De Roode Flessche: Oude Koornmarkt 50 (1) 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

 

Bij Asaert (Huizen en gronden...) vinden wij onder perceelnummer 10 de aanduiding ‘De Bijle’.  Het lijkt mij zinvol dit pand als de voorloper van de Roode Flesse te beschouwen.  In een reeks akten van 1391 en 1394 wordt Jan de Boc als (voormalige) eigenaar vermeld.  De naam ‘De Bijle’ komen wij dan tegen in een akte van 14 oktober 1396 als Gheraert de Boc een rente erop verkoopt[1].

 

Merkwaardig is de akte van 8 augustus 1443: Peter van Landegheem en Amelbergen van Esbeemde verkopen Peter, Claus en Katline, wettige kinderen van wijlen Jan Cant, loeschmaker (loesch: fijn leder dat aan één zijde rood en aan de andere zijde wit is), een rente op de helft van “... eene[n] huyse met plaetsen doirgange en[de] gronde geheeten de Vlessche...” gesitueerd tussen Jan van Wolputte en Jan vand[en] Brake, en op nog een huis aldaar gelegen tussen Peter de Greve en Jan van Esbeemde.

 

In verschillende akten uit de jaren 1446-1450 verkoopt de kleermaker Peter van Landeghem rentes op “een huys met plaet­se...”, genaamd ‘De Flessche’ en gesitueerd tussen Jan van Woelputte en Claus van Leest. In de akte van 1450 spreekt men over een bewoner: Jan Cant Peterss. In een akte over de Leeuw­inne (Oude Koornmarkt 48) van 9 december 1448 wordt Peter van Landeghem als buurman vermeld[2].  En in een akte van 23 juli 1479 zegt men dat De Flesse met de Leeuwinne een loove vormt die wel als aparte eigendom­men fungeren[3]. In 1505 was de Flesse echter het eigendom van dezelfde eigenaar als de Leeuwinne, de zwartbontwerker Jan van Velthoven[4].

 

Volgens een akte d.d. 14 april 1507 bekent E.H. Jan Cornelis­sen, priester en habituaat in de O.L.V.-kerk dat hij als schuldeiser het huis na een proces voor de Vierschaar verkre­gen had en dat David Noblet, droogscheerder, het van hem gekocht heeft voor een erfrente van 12 pond brabants per jaar[5].

Op 14 april 1509 calengiert David Noblet de aankoop van de Leeuwinne door Dieric Peters t.o.v. Claus van Style[6].

Op 20 november 1514 splitst hij, nu uitsnijder genoemd, van zijn eigendom “... de helft van Eenen huyse dewelcke een wooninge op heur selven is metter plaetsen acht[er?] came[ren] twee deele vanden borne­putte...”, genaamd de Leeuwinne. De koper is de bontwerker Peter de Roy. De Leeuwinne deelt een ‘heymelich’ met de Flesse dat langs de Leeuwinne moet geruimd worden. Ook moet er water van de Flesse afgevoerd worden via dit buurpand[7].

Als hij moet afrekenen met zijn kinderen na het overlijden van zijn echtgenote Johanna vander Lynden behoudt David de helft volgens een akte gedateert 11 september 1529[8]. Bij de verde­ling van de goederen van het echtpaar Noblet-vander Lynden d.d. 25 juni 1540 wordt één van de zonen, ook een David, eigenaar van de ‘Roy Fles­sche’[9]. Op 13 mei 1553 geeft deze David Noblet, peltier, in erfelijk recht aan de zwartwer­ker Peeter Janssen en Katline de la Flye de Roode Flesse die wordt gesitueerd tussen het Cleyn Vagevier en de Leeuwinne. De prijs bedraagt 171 Car. g. erfelijk en er is een medepandschap met de Leeuwinne[10]. In de periode 1577 tot 1584 kan men uit de cohieren afleiden dat de Roode Flesse bestond uit twee delen die beiden het eigendom waren van Joris Sauter­nel die in 1584 in de Minderbroeders­straat woonde. Naast de Leeuwinne situeer­de zich een woning, huur­waarde 40 gulden, dat in 1577 nog door Sauternel, koper­verko­per, bewoond werd. Daarna spreken de bronnen elkaar tegen: volgens de cohieren woonde er ene Vin­cent Flameng, volgens het register uit 1584 ene Jacques Brey­el. De tweede woning naast het Cleyn Vagevier, huurwaarde 30 gulden, werd in 1577 door de glasmaker Hans Gobbaert bewoond, daarna door Jan Gobbaert volgens de cohie­ren, door de weduwe van Jacques van Loockenborch, volgens het register.  In de stadscijnsboeken van de XVIde en de XVIIde eeuw vinden we De Flesse terug vanwege zijn keldertrap van 3 voet diep waarvoor men ieder jaar 6 gro­ten verschuldigd was[11].

