De Leeuwinne: Oude Koornmarkt 48

Terug naar het overzicht van de huizen

 

 

Bij Asaert vinden we ene Jan vanden Dale vermeld als eigenaar van wat later de Leeuwinne wordt genoemd.  Op 17 juni 1391 weet hij de tweede helft van de Leeuwinne te claimen als zijn eigendom terwijl hij de andere helft al zou bezeten hebben.  Claus van der Heyden, zoon van Jan, de eigenaar van de Hage en zelf eigenaar van de Wyngaert, verwierf op 17 januari 1414 o.s. nog een rente op het huis van Jan vanden Dale[1].  In een akte van 1443 over de Flesse wordt als buurman (dus de Leeuwinne) Jan vanden Brake vermeld[2]

 

Op 9 december 1448 geeft de bontwerker Claus van Leest aan zijn zoon Jacop van Leest een erfrente op de Leeuwinne, waar hij zelf in woont, gesitueerd tussen Peter van Landeghem en Jan vanden Broeke.  In diverse akten van de jaren 1444 tot 1458 wordt Claus van Leest als eigenaar vermeld en reeds in 1444 hypothekeert hij zijn huis[3].

 

Een schepenbrief over De Pluyme d.d. 24 september 1473 noemt Jacop de Cock als buurman en in een akte van 23 juli 1479 zegt men dat de Leeuwinne (als dusdanig expliciet genoemd) een loove zou vormen met de Flesse maar wel nog steeds apart in eigendom was van Jacop de Cock[4].

 

Een volgende gekende eigenaar was de zwartbontwerker Jan van Velthoven die, volgens  akten van 16 april 1504 en 20 januari 1505 (n.s.), de Leeuwinne als onderpand gebruikt voor een rente. Blijkbaar was dit geen goede politiek want naar aanleiding van schulden was het pand in 1507 in de handen van de voogden van Willem en Geert de Laet beland die het op 27 augustus deden doorverkopen aan Claus van Style voor een erfrente van 15 pond 4 schellingen per jaar. Het werd toen beschreven als “... een huys metter plaetsen tweehalve borneputte...”, genaamd de Leeuwinne[5]. Op 6 septem­ber 1508 probeert van Style het pand te verkopen maar de buurman van de Flesse, David Noblet, calengierde van naderschapen op 14 april 1509[6]. Op 20 november 1514 ver­koopt David Noblet, uitsnijder, de Leeuwinne aan de bontwerker Peter de Roy, die afkomstig was uit Mons. De beschrijving luidt dan: “... De helft van Eenen huyse dewelck een wooninge op heur selven is metter plaetsen acht[er?] came[ren] twee deelen vanden borne­putte...” en reeds met als naam ‘Leeuwinne’. Er is een kelder­deurencijns te betalen; het ‘heymelick’ (toilet) is gemeen­schappelijk met de Fles en moet nog via de Leeuwinne geruimd worden. Er is nog een merkwaardige voorwaarde “... dat de voirs. pet[er] nec sui gheend[er]hande bontwerc dwelc gecuydt is opte strate voir syn voirs. huys en sal moegen cloppen noch doen cloppen...” zolang David Noblet en zijn echtgenote le­ven[7]. Deze akte laat er dus geen twijfel over bestaan dat de nieuwe eigenaar zijn huis wel degelijk voor zijn beroep ge­bruikte.

 

Josyne de Mont en de andere erfgenamen van Peter de Roy geven het huis in erfelijk recht aan de bontwerker Jan Marsys de Jonge op 9 augustus 1518. Op 3 februari 1519 n.s. bereikt deze een overeenkomst met de eigenaar van de Wyngaert (Oude Koorn­markt 56) i.v.m. water dat nog via zijn erf liep. De Wyngaert paalde achteraan aan en liet tot dan water via de Leeuwinne weglopen. Dit kan nu niet meer[8]. Op 10 januari 1547 n.s. ruilt Jan Marsys de Leeuwinne voor een huis in de St. Andriesstraat met Herman Daems[9].

