St. Philips, Pelgrimsstraat 13

 Boedelinventaris van Digna Martens 1618
 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Bij de verdeling van de erfenis van Merten l’Hermite en Elisa­beth de Meere op 5 maart 1558 n.s. belandde dit huis samen met St. Simon en St. Mattheeus in de handen van Elona l’Hermite, dochter van Merten enerzijds, en Katlyne Viertals, dochter van Jan Viertal, heer vande Meere in Vlaanderen, en Heylwich l'Hermi­te, een andere dochter van Merten, anderzijds[1]. Via beërving belandden de drie huisjes bij de familie vander Hagen, aangetrouwd met de Viertals, waarvan de voornaamste telg Jonker Michiel vander Hagen was, gehuwd met Catherine Viertal. Hun drie zonen, Ridder Lucas, Jonker Philips en Jonker Marcus, persenaet (lakenkeurder) te Deinze, en hun dochter Sussanna vander Hagen regelde op 21 juni 1622 de nalatenschap en Marcus werd daarbij de nieuwe eigenaar van de huisjes[2]. In opdracht van de amman verkocht de stadhouder en schepen Godefridus Rijsheuvels ze op 28 mei 1627 aan Meester Cornelis van Nispen, licenciaat in de rechten, die als erfge­naam van Balthasar van Nispen renten te ontvangen had die erop drukten[3]. Vanaf dan kent ieder huisje zijn eigen geschiedenis wat eigenaars betreft. Wat de huurders aangaat waren er uiter­aard altijd verschillen geweest. Voor de periode 1577 - 1584

kennen we volgende namen: vanaf 1577 tot 1582: Godevaert Dries, peltier, daarna Aerdt Pels, alhoewel een register uit 1584 als huurder 'ledich' opgeeft[4].

 

We weten dat op 24 augustus 1618 Digna Martens, weduwe van Cornelis I vande Kerckhoven en van Laureys Campan en echtgeno­te van Corneel Pelgroms in St. Philips is overleden, nalatende vier kinderen n.l. Nicolaes, Henrick, Peeter en Cornelis vande Kerckhoven, blijkens haar inventaris van die datum (zie bijla­ge).

 

Op 4 juni 1627 verkoopt Meester Cornelis van Nispen St. Phi­lips: “... een huys met vloere ceuckene plaetse gronde en[de] allen de toebehoorten...” aan Gabriël Vervaeren en Henrica Vriesen[5]. Als zijn echtgenote overleden is wordt het bij de verdeling van de nalatenschap op 17 september 1632 zo geregeld dat Gabriël het huis toch voor zichzelf kan behouden[6]. Dit is niet onlogisch want hij blijkt het huis dat was uitgerust met twee schoorsteenpijpen in 1659 ook effectief te bewonen[7]. In 1667 blijkt hij verhuisd te zijn naar St. Mattheeus en ver­huurt hij St. Philips aan ene Franciscus van Morthel voor het luttele bedrag van 46 gulden per jaar wat het minste was van de hele straatkant.  In 1672 is het terug 60 gulden huur waard als hij het verhuurt aan Joos de Ceuster[8]. Gabriël hertrouwt met Magdalea of Catlyne Cuypers en uit dit huwe­lijk ontsprui­ten twee zonen: Gabriël en Cornelis, die op 10 april 1677 de erfenis verdelen zodanig dat Cornelis St. Phi­lips, “... een huys met vloere ceuckene plaet­se opper­camers solders kelders, gronde en[de] allen den toebe­hoor­ten...” in eigendom krijgt[9].

 

De cohieren van na 1700 duiden Cornelis Vervaeren en daarna zijn weduwe als bewoners aan[10].