 

Op 28 juni 1594, na een verkoop door de amman aan Peter vander Goes aan een erfrente van 142 Carolusgulden, wordt de Flesse door Alonso de Palma Carillo door naasting verworven. Men beschrijft de Flesse als “... een huys nu twee wooningen synde...”[12]. Uiteindelijk zal amman Ridder Jan Damant na een openbare verkoop op 15 september 1606 het pand toch overdragen op de kinderen van Peter vander Goes en Johanna Husoel voor een erfrente van 132 gulden. We schrijven dan al 24 april 1608[13]. Op 11 februari 1640 wordt één van die kinderen n.l. Hen­rick vander Goes eigenaar van de Rode Flesse en het Oorcus­sen in de Hoogstraat[14]. Zijn kinderen die hij had van Maria Janssens en zijn kleinkinderen verkopen het op 8 maart 1651 voor 3250 gulden aan Dierick van Meerbeeck en (een andere) Maria Janssens. Het pand wordt dan voor het eerst uitvoerig beschreven: “Een huys nu ter tyt twee wooningen synde deen met winckel ceuckene neercamere hangende camer twee bovencamers solders kelder plaetse borneputte ende regenback ende dander met winckel ceucken hangende camer bovencamer solder ende kelder gronde ende allen den toebehoirten geheeten de Roode flesse...”[15].

 

Ondanks het feit dat er tot 1651 sprake is van twee woningen wordt er in de cohieren van de XVIIde eeuw slechts één item voorzien voor de Rode Flesse.  Wij weten dat Jaspar Plisson in 1657 samen met zijn vader Anthonis op de Oude Koornmarkt woonde.  Uit de staat van deze laatste blijkt ook dat de familie zeker niet arm was en dat er een vrij bloeiende handel werd gedre­ven[16].  Op 30 maart 1658 laat de wasma­ker Jaspar Plisson, gehuwd met Johanna de Mangeler, aan zijn ziekbed in de Roode Flesse zijn testament opmaken[17]. In 1659 huurt de wasmaker Martinus vanden Broeck,  het pand, dat voorzien was van vijf schoorsteen­pijpen, aan 162 gulden[18].   Marti­nus vanden Broec­ke woonde ook nog in 1667 in de Roode Flesse maar de huur bedroeg nog maar 120 gul­den.  In 1672 huurde hij terug aan 156 gulden[19]. In 1682 huurde de zilversmid Domini­cus Clap­hou­wers die later naar de Witte Pluyme verhuis­de[20].

 

Het is weeral de amman die het pand volgens akte d.d. 6 april 1688 verkoopt aan stadssecretaris Petrus Goos (gehuwd met Vrouwe Joanna Isabella Vecquenmans) die de voornaam­ste schuld­eiser was. Hij moet bij de rente die hij al trok (237 gulden 10 stuivers per jaar met een achterstal van 712 gulden 10 stuivers) nog maar 1060 gulden opleggen. In de beschrijving lezen we: “een huys twee woonin­gen geweest synde”[21]. Domini­cus Claphouwers huurde nog steeds in 1689 vooraleer hij zou ver­huizen naar de Pluym, maar zeker na 1700 werd er gewoond door Guilliam van Diepen­beeck[22].

 

Volgens akte d.d. 13 april 1709 erft Petrus Goos' toen nog minderjari­ge dochter Clara Josephina Goos het huis[23]. Haar oudste broer, E.H. Franciscus Josephus Goos, licenciaat in de theolo­gie en de beide rechten en kanunnik in de kathedraal, verkocht het samen met de voogd over zijn minderjarige zuster, voor 2606 gulden Joannes Baptista van Ceulen en Anna Maria van Gobbel­schroey en dit volgens een akte gedateerd 12 januari 1717[24]. Zijn broer Martinus laat het in de periode 1730 - 1733 onder arrest plaatsen om verkoop of wegschenking te vermij­den[25]. In opdracht van zijn broer verkoopt Martinus het op 20 augustus 1733 voor 2600 gulden en een erfrente van 150 gulden per jaar aan Joannes Goetschalck en Catharina Dentier of Denckens[26].

