De Tennen Pot, Oude Koornmarkt 66

Terug naar het overzicht van de huizen

 

We weten uit een aantal akten van 1403, 1410 en 1421 dat Laureyns van Aerscot, gehuwd met Marie van Ranst, eigenaar was van den Tennen Pot. Op 19 oktober 1437 wordt zijn erfenis verdeeld en de vrouw van Jan vander Bempt, Aechte van der Tanerie verkrijgt hierbij een rente van 9 schellingen op de Zwarte Ram, heel wat eigendommen in Berchem en een vierde van de Tennen Pot. Zij erft ook een rente die zij moet doorbetalen aan Gielys van Leemputte, knaap van Lauwerys van Aerschot[1].  Op 6 augustus 1443 verhuren Wouter van Ranst en anderen het pand: een huys met stallen plaetsen hove... aan Aerd vander Lijnden die in 1445 als bewoner wordt gesignaleerd[2].

 

Op 13 maart 1445 (1446) geeft de burgemeester Willem vanden Wyngaerde in erfelijk recht aan Jannes de Bruyne: een huysinge met plaetse stalle hove halve borneputte gronde..., den Tenen Pot, in de Cammerstrate binnen de poorte tussen de huysinge Den Ram en de huysinge die wilen Willem Drake toetebehoren plach geheeten de Hage, ... comen[de] acht[er] metten hove aan de gemeynen duerghanc vanden huysingen geheeten de gans, de pelgrym en[de] meer anderen.... Een paar maanden daarvoor had Willem vanden Wyngaerde nog een kwart van het pand verworven van Mathys de Blabbenere, die het op zijn beurt had van zijn neef Laureys van Aerchot[3]. In een akte van 27 juni 1449 wordt deze Jannes de Bruyn waard van de Tennen Pot genoemd. Op 2 mei 1450 verkoopt deze aan Steven van Oerle, waard in de Gans een stuk erf van 84 x 24 voet beginnende naast zijn stal en lopende langs de muur naar de gemene uitgang op de Haagsteeg.  Hij verkoopt Steven ook nog een stuk hof van 14 x 12 voet beginnende achter de nieuwe poort van Steven in de Haagsteeg en komende naast de muur.  In 1452 meldt men ons dat Jannes inden Tennen Pot een stuk erf heeft verkocht aan Jan van Espemde die dit heeft toegevoegd aan zijn pand De Spiegel. Jannes de Bruyn is ook betrokken partij bij een transaktie met kooplui en in 1454 verkoopt hij weer een stuk erf aan de waard van de Gans met als bedoeling te kunnen beschikken over een gemeenschappelijke achteruitgang op de Reyndersstraat[4].

 

De volgende akte waarover we beschikken dateert van 20 juli 1497. Die dag. geeft het echtpaar Zuels-Borchmans in erfelijk recht aan Cornelis vande Steene, weerd in de Tennen Pot: ... Een huysinge met stallinge plaetssen halven borneputte cokenen, vanden huyse nabeschr. afgenomen, welcken cokenen men nyet hooger op en sal moegen mueren oft metsen dan die nu is..., geheten de Groten Zwarten Ram en gesitueerd tussen de Cleynen Zwarten Ram, alias de latere Blauwe Voorschoot, waarvan de keuken was afgesplitst, en de Tennen Pot[5].  Op 20 maart 1510 n.s. komen de erfgenamen van Cornelis vande Steene tot een overeenkomst waarbij Ursula vande Steene en haar man Jacob Raet de hen nog ontbrekende gedeelten van de Tennen Pot en de Zwarte Ram verwerven. We kennen deze Jacob Raet als rentmeester van Antwerpen o.m. uit een akte van 19 juli 1536 als zijn zoon ook een Jacop Raet, n achtste van de Tennen Pot verpandt om de aankoop op 7 juli 1536 van het huis De Seven Trappen gesitueerd in de buurt van de Burchtkerk en de Werfpoort te kunnen financieren. In dit huis werd de zevende tol geheven[6]. De verkopers van de Seven Trappen waren Gabriel van Doernick en Barbele Skeysers, zijn echtgenote, en wegens wanbetaling van de rente laten zij op 25 juni 1538 door amman Willem van Halmale dat achtste deel van de Tennen Pot, Eender grooter huysingen, en de daar nog bijhorende twee huizen daarnaast, dit alles gesitueerd tussen de Spiegel en de Haghe, openbaar verkopen. Koper is Claus Cleys (alias van Loemele, eigenaar van de Spiegel?), die het meteen doorgeeft aan Katlyne Raets, Jacobsdochter, weduwe van Ghoosens ten Berchem[7].

