Den Beir : Oude Koornmarkt 64

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Bij Asaert (Huizen en gronden...) vinden we onder pandnummer 3 een aantal akten opgenomen die zouden spreken over een pand tussen de Tennen Pot en de Zwarten Ram.  Welnu, deze akten overtuigen mij niet van het feit dat er in de XVde eeuw, laat staan de XIVde eeuw, al een aparte entiteit zou bestaan hebben tussen de Zwarten Ram en de Tennen Pot.  De akte uit 1395 slaat evengoed op de eigenlijke Zwarte Ram dat eigendom was van Adriaen Bonart en de akte uit 1401 slaat m.i. niet op wat later de Beir zou genoemd worden en de Zwarten Ram maar op de Zwarten Ram en de daaraan verbonden later genoemde Blauwen Voorschoot.  Henric van Espemde was m.i. eigenaar van de Spiegel en niet van de latere Blauwe Voorschoot.

 

Trouwens, we moeten vaststellen dat de later Beir in de XVIde eeuw volledig was opgenomen in een complex waarvan enkel de Zwarte Ram en de Tennen Pot met name worden genoemd en dat sedert 1497 n geheel vormde (zie de Tennen Pot). Een summiere beschrijving van dat complex hebben we b.v. uit een akte van 25 juni 1538 waarin sprake is van Eender grooter huysingen, en de daar nog bijhorende twee huizen daarnaast, dit alles gesitueerd tussen de Spiegel en de Haghe[1]. Die twee huizen waren twijfelloos de Zwarten Ram en de latere Beir.

 

Leden van de families Raet en ten Berchem verkopen op 15 november 1544 het geheel aan Franois Bernryder voor 50 Carolusgulden per jaar erfrente die hij meteen afbetaalt en nog eens 442 Car.g 16 st. erfelijk per jaar. De beschrijving luidt als volgt: ... Een huysinge van vo[r]e tot achtere genae[m]t den tennen pot metten huyse daerneffens dwelc twee wooningen zijn, genaemt den zwerten ram metten gronde en[de] toebehoorten ende met alle tgene datter eertvast ende nagelvast inne is, gestaen ende gelegen int eynde vander ouder cornemerct alhier byde Corte Cammerstrate tusschen thuys geheeten den blauwen voerschoot ex u[n]a ende de huysinge geheeten den haghe ex alt[era] comende met eender poorten acht[er] vuyte inde Reynderstrate,...[2]. Van Franois Bernryder weten we exact welk gebruik hij van zijn eigendom heeft gemaakt want hij wordt steevast beschreven als weerd in de Tennen Pot.

Ondanks het feit dat met dit beroep aardig wat geld te verdienen viel heeft hij kennelijk constant zijn eigendom moeten verkleinen om het uiteindelijk te verkopen.

 

Nadat hij reeds drie grote stukken had verkocht gaat hij op 22 januari 1547 n.s. over tot de verkoop van ... Een huys genaemt den zwerten ram dat nu twee wooningen zijn metter plaetzen, achterhuyse, ende metter geheelder goten daer neffens zuytwaerts gelegene, te wetene van vore aende strate tot achtere alzoo verre als derve van des[elve] huyse streckende is, met oick den halven muer vander huysinge genaemt den tennen pot, van onder tot boven en[de] van vo[re] aende strate tot achte[re] alzoo lanck als dese erve strecken[de] is...[3]. Ligging: tussen het huis van de weduwe van Jan Stempel en de Tennen Pot, ... comende metten vs. acht[er]huyse achter westwaert aenden grooten stal vanden vs. huysinge vanden tennen pot... met een gemene scheidingsmuur. Koper was Jan Ketgen, wijntavernier. Er zijn nog een hele reeks bepalingen in de akte opgenomen, o.m. is er sprake van een pijp die door het achterhuis van de Zwerten Ram loopt vanuit de grote stal van de Tennen Pot en zolang als Jan Ketgen die gedoogt mag die daar blijven.

 

Op 26 september 1548 koopt Jan Ketgen de kinderen die hij had van zijn inmiddels overleden echtgenote Marie de Ram, uit voor het niet geringe bedrag van 212 Carolusgulden per jaar in erfrente. Hij laat die rente drukken ... op twee nyeuwe huysen geheeten deene den zwerten Ram ende dander den Beere, met plaetzen borneputt [ende] achterhuyse...[4]. Hoe oud dus de naam Beer ook is, blijkbaar is er pas een nieuw huis gezet. De akte stipuleert verder dat Marie de Ram een lijfrente heeft geschonken aan Anna Staefmakers, de dienstmaagd van Jan Ketgen.

