St. Marten, Pelgrimsstraat 2

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Wat betreft de voorgeschiedenis van dit pand moeten we verwijzen naar de geschiedenis van de Pelgrom op de Oude Koornmarkt. Op dit pand werd in 1534 de Pelgrimstraat getrokken en daardoor onderging het nogal wat mutaties.

 

Op 4 november 1534 werd de Pelgrim, of beter, dat wat er nog van restte, door de rentmeesters Jan Happaert, Jan de Jonghe en Aerd van Dale verkocht aan Jacob de Hont diemen heet Thoe­nis. Op 23 mei 1535 en daarna verkoopt deze man, die metser en erfscheider was, renten “... op drye nyeuwe huysen... [waer]aff deene geh[eeten] is den pelgrom en[de] gelegen al neffens een inde nyeustraete diemen heet de pelgrimstrate...”[1]. In feite gaat het hierom dat de Pelgrom inbegrepen is in de drie nieuwe huizen en dat het perceel dus bestond uit het zwaar verbouwde voorhuis op de Oude Koornmarkt en twee nieuwe huizen op de Pelgrimsstraat waarvan één St. Marten zal worden.

 

Op 7 december 1552 wordt Jehanne de Hondt, natuurlijke dochter van Jacob, als gevolg van diens testa­ment eigenares van St. Marten en de Pelgrom. Op 11 februari 1580 geeft Jehanne de Hondt, alias Thoenis, gehuwd met Marten van Hove, samen met haar kinderen en andere verwanten aan Reynier Wouters, kuiper, en Anna Schellincx, voor eeuwig te gebruiken: “... Een hoeckhuys ghenaempt den pelgrim met eenen gemeynen borneputte staende inden muer tusschen het selve huys...” en het achterhuis genaamd St. Marten, “... dienende de selve borneput alleene tot beyden de selve huysen met eenen kelder comende van voor aende strate van doude corenmerct totten eynde van[den] voors. hoeckhuyse [ende] ter zyde onder de pelgrimstrate zou breet als deselve strate is strecken[de] licht scheppende deur de yseren tralie aldaer gemaect, met eenen regenback staende inde selven kel­der, met eene weerdrib­be, gronde [ende] allen den toebehoorten gestaen [ende] gelegen zuyt [ende] westwaert inde voors. pelgrimstrate, welcke strate van voren aende zyde van[den] voors. oude corenmerct metter voors. hoeckhuyse [ende] achter­huyse eertyts inden jare duysent vyfhondert [ende] vierender­tich plach te wesen van de toebehoorten van[den] geheele groote huysinge [ende] erve geheeten den pelgrim...”[2]. De Ooievaar en de bijbehorende percelen omringen de Pelgrom en St. Marten volledig.

 

Boven­dien is in de transaktie ook nog begrepen “... het voors. achterhuys genaempt Sinte Merten metten voors. gemeynen borne­putte, met noch eenen kelder, [ende] weerdribbe gemeyn zyn[de] tusschen tselve achterhuys [ende] het voors. huys geheeten den Oyevaer de welcke tot gemeyne coste [ende] laste moet geruympt worden op derve van[den] selve achterhuyse met gronde [ende] allen zynen toebehoorten...”.

 

In de cohieren en het ‘Register houdende de huysen...’ uit 1584 vinden we St. Marten wel degelijk vermeld: het has een huurwaarde van 40 gulden en het werd gehuurd tot rond 1582 door de kousen­maker Jan du Bois, dan tot 1584 door ene Willem Basti­aens, in 1584 zelf mogelijk nog door de vettewa­rier François Mertens, en daarna door ene Peeter Peeters[3]. In 1627 zou François Lesteens er al wonen[4].

