er voor 111 gulden contanten in huis waren[14]. De kinderen en klein­kin­deren van Daniel Pee­ters en Helena Leve­rincx verkopen het dan weer op 2 januari 1696 aan Jaspar de Haen en Catherina de Geyter.  Gaspar was lid van de meerseniers als garenverko­per in 1700.  Hij staat opgenomen in de naamlijst van de Oude Koornmarkt wat erop wijst dat hij dus wel degelijk in de Pelgrimsstraat heeft gewoond en in het cohier van de burger­wacht van ca. 1704 staat hij als bewoner opgenomen.  Ook nog een Jan Francis van Santvoort heeft er gewoond[15]. Hun testa­ment werd op 17 april 1720 opgemaakt bij notaris A. Valvekens. Hierin vindt men de bekommernis van het echtpaar dat de langstlevende de kinderen leert lezen en schrijven[16]. Op 16 juli 1722 koopt Catherina de Geyter, her­trouwd met Cornelis Nicol, Joseph Hermans, de weduwnaar van haar enige dochter Maria Catherina de Haen uit[17].   Deze Cornelis Nicol wordt in het fameuze cohier van '1689' opgenomen als bewoner van St. Simon[18].  Cornelis Nicol sterft in dit huis op 12 septem­ber 1729 en zijn boedel is bewaard (zie bijlage).

 

De erfgena­men van Corne­lis Nicol en Catherina de Geyter verko­pen op 3 oktober 1729 St. Simon aan Lucia Catheri­na van Ander­nacht, in de akte omschre­ven als ‘geeste­lijk dochter’[19]. Uit de volks­tel­ling van 1755 weten we dat ze kantwerkster was en dat ze stukken van haar huis ver­huurde aan een spinster, een kant­werkster en een ‘cattoensuy­verster’[20]. Ze heeft alles­zins in de Pel­grimsstraat gewoond, samen met Joanna Maria Leukemans die ze op 15 novem­ber 1780 aanstelt als haar univer­sele erfge­name. Bizar in haar testa­ment is dat zij een vrij kostelijke en speciale begrafe­nis voorziet in de kathe­draal waar ze in de buurt van ene Juffrouw Anna Maria De Reyck wil begraven worden vlak bij het altaar van St. Anna en daar­bij geld uitgeeft voor “... eene herthoute kiste met vijsen, het baercleet met cruys, acht opgemaeckte flambeeuwen gelevert te worden door den waschmae­ker Sieur Cattie ende dat haar lyck door 4 heeren capelaenen in de voorschreven cathe­drale kercke sal worden afgelesen...” en voor honderd ziele­missen in de kathedraal en honderd in de Carolus Borromeus maar dat de begrafenis 's avonds bij wijze van ‘stille sinc­kinge’ moet gebeuren[21]. Het is inderdaad Jo­annna Maria Leuke­mans die op 9 augustus 1781 St. Simon voor 1200 gulden van de hand doet. Kopers zijn de broers Petrus de Laet en Franciscus Moyses de Laet die meteen een rente verko­pen van 1060 gul­den[22].

 

In 1796 wordt het huis, waarde 1200 gulden bewoond door 4 personen maar men schrijft er later nog 3 in in het kolommetje eigenaars.  De oorspronkelijke 4 zijn Pier de Laet, 65, kolen­handelaar, François de Laet, 63, ‘brouteur’ Catarine Her­mans, 40, spinster, Henry Callaey, 31, kolenhandelaar.  Hier kwamen bij: Pier Van Schoor, 26, kolenhandelaar; J.B. Schil­ders, 24, kolenhandelaar, L. Regemortel, 44, arbeider[23].

 

In de Hollandse periode wordt het pand (oppervlakte 44 ca.) bewoond door de winkelier J.B. Corbisier[24]. Deze blijft eige­naar tot 1846, dan komt het in handen van de schilder Josephus Christianus Nicolié die er evenwel niet woont en het in 1851 verkoopt aan Petrus Josephus Antoine Heuren, een commissiona­ris[25]. Tot 1893 is dan Maria Theresia Catherina Heuren eigena­res waarna ze het verkoopt aan de behanger Jan Baptist Ver­beeck- Peeters. In 1898 huisde er nochtans een rentenier in het pand[26].  In 1902 wordt de advokaat Jan Lauwers - Thi­baut (en deel­hebbers) eigenaar. Deze man, die op de Mechelse­steen­weg woon­de, in wat toen een luxe- wijk was, zat er warm­pjes in want hij bezat ook nog de Oude Korenmarkt 36 en 38, en de Pelgrims­straat 8, 10, 12, 14, 5 en 15 (= het buurhuis St. Mattheeus). In 1924 erft zijn weduwe Jeanne Marie Régine al die eigendom­men en in 1940 wordt de weduwe van notaris Georges Lefèvre Lauwers, die overigens hetzelfde huis bewoonde op de Mechelsesteenweg eigenares. In 1967 wordt het pand verworven door Kamiel Morlion- Deschamps, beheerder van maatschappijen woonachtig in de Harmoniestraat 82. In 1984 - 85 wordt St. Simon verenigd met St. Mattheeus (plan 1984-5/35).


