Den Zwerten Ram, Oude Koornmarkt 62 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Een akte d.d. 7 oktober 1381 vertelt ons dat Claus de Costere, alias Barbier aan de kleermaker Jan Swanaert de toelating geeft om op zijn muur te timmeren.  Aangezien Claus Barbier gekend is als eigenaar van de later Blauwe Voorschoot die afgesplitst was van de Zwarten Ram hebben we dus meteen de oudst gekende eigenaar/bewoner van de Zwerten Ram[1].

 

In 1395 was De Swarten Ram eigendom van of bewoond door ene Adriaen Bonaert[2].  Merkwaardig is volgende akte gedateerd 20 mei 1398[3]: Adriaen Bonart in den swarten Ram, in de Cammerstrate, overmids dat hi op tkerchof van Onser Vrouwen geleghen heeft van scoude ende syn goede binnen sinen huyse beset hebben geweest ende syn metten rechte, ende daerboven vanden kerchove ghegaen es in syn huys ende daer goede aen gheveerdt, ende weder vuten huyse op tkerchof ghedraghen, soe sal hi mids dien eene pelgrimagie doen tSente Eewouds in Elsaten, ende porren bi sonneschine, vuter stat ende bewisinghen van Antwerpen, ende niet wederkeeren hi en hebbe daeraf goede brieve ghesonden den Heere ende der stat dat hise ghedaen heeft, ende daertenden sal hi nochtan vut moeten bliven VII jaere lanc ende daerentenden nemmermeer porter tAntwerpen moghen worden noch syn, op syn hant, ware hi de contrarie had.

 

De verklaring voor deze tekst is de volgende: Adriaen Bonart, woonachtig in de Zwarten Ram was toen, wegens schulden zijn inboedel thuis werd aangeslagen en zijn huis verzegeld op het kerkhof aan de toenmalige Onze- Lieve- Vrouwekerk (de huidige Groenplaats) gevlucht, welk een vrijplaats was. Toen de deurwaarder weg was is hij stiekem terug in zijn huis gekropen en heeft een deel van zijn inboedel terug naar het kerkhof gedragen. Hij krijgt als straf voor dit vergrijp een bedevaart naar een bedevaartsoord dat ik niet bij Charles Laenen: Geschiedenis van het Antwerps Gerecht, heb teruggevonden maar dat waarschijnlijk slaat op het huidige St.- Avold nabij de Elsas. Hij moet bewijsstukken opsturen dat hij daar effectief geweest is en dan nog blijft hij voor zeven jaar verbannen en kan hij nooit meer poorter worden, en zijn hand wordt afgehakt als hij zich hier niet aan houdt.

 

Een 'deel' (waarschijnlijk de Zwarte Ram waarvan tijdelijk de Blauwe Voorschoot was afgesplitst) van het huis was volgens een akte van 1 juni 1399 van Jan vander Boven. Op 25 augustus 1400 blijkt dat de kleermaker Jan Coppen en Hille, de vroegere echtgenote van Arnout vander Voert de helft van de Zwarten Ram en de hiervan afgesplitste latere Blauwe Voorschoot, Oude Koornmarkt 60, voor de vierschaar hadden verkregen.  Zij verkopen die twee halve huizen aan Jan van Antwerpen die ook in een akte van 1410 nog als eigenaar staat vermeld[4].  Ik meen dat deze akte als gevolg heeft dat de Zwarte Ram, die bestond uit n groot gebouw maar waar twee woningen in gemaakt waren (twee halve huizen), terug verenigd wordt tot n geheel met de latere Blauwe Voorschoot die overigens ook ooit 'Cleyne Zwarte Ram' werd genoemd.

 

Bij daging van 26 november 1423 door Matheeus Sasse wordt de Zwarten Ram beschreven als ... eenen huyse plaetse gronde... met een[en] clynen huysken daer ane gesitueerd tussen Laureyns van Aerscot (d.i. De Tennen Pot) en De Spiegel[5].  Op 7 december 1446 wordt er een regeling getroffen tussen zijn Gnete Coevoets, weduwe van Matheeus, en zijn zoon Jan Zassen.  Hij zal zijn moeder onderhouden maar mag gratis het huis met al de inboedel blijven gebruiken.  Als zij sterft wordt de Zwarten Ram (een Kleine n een Grote) eigendom van de twee kinderen: Jan Zassen alias Theeus en Gnete Zassen alias Theeus, gehuwd met Henrick Struyne.  Bij akte d.d. 14 maart 1447 o.s. (1448) verkoopt Gnete al haar rechten op de Ram aan haar broer Jan, nadat Gnete en haar man op 19 december 1446 het pand al voor 1/4 in het kader van pandgeving aan hem bezorgd hadden[6].