 

Het pand zoals het er op dat ogenblik uitzag bleef lange tijd in handen van de befaamde notarisfamilie Ketgen die een kleine verkaveling doorvoerde. Zo lezen we in een erfregeling binnen de familie d.d. 20 december 1564 dat Baptista Ketgen eigenaar wordt  van Twee huysen geheeten deen dair af den Swerten Ram ende dande[r] de beer staende beyde neffens een inde corte cam[m]erstrate[5]. Bij een andere verdeling d.d. 9 mei 1573 vernemen we dat Het Beerken op dat ogenblik voor 130 gulden per jaar aan Jan Langendal verhuurd werd[6]. Op 24 december 1574 is er sprake van ... twee nyeuwe huysen geheeten deen den swerten ram en[de] dander den beer met plaetsen borneputte achterhuyse....  Ze moeten vrij sterk op elkaar geleken hebben aangezien beiden even veel aan de stad moesten betalen voor een kelderdeur met een trap n.l. 3 groten per jaar[7].

 

Van 1577 tot 1585 volgens de cohieren wordt den Beir verhuurd voor 50 gulden aan de loodgieter Jeremias Staes die in 1586 het huis verlaat ten behoeve van de nieuwe eigenaar (cfr. infra) [8].  Op 4 juli 1582 wordt de Beer apart verkocht door Hans Clamp en Joris Sauternel, curatoren, Beschrijving: ... Een huys met vloere cueckene plaetse weerdribbe gemeynen borneput ende gemeynen regenback.... We vernemen dat de Zwarten Ram met zijn achterhuis ook nog achter de Beir doorloopt. De Beir wordt duidelijk gesitueerd nu tussen de Zwarte Ram en de Tennen Pot en moet toestaan dat er water van de Zwarte Ram over zijn erf naar de Tennen Pot loopt[9]. Belangrijk zijn nog de volgende voorwaarden: ... Item dat de lichtscheppinghe boven reycx staende onder ende boven inde achterhuyssinghe vande voorn. achterhuyssinghe vande voorn. huyssinghe gen. den swerten ram aldaer alzoo met yseren gheerden en[de] vast staende gelasen sonder oepen te moegen gave selen moeten blyven staen gelyck men de zelve ter stont maken sal, zonder dat hen tzelve licht byde voors. cooperen van deze huyse benomen zal moegen worden en[de] zal de loove opde plaetze van dezen huyse hangende inde muer vande voors acherhuyssinghe alzo blyven hanghen en[de] sal den selven muer tot aen[de] voors. onderste lichtscheppinge gemeyn zyn en[de] blyven tallen daghen.... Koper van de Beir is Jan Bernaerts de Jonge, zadelmaker, en Beatrix Bouchet, die waarschijnlijk pas in de loop van 1586 hun oude woning in de Tennen Pot verlaten om in hun eigendom hun intrek te nemen[10].

 

Die Jan Bernaerts de Jonge lijkt mij eerder een zakenvriend van de Ketgens want wij zien beiden samenwerken i.v.m. bepaalde transakties rond de Tennen Pot (zie aldaar). Op 28 juni 1591 verkrijgt Jan Baptista Ketgen, inwoner uit Frankfurt, beide huizen terug uit de handen van de amman[11]. Op 30 oktober 1591 laat deze zijn rentmeester Simon Perry volgens een procuratie te Frankfurt opgemaakt, de Beir terug aan Jan Bernaerts en zijn vrouw overdragen[12].

 

Op 7 januari 1621 verkopen Jan Bernaerts en zijn vrouw het ... Huys met vloere ceucken neercamere plaetse weerdribbe gemeyenen borneput en[de] gemeynen regenback hangende camer oppercamers gronde ende allen den toebehoirten... aan Peeter Loiseau, blauwverver en Johanna Segaert[13]. De betaling gebeurt vooral via renten. Op 22 april 1634 verkoopt Johanna Segaert i.o.v. haar man tegen twee renten voor in totaal 162 gulden erfelijk  het pand aan Isabella Hoens, weduwe van Francisco Tholinck[14]. Deze staat haar rechten op dit pand op 16 september 1641 af aan haar zoon, ook een Francisco Tholincx[15].

 

Die laat Meester Carols Smits, geneesheer, op 17 augustus 1650 den Beer verkopen aan de zadel- en gareelmaker Louis Kenoy (Quesnoy) en zijn tweede vrouw Maria Denisart. De totale kostprijs bedroeg 3300 gulden[16]. Zij hebben het huis, uitgerust met twee schoorsteenpijpen en met een huurwaarde van 60 gulden zelf bewoond in 1659[17]. In 1667 en 1672 was de huurwaarde geklommen tot 90 gulden en woonden ze er nog[18]. Als Louis Kenoy gestorven is weet Maria Denisart met de kinderen uit het vorige huwelijk en haar eigen kinderen een regeling te treffen op 11 januari 1676 en aldus het pand voor zichzelf te behouden[19]. Als ze zelf het hoofd te rusten heeft gelegd verkopen de kinderen het op 6 juli 1679 aan Franchoys Croeck[20]. In 1682 huurt de blauwverver Jan Adriaenssens echter en de huurwaarde was 84 gulden.  Hij bleef in het huis nog zeker tot rond 1704[21].