Cornelis Vervaeren, waarschijnlijk de zoon van de voorge­noem­de, stelt op 9 april 1708 ene Jacobus Govaerts aan als zijn enige erfge­naam maar deze kan blijkbaar moeilijk een bepaalde rente betalen en verkoopt op 29 december 1708 zijn huis aan schepen Joannes Baptista Ver­dussen de Jonge[11]. Als bewoners in 1755 worden de ‘molendraeyer’ Andreas Kretien, zijn vrouw, zijn zonen van resp. 12, 15 en 17 jaar en zijn dochter van 27 alsook de weduwe van Moeck, die onder­hou­den wordt door de H. Geesttafels, opgegeven[12]. Verdussen ver­koopt St. Philips dan weer op 11 april 1768 aan Fran­ciscus Dillis en Cathe­rina van Aceley voor 937 gulden[13]. Ze moeten daartoe een rente verkopen van 600 gulden aan Joannes Duyter, meester- schoenma­ker.  Francis Dielens was lid van de meerse­niers en we vinden hem in de naamlijsten terug vanaf 1765 tot 1794 met de vermelding ‘boetiek’, later ‘cruyd’.

 

We vinden Dillis onder de naam Dilens terug bij de volkstel­ling van 1796.  Hij is weduwnaar, 79 en zijn dochters Catari­ne, 30, en Antoinette, beiden kantwerksters, en de kantwerk­ster Marie Bousiers wonen bij hem in.  Het huis is 1000 gulden waard[14].

 

In 1898 woonde er een bediende (commis)[15].


 

[1] SAA, SR 263, f° 103 r°.

[2] SAA, SR 555, f° 113 v° - 114 r°.

[3] SAA, SR 582, f° 178g r° - v°.

[4] SAA, GA 4833, f° 35 r°; R 2181, f° 98 v°; R. 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 6 v°.

[5] SAA, SR 583, f° 182 r° - v°.

[6] SAA, SR 611, f° 362 r° - v°.

[7] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd.

[8] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd;  GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 205 (waar verkeerdelijk de naam St. Mattheeus staat).

[9] SAA, SR 868, f° 68 r° - 69 r°; Cornelis bewoont het waarschijn­lijk ook: zie: GA 4831 : Burgerlijke Wacht Wijken 1682, f° 31 r°.

[10] SAA, GA 4832, f° 65 r°, nr. 200; R. 2516, cohier vant huyshuer­gelt 1689, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 200.

[11] SAA, SR 1019, f° 105 r° - v°.

[12] SAA, PK 2561 : Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 39 - 40.

[13] SAA, SR 1234, f° 250 r°- 251 r°.

[14] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2247.

[15] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 13).

Boedelinventaris van Digna Martens d.d. 24 augustus 1618

Bron: SAA, N 3372, ongefolieerd.

Reeds gedeeltelijk gepubliceerd in:

E. Duverger, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventiende eeuw, vol. 2, Brussel, 1985, p. 25.

 

Ende eerst in[de] ceucken

 

Een herthoute wttrecken[de] taeffel, een herthouten dwelier, herthoute ledicant [waer]op bevonden een bedde met hooftpeu­linck, matrasse met stroy gevult, twee tycken oircussens een hemdkasken, een gruen spaensche zargien, I gruen zaye valle met twee gordynen van[de] zelve I geel coop[eren] bedtpanne I herthouten schabbelleken I geel coop[eren] becken I gruen zaye schoucleet een gheel coop[eren] blaeken drye ysere kerssnutters

