St. Andries, Pelgrimsstraat 7

 Boedel van Joris Lambrechts 1655
 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

In 1558, bij de verdeling van de erfenis van Elisabeth de Meere, kwamen St. Jacob de Meerdere, St. Pauwels en St. An­dries toe aan Elona l’Hermite, zuster van Simon en Thomas, en gehuwd met Anthony de la Croix[1]. Binnen de familie zijn er een aantal herverdelingen geweest die zich deels in Mons hebben afgespeeld en waarop we van hieruit dan ook weinig zicht hebben. We kennen evenwel de huurders uit de periode 1577 - 1586: Cornelis Croeck, cremer, en vanaf 1584 zijn weduwe[2].

 

Op 18 oktober 1620 verkopen een hele serie adellij­ke naza­ten van Anthony de la Croix en Elona l’Hermite, o.m. de echtge­noot van hun kleindochter Isabeau de Hauchin, Jean Laurent de Preumon­teaulx, gedeputeerde in de Staten van Henegouwen, eerste sche­pen van Mons en baljuw van het St. Waltrudiskapit­tel aldaar, St. Jacob de Meerdere, de helft van St. Jacob de Minde­re, St. Andries en nog wat andere eigendommen aan François Donc­ker, een befaamd koopman[3]. Als deze laatste zijn uitge­brei­de bezit­tingen ver­deeld worden op 10 september 1627 ver­werft zijn oudste zoon, Joannis Doncker, ook koopman, “...  een huys metten halven borneputte plaetse regenbacke ende toebehoorten genaemt St. Andries...”[4] om het op 23 september 1638 te verko­pen aan Embert Tholincx[5], een telg uit een steen­rijke koop­mansfamilie die in de Cluyse woonde en ook de Ooie­vaar tot haar eigendommen mocht rekenen evenals St. Jacob de Meerdere[6]. Bij de verdeling van de bezittingen van Embert Tho­lincx op 3 septem­ber 1658 verwerft zijn dochter, Maria Tho­lincx, gehuwd met de mogelijk nog rijkere Egidius du Bois, heer van Aisch en Refail te Walhain en ‘dienende ael­moesse­nier’ van Antwerpen, het pand[7]. Wil dit nu zeggen dat, omdat we niets dan deftig volk als eigenaars hebben dat we niets meer weten over eventu­ele bewoners? Er is het testament van 22 november 1639 van de mandemaker Joris Lambrechts en zijn echtgenote Catlyne Snyers dat expliciet St. Andries als woning vermeld en in het testament van E. Tholincx d.d. 14 septem­ber 1641 staat te lezen dat Joris Lambrechts nog steeds het huis huurde. Hij is er overleden op 24 mei 1655 om negen uur s'a­vonds en we beschikken over de boedel (zie bijlage) en de staat. Hij bewoon­de toen nog enkel een kamer[8]. In 1659 huurt Peeter Broneau het huis dat blijkbaar is uitge­rust met twee schoor­steenpijpen[9].

 

Bij de definitieve verdeling onder de erfgenamen op 3 september 1658 komt St. Andries in de handen van Bartholomeus Tholinx, zoon van Emberto en koopman en aalmoezenier te Antwerpen[10]. Op 2 maart 1667 verkoopt hij het dan weer aan Cornelis de Haen, boekbinder, en Catherina van Havre, die meteen een rente verkopen[11] en er inderdaad ook zijn gaan wonen[12]. Als haar man overleden is hertrouwd Catherina een andere boekbinder, Nor­bertus Cocx, die in 1682 en na 1700 weer als bewoner gesig­na­leerd wordt[13] en die wanneer zij overleden is op 23 februari 1706 de andere erfge­namen uitkoopt[14]. Op zijn beurt hertrouwt deze met Maria Anna Uytterhoeven en dit echtpaar laat wanneer ziekte hen treft in hun woonhuis, en dit blijkt St. Andries te zijn, op 19 juli 1707 een testament opmaken[15]. Getuige was Jan Dil­lis, deken van het oud schoenma­kersambacht en hun buurman van St. Jacob de Mindere. Het heeft misschien veel weg van het verhaal van de Chinese steenhouwer maar ook Maria Anna Uytter­hoeven verliest haar man en her­trouwt een boekbinder, ene Peeter de Winter, die mogelijk te identificeren valt met de huurder van na 1700 van het buurpand St. Pauwels. Dit huwelijk schijnt kin­derloos geweest te zijn want uiteindelijk belandt St. Andries op 19 januari 1734 in de handen van de broers van M.A. Uytter­hoeven, Joannes en Andre­as, en de kinderen van haar zuster Susanna uit haar huwelijk met Peeter Slodanus: Maria Anna en Anna Françoise Slodanus[16]. Maria Anna en Anna Françoi­se worden de nieuwe eigenaars. De eerste trouwde Guillielmus Wouters, oud deken van het schoen­makersambacht, en zij hebben samen met ene Anna Catherina Slodanus, waarschijnlijk toch te identifi­ceren als Anna Françoise, St. Andries bewoond, zoals blijkt uit een akte van 16 mei 1794 waarbij Jean Pierre Ernest de Caters en Joseph Jean van Havre, dienende aalmoezeniers, de nieuwe eigenaars worden onder voorwaarde dat Guillielmus Wouters, ondertussen weduwnaar, en Anna Slodanus, mits de betaling van resp. 80 en 100 gulden per jaar huur, er mogen blijven wonen[17]. In 1755 waren nochtans de arbeider Jan Ver­her­straeten, zijn vrouw en zijn twee dochters van resp. 37 en 40 jaar de bewoners van St. Andries[18].  De meerseniers kennen hem in 1765 en 1768 als handelaar in potten[19].