 

Uit een akte van 9 juli 1449 vernemen we den namen van de bewoners van de Zwarten Ram: Jan Zassen die men noemt Jan Theeus en zijn echtgenote Katline Colibrants.  Deze Jan Theeus kennen we ook uit een akten van 25 maart 1446 o.s. en 22 maart 1448 als Jan Theeus 'inden Zwarten Ram'. In 1446 gaat het over een transactie met ene Henric Olyeslager, burger van 'Wesele', i.v.m. een levering van 10 paarden en 2 wagens.  Is onze Jan een waard[7]? In 1451 is er al zeker sprake van een Grote en een kleine Zwarte Ram: de kleine wordt in rentenbrieven gesitueerd tussen de Spiegel en de Grote Ram die dus aanpaalt aan de Tennen Pot.  Jan Zassen blijkt wel degelijk eigenaar te zijn maar niet alleen: Jan en Katline van Oerle, kinderen van Steven van Oerle (waard van de Grote Gans) en diens echtgenote Katline Zassen blijken over 1/4 van zowel de Grote als de Kleine Ram te beschikken.  Nog dat jaar blijkt Jan Zassen overleden te zijn en worden de Grote en Kleine Zwarte Ram (huizen met stallen en plaatsen) blijkbaar verdeeld over heel wat eigenaars en erfgenamen.  Zo verkoopt Matheeus van Zassen, zoon van Jan Theeus Zassen, 1/3 van 1/4 van beide huizen aan Everaerd Jan Rutgheersone en Katline Otten. We vernemen dat Matheeus Zassen zijn deeltje had van nog een Matheeus Zassen alias Coevoet, zijn oud-vader (grootvader?)[8]. Feit is dat in 1453 de bekende herbergier van de Grote Gans, Steven Van Oerle, en zijn zoon Jan eigenaars waren van (delen) van de Grote en de Kleine Zwarte Ram, beschreven als twee huizingen[9].

 

Het is Jan Willem Zuels, alias van Riethoven die op 14 mei 1484 samen met zijn echtgenote Kerstyne Borchmans het pand van Jan Cant koopt. De Certificatieboeken vermelden hem in 1494 als waard van de Zwarten Ram[10]. Het vormt tot 20 juli 1497 een geheel met de Blauwe Voorschoot, Oude Koornmarkt 60. Die dag n.l. geeft het echtpaar Zuels-Borchmans in erfelijk recht aan Cornelis vande Steene, weerd in de Tennen Pot: ... Een huysinge met stallinge plaetssen halven borneputte cokenen, vanden huyse nabeschr. afgenomen, welcken cokenen men nyet hooger op en sal moegen mueren oft metsen dan die nu is..., geheten de Groten Zwarten Ram en gesitueerd tussen de Cleynen Zwarten Ram, alias de latere Blauwe Voorschoot, waarvan de keuken was afgesplitst, en de Tennen Pot[11].

 

Op 20 maart 1510 n.s. komen de erfgenamen van Cornelis vande Steene tot een overeenkomst waarbij Ursula vande Steene en haar man Jacob Raet de hen nog ontbrekende gedeelten van de Tennen Pot en de Zwarte Ram verwerven. We kennen deze Jacob Raet als rentmeester van Antwerpen o.m. uit een akte van 19 juli 1536 als zijn zoon ook een Jacop Raet, n achtste van de Tennen Pot verpand om de aankoop op 7 juli 1536 van het huis 'De Seven Trappen' gesitueerd in de buurt van de Burchtkerk en de Werfpoort te kunnen financieren. In dit huis werd de zevende tol geheven[12]. De verkopers van de 'Seven Trappen' waren Gabriel van Doernick en Barbele Skeysers, zijn echtgenote, en wegens wanbetaling van de rente laten zij op 25 juni 1538 door amman Willem van Halmale dat achtste deel van de Tennen Pot, 'Eender grooter huysingen', en de daar nog bijhorende twee huizen daarnaast, dit alles gesitueerd tussen de Spiegel en de Haghe, openbaar verkopen. Koper is Claus Cleys (alias van Loemele, eigenaar van de Spiegel?), die het meteen doorgeeft aan Katlyne Raets, Jacobsdochter, weduwe van Ghoosens ten Berchem[13]. Minstens n van die twee huizen was twijfelloos de Zwarten Ram.