 

De Leeuwinne viel ten prooi aan versnippering. Zo werd volgens een akte d.d. 24 september 1578 bij de verdeling van de goede­ren van Anna van Ossel, weduwe van Herman Daems, 1/4 toegewe­zen aan Maria Theunnemans, gehuwd met Jan Spillemans, en 1/4 aan Anna Theunnemans, gehuwd met de vleeshouwer Jan Mertens[10]. Bovengenoemde eigenaars, samen met Jan vander Vloet en Catlyne Daems, die ook 1/4 bezaten kunnen er op 1 juli 1583 ook nog het laatste vierde van Anna Daems bijko­pen. De Leeuwinne wordt dan beschreven als: “... eene huyse mette plaetse ach­terhuyse regenbacke gemeynen borneputte en[de] weerdrib­be...”.  Het pand was, zoals eerder al gebleken was, voorzien van een kelderdeur van 2 voet diep waarop een jaarlijkse cijns van 5 groten Brabants moest betaald worden[11].

 

In de cohieren van 1577 - 1586 spreekt men over een voorhuis, huurwaarde 72 gulden, en een achterhuis huurwaarde 24 gulden. Het voorhuis werd in die periode constant bewoond door de peltier Jan de Backer, in het achterhuis heeft mogelijk enige tijd een 'weduwe Daems' gewoond maar in 1584 wordt de Brussel­se juwelier Joos de Roomer als huurder vermeld[12].

 

Door vererving en verkoop kwamen stukjes van het eigendom steeds in de handen van andere personen terecht om uiteinde­lijk bij Jan de Cocqueel te belanden:

1) Susanna Mertens verwierf op 13 maart 1607 1/3 als gevolg van de dood van Jan Mertens en Anna Theunnemans[13].

2) Andere afstammelingen van de familie Mertens verkopen op 18 september 1608 3/18 aan de peltier Godevaert Andriessen[14].

3) Catlyne Daems verkoopt op 21 juli 1609 haar deel (1/3) aan Jan de Cocqueel. Het pand wordt uitvoerig beschreven: “... Een huys met winckele coeckene plaetse neercamer met coetse schap­praye ende bancken al van herden houte met een schilderye voor de schouwe ende een comptoir daer neffens ende noch eender grooter plaetsen achterhuyse insgelycx met herde schapprayen ende bancken [ende] schilderye als voire regen­backe ghemeynen borneput weerdribbe diversche kelders opperca­mers solders gronde [ende] allen den toebehoorten geheeten de Leeuwinne...”[15].

4) Anna Mertens en haar man Goyvaert Andriessen geven in erfelijk recht 1/3 aan Jan de Cocqueel op 12 november 1609[16].

5) Op 15 oktober 1614 kocht Jan de Cocqueel de kinderen van zijn eerste vrouw Susanna Mertens uit en verkreeg aldus het laatste derde.

 

Er zijn evenwel twee Jan de Cocqueels want de zoon van hoger­genoemde kreeg dezelfde naam. In ieder geval bewoonde een Jan de Cocqueel zelf het pand volgens het cohier van 1659. Het had toen een huurwaarde van 140 gulden en was voorzien van zes schoorsteenpijpen[17]. In 1667 woonde hij er nog maar de huur­waarde was teruggevallen op 120 gulden[18]. In 1677 noteert de meerse hem als zijdehandelaar.  In 1672 woont Jacques de Cocqueel er en in 1682 wordt het pand bewoond door de weduwe Cocqueel die de zaak in 1681 had overgeno­men[19]. Bij de verde­ling van de erfenis van Jan de Cocqueel de Jonge en zijn echtgenote Catharina de Smit op 12 maart 1688 wordt één van hun vier dochters Margare­ta Begga de Cocqueel de nieuwe eige­nares[20]. De meerse kent haar als handelaar in 'bolyn' in 1696 en 1700[21]. Zij woonde er zelf in na 1689 en hoogst­waar­schijn­lijk ook nog in 1734 bij het opmaken van haar testament. Ze noemde het toen zelf 'De Wolfinne'. Haar nicht, Anna Theresia Nauwer­laerts die ze toen aanstelde als testamen­tair executeur, zou de nieuwe eigenares worden na haar dood[22]. Voor 3050 gul­den verkopen de erfgena­men van Margareta Begga de Leeuwin­ne volgens akte d.d. 4 oktober 1736 aan de koopman Joannes Petrus van Doren en Anna Maria de Mol[23].