ses cleyn schilderykens olie [ver]ve van diversche sortten respective van cleyn importantie een avontmael op paneel olie [ver]ve in lyste een latte met vier hangels twee roosters een blaesbalck I vierschuppe I tange drye podtheys[ers] een yse[re]n testken I brantyser I hensken een yse[re]n podtscheel I houte soutvat een kersback een lanterne I spit I ysere gewicht van vier pont I herthoute gelaesbert [daer]inne syn[de] vier drinck in gelas I postelyne schotelken vier mostpotkens, I capstock [waer]aen een weduwers laeck[en] roumantel noch 3 1/2 ysere gewicht I herthoute zitbanck met drye weeke berders I spiegel I geelen coop[eren] vierketel XXIIII tenne schotels zoo groot als cleyn, twee tennen bec­kens, twee tennen waterpotten noch een tennne schotel acht steene bierpotten zoo groot als cleyn, elff tenne teljooren elff tenne commekens met seven tenne lepels, drye tenne zout­vaten II tennen mostaertpotten I tennen zuypencroes I tennen drinckbeker, I houte cruytbus, I houte cruycefix I weekhouten rechtbanck met twee deuren I rooden coop[eren] hespketel vyff geel coop[eren] ketels zoo groot als cleyn I geel coop[e­ren] [ver]hangsoirI merctrechtken twee tenne candelaers drye [ver]scheyden kerckboecken I geel coop[eren] vischpaen drye gheel coop[eren] candelaers, een herthoute cleerschappray met vier sloten [daer]inne bevonden tnaevolg[ende] I swertte laeckene broeck I bombezyn nestellyf I swert laek[en] mans rocxken met bay gevoeyert twee blau lynwate voorschoyen met een[en] blauwen lynwate doeck, I zilveren vrouwen lyffinen, een groot swert flouweele hertelien met een zilvere ketenkien [daer]inne I zilveren vrouwen sleutelriem I leer[en] vergulden coecker [waer]inne stecken een X mess[en] met ronde zilvere hechten [ende] een keten [daer]neve oick van zilver I zilve­re[n] becken van omtrent vier oncen I violette fluweele tesch [daer]inne stecken[de] een zilvere ketene met een zilvere cnop [daer]neve, I gouden rinck met een diamantken [daer]inne I gouden draet rinck I cleyn posteleyne commeken noch een steene pinte met een tennen dexel, I laecken quaede bersse van cleyn importantie met een[en] zilveren cnop [daer]neve I gelack­steen, I weeckhouten doosken [daer]inne zyn[de] 17 snutdoecken zoo goet als quad, ses vrouwen haers­noeren I mans goed[en] hoet met armozyn gevoedert in zyn pampiere custodie I laecken borsse van cleyn importantie I geel coop[eren] vierteyl, twee schabbeelen I herthoute schabel taeffelken, een zetel twee leunstoelen, dry naetstoelen vier zittecussens van v[er]scheyden sortten, I blau steene pintken met een tenne scheel [ende] een[en] tennen voet, I geel coop[eren] panne

 

Inden winckel

 

I herthouten comptoirken [daer]Inne bevonden twee haemers met een deel ander prueledinge van egeender importantie I heckel 14 cleyn gelysten schalien ses groote schalien zon­der lysten dry middelbaer schalien met lysten noch vier groote schalien I weekhouten casken met wat cleyn schalien [daer]inne, 75 griffien I spinnewiel I vegher

 

Opde plaetsen

 

twee geel coop[eren]potten I yseren pot een ronde coperen ketel, wat aerdewerck, een scheiffbert e[nen] schuerblock I geel coop[eren] ketelken I yseren schuppe I houten eemer I berie een bert oft plancke I geel coop[eren] pontschael I pycke I tobbe I tennen pispot.

 

Inde kelder

 

Een p[ar]tye torff I houten toog I bierstellingsken I bier halffvat

 

opde hangen[de] caemer

 

I grootte herhoute wttreck[ende] taefel, een p[aer] kersen cande­laers I p[aer] ysere geslepen brantysers met geel coop[e­ren] cnoopen noch twee p[aer] ysere brantysers de p[aer] met coop[e­ren] cnoopen boven Eenen ons[en] lieven vrouwen troost op paneel olie verve in lyste, drye houte gesneden [ver]gulde beeldekens van cleyn importan[tie] een mans tronie op paneel olie [ver]ve in lyste I tycken beddeken met een hooftpeulinck witte spaen­sche zargie I herthoute coeckenschapprayken met dry sloten [daer]inne bevonden tnaevolg[ende] een tafta vrouwe mouffel met bont gevoedert een slaeppelaecken alleen ses hantdoecken, vyff droochdoecken vier flouwynen I quaet vrouwen hemde I doecken huyve noch XIII flouwynen een p[aer] fyn flou­wy­nen een dosyn fyn servetten noch 15 servetten van diver­sche zort­ten vyff grootte met twee cleyn ammelaeckenen vier drooch­doec­ken met noch een ander doecken twee flouwynen vrou­wen hoyen met peerle geboort