 

[1] SAA, SR 263, f° 103 r°.

[2] SAA, SR 555, f° 113 v° - 114 r°.

[3] SAA, SR 582, f° 178g r° - v°.

[4] SAA, GA 4833, f° 35 r°; R 2181, f° 99 r°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 6 v°.

[5] SAA, SR 582, f° 183 r° - v°.

[6] SAA, N 3755 (1635), f° 200 v° - 202 r°.  Enkele interessante prelegaten:

haeren purperen saeyen [voir]schoeyt

haeren gouden rinck met een steentken

het coralen paternoster met het silveren agnus dei

haer gouden hooftpaleersel.

 

[7] SAA, N 3756, p. 69 - 71.

[8] Er zijn vier kinderen: Maria (Maeyken), die krankzinnig is, Catlyne, die voor Maeyken moet zorgen en 400 gulden krijgt voor zichzelf en Maeyken, Jan en Nicolaes. Sommen we even de prelegaten op:

haeren silveren sleutelriem metten silveren lyffriem [ende] silveren mesketen [ende] herttekens keten metten meschen [ende] coecker [daer]aen hangende

een halff dosyn nieuw hempden dwelck gemaeckt sal worden van het garen in haeren sterffhuysen te bevinden

een bedde met hooeftpeuluwe

haeren silveren becker

haer gouden suffe haeren groffgreynen rock haer beste huycke [ende] haer roode carmesyne siele

een bedde met hooftpeulne, twee oorcussens [ende] twee lende­cuskens [ende] een dosyn van haer testatrice beste hempden [ende] twee paeren [vande] beste slaeplaeckenen.

Bron: SAA, N 3756, p. 1049 - 1052.

[9] SAA, SR 725, f° 19 v° - 20 r° en f° 143 v°. Afrekening: N 3770, f° 316 r° - v°.

[10] SAA, R.2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd; zie ook hun testament van 27 februari 1659: N 3791, f° 26 r°.

[11] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[12] SAA, SR 827, f° 343 r° - 344 r°. Nochtans had Elisabeth op 11 juli 1666, toen ze 20 jaar was, aan haar ziekbed in St. Simon haar testament al laten opmaken: N 3783, f° 118 r°.

[13] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 203; GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 r°.

[14] SAA, N 2561, f° 167 r° - 168 v°; N 2799, f° 491 r° - 494 v°; W 1258, f° 196 r° - 203 r°.

[15] SAA, SR 973, f° 136 r° - 137 r°; GA 4219; GA 4832, f° 64 v°, nr. 198.

[16] SAA, N 3254, akte nr. 61.

[17] SAA, SR 1074, f° 192 v° - 193 v°.

[18] SAA, R 2516: cohier vant huyshuergelt 1689, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 197.

[19] SAA, SR 1098, f° 503 r° - 504 v°.

[20] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 39 - 40.

[21] SAA, N 718, akte nr. 81.

[22] SAA, SR 1275, f° 382 v° - 384 r°.

[23] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2249.

[24] Kadaster Antwerpen, Oudste legger 208, wijk 4, nr. 2808.

[25] Kadaster Antwerpen, Kadastrale Leggers wijk 4, art. 184, 3170/2, 3950, 2496.

[26] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 17).

 

Boedel van Cornelis Nicol d.d. 13 september 1729

Bron: SAA, N 4434, ongefolieerd. Boedel gevonden via Bruno Blondé.

Personalia: Cornelis Nicol was weduwnaar van Catharina de Gyter.

 

Liggend geld: enkele guldens

 

Een goude ketinge eenen gouden diamant rinck met elff steenen, eenen gouden trouwrinck, een gouden ringesken met een steen­tien een diamant cruys met goude ketinge, twee paer silvere cnoppen een silvere snuyffdoos met twee silvere att[ache]s en[de] daer in een silvere ketinge met haeck en[de] rinck een silvere eyserken seven silvere lepels van differente soorten ende twee clyn ditto twee paer silvere gespen een silvere fourchet eenen coker met mes en[de] silvere fourchet een silvere eyserken met manen

 