 

Dit echtpaar heeft er ook weer gewoond blijkens de volkstel­ling van 1754 en de naamlijsten van de meerse van 1768 tot 1786. Ze waren 'doende in bolynen' en woonden er toen samen met drie zonen van resp. 1, 4 en 6 jaar, twee dochters van resp. 2 en 22 jaar en 2 personen huispersoneel[24]. Maria Anna de Mol werd echter overleefd door haar man en zeven kinderen (4 jongens, 3 meisjes) die ze op de wereld had gezet. Op 22 juli 1786 verwerft één van de dochters, Anna Catharina van Dooren, na ruggespraak met haar vader en de andere kinde­ren voor 4500 gulden het ouderlijk huis. Ze hypothekeert het meteen voor 1000 gulden ten penning 20 t.o.v. van haar zuster Joanna Catharina[25].

 

De familie van Doren bewoonden het pand, waarde 5000 gulden, wel degelijk.  De familie bestond uit Anna, 64 en handelaarster in bombazijn, Marie, 29 en Catrin, 20.  Andere huisgenoten waren de dienstbode Lucie Heyltjens, 28, en een meisje jonger dan 12 die al kantwerkster was met name Catrin Pellegrotin[26].

 

In 1898 was er in de Leeuwinne een kruidenier waarbij de achterbouw als opslagruimte dienst deed[27].


 

[1] SAA, V. 1980, f° 14 r°; SR 1, f° 139 r°; SR 2, f° 25 v°; SR 4, f° 270 v°.

[2] SAA, SR 32, f° 330 v°.

 

[3] SAA, SR 33, f° 163 v°; SR 34, f° 88 r° en f° 178 r°; SR 35, f° 113 v°; SR 36, f° 174 r°; SR 39, f° 142 v°; SR 40, f° 587 v°; SR 41, f° 378 r°; SR 42, f° 91 r° - v°; SR 45, f° 172 v°; SR 55, f° 253 v°.

[4] RAA, Schepenbrieven Antwerpen, doos II, nr. 170; SR 96, f° 140 r° - v°.

[5] SAA, SR 125, f° 3 v° en f° 254 r°;  SR 131, f° 34 r° - v°. Van Velthoven was ook eigenaar van het buurpand de Flessche en van een hoeve in Boechout.

[6] SAA, SR 133, f° 110 v° - 111 r°; SR 136, f° 47 v°.

[7] SAA, SR 146, f° 104 r° - v°.

[8] SAA, SR 153, f° 275 r°- v°; SR 154, f° 312 v° - 313 r°.

[9] SAA, Collectanea 6, f° 195 r° - v°.

[10] SAA, SR 354, f° 432 r° - 438 r°.

[11] SAA, SR 374, f° 246 r° - v°; T 167, f° 41 r°; T 169, f° 18 v°, nr. 155/307, afgelost in 1659.

[12] SAA, GA 4833, f° 37 r° - v°; R 2181, f° 95 v° - 96 r°; R 2286, 2213, 2237, 2350, f° 9 v°; R 2317, f° 10 r°.

[13] SAA, SR 469, f° 81 v° - 85 r°.

[14] SAA, SR 471, f° 32 v°

[15] SAA, SR 482, f° 110 r° - 111 r°.

[16] SAA, SR 482, f° 77 r° - 78 r°.

[17] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd.

[18] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[19] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 221; GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 v°, nr. 216; GA 4216-17.

[20] SAA, SR 933, f° 88 v° - 89 v°.

[21] SAA, GA 4218-19.

[22] SAA, GA 4832, f° 65 v°, nr. 216; R 2516 : Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 216; N 1204, ongefolieerd, akte d.d. 6 februari 1734.

[23] SAA, SR 1121, f° 132 r° - 133 r°.

[24] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 43, nr. 170. GA 4221, 4224, 4227 en 4230.

[25] SAA, SR 1290, f° 130 r° - 132 v°.

[26] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2439.

[27] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 46).