 

Leden van de families Raet en ten Berchem verkopen op 15 november 1544 het geheel aan Franois Bernryder voor 50 Carolusgulden per jaar erfrente die hij meteen afbetaalt en nog eens 442 Car.g 16 st. erfelijk per jaar. De beschrijving luidt als volgt: ... Een huysinge van vo[r]e tot achtere genae[m]t den tennen pot metten huyse daerneffens dwelc twee wooningen zijn, genaemt den zwerten ram metten gronde en[de] toebehoorten ende met alle tgene datter eertvast ende nagelvast inne is, gestaen ende gelegen int eynde vander ouder cornemerct alhier byde Corte Cammerstrate tusschen thuys geheeten den blauwen voerschoot ex u[n]a ende de  huysinge geheeten den haghe ex alt[era] comende met eender poorten acht[er] vuyte inde Reynderstrate,...[8]. Van Franois Bernryder weten we exact welk gebruik hij van zijn eigendom heeft gemaakt want hij wordt steevast beschreven als weerd in de Tennen Pot.

Ondanks het feit dat met dit beroep aardig wat geld te verdienen viel heeft hij kennelijk constant zijn eigendom moeten verkleinen om het uiteindelijk te verkopen. We vermeldden hierboven al hoe hij zich in 1547 ontdoet van de Zwarte Ram. Voor het overige verkoopt hij een stal en stukjes erf aan de buren[9].

 

Reeds op 28 augustus 1548 verkoopt Franois Bernryder wat hem nog restte van de Tennen Pot aan Jan Sickefael diemen noempt van Hessen. De gedetailleerde beschrijving geeft aan dat we nog altijd met een imposante eigendom te maken hebben: ... Een huys[ing]en geheeten den tennen pot metter came[r] dairachter ane met ceuckene twee stoven (wairaff dat de grootste nu oick een came[r] is en[de] met vier stallen ende een lange came[r] oft sale dair ane met plaetze borneputte servituyte en[de] laste van waterleydene comende vander plaetzen van Janne ketgens huysen hier neffens gestaen..., gelegen in de Korte Kammerstrate, ... tusschen de huysinge ende erve genaemt den hage aen deen zyde ende des voirs. Janne[n] ketgen huysen aen dander zyde en[de] oic achtere, aldair de mueren tusschen beyden staende gemeyn zijn telcker zyden halff ende halff... comende ende steckende achte[r] te wetene noortwaert aen claes cleys van lommele huysinge en[de] erve, westwaert aen claus sherwouters erve hieraff gespleten zynde,... [met gemene muur], ende voorts oic westwaert en[de] zuytwaert aenden stal dien willem van montfoort... gecocht heeft...[10]. Jan Ketgen en zijn opvolgers mogen licht scheppen achter de voorgenoemde lange kamer of zaal. Nog diezelfde dag calengiert Jan Ketgen de koop[11].

 

De Tennen Pot blijft in de familie Sickeval alias van Essen, zoals ze ook genoemd wordt tot in 1594. Zo verkoopt op 19 november 1580 Pieryne Sickeval, een dochter van Jan en diens vrouw Magdaleene Schootmans, gehuwd met Peeter van Ranst, haar vierde van de Tennen Pot aan Franchois Sickeval en Catlyne Careese. In de beschrijving is er n opvallende verandering: er is sprake van een gang die waarschijnlijk tussen de vier stallen naar de grote zaal achteraan liep[12].  Franchois Sickeval van Essen was een oom van Pieryne en fungeerde ook als voogd van haar broer Hans die ter betaling van een rekening van 558 Carolusgulden 15 stuivers min 4 myten zijn vierde aan zijn oom afstaat op 13 mei 1587[13].

 

Wie ook de eigenaars waren, de Tennen Pot bleef n van de meest beroemde herbergen van het Antwerpen van rond 1580. Hij behield een oppervlakte van 576 m, en een stal voor 40 paarden. Hierin werden in 1577 ook een aantal dieren van het gevolg van de Prins van Oranje gestald (Verhuyck 1987, 81).