Opde boven Camer

 

een herthoute schappraey met twee deuren een herthoute tafel metten voet een weeke kiste een schutsel met vier deuren een schilderye

eenen spaensche leiren leenstoel een ledicant

 

met strepen behangsel een bedde metten peul wolle en[de] stroye matras, twee oorcussens een geel en[de] een groen saergie, noch een clyn saergie en een clyn kasken een herthou­te kokerschappraey een kasken met een belt in, eenen blouwen mantel eenen calamineken nachtroben

dryentwintich hals w[aarva]n deen soo groot als clyn

viertich neus­doecken soo groot als clyn

twee paer manchetten sonder mouwen

dry paer mouwen met cant aen vier halff hemden

vyff paer mouwen sonder cant, ses aejaranten met cant een cante kooff met toer eenen hoedt

eenen seyden capruyn negenthien manshemden

twelff paer s[l]aeplackens een wit lynwaete behangsel noch twee mans hemden elff ammelakens soo groot als clyn sesender­tich servetten noch een am[me]laken elff hantdoecken ses vr[ouw]e hemden eenige stucken van cooren twee blouw voor­schoyen ses cattoenen voorschoyen twee hantdoecken, een syde faellie eenen swerten laeckenen justacor eenen grouwen justacor met jup met silvere cnoppen aen met broeck een nieuw syde faelie op eenen stock gewonden twee quaey spaen­sche leire stoelen een goude laec­kene borse

een silvere snuyffdoesken silveren tant keuter

een silvere ketinge van een moeffel twee silvere hooren van een scheer, vyff silvere gespen 20 silvere cnoppekens vier paer andere silvere een goude hert met een perel aen vyff paer manchetten wat rommeling van lynwaet 2 cante en[de] een cat­toene voorschoot met eenen stoffen twee stucken lamsvellekens twee cante agaganten wat eynden lynwaet

 

Opde achter Camer

 

Een ledicant met behangsel bedt en[de] peul twee saergien en[de] een oorcussen een boterye schappraey een houte balance met gewicht twee weeckhoute kisten een flauwyn en[de] twee quaey laeckens

een partye gereetschap vant garentwynen een kist met een partye ditto gereetschap, een leer

eenen vuylen cattoenen voorschoot een spiegeltien met vergulde lest twee cleer borstels

 

Opden solder

 

Een bedt met peul twee witte saergien en[de] twee slaeplaec­kens eenen garentwyndersmolen met ander gereetschap daer toe dienende een partye mandekens een saeg, eenen coperen gieter een sittekussen een partye rommelinge een timmermanswerckbanck

 

Opt hangende Camerken

 

een kiste eysere coffoor, een hanghcasken eenen eyseren hamer een partye gereetschap een theebusken met thee een sluytmande­ken een quaden iustacorp een spaenschen leiren en[de] eenen biesen stoel een paruck een mandeken met bouten een partye ondermutse op het ander camerken een herthoute cokerschapprae­yken thien paer flouwynen ende een flouwyn eenen neusdoeck een bael twee teene mandekens een werckkussen eenen boecssack met papieren eenen bybel een partye scheurpapier een coffer een boter kuypken een swerte broeck blouwen laeckenen mantel met goude galon eenen grouwen laeckenen iustacor met jup noch eenen grouwen laeckenen iustacor swerte laeckene iup vier hemtrocken een casken met bereken een stuck wit lynwaet een wafeleyser noch dry vr[ouw]ehemden een groen saergie eenen

 

Vuyl lynwaet

 

elff slaeplaeckens, twelff manshemden twee flouwynen twee neusdoecken, een paer lobben en[de] twee cravatten noch twee neusdoecken eenen coleuren neusdoeck

 

In Den Winckel

 

eenen houten toogh een casken met schaeltien balance en[de] gewichten eenen striekstock een bout windeken een naey mande­ken houte stooff dry schilderyekens een vogelhuys een visiek met degen een lanterentien

[doorgehaald staat de aankondiging van de inventaris van de winkelgoederen die een folio verder echt begint. Hieruit blijkt duidelijk dat er garens en linten worden verhandeld.]

 

inde keucken

 

een herthoute reekbanck, twee gordynen en[de] een val een schouwcleet eenen ketel eenen houten stoel vier biese en[de] eenen spaensche leiren stoel eenen spiegel een herthoute tafel een kusken een crucifix eenen pot lest met negen potten aen eenen clynen dito met vier potten aen een reek vierentwintich tenne schotels soo groot als clyn vierthien tenne tailloiren vier clyn tenne tailloirkens twee apullekens een soutvat

