St. Pieter, Pelgrimsstraat 1

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Op 5 maart 1558, bij de verdeling van de erfenis van Merten l'Hermite, belandde dit pand samen met St. Jan de Evangelist en St. Jacob de Mindere, in de handen van zijn zoon Simon, Calvi­nis­tisch schepen te Antwer­pen[1]. De beschrijving luidde aldus: “... Een huys metter plaetsen regenbacke derdendeele vanden borneputte, met oick den waterloopen gelijck dien nu ter tyt aldaer loop­ende is... geheeten S[in]te Peeter gestaen en[de] gelegen int begynsel vander voirs. pelgrimsstrate alhier tusschen thoeckhuys vander zelver straten geheeten salvator ex u[n]a en[de] thuys geheeten Sint Jan ex alt[r]a comende achte[r] aende huyss[ing]e geheeten de kevye...”. De akte stipuleert verder dat de eigenaar van de Kevye verplicht was op zijn kosten scheidingsmuren te laten optrekken. Op 4 november 1576, bij de Spaanse furie, gebeurde er in dit huis een vreselijk drama: de Spaanse soldaten die bezig waren met de Grote Markt grotendeels in de as te leggen passeerden de Pelgrimsstraat, verschaften zich met geweld toegang tot St. Pieter, en vermoordden er de huurder de kleermaker Artus Rem, die er al minstens sedert 1570 woonde[2]. We kunnen ook de huurders van 1577 tot 1586 op een rijtje zetten[3]:

1577: Symon Timmermans, kleermaker

1577: Willem van Nieulandt

1584: Roelandt van Nieulandt, schachtverkoper

1586: François Martens

Als belangrijkste verbouwingen in de jaren 1570 - 1576 vermel­den we: het timmeren van een loove (waarschijnlijk een afdakje om koopwaar uit te stallen) aan de straatkant voorzien van schalies en lood door de timmerman Willem Struys in 1571, het metselen door hector van Vlimmeren in 1573 van een nieuw stenen venster in de winkel, het maken van een toonbank die men binnen en buiten kan zetten alsook van een uitneembare voordeur in 1574. Het was Peeter de Timmerman die een nieuwe voordeur mocht zetten om die te vervangen die de Spanjaarden in 1576 hadden vernield.

 

Op 2 augustus 1584 verkopen de vele kinderen van Simon l'Her­mite uit zijn huwelijk met Joanna de Sply­tere: Ferry, 'scepen vander halle', Elisabeth (gehuwd met Peeter Corne­lis­sens), Johanna, Anna, Niclaes, Symon, Marie en Merten het huis aan Hans Schenaerts ‘buschmake[re]n’ (een buslade is een soort geweer) en Margriete van Hallaer die er dus waarschijnlijk niet (onmiddellijk) zijn gaan wonen[4]. De beschrij­ving luidt: “... een huys met vloere cueckene plaetze derdendeele van eenen borneputte regenback kelders weerdribbe diversche cameren solders...” wat erop lijkt te wijzen dat er in die 25 jaar toch nog wel wat andere verande­ringen zijn doorgevoerd naast de hierboven opgesomde.

 