 

In de cohieren wordt de Tennen Pot in drie rubrieken opgedeeld: 1 Voerhuyse Tennen Pot: vormt met het volgende tot 1582 blijkbaar n geheel, huurwaarde 80 gulden, verhuurd in 1577 aan Jan de Brassere, schoenmaker, daarvoor mogelijk aan Jan van Male, zadelmaker, vanaf 1582 tot 1585 aan Hans Bernaerts, zadelmaker, in 1586 stond het leeg.

2 Tennen Pot: huurwaarde in 1577: 28 gulden, vanaf 1582 40 gulden, verhuurd in 1577 aan de deurwaarder Jan Sittaert, vanaf 1582 tot 1585 aan de schoenmaker Jan de Brassere of Broysere, in 1586 stond het leeg.

3 De herberg zelf: huurwaarde 232 gulden, uitgebaat in de jaren 1575-76 door de wijntavernier Aert Bevers, gehuurd in 1577 door herbergier Peeter Moys, van 1582 tot 1585 door herbergier Lambrecht vande Velde, in 1586 door Hugo del Vil.

In de kelder huurden in 1584 twee weduwen met twee meisjes en op de camere woonden vier meisjes[14].

 

Op 8 maart 1594 doet de stadhouder, dit is de plaatsvervanger van de amman, in opdracht van Jan Bernaerts de Jonge, zadelmaker, en Symon Perri, rentmeester van Jan Baptista Ketgen, die als notaris in opdracht van andere schuldeisers handelde, de Tennen Pot aan Bernaerts en Ketgen verkopen voor een erfrente van 215 Carolusgulden per jaar[15]. Op 7 april 1595 verkopen beide heren het alweer en nu aan niemand minder dan Thomas Gramaye, schepen des lants vande vrije en tevens de toenmalige vermogende eigenaar van het buurhuis de Hage. Tevens valt in de akte de naam van de toenmalige huurder: Huyge de la Ville, oftewel Hugo del Vil die we al in het cohier van 1586 aantroffen[16].

 

Thomas Gramaye heeft duidelijk de Tennen Pot in zijn verkavelingsprojekt van de Haghe betrokken. Wanneer hij op 23 november 1610 de Tennen Pot aan Robert Nisson of Musson, herbergier, en Eeltken Willenhout verkoopt krijgen we dan ook een ietwat andere beschrijving te lezen: ... Eene groote huysinghe wesende nu ter tyt eene herberghe met diversche neercameren, kueckene[n] twee groote stalle[n], diversche oppercamere[n] [ende] kelders eene groote plaetse, metten voorhuyse geapproprieert zynde tot twee wooninghen, gronde ende alle[n] de[n] toebehoorte[n] tsamen geheeten den tennen pot, gestaen ende geleghen inde Cammerstrate alhier, tusschen de huysinghe gemaect vande herberghe eertyts genaempt de haghe aan deen zyde zuytwaert, ende thuys genaempt den Bheir nu ter tyt toebehoorend Janne bernaerts aen dander zyde nootwaerts soo [ende] gelyck [ende] op end[e] met alsulcke gerechtiched[en] [ende] servituten van lichtscheppingen, waterloopen gemeynschappen van muere[n] ende anderssints als de voirs. huysinghe tegenwoordelyck bewoont ende in huren gebruyct wort, te wete[n] de herberghe of achterhuyse by Robert Nisson [ende] zijn huysvr. voorgen. behalvens sekere neercamer by hen besunder gehuert van thuys genaempt den Swerten Ram gestaen, Item den voorhuys by Jacques claessen busmaker ende dander byde weduwe van wylen Joos Claes, ende gelyck voorts hy comparant vercoopt daer inne mitsgaders inde stallinghe ende erve hieraff gespleten [ende] geappliceert totten huysinghe metten toebehoorten genaempt den grooten haghe daer achter inde Reynderstrate gestae[n]...[17].  In 1644 laten de zieke Robert Nisson en Eeltken Willenhout hun testamenten in de Tennen Pot opmaken.  Merken we op dat Nisson, nochtans tavernier in een belangrijk pand, niet kan schrijven[18].