 

een tenne peperbus eenen tennen beker eenen tennen boterpot twee tenne kandelaren noch eenen tennen beker met tennen mostaert pot eenen treckpot een blecke thebus met tee in vier copere kandelaeren ses aerde pottekens en[de] pinten met tenne schelen eenen aerden suyckerpot eenen tennen treft eene ysere streyckeyser een tenne comme ses gelase tailloiren een reek met negen gelase schotelen een tenne soutvat tennen bierpot eenen aerden stoop met tenne scheel twee copere snutters twee copere licht pannekens een copere pleret een copere lamp een copere meremit eenen coperen water eemer een copere bedtpan coperen mortier met stamper coperen kandelaer met een copere lampe in dry copere vispaene tenne bedtpaen twee copere bedtpann[en] eenen coperen smerctstoop vyff copere schelen dry copere beckens dry copere vierketels noch eenen mortier een gelase kasken met een beldt in een rootcopere toertpanneken eenen coperen moor een grouw laeckenen broeck een roode ditto, noch een grouw laeckene broeck twee flouwynen een slaeplaecken twee bruyn vooschoyden, vier paer lynwaete socken dry grouwen vooschoyden ses coleure neusdoecken 4 boecken een gordyntien met copere ringen, eenen cattoenen voorschoit noch een grouw laecke broeck een slecht tafelcleet noch eenen bruynen voor­schoot een paer swerte coussens een paer moukens thien tafel­doekxkens twee silvere cnopkens

Dry hoeden een paer muylen eenen kerckboeck een partye romme­lingh een eysere schup en[de] tangh eenen gaenstock, een ysere coffoir een treft een brantyser eenen blaesbalck vier yser twee copere eemers eenen copere aker twee copere schelen vyff copere meremitten soo groote als clyne een copere panneken eenen coperen bluspot copere chicolaet pot blecken moor met coperen buym twee copere koeckpannen coperen vispaen een eysere potteken eyseren rooster met raeprooster vier tennen schotelen vier waterpotten dry tenne commekens

 

thien tenne lepels twee gelase schotelen een partye aerde ende gelasewerck eysere tange ende capmes

 

inden kelder

 

coperen bluspot een moellie een cuyp met boter een amer twee stellingen twee tonnen vol bier een partye hout en[de] colen

 

[De inventaris bespreekt vervolgens de winkelgoederen en de documenten die in het huis werden aangetroffen. We beperken ons tot die gegevens die een wat meer uitgebreide beschrijving opleveren]

 

Item bevonden

 

De naervolgende garens eerst twee pacxken geteeckent 9 loot een paecken garen fyn

item 8 pacxkens geteeckent 18 loot ieder van twee vierendeelen ende een ditto van 1/4

[en nog meer van die 'pacxkens geteeckent ... loot]

...

differente cleyn partykens fyn werck gaeren synde in differen­te caskens in den toogh

item 3 pacxkens deene get[eeckent] 4.0.n en[de] dand[er] 5.0.n. en[de] het derde 4 1/2 oncen rooden bandt

item een pacxken wit werck garen get. n° 20 3 1/4

item een pacxken gett. "paine a 11 porte" sisain

item een ander gett. "paine a 10 porte" sisain

item een pacxken gett. n° 20 3 1/4

een pacxken geteeckent loot binders fyn

een pacxken gett. loot binders 5 pinay 3 on

een pacxken gett. IIIIII *

een bondeltien rouw gett. 3 c 3 p 3 ons

...

een paecxken gett. loot binder f

item een d[itt]o 5 = penay 2 3/4

...

 

[volgend folio]

 

...

een ditto gett. "sisay groff"

...

een ditto gett. "sisy fyn"

twee ditto gett. 5 sisyn

...

thien stucken naeygaren, seven stucken werckgaren getteckent 10 1/- f 11

item seven ditto geteeckent 11 1/11 eenen haspel naeygaren, seven ditto werckgaren gett. 1 1/-X

...

hondert stucxkens lint van differente couleuren soo wit als andere tweentwintich caertiens met lint op

achtenveertich brieven met spellen

een partye rouw garen, een partye nestelen

vyff bardekens met lint op ende een rolleken

hondert 86 packxens met garen soo witte als andere

eenenseventich mastiens saey een partyken saey van differente coleuren

twee pacxkens genombreert 1 1/- on.

...

 

[v°]

 

...

noch vier pacxkens met garen, dry ditto met syde

een gout gewicht

 

 


 

één van de mogelijke lezingen van dit onbekend sterk afgekort woord.

lees halsdoecken?

 
justacor: juste-au-corps: geklede mansrok.

jup: joppe: oorspronkelijk onderkleed in katoen, werd later voor de mannen een wambuis, kleed of kiel, voor de vrou­wen een overkleed of japon.

falie: doek, eventueel ook sluier, mantel of huik.

moeffel: moffel, bonten handschoen. Waarschijnlijk diende die ketting om ze ergens aan te hangen, b.v. rond de hals om ze niet te verliezen.

paruck: pruik.

apulle: ampulle: kruik, fles, kan met wijde buik.

meremit: ketel.

buym: bodem.

moelie: moele: kneedtrog, baktrog.