In tegenstelling tot wat het beroep van Hans, ook wel Jan Schenaers genoemd, doet vermoeden, vormde de familie Sche­naerts een rijk koopliedengeslacht. Op 17 januari 1626 grijpt de verdeling plaats van de bezittingen van Jan en Margriet en hun inmiddels overleden zoon Gaspar Schenaerts[5]. Hun drie overige kinderen François, Laurentio en Catherina regelen het zo dat Laurentio, koopman, eigenaar wordt van St. Pieter dat zeker niet het enige huis was dat hij bezat en bijgevolg waarschijnlijk niet door hem bewoond zal geweest zijn wat wordt bevestigt door de cohieren van het huishuurgeld die ons vertellen dat in 1659, het huis dat voorzien was van drie schoorsteenpijpen door ene François Volcx werd gehuurd[6] en in 1667 wellicht door dezelfde nu Franciscus Vallicx genoemd[7]. Op 5 september 1662 wordt St. Pieter eigendom van één van de twee dochters van Laurentio Schenaerts, Anna Maria Schenaerts die onge­huwd bleef, om via haar broer en enige erfgenaam, de koopman Guil­lielmo Schenaert in handen te komen van haar zwager, t.t.z. de echt­genoot van haar zuster Catherina, Nor­bertus van Mocken­borch, notaris en rentmeester van de armen, op 9 mei 1668[8]. Op 9 september 1672 verkoopt deze het weer aan Henrick Marbre en Catherina Can­naert, die het meteen hypothe­ceren door o.m. aan Peeter Daems, ‘coopman van rensche wijnen’ een rente te verko­pen.  En uit het cohier van 1672 blijkt dat ze er ook zijn gaan wonen en onder de naam ‘Hendrick Malre’ komt hij voor in de straatnaamlijst van 1677 bij de meerse­niers van de Oude Koornmarkt als vettewarier[9].  Voor 2500 gulden verkopen hun erfgena­men het dan weer op 9 januari 1679 aan Franchois Otto en Franchoise Bert­rijn, die ook weer een rente verkopen[10] maar er waarschijnlijk toch niet gewoond hebben want in 1682 staat Jan Baptista Callebout als bewoner opgegeven[11]. Blijk­baar wegens wanbetaling van die rente doet Susanna de Hertich, weduwe van Jan Cautijser, de amman St. Pieter aan haar verko­pen op 10 maart 1689, zeker niet met de bedoeling om het zelf te bewonen want daartoe had ze nog andere eigendom­men[12].  Huurders in de periode 1689-1708 waren Adriaen Cops, Paulus van Hooff, Guilliam de Meyer (een vette­warier die ook op de Oude Koornmarkt 52 heeft gewoond) en zeker al in 1704 Jan Vero[13].

 

Hoewel dit met de eigenlijke geschiedenis van het pand weinig te maken heeft, staan we toch even stil bij de eigenares die dus geen bewoonster was. Susanna de Hertich heeft tijdens haar leven goed nagedacht aan wie ze die eigendommen, waaronder een huis in de Coppenol­straat met een rijk interieur en zelfs een altaar, zou schen­ken. Tevens getuigen de drie testamenten die ik van haar ken[14] van haar diep geloof dat overigens wel een familietrek schijnt geweest te zijn want ze had drie zusters bij de Clarissen en een broer bij de Franciscanen, E.P. Joannes de Hertich. Haar testament van 1698, dat net zoals haar testament van 1713 in haar woning in de Beddestraat is opgemaakt spant, wat betreft de belangstelling voor haar zieleheil, wel de kroon. Het is een wederzijds testament met als tweede partij Joanna Bouweleer, ‘haar geestelijke dochter’. Ze wil als groot kerklijk begraven worden in de Sacramentskapel in de kathedraal; er is heel wat geld voorzien voor requiemmissen, waaronder eeuwig een dagelijkse in de Besnijdeniskapel van de kathedraal, en kloosters maar er is nog meer: “Item wilt [ende] begeert datmen opden dage van hare[n] begraeffenisse uuytvaart oft corts daer naer aen arme menschen sal uuytreycken de weerde van hondert guldens gevend aen ieder een rogge [ende] tarwen­broot elck van drij stuyvers [ende] drij st[uyve]rs in gelde belastende elcken armen mensch van voor haer testateure siele te bidden...”. Joanna Bouweleer bedacht de arme soldaten ‘opt casteel van Antwerpen’ (d.i. de citadel op het Zuid) met 100 guldens om brood of kleding te kopen.

 