 

In 1796 zijn de armen wel degelijk eigenaars en huren Guilliam Wauters, 84, schoenmaker, Catarine Schuerwegen 48, kantwerk­ster, Anne Slodanus, 64, kantwerkster en D. Guldens, 32, kantwerkster.  De waarde zou 1000 gulden bedraagd hebben[20].

 

In 1898 was er een slotenmaker of ijzerhandelaar (serrurier) actief[21].


 

[1] SAA, SR 263, f° 102 r°.

[2] SAA, GA 4833, f° 35 v°; R 2181, f° 98 r°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 7 v°.

[3] SAA, Collectanea 21, f° 269 r° - 270 r°; PK 3259 (= Genealogi­sche nota's Bisschops), nr. 262; SR 543, f° 6 v°.

[4] SAA, SR 586, f° 349 r° - 355 r°. I.v.m. Doncker zie PK 3276 (= Genealogische nota's Bisschops: stambomen) nr. 6.

[5] SAA, SR 648, f° 91 r°.

[6] SAA, SR 654, f° 6 r°.

[7] SAA, SR 750, f° 345 r° - 350 r°.

[8] SAA, N 3757, f° 293 v° - 295 r°; N 3772, f° 143 r° - v°; f° 146 r° - 149 v°. Joris Lambrechts was misschien niet zo'n kleine mandemaker want op 9 december 1639 verklaart zijn collega Guilliam Schots dat hij aan Joris nog 400 gulden moet betalen voor geleverde goederen (N 3757, f° 295 r° - v°). N 1503, vol IV, f° 37 r° - v°. Joris Lambrechts was vroeger gehuwd geweest met Catharina Stevens; Catlyne Snyers met Peeter Simons.

[9] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,ongefo­lieerd.

[10] SAA, SR 750, f° 346 v°.

[11] SAA, SR 806, f° 20 v° - 21 r°.

[12] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd, GA 4829, cohier 1672 eerste wijk, nr. 208.

[13] SAA, GA 4831 : Burgerlijke Wacht Wijken 1682, f° 65 r°; GA 4832, f° 65 r°, nr. 203; R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 203.

[14] SAA, SR 1012, f° 31 v° - 32 v°.

[15] SAA, N 4293, ongefolieerd, akte d.d. 19 juli 1707.

[16] SAA, N 2571, f° 112 r° - 114 v°; SR 1114, f° 310 v° - 311 v°.

[17] SAA, SR 1318, f° 334 v° - 336 r°.

[18] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 41 - 42.

[19] SAA, GA 4220-21.

[20] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2244.

[21] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 7).

 

Bijlage: boedel van Joris Lambrechts d.d. 24 mei 1655.

Merk op de aanhef luidt: “Inventaris van eenige meubele goede­ren en[de] contante penningen...”

Erfgename is zijn zuster Elisabeth Lambrechts, echtgenote van Nicolaes Hanssen.

Bron: SAA, N 3772, f° 144 r° - 145 v°.

 

[f° 144 r°]

 

Opde wooncamere

 

Een herthouten coetse met met gordynen,

Een bedde met hooftpeulue, dry saergien

 

[f° 144 v°]

 

dry oorcussens,

vyff tenne commekens,

eenen cooperen mortier met stamper,

twee tenne soutvaten,

eenen tennen pint [ende] twee tenne uperkens,

thien tenne schotelen,

een tenne teljoor,

een weeckhouten rechtbancke met twee deuren,

een herthouten kiste [daer]inne bevonden eerst een bussel silvere cnoppen,

eenen spiegel in een gestoffeerde lyste,

eenen lap ceuls laecken,

eenen swerten laeckenen mantel met baeye gevoedert,

twee paer saeye coussens,

eenige lapstucken,

een swertte laeckenen broecke,

een lakenen crauwate mutse,

een swert laeckenen rocxken,

eenen haeren hoet bandt,

een leiren wambas met caffa mouwen,

twee saeye gordynen tot een coetse,

een swert laecken wambeys met saeye mouwen,

een quade swerten laeckenen mantel met baeye gevoedert,

twee seemevellen tot een broecke,

noch een herthoute kiste daer inne bevonden

Ierst een stuck nieuw gebleyckt lynwaet,

ses mans hempden,

vier hantdoecken,

vyff servetten,

een cleyn damasten ammelaecken,

twee grauw voorschoeyen,

acht fluwynen,

een deel prondelrye van lynwaet,

een paer cleyn slaeplaeckens,

een paer groen slaeplaeckenen,

eenen cooperen candelaer,

eenen leiren riem met silver beslagen,

eenen silveren beker,

een cooperen wywatervaetken,

ses tenne lepels

 

[Er was voor net geen 600 gulden contant geld in huis]

 

[f° 145 r°]

 

noch een fluwyn,

noch een servet,

eenen handtdoeck,

een geel onderbroeck,

eenen keulder,

een couleur laeckenen cleedt,

eenen swerten lakenen casack [ende] broecke,

eenen swertten lakenen mantel,

noch eenen swertten lakenen casack,

drye vilten hoeden,

een couleur lakenen capote