 

Leden van de families Raet en ten Berchem verkopen op 15 november 1544 het geheel aan Franois Bernryder voor 50 Carolusgulden per jaar erfrente die hij meteen afbetaalt en nog eens 442 Car.g 16 st. erfelijk per jaar. De beschrijving luidt als volgt: ... Een huysinge van vo[r]e tot achtere genae[m]t den tennen pot metten huyse daerneffens dwelc twee wooningen zijn, genaemt den zwerten ram metten gronde en[de] toebehoorten ende met alle tgene datter eertvast ende nagelvast inne is, gestaen ende gelegen int eynde vander ouder cornemerct alhier byde Corte Cammerstrate tusschen thuys geheeten den blauwen voerschoot ex u[n]a ende de huysinge geheeten den haghe ex alt[era] comende met eender poorten acht[er] vuyte inde Reynderstrate,...[14]. Van Franois Bernryder weten we exact welk gebruik hij van zijn eigendom heeft gemaakt want hij wordt steevast beschreven als weerd in de Tennen Pot.

Ondanks het feit dat met dit beroep aardig wat geld te verdienen viel heeft hij kennelijk constant zijn eigendom moeten verkleinen om het uiteindelijk te verkopen. En van die verkleiningen was ten koste van de Zwarten Ram: op 7 juli 1546 wordt het buurhuis 'de Blauwe Voorschoot' lichtjes vergroot. Nadat de eigenaars van die Blauwe Voorschoot, Jan Stempel en zijn echtgenote, de aankoop d.d. 15 november 1544 van de Zwarten Ram (met de Tennen Pot) door Franchois Bernreyder gecalengierd hadden komt Bernreyder met een compromis. Zij krijgen tegen betaling er een stuk van de Zwarte Ram bij: ... Een keuckene dwelck een washuysken [is] een metten regenbacke ende plaetsken gelegen acht[er] desselfs Jan Stempels en zyn wijff huysen..., tussen het erf van Claus van Loemele en de neerstove van de Zwarte Ram. Een afscheidingsmuur moet nog gebouwd worden. Waarschijnlijk betreft het hier de keuken uit 1497[15].

 

 

Nadat hij reeds drie grote stukken had verkocht gaat Bernreyder op 22 januari 1547 n.s. over tot de verkoop van ... Een huys genaemt den zwerten ram dat nu twee wooningen zijn metter plaetzen, achterhuyse, ende metter geheelder goten daer neffens zuytwaerts gelegene, te wetene van vore aende strate tot achtere alzoo verre als derve van des[elve] huyse streckende is, met oick den halven muer vander huysinge genaemt den tennen pot, van onder tot boven en[de] van vo[re] aende strate tot achte[re] alzoo lanck als dese erve strecken[de] is...[16]. Ligging: tussen het huis van de weduwe van Jan Stempel en de Tennen Pot, ... comende metten vs. acht[er]huyse achter westwaert aenden grooten stal vanden vs. huysinge vanden tennen pot... met een gemene scheidingsmuur. Koper was Jan Ketgen, wijntavernier. Er zijn nog een hele reeks bepalingen in de akte opgenomen, o.m. is er sprake van een pijp die door het achterhuis van de Zwerten Ram loopt vanuit de grote stal van de Tennen Pot en zolang als Jan Ketgen die gedoogt mag die daar blijven.

 

Op 19 april van datzelfde jaar verkoopt Bernryder aan Ketgen ook nog: ... Een stuck ofte reep erven dwelck nu eensdeels een waschceuckene is met een[en] backoven en[de] regenback daer inne staende, eensdeels een[en] hoeck van eenen stalle ende eensdeels eenen hoeck van eender plaetsen vanden vs. tennen pot metten gronde en[de] toebehoirten..., gelegen achter de Zwarten Ram. Jan Ketgen moet voor de nodige scheidingsmuren zorgen, o.m. de bestaande scheidingmuur met de Tennen Pot die hij al had opgetrokken verlengen[17].

 

Op 26 september 1548 koopt Jan Ketgen de kinderen die hij had van zijn inmiddels overleden echtgenote Marie de Ram, uit voor het niet geringe bedrag van 212 Carolusgulden per jaar in erfrente. Hij laat die rente drukken ... op twee nyeuwe huysen geheeten deene den zwerten Ram ende dander den Beere, met plaetzen borneputt [ende] achterhuyse...[18]. Hoe oud dus de naam 'Zwerten Ram' ook is, blijkbaar is er pas een nieuw huis gezet. De akte stipuleert verder dat Marie de Ram een lijfrente heeft geschonken aan Anna Staefmakers, de dienstmaagd van Jan Ketgen.