St. Pieter werd, hoe kan het ook anders, geërfd door het kerkfabriek van de kathedraal en de notabele heren die dit bestierden verkochten het huis op 28 september 1713 aan Augus­tinu du Neve en Margareta Vendricx voor 1000 gulden[15]. Dezen verkochten daartoe een rente van 500 gulden. Hun zoon Francis­cus en hun dochter Maria verdelen op 16 juni 1725 de nalaten­schap zodanig dat Franciscus eigenaar wordt van St. Pieter en nog andere eigendommen[16]. In zijn naam verkoopt zijn vrouw Maria Thersia Opdelaey het op 21 april 1728 voor 1100 gulden aan Philips Laenen, boeksluiter, en diens echtgenote Elisabeth Verdreingh, die het onmiddellijk voor 800 gulden hypothece­ren[17]. Weduwe geworden verkoopt E. Verdreingh, samen met de vier overgebleven kinderen, St. Pieter op 13 oktober 1734 voor 1000 gulden aan Anna de Cuyper, 'gedevortieerde huysvrouwe van Jan de Visscher', die er onmiddellijk een rente van 600 gulden voor verkoopt[18]. Voor 1150 gulden verkoopt haar enige zoon Joannes de Visser het op 14 april 1766 aan Franciscus de Keyser en Diliana de Visscher die er een rente voor verkopen van 1000 gulden[19]. Dit echtpaar heeft twee zonen: Franciscus en Joannes Baptista de Keyser, en deze laatste verkoopt het aan zijn broer, die op het punt staat te huwen met Joanna Jacoba Colpijn om uit de gemeenschap van goederen te geraken voor 1700 gulden en wel op 1 maart 1788[20]. Reeds in 1755 wordt deze Franciscus de Keyser die van beroep zilversmidsknecht was als bewoner genoteerd in de registers van de volkstelling. Samen met hem bewonen zijn vrouw, zijn twee zonen van resp. 3 en 6 jaar en 1 persoon huispersoneel St. Pieter[21].

 

In 1796 woont waarschijnlijk diens zoon, 50 en goud- of zil­versmid, zijn echtgenote Jeannette Colpin, 42, en hun kinderen Frans, 6, Jean Baptiste, 5, Jean, 3 en Piere, 2 in het huis, waarde 1600 gulden[22].

 

In 1898 waren er één of meer winkel(s) (boutiques) in het pand ondergebracht[23].


 

[1] SAA, SR 263, f° 99 r°.

[2] SAA, W 19, akte nr. 40, f° 1 v° en f° 18 r° - 19 v°. SR 333, f° 91 v°: Artus Rem was gehuwd met Johanna Wils.

[3] SAA, GA 4833, f° 36 r°; R 2181, f° 97 v°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 8 r°.

[4] SAA, SR 379, f° 364 v° - 365 v°. Hij woonde aan de Wijngaard­brug.

[5] SAA, SR 579, f° 131 r° - 141 r°; Ibid., f° 120 v° - 122 v°; PK 3295 (= Genealogische nota's Donnet), nr. 1219.

[6] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,ongefo­lieerd.

[7] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[8] SAA, SR 774, f° 136 r° - 144 r°; N 748, ongefolieerde akte d.d. 7/9/1665, ongeveer het 30 laatste folio (= testament van Anna Maria Schenaerts voor notaris P. de Breuseghem); SR 810, f° 324 r° - 326 r°.

[9] SAA, SR 834, f° 88 v° - 89 r°; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 211; GA 4216.

[10] SAA, SR 877, f° 489 r° - 490 v°.

[11] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 r°.

[12] SAA, SR 942, f° 182 v° - 183 v°.

[13] SAA, GA 4832, f° 65 r°, nr. 206; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 206.

[14] SAA, N 2561 (Not. J. Lucas), f° 156 r° - 159 v° d.d. 28/6/1679; N 1601 (Not. P.M. Francot), f° 157 r° - 161 v° d.d. 19/12/1698; N 1616 (Not. P.M. Francot), f° 39 r° - v° en 46 r° d.d. 22.2/1713.

 

[15] SAA, SR 1038, f° 56 r° - 58 r°.

[16] SAA, SR 1083, f° 213 r° - 215 r°.

[17] SAA, SR 1094, f° 192 r° - 193 v°; N 1550, f° 291 r° - 292 v° en 296 r° - v° (= testament Philips Laenen voor notaris F.M. Francot d.d. 9/12/1717).

[18] SAA, SR 1115, f° 389 v° - 390 r° en 390 v° - 391 v°.

[19] SAA, SR 1228, f° 61 r° - 63 r°.  De meerseniers kennen een Francis de Keyser in 1765, 1768 en 1773 die in de Hoogstraat wordt gesitueerd maar nooit wordt gevonden.  Dit zou wel eens de rede kunnen zijn! (GA 4220-21, 4224)

[20] SAA, SR 1298, f° 71 r° - v°.

[21] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 41 - 42.

[22] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2241.

[23] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 1).