St. Mattheeus, Pelgrimsstraat 15

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Bij de verdeling van de erfenis van Merten l’Hermite en Elisa­beth de Meere op 5 maart 1558 n.s. belandde dit huis samen met St. Simon en St. Philips in de handen van Elona l’Hermite, dochter van Merten enerzijds, en Katlyne Viertals, dochter van Jan Viertal, heer vande Meere in Vlaanderen, en Heylwich l’Hermi­te, een andere dochter van Merten, anderzijds[1]. We kennen ook de huurder van het pand in de periode 1577 - 1586: Jan van Vraessem, peltier[2]. Via beërving belandden de drie huisjes bij de familie vander Hagen, aangetrouwd met de Vier­tals, waarvan de voor­naamste telg Jonker Michiel vander Hagen was, gehuwd met Catherine Viertal. Hun drie zonen, Ridder Lucas, Jonker Phi­lips en Jonker Marcus, persenaet (lakenkeur­der) te Deinze, en hun dochter Sussanna vander Hagen regelde op 21 juni 1622 de nalatenschap en Marcus werd daarbij de nieuwe eigenaar van de huisjes[3]. In opdracht van de amman verkocht de stadhouder en schepen Godefridus Rijsheuvels ze op 28 mei 1627 aan Meester Cornelis van Nispen, licenciaat in de rechten, die als erfge­naam van Balthasar van Nispen renten te ontvangen had die erop drukten[4]. Vanaf dan kent ieder huisje zijn eigen geschiedenis wat eigenaars betreft.

 

Op 4 juni 1627 verkoopt Meester Cornelis van Nispen aan Peeter Matthijs of Matthyssens en Susanna Michielsen “... een huys met vloere ceuc­kene gronde en[de] allen den toebehoorten...” genaamd St. Mattheeus[5]. Peeter Matthyssens was stoeldraaier van beroep. Op 10 januari 1651 gaat hij, inmiddels weduwnaar geworden, naar notaris Andries vander Donck om zijn testament te laten opmaken. Hij blijkt er een dienstmaart op na te houden met name Martyntken Calverendoodt die al de kleding van zijn echtgenote zaliger krijgt. Gabriel Vervaeren de Jonge krijgt het stoeldraaiersgereedschap met inbegrip van de afge­werkte produkten, het weekhout en het brandhout. Gabriel Vervaeren de Oude, gehuwd met Catlyne Cuypers, en beschreven als zijn vriend wordt testamentair executeur[6]. In 1656 woont er in een kamer een zeker Anneken[7]. In 1659 blijkt Peeter Mathys­sens het huis ook effec­tief te bewonen. Het is uitgerust met twee schoor­steen­pijpen[8]. Op 30 juli 1659 gaat hij nogmaals bij notaris Andries vander Donck om er zijn beste vriend Gabriël Vervae­ren de Oude aan te stellen tot zijn univer­sele erfge­naam. Hij geeft wel wat gereedschap aan een collega- stoeldraaier op de Pad­dengracht[9]. Deze Gabri­l Ver­vae­ren was al een tijdje eige­naar van St. Philips maar in 1667 woont hij blijkbaar reeds als eigenaar in St. Mat­theeus ter­wijl hij St. Philips verhuurt aan ene Fran­ciscus van Mort­hel.  In 1672 verhuurt hij St. Philips (dat in het cohier van plaats wordt gewisseld met St. Mattheeus) aan Joos de Ceuster terwijl hij blijft wonen in zijn huis[10]. Zijn oud­ste zoon, ook een Gabri­l, ver­werft na overleg met zijn broer Cornelis op 10 april 1677 St. Mat­theeus waarvan de beschrij­ving op dat ogen­blik luidt als volgt: “... een huys met vloe­re ceuckene, plaetse, opper­camer, solders, kelders gronde ende allen den toebehoor­ten...”[11]. Huurders zijn in 1682 en 1689 de weduwe Papekoel en rond 1704-1708 Jan Her­stael.  Deze was lid van de meerseniers als ban­ketbak­ker in 1696 en 1700 en hij staat genoteerd in de lijst van de Oude Koornmarkt[12].

 

In op­dracht van Maria Catheri­na vander Schel­straeten, weduwe van Engelbert Muytincx, die een rente te ontvangen had, laat de amman Jonker Jan Baptista Guillielmus Josephus Fraula, heer van Rogiers­bosch, het huis openbaar verkopen. De schuld­eiseres koopt het zelf op 9 maart 1725 voor 1110 gulden[13]. Bij de verdeling van de erfe­nis van Engel­bert Muytincx en Maria Catherina onder de kinde­ren ver­krijgt Joanna Françoise Muy­tincx, begijntje te Antwerpen, het pand en wel op 20 april 1734[14]. In 1755 blijkt ze het verhuurd te hebben aan de gezus­ters vander Willigen, kantwerksters[15]. Hu­bertus Jans­sens en Maria Magdalena Hasoo moeten op 10 novem­ber 1761 een rente van 300 gulden verkopen om St. Mat­theeus voor 668 gulden van dit begijntje te kunnen overko­pen[16].  Hubertus Janssens was als theehandelaar lid van de meerse vanaf 1765 tot 1794[17].