 

Het pand zoals het er op dat ogenblik uitzag bleef lange tijd in handen van de befaamde notarisfamilie Ketgen die een kleine verkaveling doorvoerde. Zo lezen we in een erfregeling binnen de familie d.d. 20 december 1564 dat Baptista Ketgen eigenaar wordt  van Twee huysen geheeten deen dair af den Swerten Ram ende dande[r] de beer staende beyde neffens een inde corte cam[m]erstrate[19]. Bij een andere verdeling d.d. 9 mei 1573 vernemen we dat Jan Nollens op dat ogenblik huurder was en hiervoor 180 gulden per jaar betaalde wat zeker niet goedkoop was[20]. Op 24 december 1574 is er sprake van ... twee nyeuwe huysen geheeten deen den swerten ram en[de] dander den beer met plaetsen borneputte achterhuyse....  Beide panden moeten sterk op elkaar geleken hebben want ze waren allebei voorzien van een kelderdeur en dito trap van n voet diep en waarvoor een cijns werd betaald van 3 groten[21]. Den Ram werd verhuurd maar de bronnen zijn niet zo duidelijk daarover: volgens de cohieren werd er verhuurd in 1577 aan Thiofillus Beer, vanaf 1582 tot 1585 aan de herbergier Hendrick Montfort (mogelijk verwant met de toenmalige herbergiers in de 'Hage'?), zij het dat het niet zeker is dat die er ook de hele tijd woonde. Volgens het Register houdende de huysen stond het in 1584 tijdelijk leeg waarna er een ene Geerst Smits, een arbeider, met zijn echtgenote is gaan wonen. In 1586 werd er verhuurd aan Hans Bus[22].

 

Op 4 juli 1582 wordt de Beer apart verkocht door Hans Clamp en Joris Sauternel, curatoren. We vernemen dat de Zwarten Ram  met zijn achterhuis ook nog achter de Beir doorloopt. Belangrijk zijn nog de volgende voorwaarden: ... Item dat de lichtscheppinghe boven reycx staende onder ende boven inde achterhuyssinghe vande voorn. achterhuyssinghe vande voorn. huyssinghe gen. den swerten ram aldaer alzoo met yseren gheerden en[de] vast staende gelasen sonder oepen te moegen gave selen moeten blyven staen gelyck men de zelve ter stont maken sal, zonder dat hen tzelve licht byde voors. cooperen van deze huyse benomen zal moegen worden en[de] zal de loove opde plaetze van dezen huyse hangende inde muer vande voors acherhuyssinghe alzo blyven hanghen en[de] sal den selven muer tot aen[de] voors. onderste lichtscheppinge gemeyn zyn en[de] blyven tallen daghen.... De Beir wordt duidelijk gesitueerd nu tussen de Zwarte Ram en de Tennen Pot en moet toestaan dat er water van de Zwarte Ram over zijn erf naar de Tennen Pot loopt[23]. Koper van de Beir is Jan Bernaerts de Jonge, zadelmaker, en Beatrix Bouchet.

 

Die Jan Bernaerts de Jonge lijkt mij eerder een zakenvriend van de Ketgens want wij zien beiden samenwerken i.v.m. bepaalde transacties rond de Tennen Pot (zie aldaar). Op 28 juni 1591 verkrijgt Jan Baptista Ketgen, inwoner uit Frankfurt, beide huizen terug uit de handen van de amman[24]. Op 30 oktober 1591 laat deze zijn rentmeester Simon Perry volgens een procuratie te Frankfurt opgemaakt, de Beir terug aan Jan Bernaerts en zijn vrouw overdragen[25].

