De Gulden Cam, Pelgrimsstraat 16

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Op 4 en 10 juli 1542 verkocht amman Godevaert Sterck o.m. een reeks van vier huizen die behoorden tot het grote pand de Ooievaar op de Oude Koorn­markt. De eigenaar, Jan Berhout, een koopman, had blijk­baar na het bouwen van niet minder dan zeven huizen op de achterkant van zijn grote eigendom liquiditeits­problemen gekregen en een aantal schuldeisers o.m. Jan Balba­ni[1] en Robert de Neufmille, lieten hem daarvoor vervolgen. Het derde, geteld van rechts naar links, van de hogergenoemde vier huizen gesitueerd naast de drie huizen die tot De Ooievaar bleven behoren was het pand dat later ‘Den Gulden Cam’ zou genoemd worden en het werd in de handen gegeven van Herman Nouwen, wolkoper die er een erfrente van 9 pond 2 schellingen en 6 penningen groten Brabants voor overhad[2]. Merkwaardig is dat zijn weduwe, Margriet vanden Broeck, er volgens een akte van 17 juni 1544 de amman weer bijhaalde om het huis na een open­bare verkoop voor zichzelf te verwerven mits er een erf­rente van 9 pond 10 schellingen groten Brabants voor te bie­den[3].

 

Op 16 maart 1559 n.s. verkocht zij het aan Anthonise van[de] Kerckhove, glasmaker, en zijn vrouw Katlyne Luycx[4]. Het echt­paar van de Kerckhoven heeft het soms ook zelf bewoond maar gedeeltelijk. Zetten we de gegevens uit de cohieren op een rijtje. Van 1577 tot 1581 spreekt men over één woning, genoemd 'Naest den Kemel' (de Kemel was het tweede huis uit de reeks van vier en dus de rechterbuurman van straatzijde af gezien), huurwaarde 23 gulden, wat niet bijster veel was, en met als huurder Pauwels Thilmont, nestelmaker. Vanaf 1582 zijn er twee rubrieken: 1° “Naest den Kemel”, waarde 32 gulden, dat van 1582 tot 1585 door de eigenaars zelf bewoond wordt en vanaf 1586 gehuurd wordt door Jacques vande Velde; 2° “Int selve huys naest den Kemel”, waarde 22 gulden, nog tot 1583 verhuurd aan Pauwels Thymont, daarna aan Henrick Verbraecken, 'van Herentals gevlucht'[5].  Hoe sterk de Gulden Cam als tweewoonst was opgevat blijkt ook uit de cijnsboeken van de XVIde tot de XVIIIde eeuw waaruit blijkt dat er twee keldertrappen op de straat uitga­ven.  In totaal betaalde de eigenaars hierop een cijns van 6 groten per jaar[6].

 

Wat dan volgt als eigenaarswissel is doodsimpel maar men moet er zijn verstand bijhouden. Volgens een testament van 21 juni 1586 werd ene Antonius Bode erfgenaam van Katlyne Luyckx hogergenoemd. Die Antonius Bode had in zijn testament geda­teerd 30 april 1583 zijn vrouw Anna van Veerle aangesteld als erfgename. Hij sterft en zij hertrouwt met ene Peeter van Cam die haar aanstelt tot universeel erfgenaam volgens een testa­ment d.d. 29 oktober 1622. Anna van Veerle weet evenwel ook haar tweede man te overleven en verkoopt op 5 april 1623 Den Gulden Cam: “Een huys nu geapproprieert tot twee wooningen metten gronde [ende] alle de toebehoirt[en]...” aan Peeter Jacobssen, lijnwatier[7].

 

Deze Peter Jacobssen (vander Haven), in 1642 vermeld als oud-kapitein van de Burgerlijke Wacht, is gehuwd geweest met twee vrouwen, eerst met Maria vander Aa, daarna met Leonora Brey­el[8]. Op 26 april 1653 verkopen Leonora en de andere erfge­namen van Peter het huis aan Steven Jans­sens, de toen nog minderja­rige zoon van Steven Janssens en Cornelia van Vincken­borch. Men schat de waarde van het huis op dat moment op 105 gulden 15 stuivers per jaar in erfrente, d.i. 1684 gulden. In de be­schrijving lezen we over den gulden cam “... eertyts geweest zyn[de] twee wooningen”[9] en we verne­men dat er een huurder is die er tot Kerstmis 1654 mag blijven wonen.