 

In 1796 is het huis nog altijd eigendom van een H. Janssens, weduwnaar, 67 en diamantslijper, zijn zoon Frans, 26 en de kantwerkster, 42.  Het huis werd geschat op 900 gulden[18].

 

De oudste kadastrale vermelding (1823) leert ons dat het perceel 45 ca. groot was en toen eigendom was van een zekere Henry L. die een zijdewinkel hield op de Schoenmarkt[19]. de chronologie is dan niet meer zo duidelijk, we kunnen allen vaststellen dat achtereenvolgens de winkelier Henry Carolina en de koopman Jan Binjé Van Geertruyen eigenaars waren. Deze verkoopt het pand aan de koopman Henri Thibaut en drie deel­hebbers, bekend onder de firma Thibaut gebroeders, en wel in 1874. In 1875 en 1886 worden er verbouwingen doorgevoerd (zie plan) zodanig dat er een verbinding komt met de 'Grote Gans'. In 1894 erft Hendrik Thibaut en deelhebbers, koopman, de eigendommen[20].  Op het plan van Gervais van 1898 staat vermeld dat er een handelaar woonde en blijken er linken te zijn met de Grote Gans op de Oude Koornmarkt 38[21]. In 1904 wordt het al zeer kleine koertje nog eens ver­kleind (plan 1904/11) en in 1906 erft advokaat Jan Lauwers Thibaut het pand. Deze man die op de Mechelsesteenweg woonde, wat toen een luxe- wijk was, bezat ook het buurhuis St. Simon (Pel­grims­straat 17), de eigendommen Oude Koornmarkt 36 en 38, en Pel­grimsstraat 8, 10, 12, 14 en 5. In 1924 erft zijn weduwe Jeanne Marie Régine al die eigendommen en in 1940 wordt de weduwe van notaris Georges Lefèvre- Lauwers, die overigens hetzelfde huis bewoonde op de Mechelsesteenweg, eigenares. In 1967 wordt het pand verworven door Kamiel Morli­on- Deschamps, beheerder van maatschappijen, die zelf woonde in de Harmonie­straat 82. In 1984 - 1985 (plan 1984-5/35) wordt St. Mattheeus met St. Simon verenigd. In 1987 (plan 1987/8) wordt er aan de achterkant een stukje afgebroken en overdekt.


 

[1] SAA, SR 263, f° 103 r°.

[2] SAA, GA 4833, f° 35 v°; R 2181, f° 99 r°; R 2286, R. 2213, R. 2317, R. 2237, R. 2350, telkens f° 6 v°.

[3] SAA, SR 555, f° 113 v° - 114 r°.

[4] SAA, SR 582, f° 178g r° - v°.

[5] SAA, SR 583, f° 182 v° - 183 r°.

[6] SAA, N 3767, f° 113 r° - f° 114 r°. Bij een nieuw testament d.d. 7 maart 1653 is hij weduwnaar: N 3770, f° 284 r° - 285 r°.  Nog testamenten op 7 februari 1657 en 30 juli 1659: N 3774, f° 140 r° - v°; N 3776, f° 4 r°.

[7] SAA, N 3773, ongefolieerd, akte nr. 173.

[8] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd.

[9] SAA, N 3776, f° 11 v° - 12 r°.

[10] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 204 en 205.

[11] SAA, SR 868, f° 68 r° - 69 r°.

[12] SAA, GA 4831 : Burgerlijke Wacht Wijken 1682, f° 31 r°; GA 4832, f° 64 v°, nr. 199; R 2516 : Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 199; GA 4218 en 4219.

[13] SAA, SR 1084, f° 498 r° - 500 r°. De familie Muytinckx vormde een befaamd koopliedengeslacht dat uit Augsburg afkomstig was. Engelbert was zelf koopman en aalmoezenier te Antwerpen. Zijn grootvader Pierre (1584 - 1659) was tresorier van de stad en schepen vanaf 1654.

Bronnen: N 1616, f° 40 r° - 42 v° en 44 r° - 45 v°; PK 3263 (= Genealogische nota's Bisschops), nr. 452, f° 2.

[14] SAA, SR 1113, f° 35 v° - 40 v°.

[15] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 39.

[16] SAA, SR 1212, f° 196 v° - 197 v°.

[17] SAA, GA 4220-21, 4224, 4227, 4230-31, 4234-35, 4237-38, 4240.

[18] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2248.

[19] Kadaster Antwerpen, Oudste legger 208, wijk 4, nr. 2807; Kad. leggers wijk 4, art. 510 en 1620.

[20] Ibid., art. 2560 en 2496.

[21] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 15).