 

Op 17 maart 1646 wordt de Tennen Pot door de stadhouder van de amman verkocht aan de zijdeverkoper Hans of Jan Maes en Susanna de Windt. De beschrijving en de koopsom (475 gulden erfelijk) maken ons duidelijk dat we nog steeds met een imposante eigendom te maken hebben maar men spreekt met geen woord meer over een herberg: Eene huysinge geheeten den tennen pot met diversche neercameren, ceuckenen, stallen, diversche oppercamers ende kelders, eene groote plaetse, ende metten voorhuyse nu geaccomodeert tot twee wooningen...[19]. Na het overlijden van Susanna moet Jan Maes afrekenen met zijn kinderen uit een vorig huwelijk met Anna Wynants en met de kinderen die hij van Susanne had. Hij doet dat op 3 april 1662 en weet uit de niet onaanzienlijke eigendommen van de familie, waaronder een speelhof te Berchem, de Tennen Pot voor zichzelf te behouden[20]. Na het overlijden van Jan Maes belandt het pand op 8 januari 1664 in de handen van zijn dochter Anna Maes en na haar dood op 6 juni van datzelfde jaar bij haar man Daniel van Meerbeeck. Het werd geschat op 11.230 gulden 5 stuivers en in de beschrijving werd de aanhef gewijzigd: Eene huysinge met poorte met noch een huys daerneffens aende straete gestaen apart verhuert wordende altsamen genaempt den tennen pot met diversche neercameren... eene groote plaetse...[21]

 

We weten ook welk gebruik Daniel van Meerbeeck van de Tennen Pot heeft gemaakt uit een staat die hij op 31 augustus 1668 liet maken als voorbereiding op zijn derde huwelijk, nu met Sara van Cantelbeeck. Hij gebruikt en bewoont het voorhuis zelf, ... de groote poorte metten huysen ende stallen daerachter gestaen worden altsamen in huren gebruyckt by Godevaert ketelaer..., voor 55 pond Vlaams per jaar.  Deze Godevaert Ketelaer of Ketelaers kennen wij als waard van de Tennen Pot volgens zijn huurcontract d.d. 19 april 1667.  Hij huurde toen der herberg voor 318 gulden per jaar gedurende een termijn van zes jaar ingaande op 24 juni.  Hij was echter al eerder waard van de Tennen Pot blijkens een akte i.v.m. bier van 10 november 1664[22].  Als eigenaar van de Tennen Pot was van Meerbeeck al geen onbemiddeld man want uit de staat blijkt dat zijn meubels bijna 2000 gulden waard waren en dat hij een niet onbelangrijke kruidenier was wiens klanten zich o.m. in Geel, Tienen, Maastricht, Aalst, Beveren en Brussel situeerden.  Onder de schulden die hij heeft is er eentje van 318 gulden aan de juwelier de Wilde vanwege gekochte juwelen[23]. Op 3 juli 1671 speelde zich een gruwelijk familiedrama af in de Tennen Pot als Arnoldus Vossius er zijn broer, de burgemeester van Hasselt, vermoordde[24].

 

Sara van Cantelbeeck verwerft na zijn overlijden op 16 februari 1678 de Tennen Pot[25]. We weten dat zij het dan weer niet zelf heeft bewoond: in het cohier van 1682 vinden we aanpalend aan de Beir de Grooten Tennen Pot, huurwaarde 200 gulden, verhuurd aan Govaert Keteleers, en daarnaast huurde Joanna Keteleers, saaiverkoopster, de Cleynen Tennen Pot, huurwaarde 140 gulden[26].  Rond 1704 huurde Govaert Ketelaers de Zwarte Ram terwijl in de grote Tennen Pot, huurwaarde 200 gulden, Geeraert Govaerts huisde en in de kleine Tennen Pot, huurwaarde 140 gulden, Michiel Verbiest woonde.  Laatstgenoemde was bij de meerseniers in 1696 en 1700 bekend als verkoper van ebbenhout[27].

 

Op 19 oktober 1718 geeft Sara van Cantelbeeck, nu weduwe, aan haar zoon Ignatius van Meerbeeck, ter compensatie van dat wat zij aan haar dochter Catherina van Meerbeeck al had gegeven, de Tennen Pot, een huis de Gulden Haemer aan de voormalige Lombardenstraat, en nog wat renten[28]. Amper 2 jaar later, op 5 december 1720, verkoopt de amman het pand al voor 6150 gulden aan Adriaen vande Wouwer en Dimphina Goos[29]. Dit echtpaar verwekte vier kinderen. Op 4 maart 1732 belandt de Tennen Pot in de handen van de enige dochter Maria Digna en haar man Jan Sweens. Het pand werd toen geschat op 8171 gulden[30]. Na de dood van deze laatsten worden hun eigendommen onder curatele geplaatst. Op 11 maart 1740 verkoopt de curator de Tennen Pot aan Guillielmus Collaert voor nog slechts 6120 gulden. De nieuwe eigenaar belast het meteen voor 5800 gulden[31].