 

Huurder in 1659 voor 42 gulden van het huis dat was uitegerust met twee schoorsteenpijpen was Guilliam vanden Broeck[10], in 1667 huurde een zekere ‘Heer Salverstyn’ aan 72 gulden, waar­schijnlijk nadat men enkele verbeteringen had aangebracht om deze chiquere heer te kunnen huisvesten[11]. Het cohier van 1672 is nogal vaag: dat jaar zelf stond het blijkbaar leeg en werd geen huishuurgeld geëist, daarna trok een zekere Daniël van Hoeck in[12].  In 1682 huurde voor hetzelfde bedrag Jan van Eerdbrug­gen[13] en tussen 1689 en 1708 achtereenvolgens Jan van Eerdbruggen, Adriaen Chabau of Saban en daarna Hendrick van Schaepen­bergge[14].

 

Dat het pand van aanzien was verbeterd heeft mogelijk ook alles met zijn eige­naar te maken. Steven Janssens kon bogen op de adelijke titel van ‘Jonker’ en was gehuwd met Isabella Huyvel. Samen legden ze de basis van het geslacht Janssens de Huyvel en dit door het verwekken van volgende kroost:1° Jonker Steven Corne­lis Janssens, schepen en burge­mees­ter van Antwer­pen, ridder en ‘raed’ van de Hoge Raad van Mechelen,

2° Jonker Franciscus Janssens,

3° Jonkvrouw Isabella Janssens,    

4° Jonker Simon Frederick Janssens.

Deze laatste verwerft het huis bij verdeling met zijn broers en zuster op 4 mei 1694[15].

 

Rond ongeveer 1719 komt deze man, gehuwd met Vrouwe Joanna Carolina Gysels, in financiele moeilijkheden en op 22 december 1725 doet de weduwe geworden Joanna Carolina afstand van het huis ten voordele van een crediteur, Louis Bailliu (Baillien), die  renten op de Gulden Cam had gekocht[16]. Via zijn twee dochters uit zijn huwelijk met Joanna Maria Lenaerts, Elisa­beth en Maria Catharina Bailliu worden op 22 decem­ber 1745 in navol­ging van de testamentaire wilsbeschikkingen van Maria Cathari­na vier groepen van personen eigenaar:

1) Catharina vanden Brande

2) de dochter van Anna vanden Brande

3) de kinderen van Francisco Schroots

4) Anna Isabella Catharina en Maria Anna Cockx[17].

Na een verdere verdeling op 26 februari 1746 wordt de eerste de enige eigenares. In de beschrijving is er terug sprake van twee woningen[18]. Op 20 maart 1790 verkopen Carolus Franciscus Schroots, deken van het kuipersambacht en Susanna Catharina Schroots als kinderen van Fransisco Schroots en Susanna vanden Branden, enige erfgenamen van Catharina, het huis voor 1000 gulden aan Joannes Christoffel van Wiedenhoven en Joanna Adriana Gabriel die meteen voor het volle bedrag hypotheke­ren[19].

 

In 1796 wonen deze mensen er dan ook in het huis, waarde, 1200 gulden.  We noemen Jean Widenhoven, 52, schrijnwerker; zijn echtgenote Jeanne Gabriel, 53; hun kinderen Catrine, 23, kantwerkster; Jean, 21, draaier en Terese en Françoise die nog geen 12 jaar oud waren[20].


 

[1] De Balbani's waren groot- financiers te Antwerpen en Lyon die ook aan warenhandel en grondspeculatie deden. In 1545 richtte Jan Balbani in de Predikheerinnestraat de grootste suikerraffinaderij van die tijd op; het 'Suikerhuis'.

Zie: F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 5, Brussel, 1981, p. 253.

[2] SAA, SR 206, f° 161 v° - 162 r°.

[3] SAA, SR 212, f° 52 v° - 53 r°.

[4] SAA, SR 274, f° 114 r° - v°.

[5] SAA, GA 4833, f° 34 r°; R 2181, f° 101 v°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 4 v°.

[6] SAA, T 167, f° 38 v°; T 169, f° 17 v°, nr. 144 (= 290).  De cijns werd ineens afgelost in 1666.

[7] SAA, SR 563, f° 250 r° - 251 r°.

[8] Testament: SAA, N 3476, f° 192 r° - 195 r°.

[9] SAA, SR 728, f° 403 r° - 407 r°.

[10] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd.

[11] SAA,  R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[12] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 166.

[13] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 r°, nr. 162.

[14] SAA, GA 4832, f° 62 v°, nr. 162; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 162.

[15] SAA, SR 965, f° 224 r° - 231 v°.

[16] SAA, SR 1084, f° 232 r° - v°.

[17] SAA, SR 1156, f° 74 r° - v°. Maria Catherina Bailliu woonde op de Goddaert: N 4036, testament d.d. 11 oktober 1745.

[18] SAA, SR 1159, f° 15 r° - 18 r°.

[19] SAA, SR 1304, f° 87 v° - 89 v°.

[20] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2232.