 

Deze Joannes Goetschalck staat in de volkstelling van 1754 vermeld als bewoner. Hij was meester kuiper, had toen geen vrouw meer, en in de Rode Flesse huisden ook nog een knecht, een leergast en een ‘arm vrouwmens’, allen genoteerd in de rubriek ‘Vreemde­lingen’[27]. Hij hertrouwde met Maria Anna Goey, aangetrouwde familie van de zuster van zijn eerste vrouw en deze weet bij een verdeling op 9 april 1764 het huis voor zichzelf te behouden[28]. De twee kinderen van Joannes Goet­schalck en Maria Anna Goey verkopen de ouderlijke woning op 25 juni 1788 voor 4328 gulden aan de 23 jarige Franciscus Josep­hus Meynders die meteen hypothekeert voor 2200 gulden ten penning 20[29].  Eigenaars-bewoners van het pand, waarde 4300 gulden, waren in 1796 François Menders, 30 en tonnelier, zijn echtgenote Anna Montre, 32, hun zoontje onder 12 jaar Jean en de kantwerkster Marie Mals, 26[30].

 

In 1898 bevond er zich in het pand Oude Koornmarkt 50 een drogist[31].


 

[1] SAA, V 1980, f° 14 r°; SR 1, f° 54 r° en 139 r°.

[2] SAA, SR 37, f° 104 v°; SR 39, f° 142 v° en f° 191 r°; SR 40, f° 374 v°; f° 568 v° en f° 587 v°; SR 41, f° 378 r°, SR 43, f° 326 v° - 327 r°; zie ook nog SR 42, f° 90 r° - v° en SR 55, f° 253 v°.

[3] SAA, SR 96, f° 140 r° - v°.

[4] SAA, SR 125, f° 254 r°.

 

[5] SAA, SR 132, f° 223 v°.

[6] Aankoop: 6 september 1508: SAA, SR 133, f° 110 v° - 111 r°; calengiering: SR 136, f° 47 v°.

[7] SAA, SR 146, f° 104 r° - v°; en zie verder de tekst over de Leeuwinne.

[8] SAA, SR 176, f° 78 v° - 79 r°. Op 28 november 1514 hadden David Noblet en Johanna vander Lynden elkaar het huis geschonken. Dit wijst er sterk op dat ze het echt bewoond hebben: SR 146, f° 138 r°.

[9] SAA, SR 199, f° 134 r° - 136 r°.

[10] SAA, SR 249, f° 166 r° - v°.

[11] SAA, GA 4833, f° 37 v°; R 2181, f° 95 v°; R 2286, 2213, 2237, 2350, f° 9 v° - 10 r°; R 2317, f° 10 r° - v°; T 167, f° 40 v°; T 169, f° 18 v°, nr. 154/306, rente afgelost in 1651.

[12] SAA, SR 413, f° 225 r° - 226 r°.

[13] SAA, SR 470, f° 190 v° - 191 v°.

[14] SAA, SR 611, f° 222 r° - 229 v°.

[15] SAA, SR 718, f° 222 r° - 223 r°.

[16] SAA, N 3780, f° 132 r°, d.d. 30 augustus 1663. Er was voor meer dan 2000 gulden contanten in huis, de meubelen (van Anthonis alleen?) werden geschat op 404 gulden, heel wat debiteurs hadden voor duizenden gulden schulden.

[17] SAA, N 3775, f° 149 r° (zie ook f° 1 r° - 2 r°).

[18] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd.

[19] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd. GA 4216 noteert hem als wasmaker; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 222.

[20] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 v°, nr. 217.

[21] SAA, SR 933, f° 28 r° - 29 r°.

[22] SAA, GA 4832, f° 65 v°, nr. 217; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 217.

[23] SAA, SR 1023, f° 245 r° - 249 r°.

[24] SAA, SR 1054, f° 80 v° - 82 r°.

[25] SAA, SR 1102, f° 368 v°.

[26] SAA, SR 1111, f° 435 r° - 436 v°; f° 438 r° - v°.

[27] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 43, nr. 171.

[28] SAA, SR 1222, f° 178 r° - 184 v°.

[29] SAA, SR 1299, deel II, f° 189 v° - 190 v°.

[30] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2438.

[31] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 48).