 

Guillielmus Collaert heeft de bestemming van de Tennen Pot duidelijk gehandhaafd. In 1747 staat hij vermeld als midelaer uytspanninge. Hij woonde er samen met zijn echtgenote en twee dienstboden. Er waren 16 haardsteden. In 1754 blijkt ene Joannes Janssens als hospes in de uytspanninge den tennen pot gevestigd te zijn, samen met zijn echtgenote, twee dochtertjes van resp. 1 en drie jaar en drie dienstboden. Een deel van het pand werd gebruikt door Guilleaume Sofie die er een snuifwinkel uitbaatte en wiens gezin verder bestond uit zijn vrouw, twee dochtertjes van resp. 3 en 6 jaar en n persoon huispersoneel[32]. Voor 6900 gulden kan Guillielmus Collaert het pand verkopen volgens akte d.d. 2 juni 1759. Kopers zijn Joannes Janssens en Elisabeth van Gent die meteen hypothekeren ten voordele van Collaert voor 4000 gulden. Het bijhuis wordt nog steeds apart verhuurd[33].

 

Ook in 1796 treffen we bovengenoemden, waarvan gezegd worden dat ze 50.000 gulden bezitten, aan: het pand, waarde 6.900 gulden wordt dan bewoond door volgende personen: Jean Janssens, 77, herbergier; zijn echtgenote Elisabet van Gent, 78; hun ongehuwde kinderen met name Catrina, 38 en Petronella, 33, en hun dienstpersoneel met name: Judocus Perdorp, 23; Jean de Backer, 28; Joanna Bal, 23 en een hotelgast met name Jonker de Rode, 48.  Dat er slechts n hotelgast vermeld wordt, wil niet zeggen dat het over een bescheiden hotel ging. In de jaren 1801-1810 was de Tennen Pot, aangeduid als afspanning, met een tweehonderd gasten per drie maanden de derde belangrijkste pleisterplaats van Antwerpen, na het hotel Lion dOr en  hotel dAngleterre (Van Hout 1981, 146)[34]. Eigenaars in de vroege negentiende eeuw waren de weduwe van Melchior Van Loock en, rond 1834 H.J. Van Loock.  In 1898 woonde er een rentenier[35].

 


 

[1] Archief OCMW, EG (Rentenboek St.-Elisabethgasthuis) 168, f 5 v; en HG, R 152, f 1 r; SAA, SR 3, f 186 r; S.R. 7, f 355 r; Antwerpsch Archievenblad, reeks 1, vol. 29, 180-182.

[2] SAA, SR 32, f 73 v; S.R. 36, f 41 v, akte van 5/6/1445. Melden we dat  aansluitend aan de akte van 1443 Alyt van Halaer, weduwe van Joes Pepercorens, verklaart, na verkrijging van een erfrente van 2 pond gr. per jaar, geen rechten meer te hebben t.o.v. de kinderen van Aerd van Ranst en Mathys de Blabbenere betreffende de Tennen Pot.

[3] SAA, SR 34, f 183 v; SR 35, f 110 v.

[4] Reeds in 1447 spreekt men over ene 'Jannes de Weert in de Tennen Pot': SAA, SR 39, f  331 v; SR 41, f 188 v; SR 43, f 291 r; SR 45, f 98 v; SR 46, f 98 v; SR 47, f 86 r; SR 48, f 105 r.

[5] SAA, SR 112, f 71 r - v. Zie ook: Doehaerd 1962-1963, vol. 3, 153, nr. 3224 en 181, nr. 3449: Diego de Haro, koopman, verkoopt aan Cornelis vanden Steene, herbergier in de Tennen Pot, Oude Koornmarkt, een rente van 10 gouden denieren die drukt op de Tennen Pot (30/12/1505).

[6] SAA, SR 189, f 156 r.

[7] SAA, SR 193, f 10 v - 11 v.

[8] SAA, SR 213, f 138 r - 139 r.