 

Hoewe hij waarschijnlijk in Duitsland bleef wonen behield koopman Jan Baptista Ketgen tot 26 juni 1619 de Ram. Op die datum verkoopt Peeter van Ceulen de Jonge in zijn naam en die van een paar verwanten het huis aan Hans Geetens, gareelmaker en diens echtgenote, waarschijnlijk was dat toen al Elisabeth Peeters, die via renten betalen. Het huis was wel degelijk voorzien van ... plaetse, borneputte, achterhuyse...[26]. De erfgenamen van Hans Geetens en Elisabeth Peeters verkopen op 11 april 1656 de Ram: Een huys met plaetse halven borneputte, halven regenbacke achterhuyse gronde en[de] allen den toebehoirten aan Dominicus Schutyser voor 4804 gulden[27]. Aan dit bedrag merkt men dat de Ram een imposante eigendom was en dit klopt ook volgens het cohier van 1659 waarin we zien dat het niet minder dan 6 schoorsteenpijpen telde, een huurwaarde van 150 gulden had en verhuurd werd aan ene Goyvaert Ketels[28].  Nochtans beschikken we over een huurcontract d.d. 14 december 1657 waarbij Ferdinand van Abshoven De Zwerten Ram zou huren voor 250 gulden per jaar en dit voor een termijn van drie jaar ingaande kerstmis 1657[29].

 

Op 15 juli 1661 verkoopt Dominicus Schutyser het aan de zadelmaker Jan van Munster en dit lijkt toch wel te wijzen op enige continuteit inzake bewoners en gebruikers na de verkoop door de Ketgens in 1616 wat hun beroepsbezigheden betreft[30]. In 1667 huurt ene Franciscus Bonnaert het (de huurwaarde bedraagt 156 gulden)[31], in 1672 en 1682 (150 gulden) de kruidenier Alexander Bouwens, rond 1704 Govaert Ketelaers[32]. Op 24 oktober 1714 komt het huis door vererving terecht in de handen van Maria en Theresia Boeckx[33].

 

Haar erfgenamen verkopen het op 14 december 1747 aan Petrus Wijns voor 2332 gulden[34]. Zijn weduwe, Susanna Clara Catharina de Cock, gehuwd met Joannes Henricus Emmerechts, weet het na een verdeling volgens een alte d.d. 10 december 1753 voor zichzelf te behouden[35]. Petrus Wijns was volgens de volkstelling van 1747 boterkruier en waagmeester. Hij baatte er ook een lijnwaadwinkel uit. Het pand was uitgerust met 10 haardsteden, er woonden nog een dienstbode en de weduwe Schobbers, rentenierster, mee in. In 1754 had J.H. Emmerechts er samen met zijn vrouw en een winkeldochter van 25 jaar een meersenierszaak. Ze hadden ook nog n dienstbode[36].

 

In 1796 waren volgende eigenaars-bewoners opgetekend: Trese Hembrechts, 53; Marie Wijns, 28; Piere Wijns, 27 en stadsontvanger; Jacque Wijns, 26, goud- of zilversmid; Egide Wijns, 25 en wever; Jeanne Wijns, 21; Marjanna Wijns, 16 en de rentenier Louis de Heuvel de Swijndrecht, 38, waarvan wordt gezegd 'pensionaire riche'.  Het huis werd geschat op 4000 gulden[37].  De cijns op de keldertrap en -deur (0,27 Fr.) werd door Egide Podor in 1834 afgelost[38].

 

In 1898 was het pand een bakkerij[39].


 

[1] F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 3, Antwerpen, 1977, p. 374.

[2] SAA, SR 1, f 64 r.

[3] Antwerpsch Archievenblad, 1e reeks, vol. 26, p. 311-312 (= citaat uit het Clementynboek).

[4] SAA, V 1980, f 49 r; SR 2, f 331 r; SR 3, f 186 r; F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 3, Antwerpen, 1977, p. 427. Die Jan van Antwerpen (wijlen) wordt zelfs nog vermeld in een rentenbrief van 1445 (SR 35, f 128 v).

[5] SAA, V 1981, f 40 v.  Mogelijkerwijs slaat volgende daging ook op een deel van de Zwarte Ram (De Beir?): Jan vander donc dede dgen tot 1 came[re]n... gesitueerd in de Cammerstraat tussen Laurens van Aerschot, huidenvetter, en Claus Griep's (d.i. dan de Zwarten Ram?) huis: V 1981, f 52 r d.d. 7 juni 1426.  Er is ook nog een rente op de Zwarten Ram en een half huis ernaast naar de Oude Koornmarkt toe van 11 oktober 1437: V 1981, f 108 r.

[6] Zie ook nog SAA, SR 34, f 24 v en 25 r (onafgewerkte akte uit 1445); SR 39, f 393 v; SR 37, f 436 v en f 443 r  In deze ietwat enigmatische acte is er sprake van een transactie met borgstelling rond zeep?  Noteren we verder dat volgens een akte van 14 augustus 1447 Gnete Coevoets, weduwe van Matheeus Zassen, samen met haar dochter Gnete, het huis had gehypothekeerd: SR 38, f 90 v.

