De Grauwen Valck, Pelgrimsstraat 12 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Op 4 en 10 juli 1542 verkocht amman Godevaert Sterck o.m. vier huizen die behoorden tot het grote pand de Ooievaar op de Oude Koorn­markt. De eigenaar, Jan Berhout, een koopman, had blijk­baar na het bouwen van niet minder dan zeven huizen op de achterkant van zijn grote eigendom liquiditeitsproblemen gekregen en een aantal schuldeisers o.m. Jan Balbani[1] en Robert de Neufmille, lieten hem daarvoor vervolgen. Het eerste daarvan, de latere Grauwen Valck, dat het dichtste tegen de resterende huizen van de Ooievaar stond, werd verkocht aan Peter Folmersteyn van Evelen[2]. Op 15 juni 1545 ruilde hij de Grauwen Valck voor een huis in Cleve in Duitsland met Jan Virnli, kleermaker, en Spinosa Voswinckels[3]. Hun erfgenamen, bijna allemaal kleermakers, verkopen het pand op 29 juli 1567 aan Jan de Reyere, verver, die het op 18 december van datzelf­de jaar doorverkoopt aan de kooplui Adolf Jacobins en Jacop van Oproye[4]. Op 24 maart 1575 wordt Adolf Jacobins de enige eigenaar en zijn erfgenamen verkopen het op 16 juli 1575 aan Bernaert Huysmans, bakker, en Adriana de Witte[5].

 

Voor de periode 1575 - 1600 hebben we ondanks verschillende pogingen in die richting geen akte i.v.m wisseling van eige­naars kunnen terugvinden. Nochtans geven de cohieren duidelijk aan dat er wat is gebeurd: in 1577 zijn er twee Grauwen Valcken: ééntje van 42 gulden huurwaarde wordt gesitueerd naast de Witte Kemel met als eigenaar en bewoner Beernaet Huysmans, en ééntje dat in eigendom zou zijn van Jacob van Roye en dat voor 38 gulden gehuurd werd door de mesmaker Mattheeus van Attevoort; in 1582 wordt de Grauwen Valck van 42 gulden verhuurd aan Hendrik Vogels; Bernaert Huysmans is eigenaar van die van 38 gulden die in 1582 aan Hans Goossens wordt verhuurd en in 1584 aan de kleermaker Hans Raesvelt; volgens het ‘Register inhoudende de huysen...’ uit 1584 echter wordt de Grauwen Valk naast de Kemel in eigendom gehouden en bewoond door Hendrik Voghels, ‘backer uit Westfalen’, terwijl deze de Grauwen Valck naast de Witte Lelie verhuurt aan Ever­ardt Hermans, oudkleerkoper, iets wat ons in de cohieren van de daaropvolgende jaren helemaal niet wordt bevestigd.  Feit is dat in de diverse stadscijnsboeken vanaf 1570 tot 1794 het pand gekend is als ‘De Backerye’ [naast de Wilden Kemel] en om de voorraden bloem en meel vlot gelost te krijgen was er een keldertrap van 2 voet diep[6].

 

Zekerheid krijgen we terug op 9 juni 1600 wanneer de stadhou­der na een openbare verkoop het gehele pand (de twee huizen) aan Anthonius Stoop voor 32 Carolusgulden erfrente verkoopt. Anthonius Stoop handelt in opdracht van Jan Buyst, oud- deken van het St. Nicolaesgilde. Als vorige eigenaar wordt zonder verdere specifiëring ene Henrick Goyvaerts opgegeven[7]. In 1612  verkoopt Anthonius Stoop “Een huys nutertyt twee wooningen wesende metten gronde ende toebehoirten...”, de Grauwe Valck, gesitueerd tussen de Ooievaar en de Witte Kemel aan de glasmaker Jacques Cuypers[8].

 

In 1659 wordt de Grauwen Valck blijkbaar slechts als één woning gebruikt en verhuurd voor 50 gulden aan Peeter Schot­mans. Het was voorzien van twee schoorsteenpijpen[9]. In 1667 betaalt diezelfde Peeter Schotmans vier gulden meer per jaar[10].

Jacques Cuypers verwekte bij zijn echtgenote Magdalena Ricourt twee meisjes, Magdalena en Catlyne, en het is Magdalena, gehuwd met onze Peeter Schotmans, kleermaker van beroep, die op 28 maart 1670 de nieuwe eigenares wordt[11]. In de wijkboeken signaleert men ons verder geen enkele eigendomsovergang zoda­nig dat wij ons nu nog moeten beperken tot het opsommen van de bewoners. Het cohier van 1672 meldt wel degelijk dat Peeter Schotman zijn huis zelf bewoonde; het cohier van 1682 vermeldt de naam ‘Elisabeth Schot­man’[12], die vanaf 1689 tot 1708 Elisa­beth Schot­man en daarna Clara Schotman[13].

 

In 1796 zou ene Dirckxsens eigenaar geweest zijn van het pand, waarde 1000 gulden en hij verhuurde aan een arm gezin met name Charle van Beugem, 60; diens echtgenote Catarine Bousuere, 64, wasster; en hun kinderen Mari, 37, strijkster, André, 25, hoedenmaker, Terese, 19, strijkster en Jean, 7[14].

 

De cijns van 0,27 Fr. op de keldertrap werd in 1812 afgelost door de erfgenamen van Egidius Albrechts[15].

 

                                                                          

 


 

[1] De Balbani's waren groot- financiers te Antwerpen en Lyon die ook aan warenhandel en grondspeculatie deden. In 1545 richtte Jan Balbani in de Predikheerinnestraat de grootste suikerraffinaderij van die tijd op; het ‘Suikerhuis’.

Zie: F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol; 5,  Brussel, 1981, p. 253.

[2] SAA, SR 206, f° 160 r° - 161 r°.

[3] SAA, SR 219, f° 214 r°.

[4] SAA, SR 315, f° 335 v° - 337 r°; f° 345 r° - v°.

[5] SAA, SR 341, f° 572 v° - 573 r°.

[6] SAA, GA 4833, f° 33 v° - 34 r°; R. 2181, f° 102 r°; R 2286, 2317, 2237, 2350, telkens f° 3 v°; T 167, f° 38 v°; T 169, f° 17 v°, nr. 145 (= 292); T 172, f° 23 r°, nr. 292.  De kelder­trapcijns bedroeg 3 groten per jaar.

[7] SAA, SR 438, f° 231 v° - 232 r°. We konden deze man op geen enkele manier via de kopers met zekerheid identificeren.

[8] SAA, SR 497, f° 329 r°.  In de straatnaamlijst van de meerse­niers van 1636 staat in de Pelgrimsstraat een weduwe Cuypers, vettewarier genoteerd (GA 4215).

[9] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd.

[10] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[11] SAA, SR 824, f° 56 r° - v°.

[12] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 165; GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 r°, nr. 160.

[13] SAA, GA 4832, f° 52 v°, nr. 160; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 160.

[14] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2235.

[15] SAA, MA 3563, f° 44 v°, 86, nr. 292.