een herthoute tresoor met drye slooten [daer]inne oick bevon­den tnae[volgende], twee p[aer] slaepelaek[ens] zeven mans hemden seven vrouwen hemden, drye quaede zaye tresoircleekens I herthoute ledicante [waer]op bevonden een bedde metten hooftpeulinck gevult den zelven hooftpeulinck met endden I gru[ne] spaensche zargie I quade herthoute laye sinte Anne geslacht op paneel olie verve in lyste, een Jezus op paneel in lyste een houten gesneden [ver]gulden noot Goodts, het conter­feytsel van heer Melchior pelgroms, op paneel olie[ver]ve in lyste, de weduwers in des[e] moeder op paneel olie [ver]ve in lyste een leeuken op paneel in lyst I lant­caert I spiegelken in een zwertte casse I p[aer] wulle cous­sens I p[aer] vrouwe hantschoene boven geborduert I carpet taeffelcleeken I groot leeu[wen]coffer beslaeghen met ysere banden [daer]aene twee slooten [waer]inne bevonden tnaevolg[ende] een tapyt zargie I gruen carpette taeffelcleet een beratte vliegher geboort met ee[n] zyde coordeken gevoe­dert met bay I root tafta vrouwe lyff, I ryssels zayen vlieger geboort met twee flourten met beratte venten I laecken vrou­wen vlieger geboirt met flouweel [ende] met taffa venten [waer]in­ne een zy op zayen voorschoyt I cort gewent beratten vlieger­ken ongeboort met caele venten I swertten sattyne lyff gepick­eert, I canfanten vrouwen rock ghe­boort met drye flour­ten gevoeert met rooden

bay, I groff greyn[en] vrouwen rock geboirt met [eenen] flou­weelen boort gevoedert met rooden bay een[en] groffgreyn[en] vlieger geboirt met flouweel [ende] met boratte venten [waer]inne I roode laecken ziele gheboort met een[en] flouwee­len boort gevoedert met rooden bay I mourent[sche] vrouwen rock geboort met een flouweelen boirt gevoedert met rooden bay I slecht swert sattyne lyff I mans nestellyff met een p[aer] gepickeerde sattyne mouwen I trype vrouwe lyff I ronde laecken broeck met sneden twee beratte vrouwe huycken I swertte laeken mansmantel voir met twee zattyne bandekens [ende] een effen flouweelen schoeff [waer]neve  I servetwercke dornick behang­sel van eender bedstege I p[aer] roode zaye gordynen I leer cofferken [waer]inne zynde 15 snuitdoecken I gouden merckrinck, seventhien rou diamantkens in een doecken twee zilvere lepels twee silvere eeckelkens

 

[( liggend geld: 97 g. 19 s.)]

een leer bahoel met een maelslootken [daer]aen [waer]inne zyn[de] drye dozyn cleyn gelyste schalien

vuyl lynwaet

derthien p[aer] en een slaepelaecken onder groot [ende] cleyn goet [ende] quaet IX mans hemden IX vrouwen hemden dry flouwy­nen thien servetten een p[aer] lynwate overtreckmouwen thien droochdoecken twee hantdoecken noch een vrouwen hemde XVI halsdoecken I nachthalsdoeck, seven lobbe craeghen XXVII snutdoecken XVII vrouwe slaephuyven noch een vrouwe halsdoeck, twee mans slaepmutsen

 

opde boven voorcaemer

 

I herthoute taeffel I geel coop[eren] bedtpanne een vierschup­pe I tanghe twee geel coop[eren] candelaers I geelen coperen armcandelaer een parysche zitbanken I grunen geschilderden leenstoel I root saye schoucleet, I quade doecken schilderye I weeck coetsken [daer]op bevonden een camefasse matrasse met stroy gevult I bedde metten hooftpeul I witte spaensche zargie I tycken oorcuss[en]