 

De erfgenamen van Franchoys Croeck verkopen het huis op 4 mei 1725 aan Hubertus Bollis en Marie Mottin. Dezen betalen er 1800 gulden voor en hypothekeren meteen voor 1400 gulden[22]. Hubertus  of Norbertus Bollis gebruikte het huis wel degelijk. In 1747 staat hij als blauwverver vermeld en baatte hij er een grofgarenwinkeltje uit. Hij woonde er toen samen met zijn echtgenote en vier kinderen waren boven 14 jaar. Het huis was uitgerust met zes haardsteden. In 1754 zien we dat zijn echtgenote gestorven is en dat er vier dochters zijn van resp. 19, 23, 28 en 33 jaar mee inwonen[23].

 

De twee dochters van Hubertus Bollis en Maria Mottin verkopen het huis op 17 juni 1765 voor 1800 gulden aan Martinus Staes en Cornelia de Moor. De nieuwe eigenaars hypothekeren meteen voor 1200 gulden. Op het ogenblik van de verkoop werd het huis echter verhuurd aan Petrus Goossens, waarschijnlijk te identificeren als (familie van) de verver Joannes Petrus Goossens die de meerseniers op de Oude Koornmarkt aantroffen vanaf 1786 tot 1794[24]

 

UIt de telling van 1796 blijkt dat Staes elders in de Oude Koornmarkt woonde en dat men ook nu weer verhuurde: aan Jean de Clair, 34, tabakskoopman; aan Marie de Clair, 40, naaister en aan Marie van Hoeydonck, 35, naaister.  De waarde bedroeg 3750 gulden[25].

 

In 1898 was er in het pand een kapperssalon ondergebracht[26].

 

 


 

[1] SAA, SR 193, f 10 v - 11 r; 11 v.

[2] SAA, SR 213, f 138 r - 139 r.

[3] SAA, SR 222, f 82 r - 83 v.

[4] SAA, SR 231, f 14 r - v.

[5] SAA, SR 297, f 190 v - 202 v (zie 202 r).

[6] SAA, SR 334, f 127 v - 129 r.

[7] SAA, SR 338, f 213 r - v; T 167, f 140 r; T 172, f 24 r, nr. 299.

[8] SAA, GA 4833, f 346 r; R 2181, f 92 r; R 2292, f 98 v; R 2292, f 89 v; R 2211, f 95 v; R 2223, f 94 v; R 2323, f 92 v; R 2242, f 96 v; R 2354, f 97 v.

[9] SAA, SR 370, f 408 r - 410 r.

[10] SAA, R 2354, f 97 v spreekt wel van Hans Bernaerts maar mijn ervaring is dat de voornamen Hans en Jan gemakkelijk verwisseld worden. Ze stammen immers af van Johannes.

[11] SAA, SR 403, f 353 r - 355 r.

[12] SAA, SR 403, f 324 r - 325 v.

[13] SAA, SR 548, f 181 r - 182 v.

[14] SAA, SR 626, f 104 r - 105 v. Zie de geschiedenis van 'De Cluyse' en 'De Ooievaar' i.v.m. de familie Tholinck(x).

[15] SAA, SR 664, f 314 r - v.

[16] SAA, SR 713, f 506 r - 507 r. Afrekening: N 3767, f 107 r.

[17] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,ongefolieerd.

[18] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; A. 4829, cohier eerste wijk, nr. 234.  De meerseniers kennen hem of zijn zoon nog als zadelmaker in 1677 (GA 4216).

[19] SAA, SR 860, f 369 r - 370 r.

[20] SAA, SR 877, f 638 r - 640 r.

[21] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f 157 v, nr. 15; GA 4832, f 243, nr. 15.  Jan Adriaenssens woonde als blauwverver nog steeds op de Oude Koornmarkt in 1696 en 1700 (GA 4218-19).

[22] SAA, SR 1085, f 346 r - 349 r.

[23] SAA, PK 2560, Volkstelling 1747 IVe tot Xe wijk en XIIIe wijk, ongefolieerd, zesde wijk, cappiteyn de Wilde, nr. 268 ; PK 2562, Volkstelling 27/12/1754 IVe tot VIe wijk, p. 553, nr. 15.                       

[24] SAA, SR 1226, f 288 r - 290 r. GA 4230-31, 4234-35, GA 4237-38 en 4240.

[25] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2429.

[26] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 64).