Het Groot Vagevier: Oude Koornmarkt 52

Terug naar het overzicht van de huizen

 

 

Zoals de naam reeds doet vermoeden heeft het Groot Vagevier ooit een geheel gevormd met het Cleyn Vagevier, nu een deel van Oude Koornmarkt 50.

 

In 1394 wordt het pand door Andries van Zoersel verkocht aan de priester Gheraert Knuyt.  Priester Knuyt heeft het waar­schijnlijk tot rond 1398 bezeten.  In een akte van 14 augustus 1399 zegt men dat ook nog ene Raes vander Borch eigenaar was (geweest)[1].  Op 2 juni 1402 laat Magdalena, echtgenote van Jan Bast het huis dagen en ook in 1404 wordt ze als eigenares vermeld[2].  In akten over de Fles of het Handvat van 1447-1449, 1453, 1458 en (zij het wat laattijdig: 1479) wordt Jan van Woel­putte als eigenaar ver­meld[3].

 

Op 24 december 1478 verkoopt Barbele Mannaerts, weduwe van Jan van Woelputte, de bontwerker, aan de tingieter Wouter van Regenmorter “... twee huysen metten koeckenen plaetsen gr[on­de]... geh[eten] tvaechvier...”, gesitueerd tussen de Leeuwin­ne waar later de Flesse is afgesplitst, nu resp. Oude Koorn­markt 48 en een deel van 50, en het Hantvat, Oude Koornmarkt 54. De koopsom is een erfrente van 8 pond 4 schellingen 6 denieren per jaar[4].

 

We raken vooralsnog het spoor even kwijt. Op 3 maart 1486 n.s. zou ene Peter Adriaenssen het pand verkocht hebben aan Gode­vaert vander Hoeven. Het is waarschijnlijk o.i.v. deze Gode­vaert vander Hoeven dat het Cleyn Vagevier waarvan we een aparte akte hebben uit 1518 een eigen weg is gaan volgen. Op 23 november 1541 verkopen zijn kinderen het Groot Vagevier aan de tingieter Laureys de Pape die het grootste deel van de koopsom contant betaalt[5]. Op 19 december 1561 geven Laureys de Pape en zijn kinderen het Groot Vagevier in erfelijk recht aan Meester Gheerd Thoebent alias van Kempen, chirurgijn, en Catlyne Luydincx. De prijs is een erfrente van 38 pond Bra­bants per jaar[6]. Op 9 juni 1575 verkopen de ergenamen voor een erfrente van 148 gulden per jaar het huis aan Joos Celen van Helmont en Anthonette du Sone of van Hove. In heel die periode wordt het pand slechts beschreven als “... Een huys met plaet­se borne­putte regenback­e...”.  We weten wel als extraatje dat er een keldertrap van twee voet diep was waarvoor jaarlijks 4 groten aan de stad moesten betaald worden[7].  De huur­waar­de bedroeg 80 gulden en schoenmaker van Helmont en zijn echt­genote hebben hun huis zeker in de periode 1577 - 1586 de hele tjd bewoond[8]. En als ze het op 29 juli 1603 aan de schoen­maker Peter Baems en Elisabeth Noblet verko­pen wordt er als voor­waarde gestipu­leerd dat de verkopers er nog tot half maart (1604) mogen blijven wonen zonder huur te betalen. De beschrijving is ook wat uitgebreider: “... Een huys met vloe­re, ceuckene, plaetse borneputte regenbacke pompe getrocken vuytten voors. borneput­te gronde en[de] toebehoor­ten...”[9].

