St. Jacob de Meerdere, Pelgrimsstraat 11 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

In 1558, bij de verdeling van de erfenis van Elisabeth de Meere, kwamen St. Jacob de Meerdere, St. Pauwels en St. An­dries toe aan Elona l’Hermite, zuster van Simon en Thomas, en gehuwd met Anthony de la Croix[1]. Binnen de familie zijn er een aantal herverdelingen geweest die zich deels in Mons hebben afgespeeld en waarop we van hieruit dan ook weinig zicht hebben. We kennen wel een paar huurders uit de periode 1577 - 1586: in 1577 wordt Aert Brocket, peltier, opgevolgd door Mattheeus van Attenoort, zwaardveger die er zeker tot 1586 is blijven wonen[2].

 

Op 18 okto­ber 1620 verkopen een hele serie adellijke nazaten van Anthony de la Croix en Elona l’Hermite, o.m. de echtgenoot van hun kleindochter Isa­beau de Hauchin, Jean Laurent de Preumonteaulx, gedeputeer­de in de Staten van Hene­gouwen, eerste sche­pen van Mons en baljuw van het St. Waltru­diskapit­tel aldaar, St. Jacob de Meerdere, de helft van St. Jacob de Minde­re, St. Andries en nog wat andere eigendommen aan François Donc­ker, een befaamd koopman[3]. Als deze laatste zijn uitge­brei­de bezit­tingen ver­deeld worden op 10 september 1627 ver­werft Elisabeth Doncker, zijn dochter, gehuwd met Jan Compe­ris, St. Jacob de Meerdere[4]. Uit dit huwelijk zal aan zoon, Henri Comperis, geboren worden die vanaf 1670 regelmatig het sche­penambt zou bekleden en vanaf 1699 binnenburgemeester was[5].

 

Reeds op 29 januari 1639 verkopen Elisabeth Doncker en Jan Comperis het huis aan niemand minder dan Embert Tholincx, een telg uit een steenrijke koopmansfamilie die in de Cluyse woonde en ook de Ooievaar tot haar eigendommen mocht rekenen evenals St. Andries[6]. Bij de verdeling van de bezittingen van Embert Tholincx op 3 september 1658 verwerft zijn dochter, Maria Tholincx, gehuwd met de mogelijk nog rijkere Egidius du Bois, heer van Aisch en Refail te Walhain en ‘dienende ael­moessenier’ van Antwerpen, het pand[7]. Wil dit nu zeggen dat, omdat we niets dan deftig volk als eigenaars hebben dat we niets weten over eventuele bewoners? In het testament van E. Tholincx d.d. 14 september 1641 waarop deze verdeling geba­seerd was staat te lezen dat Peeter Embrechts, droogscheerder, huurder was[8]. In 1659[9], 1667 en 1672[10] was het Jan Broots die huur­de terwijl we ook vernemen dat er twee schoorsteenpijpen zijn, in 1682 en 1689 huurt Adriaen Cops, die we ook terugzien in St. Pieter, daarna Frans de Leeuw en Jacques de Warsyn[11] en  rond 1704-1708 Andries Uuytter­hoe­ven[12].

 

Op 11 april 1710 worden de enorme eigendommen van Ridder Egidio du Bois en Vrouwe Maria Tholincx, hier beschreven als ‘vrouwe van roosenberch ende vroolande’, verdeeld[13]. Deze bezittingen waaronder twee huizen van plaisantien nemen 35 folio's plaats in in de schepenregisters! De oudste zoon, Ridder Louys du Bois, wordt de nieuwe eigenaar van St. Jacob de Meerdere. Zijn enige zoon, Ridder Arnoldus Martinus Louis du Bois, heer van ‘Froylande, Walkein et[cetera]’ geeft Mees­ter Peeter Gerardi, notaris en klerk van de secretarije van de stad, de opdracht om op 19 oktober 1736 het huis te verkopen aan Jan Carel de Coninck en Helena van Wetteren[14]. Dezelfde dag laat Anna Cornelia de Coninck, waarschijnlijk een zuster van Jan Carel en gehuwd met Anthoni Leemans, noteren dat Jan Carel voor de helft eigenaar is van het huis ‘De Soeten Naem Jezus’ in de St. Antoniusstraat zodanig dat hij onmiddellijk een rente van 500 gulden kan verkopen en die twee eigendommen hypotheceren. Jan Carel was van beroep oudkleerkoper en hij bewoonde zijn eigendom zeker in 1755 met zijn vrouw, zijn zoon van 18 en zijn twee dochters van resp. 18 en 30 jaar. Hij verhuurt een kamer aan een spinster[15]. Weduwnaar geworden verkoopt hij op 7 juli 1757 samen met de rechter van de wees­kamer Guillielmus Lamoen die voogd was over zijn twee kinderen Anna Theresia en Josephus Antonius de Coninck voor 560 gulden het huis aan Andreas Jacobus Heuvelman en Joanna Maria Wispoel die daartoe een rente moeten verkopen van 400 gulden aan Jonker Henry Geel­handt, heer van Merksem, Dambrugge etc.  Andreas Heuvelmans was als handelaar in vlas gekend bij de meerseniers in 1768, zijn weduwe zette zijn zaak in de Pel­grimsstraat verder volgens de naamlijsten van 1773 en 1781[16]

 

In 1796 werden volgende eigenaars-bewoners opgetekend voor het huis, waarde 1000 gulden: François Mortelmans, 46, timmerman; zijn echtgenote Jeanne Heuvelmans, 40, kantwerkster; hun kinderen Mari, 8; Jean, 7; Charlotte, 3 en Piere, enkele maan­den oud; Elisabet Leysen, spinster, 56[17].

 

In 1898 woonde er een rentenier in het pand[18].


 

[1] SAA, SR 263, f° 102 r°.

[2] SAA, GA 4833, f° 35 v°; R 2181, f° 98 v°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 7 r°.

[3] SAA, Collectanea 21, f° 269 r° - 270 r°; PK 3259 (= Genealogi­sche nota's Bisschops), nr. 262; SR 543, f° 6 v°.

[4] SAA, SR 586, f° 349 r° - 355 r°.

[5] SAA, PK 3256 (= Genealogische nota's Bisschops), nr. 134, f° 3.

[6] SAA, SR 654, f° 6 r°.

[7] SAA, SR 750, f° 345 r° - 350 r°.

[8] SAA, N 1503, vol IV, f° 37 r° - v°.

[9] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd.

[10] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 206.

[11] SAA, GA 4831 : Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 r°.

[12] SAA, GA 4832, f° 65 r°, nr. 201; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 201.

[13] SAA, SR 1025, f° 185 r° - 210 v°.

[14] SAA, SR 1120, f° 348 r° - v°.

[15] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 41 - 42.

[16] SAA, SR 1199, f° 58 v° - 59 v°; GA 4221, 4224 en 4227.

[17] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2246.

[18] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 11).