[9] SAA, SR 222, f 93 r - 96 r. In een rentenbrief van 18 augustus 1547 wordt de Tennen Pot ... een huys... metten came[re]n dairacht[er] met plaetze cuecken nyeuwe en[de] oude came[r] stove stallinge gronde en[de] allen den toebehoirten... (SR 227, f 110 v). Zie ook nog verder bij de Hage.

[10] SAA, SR 231, f 83 r - 84 r.

[11] SAA, SR 231, f 14 r.

[12] SAA, SR 361, f 208 r - 209 r.

[13] SAA, SR 391, f 81 v - 82 r.

[14] SAA, PK 2566, ongefolieerd; GA 4833, f 346 r - v; R 2181, f 91 v - 92 r; R 2291, f 99 r; R 2292, f 89 v - 90 r; R 2211, f 96 r; R 2223, f 95 r; R 2323, f 92 v - 93 r; R 2242, f 97 r; R 2354, f 98 r.  De toegankelijkheid van de kelder vanuit de straat moet vrij behoorlijk geweest zijn: een stadscijns van 3 groten per jaar werd geheven maar we weten niet waarom (deur, trap?).  Die rente werd in 1834 door H.J. Van Loock afgelost: T 167, f 40 r; MA 3563, f 46 v, 90, nr. 298. In het Antwerpsch Archievenblad, vol. 14, p. 374 vermeldt men als waard van de Tennen Pot in 1577Jacob Seelbach.

[15] SAA, SR 413, f 209 r - 210 v.

[16] SAA, SR 419, f 42 r - 45 r.

[17] SAA, SR 489, f 354 r - 356 v.

[18] SAA, N 3761 (1644), f 151 r - 152 r en f 152 v.

[19] SAA, SR 694, f 58 r - 59 r.

[20] SAA, SR 770, f 360 r - 361 r. Hij hypothekeert zijn huis voor 265 Car.g. 12,5 stuivers erfelijk ten voordele van zijn dochter Anna Maes. Alhoewel dit er sterk op wijst dat Jan Maes als rijk koopman de Tennen Pot heeft bewoond kunnen we dit voor deze periode niet a.h.v. cohieren bewijzen, aangezien we de Tennen Pot en de twee huizen naar de Reyndersstraat toe niet met zekerheid konden terugvinden.  Kelderdeurcijns: T 169, f 18 r, nr. 150/298; T 172, f 24 r, nr. 298.

[21] SAA, SR 785, f 3 r - 5 r; SR 785, f 92 r - v.

[22] SAA, N 3781, f 172 v; N 3784 f 101 r en 132 r.

[23] SAA, N 1522, ongefolieerd, vol. 2 van 1668, f 2 r - 4 v en f 66 r - 67 v.  Ook de meerseniers kenden Daniel van Meerbeeck als kruidenier in 1677 en zijn weduwe in 1681 (GA 4216-17).

[24] De Kroniek van Antwerpen door Andries Van Valckenisse 1665-1698, in Bijdragen tot de Geschiedenis, 1936, pp. 93-136, meerbepaald p. 119.

[25] SAA, SR 872, f 217 r - 217 v en 223 r. Sara was overigens niet de tweede vrouw in het leven van Daniel van Meerbeeck. Hij had ook nog kinderen van Catherina Broers.

[26] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f 157 r - 157 v, nr. 13 en 14; GA. 4217.

[27] SAA, GA 4832, f 243 r, nr. 13 en 14; GA 4218-19.

[28] SAA, SR 1059, f 102 v- 104 r.

[29] SAA, SR 1064, f 331 r - 333 r. Nochtans had Ignatius van Meerbeeck een verbod op verkoop verkregen op 11 oktober 1720, nadat de weduwe van Louis Donckers het huis al 'qualyck' had doen verkopen. Dit arrest werd op 5 december 1720 gecasseerd. Bron: SR 1066, f 541 r.

[30] SAA, SR 1108, f 446 v - 448 r.

[31] SAA, SR 1136, f 312 v - 314 v.

[32] SAA, PK 2560, Volkstelling 1747 IVe tot Xe wijk en XIIIe wijk, ongefolieerd, zesde wijk, cappiteyn de Wilde, nr. 267; PK 2562, Volkstelling 27/12/1754 IVe tot VIe wijk, p. 553, nr. 12 en 13.

[33] SAA, SR 1207, f 36 v - 38 v.

[34] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2428.

[35] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 66).