 

Kort daarna stierf Peter Baems en Elisabeth Noblet bleef achter met een zwaar gehypothekeerd huis. Op 14 mei 1605 deed ze afstand van haar rechten op het Groot Vagevier ten voordele van de schuldeisers. Eén van die schuldeisers, de metser Abraham Geertssen en zijn echtgenote Margriete Gillis, werd de nieuwe eigenaar volgens akte d.d. 2 oktober 1607[10]. Weduwnaar geworden laat A. Geertssen door de ‘spigeliewercker’(passementwerker) Jan Ennie het huis op 19 oktober 1613 verkopen aan de timmerman Joris of George le Batteur en Anna Geerts[11]. Zij hebben er blijkens een testament van 28 augustus 1637 zeker gewoond[12] Samen met de twee kinderen van Joris le Batteur, Philips en Rogier, verkoopt Anna Geerts het huis voor 3000 gulden aan de timmerman Jan van Gersenmeter en Catharina Wuyts. We schrijven dan 10 oktober 1641[13]. Anna Geerts bewoonde wellicht tot haar overlijden op 14 januari 1642 een kamer in de Groot Vagevier waarvoor ze 18 gulden per jaar moest betalen. De waarde van haar inboedel werd geschat op 332 gulden[14].

 

Het is de amman die op 4 maart 1656 na een openbare verkoop het huis overdraagt aan Adriaen Cornelissen voor 4090 gulden (3895 schatting, 195 gulden proceskosten en achterstallen). In de beschrijving is er sprake van een “huys metten achterhuy­se”[15]. In het cohier van 1659 vinden we Adriaen Cornelis als bewoner terug. De huurwaarde was geschat op 108 gulden en het Vagevier had vijf schouwen[16]. In 1661 en 1667 huurden de wijn­koopman Alexander Bouwens, door de meerseniers als kruide­nier gekend in 1677 en 1681. Deze was gehuwd (in 1661) met Anna Willemssens die in april van dat jaar ziek was[17]. In 1672 huurde Jan Vincent aan 120 gulden.  Zijn weduwe was in 1677 lid van de meerseniers[18].  In 1682 huurde Michiel Vannu­cruys aan 130 gulden[19]; in 1689 woonde er de weduwe Verstoc­ken, daarna Jacobyn Keuter en rond en na 1700 huurde eerst Guilliam de Meyer, als vettewarier gekend in 1696 en 1700[20], daarna François Walte­ry, een tim­mer­man, die op 4 juni 1708 in dit huis zou overlij­den. Zijn weduwe, Elisabeth Jacobs, bleef achter met een zoon, Peeter, van zes jaar en een dochtertje, Isabella van vier jaar. Zij hertrouwde een nieuwe timmerman: Guillielmus Maes. In 1709, bij het opmaken van de staat van het sterfhuis van Franciscus Waltery, werd de boedel van het huis op 681 gulden geschat en de voorraden timmerhout en het gereedschap op 1514 gulden 7 stuivers[21].

 

De erfgenamen van Adriaen Cornelissen verkopen het huis op 1 juni 1713 voor 2400 gulden aan Cornelis Schillemans en Corne­lia Verhiel die al terug verkopen volgens akte d.d. 22 septem­ber 1716. De nieuwe eigenaars zijn dan bovengenoemde Guilliel­mus Maes, meester-timmerman en Elisabeth Jacobs en ze hypothe­keren hun eigendom meteen voor 2000 gulden[22]. Weduwnaar ge­wor­den ver­koopt Guil­lielmus, samen met zijn twee dochter Anna Maria en Joanna Maes op 30 septem­ber 1734 voor 2800 gulden aan Jaspar van Mer­len[23]. Van Mer­len, ook eigenaar van het Wit Peerdeken in de Reyndersstraat geraakte echter insolvent nadat hij aan zijn huizen werken had laten uitvoeren. Wat het Groot Vagevier betreft had hij schulden aan een slotenmaker en een timmerman. De curator, Notaris Petrus Josephus Cools, loste alle schulden af en verkocht op 14 september 1742 het Groot Vagevier voor 1730 gulden aan Paulus de los Rios en Catharina Lodewyckx die meteen hypothekeerden voor 1700 gulden. Waar­schijnlijk bewoon­den ze het pand al voor de aankoop[24]. In het Groot Vage­vier had Paulus de los Rios samen met zijn echtgeno­te een theewin­kel. Ze hadden in 1754 in totaal vijf kinderen: twee jongens van resp. 2 en 6 jaar en drie flinke dochters van resp. 21, 23 en 25 jaar[25]. Ook uit het testament van Cathari­na Lodewijckx d.d. 23 april 1767, toen ze weduwe geworden was, blijkt dat ze toen nog woonde in het Groot Vagevier. Ze liet haar woonhuis aan haar dochter Clara Maria de los Rios die er samen met haar man Franciscus Snoeckx, eigenaar van werd op 7 april 1779[26].  We vinden het echtpaar terug bij de volkstel­ling van 1796.  Hij was 66, ‘marchand especie’(kruidenier), zij was 68.  Het huis was 2700 gulden waard en werd dus 300 gulden lager geschat dan het Cleyn Vagevier[27].