 

opde achter caemer

 

I weeckhoute rechtbank met 2 deuren [waer]inne zyn[de] een tenne schotel, I herthoute coetske

[waer]op bevonden een bedde metten hooftpeulen I tycken oir­cussen I witten spaensche zargie I geelen coop[eren] blaecker I doecken schilderyken I dryvoetstoel met een herthoute bert [daer]op die[nende] tot een taeffelken I geelen cooper[en] candelaer I ten[en] vrouwen zetel

 

opden solder

 

I swert laecken vrouwen rocxken geboort met een trypen boorde­ken I cattoene lynwate schoeff een grauwen laecken vrouwen rock geboort met een trypen boordeken I swert laecken vlieger­ken met fluweel geboort I grauw laecken onderzielken I cleer­bale I roodt vrouw baye slaeplyffken

 

opt achterste hang[ende] caemerken

 

I weekcoetsken [daer]op bevonden een bedde metten hooftpeu­linck I camefasse matrasse met stroy gevult I tycken oorcussen I witte spaensche zargie

 

[(vervolgens achterstallige 'slaephuere')]:

henrick sesemans

jan marchant

Cornelis vinck

henrick roelen

                              3 g. 19 s.

                                    10 s.

                               2 g.  3 s.

                              16 1/4 s.

[(onderaan staat)]:

gecontineert desen jegenwoordigen by my notaris voor aen brieven en pampieren des[en] sterfhuyse ten byzyne van voors. wed[uwe]r [ende] dry zonen voor des[en] XXV en augusti a[nn]o 1618

 

[(De inventaris eindigt met een reeks financiele papieren, waaron­der een huurcedule d.d. 1/08/1618 waaruit blijkt dat de ver­huurders toen waren: Lucas vander Hagen, ridder, Heer vander Mere, Jonkheer Philips vander Hagen en Heer Marcus vander Hagen)]

 

                                                                        -----

Commentaar

 

Op basis van de inhoud van de winkel is het moeilijk te zeggen wat er werd verkocht of gemaakt: schrijfgerief (leien en griffels) of werd er aan vlasbewerking gedaan (hekel en spinnewiel) of een combinatie van beiden. De bewoners van St. Philip waren niet zeer rijk maar toch ook niet echt arm te noemen.  Ze bezaten wat bescheiden kunstwerkjes en het huis komt als groot en gerieflijk over.  Losse kamers werden onder­verhuurd mogelijk nadat de drie zonen het huis uit waren.

 

 


 

dwelier: handdoekrek.

schoudecleet: tapijt of ander siervoorwerp dat voor de schouw werd gehangen.

blaeken: waarschijnlijk wordt hier een blaker, een  lamp of een vuurpan bedoeld.

kersesnuttere: kaarssnuiter

test: pot.

hense: hengsel

rechtbank: voorloper van het huidige aanrecht: plaats om gerechten klaar te maken, soms qua uitzicht een kast.

mogelijk een oor om iets aan op te hangen, een hengsel.

hertelien: waarschijnlijk een stuk stof in de vorm van een hart

tesch: tas of zak.

naetstoel: wellicht een speciale stoel waarop men kon naaien.

prueledinge, prondelinge: prularia.

hekel: werktuig om vlas of hennep te zuiveren.

schalie: lei, een gelyste schalie zal waarschijnlijk een houten kader gehad hebben.

huyve, huve: hoofddeksel, kapje

amelaken: tafellaken.

tresoir: tritsoor: aanrechttafel, buffet, dientafel en in dit geval dus geen schatkist of koffer.

hypothetische lezing: mogelijk bedoeld men eendendons.

lade, kistje of doos.

vliegher: wijde mantel.

eeckel: eikel, bolletjes in de vorm van een eikel die dikwijls aan koordjes worden bevestigd waarmee men een kleed kan dichtdoen.

bahuut: groot met leder overtrokken koffer.