[7] SAA, SR 37, f 513 v; SR 41, f 192 r en ook f 349 v.  Er is ook nog een verdeling na de dood van Jan Zassen sr. en een andere Jan Zassen, verwerft van zijn neef Ghysbrecht op 3/01/1450 n.s. nog 1/12 van wat genoemd wordt de Groten en de Cleynen Zwarten Ram: SR 41, f 360 r.  Noteren we ook nog dat in 1448 Steven van Oerle, samen met Ghysbrecht, Magdalene en Matheeus Theeus, resp. broeders en zuster van Jan Theeus, de intentie hadden met Jan Theeus, die dan als huurder zou fungeren, een huurovereenkomst af te sluiten voor 6 jaar voor de Grote Zwarte Ram, die gesitueerd wordt tussen de Tennen Pot en de Cleyne Zwarte Ram; zie SR 40, f 33 v. Nog over Jan Theeus: S.R. 40, f 174 r.  In een onafgewerkte akte van 1453 zegt men dat ene Jan Pauwels woont in de Kammenstraat in de Zwarte Ram: SR 47, f 111 r.

[8] SAA, SR 43, f 129 r en 481 v; SR 44, f 337 v; f 406 ren f 493 r.

[9] Maar Jan Zassen had ook delen van de twee huizingen 'Grote en Kleine Zwarte Ram: SAA, SR 45, f 241 v; SR 47, f 333 v.

[10] SAA, Cert. 2, f 210 r.

[11] SAA, SR 112, f 71 r - v.

[12] SAA, SR 189, f 156 r. Zie ook nog een rentenbrief op de Grote en de Kleine Zwarte Ram van 1504: SR 125, f 10 r.

[13] SAA, SR 193, f 10 v - 11 r; 11 v.

[14] SAA, SR 213, f 138 r - 139 r.

[15] SAA, SR 222, f 14 r - 15 r.

[16] SAA, SR 222, f 82 r - 83 v.

[17] SAA, SR 227, f 1 v - 3 r.

[18] SAA, SR 231, f 14 r - v.

[19] SAA, SR 297, f 190 v - 202 v (zie 202 r).

[20] SAA, SR 334, f 127 v - 129 r.

[21] SAA, SR 338, f 213 r - v; T 167, f 40 r; T 169, f 18 r, nr. 151/299; T 172, f 24 r, nr. 299.

[22] SAA, GA 4833, f 346 r; R 2181, f 92 r; 2291, f 98 v; 2292, f 89 r; 2211, f 95 v, 2223, f 94 v; 2323, f 92 v; 2242, f 96 v; 2354, f 97 v. In 1583 wordt Joris Sauternel naast Ketgen als eigenaar vermeld omdat hij crediteur is.

[23] SAA, SR 370, f 408 r - 410 r.

[24] SAA, SR 403, f 353 r - 355 r.

[25] SAA, SR 403, f 324 r - 325 v.

[26] SAA, SR 535, f 172 r - v; renten  en hypothekering op f 173 v - 175 r; 201 v; 261 v - 262 r.

[27] SAA, SR 738, f 366 v - 367 r.

[28] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,ongefolieerd.

[29] SAA, N 3790, f 67 r.

[30] SAA, SR 766, f 150 v.

[31] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[32] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 232; GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f 157 v, nr. 16; GA 4832, f 243 r, nr. 16.  Bouwens is mogelijk te identificeren of verwant met de wijnkoopman die in de jaren '50 en '60 in het Groot Vagevier, Oude Koornmarkt 52 leefde.  De meerse kende hem als kruidenier in 1677 en 1681 (GA 4216-17).

[33] SAA, SR 1040, f 217 r - 220 v. Uit hun testamenten van 22 februari 1740 resp. 28 juni 1744 blijken Maria en Theresia gewoond te hebben op de 'Coperen Brugge': N 1579, f 359 r - 362 r; N 1581, f 369 r - 375 r.

[34] SAA, SR 1164, f 427 r - 430 r.

[35] SAA, SR 1183, f 212 v - 214 v.

[36] SAA, PK 2560, Volkstelling 1747 IVe tot Xe wijk en XIIIe wijk, ongefolieerd, zesde wijk, cappiteyn de Wilde, nr. 269; PK 2562, Volkstelling 27/12/1754 IVe tot VIe wijk, p. 553, nr. 16.                       

[37] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2430.

[38] SAA, MA 3563, f 47 r, 91, nr. 299.

[39] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 62).