 

In 1898 werd er een café uitgebaat[28].

 


 

[1] SAA, SR 1, f° 54 v°; 139 r°; 224 r°.

[2] SAA, V 1980, f° 59 v°; 69 r°; 73 r°.

[3] SAA, SR 39, f° 142 v°; SR 41, f° 378 r°; SR 42, f° 91 r° - v°.; SR 47, f° 76 r°; SR 55, f° 253 v°; SR 96, f° 140 r° - v°.

[4] SAA, SR 94, f° 221 r°; hypotheek: SR 95, f° 37 v°.

[5] SAA, SR 205, f° 88 r° - v°. Godevaert had een dienstbode met name Marie Stevens.

[6] SAA, SR 284, f° 310 v° - 312 r°.

[7] SAA, SR 342, f° 364 r° - 365 r°; T 167, f° 40 v°; T 169, f° 18 v°, nr. 153/304, rente afgelost in 1651.

[8] SAA, GA 4833, f° 37 v°; R 2181, f° 95 r°; R 2286, 2213, 2237, 2350, f° 10 r°; R 2317, f° 10 v°.

[9] SAA, SR 451, f° 364 r° - v°.

[10] SAA, SR 466, f° 21 r° - v°.

[11] SAA, SR 507, f° 501 v° - 502 r°.

[12] SAA, N 2208, f° 170 v° - 171 r°.

[13] SAA, SR 669, f° 100 v° - 101 v°. Eindafrekening: N 3760, f° 15 r° - 16 v°.

[14] SAA, N 3786, f° 261 r° - 264 r°.

[15] SAA, SR 738, f° 48 v° - 49 v°.

[16] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd.

[17] SAA, N 3778, f° 206 r° - 207 r°; R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefo­lieerd; GA 4216-17.

[18] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 224; GA 4216.

[19] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 v°, nr. 219.

[20] SAA, GA 4832, f° 66 r°, nr. 219; GA 4218-19.

[21] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 219; W 1326, ongefolieerd, akte d.d. 13 juni 1709.

[22] SAA, SR 1039, f° 104 v° - 106 r°; SR 1050, f° 165 v°; N 1998, ongefolieerd, akte nr. 11.

[23] SAA, SR 1114, f° 248 v° - 250 r°.

[24] Gaspar van Meerle was oorspronkelijk begonnen als boekhou­der bij Jan Carlo Maes. Na diens dood nam hij de zaak over maar deed een aantal ongelukkige en mogelijk ook frauduleuze transacties. Zo had hij vlak voor het intrekken van het ok­trooi in 1731 flink wat aandelen gekocht van de Oostendse Compag­nie. Uiteindelijk belandde van Meerle in het Steen alwaar hij in de jaren 1742-43 werd ondervraagd. Los Rios huurde voor de aankoop het pand voor 108 gulden per jaar.

Bronnen: SAA, IB 2033; SR 1143, f° 125 r° - v°; f° 129 v° - 130 r°; f° 139 r° - 140 r°; f° 145 r° - v°; SR 1144, f° 438 v° - 440 r°.

[25] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 45, nr. 173.

[26] SAA, SR 1268, f° 486 r° - 487 v°.  De meerseniers noteren in 1768 de weduwe van Paulus de los Rios met haar theewinkel en Clara Losrios in 1768 en 1773 als kruidenierster; verder vinden we Bruno Franciscus Snoeckx in 1773 en vanaf 1786 als kruidenier: GA 4221, 4224, 4230-31, 4234-35, 4237-38, 4240.

[27] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2436.

[28] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 50).