 

Op 28 maart 1628 verdelen erfgenamen van Reynier Wouters de huizen onder elkaar. Angela Wouters en haar man Frans Lesteens worden eige­naars van St. Marten, de Pelgrom komt in de handen van Hans Lesteens.  In 1636 laten Frans en Angela twee testa­menten opmaken.  Het eerste wordt op 10 juni opgemaakt in het St. Elisa­bethgasthuis waar Angela (Engelken) op haar ziekbed ligt.  Beiden zijn daar terechtgekomen ‘... overmits dinfectie van hen huysinge...’.  Een onafgewerkt testament van 2 oktober 1636 laat er geen twijfel over bestaan dat hun woning zich in de Pelgrimsstraat situeerde[5]. Nochtans zal Angel(in)a haar man overleven: in 1649 staat ze genoteerd als weduwe[6] In 1659 huurt ene Guilliam van Hove St. Marten, huurwaar­de 48 gulden en uitge­rust is met 2 schoor­steen­pijpen[7], in 1667 zijn er twee woningen van 38 gulden bewoond door Jan van Hoef en de weduwe Bosschaert.  In 1672 huurt de weduwe Bosschaert één volledig huis aan 60 gulden[8], in 1682 wordt Hendrick Vorst vervangen door Livi­ni­us Bosch­mans terwijl de huurwaarde terug 48 gulden bedraagt[9].  In 1689 huurde de kleermaker Peter Callebout, vervolgens Joos Serlaets en zeker in 1704 is deze vervan­gen door Nicolas Flo­rens of Floris die zeker tot 1708 bleef[10].

 

Ondertussen was het huis op 13 september 1684 door beërving deels terug in de handen van de eigenaars van de Pelgrom beland n.l. Jan Baptis­ta Lesteens en de kinderen van Maria Lesteens en Jacobus Boghe[11]. In 1754 wordt het huis bewoond door de weduwe Verbrug­gen, was­vrouw en stijfster en haar dochter van 33 jaar[12]. Op 25 januari 1772 wordt bij de verkoop door de erfgenamen Lesteens en Boghe aan Joannes Reichenbach en Petronella Verpoorten aan ons gesignaleerd dat een zekere Maria Verbruggen er huurt. De nieuwe eigenaars betalen 761 gulden, waarna ze meteen hypothe­keren voor 770 gulden. Het pand wordt nu als volgt beschreven: “... Een huys met winckel, keuckene, hangende camer, twee bovencamers, solder, kelder, pompe van putwater, halve weer­dribbe, daer af de ruyminghe op gelyke coste van desen huyse, ende den huyse hier nevens suytwaerts gestaen geschiden moet over d'erve van desen huyse, gronde ende allen den toebehoor­ten genaemt S[in]te Merten...”[13].

 

In 1796 blijkt de familie Reichenbach, hier genoteerd als Regenpach, afkomstig uit ‘Neystadt’, het huis wel degelijk te bewonen.  Jean was 58 en musicus, zijn echtgenote Petronelle Vervoort was 48 en kantwerkster, hun oudste zoon, Jozef, was 16 en ‘innocent’, de dochter Jeanne, 13 en naaister en de jongste telg, Engelbert moest al op zijn 12 jaar geld verdie­nen als kleermaker[14].


 

[1] SAA, SR 188, f° 57 v° en 257 v°; SR 190, f° 237 v°;  RAA, Schepenbrieven, nr. 2100.

[2] SAA, SR 363, f° 78 v° - 80 v°.

[3] SAA, GA 4833, f° 33 r°; R 2181, f° 103 r°, R 2286, 2213, 2317, 2237 en 2350, telkens f° 3 r°.

[4] SAA, N 2461, f° 60 v°.

[5] SAA, N 3755 (1636), vol. II, f° 34 r° - 35 r°; f° 203 r° - 204 v°.

[6] SAA, N 3766, f° 241 r° - 242 v°.

[7] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,ongefo­lieerd.

[8] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 160.

[9] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 29 v°, nr. 155.

[10] SAA, GA 4832, f° 62 v°, nr. 155; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd.

[11] SAA, SR 907, f° 78 r° - 81 v°.

[12] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 31, nr. 115.

[13] SAA, SR 1247, f° 161 v° - 164 v°.

[14] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2239.