De Blomme, Oude Koornmarkt 44

Terug naar het overzicht van de huizen

 

 

In een akte van 2 april 1396 wordt ons gemeld dat de buurman van de Pluyme, Oude Koornmarkt 46, ene Jan van Overscelde is[1].

Op 7 oktober 1435 daagt de bontwerker Jan de Backer de Blomme: “... een huyse mette[en] plaetsen gronde borneputte stalle...” als zijn eigendom en zowel in de periode 1445-1454 als 1473 wordt deze Jan de Backer, bontwerker nog steeds aangeduid als bezitter van de Blomme[2].

 

We weten uit een rentebrief van 4 januari 1480 n.s. dat de bontwerker Merten vander Vucht de Blomme toen nog niet zolang daarvoor op de Vrijdagmarkt had gekocht[3].  Op 20 maart 1510 n.s. wordt de bontwerker Henrick Adriaensen, gehuwd met Katli­ne vander Vucht, naar aanleiding van de verdeling van de eigen­dommen van Merten vander Vucht en Lysbette Boots, ouders van Katline, eigenaar van de Blomme[4]. Het echtpaar Adriaensen krijgt twee kinderen: Henrick, die in de voetsporen van zijn vader treedt, en Clara. Na de dood van zijn ouders koopt Henrick Clara uit volgens een akte van 22 januari 1533 n.s. Er is in dit document sprake van een kelder­deurencijns[5], wat wijst op mogelijke (bont?)handelsaktivitei­ten.

 

Op 22 juni 1565 verkopen de nazaten van Henrick Adriaenssen aan de koopman Adam Reyniers: “... Een groot huys met twee plaetsen neercamere regenbacke ceuckene groote stalle de welcke sal moeten dragen sekeren waterloop van hemelwate[r]...” genaamd de Bloeme “... daer nu ter tyt vuyt­hangen[de] is den schilt van loreynen...”. De koper betaalt een erfrente van 72 pond brabants per jaar[6].

 

In de periode 1577 - 1586 werd de Blomme in ieder geval niet bewooond door Adam Reyniers. Hij wordt ons gesignaleerd op het Kipdorp. Nadat het een tijdje had leeggestaan verhuurde hij het in 1577 aan Jan Luickens voor 200 gulden. Vanaf 1582 tot 1586 verhuurde hij het voor 150 gulden aan de Brusselse kremer Jan van Ervecom. Het Register houdende de huysen... van 1584 zegt dat deze alleen het achterhuis zou gehuurd hebben terwijl het voorhuis in dat jaar werd bewoond door de droogscheerder Geeraerdt Vos[7].

 

Het is evenwel niet uit te sluiten dat Adam Reyniers er toch voor 1577 een tijdje heeft gewoond want als zijn dochter uit zijn huwelijk met Magdalena de Becque, Jacqueline, na een verdeling op 14 oktober 1586 het huis op 14 november 1595 verkoopt heeft er volgens de akte een verbou­wing plaatsgegre­pen: “... packhuyse dwelck stal te wesen plach...”. In de lijst van de servituden wordt gezegd dat dit pakhuis mag afgebroken worden om er een hof van te maken. We vernemen ook dat men een cijns van 1 groot betaalt voor de kelderdeur van 2 voet diep aan de voorkant, zoals gezegd een nuttig werkinstru­ment voor kooplui (uiteraard ook voor kremers). Kopers in 1595 zijn Jeronimus Sittaert of Zittart, deurwaarder van de Raad van Brabant, en Anna van Kestelt. De koopsom ligt in de buurt van een erfrente van 216 Carolusgul­den 14 stui­vers[8].

 

Op 16 september 1613 verkoopt Anna van Kestelt, weduwe gewor­den, samen met haar kinderen en de andere erfgenamen van Jeronimus Sittaert aan de ijzerverkoper Willem Hems en Geer­truyt Sluyters “... Een huys geheeten de Blomme met twee plaetsen, twee keuckenen een neercamer, eenen vloere, regen­backe, pompe, hove alwaer sekeren waterloop van hemelwater blijven moet... gronde ende allen den toebehoorten...”[9]. Men schat het op 271 Car.g. 15 stuivers erfelijk en er drukken vor 200 Car.g. renten op. Geertruyt laat het huis na volgens haar testament van 1623 aan haar neef Hans Cassepeel wiens weduwe, Anna van Goidtsenhoven het op 19 juni 1657 ter afbetaling van alle hypotheekrenten aan de smid Jacques de Coninck of le Roy en zijn vrouw Hen­dricxken Janssen verkoopt. Weer zijn er allerlei verbouwingen geweest zoals uit de beschrijving blijkt: “... een huys geheeten de Bloeme met vloere oft win­kel, neercamer, eene groote keuckene, een cleyn keuckene daer inne staende een forneys, drye plaetsen, logie, dobbel pompe van put [ende] regenwater, packhuys, diversche weerdrib­ben, bovencamers, solders, kelders, gronde [ende] allen den toebe­hoorten...”[10]. Volgens het cohier van 1659 bewoonde Jac­ques de Coninck zelf het huis, huurwaarde 180 gulden en voorzien van zes schoorsteenpijpen[11]. In 1667 en 1672 staat hij nog steeds vermeld maar is de huurwaarde gedaald naar 150 gul­den[12]. In 1682 en 1689 is zijn weduwe de bewoonster[13].  Jan van Croonen­borch, een wijnkoopman, en zijn echt­ge­note Anna Catha­rina Janssens, worden de nieuwe eigenaars als Maria Jans­sens, koop­vrouw, en weduwe van Jacques le Roy, hen volgens akte d.d. 22 juni 1690 het huis geeft bij wijze van ‘donatio inter vivos’.  De nieuwe eigenaars zijn er ook gaan wonen blijkens de cohie­ren van de vroege 18de eeuw[14].

 

Wijnhandel van Croonenborgh kwam in de jaren 1720, wellicht na de dood van het echtpaar en onder leiding van hun kinderen, in moeilijkheden. In 1725 wordt het huis voor vijf maanden onder arrest geplaatst en op 6 maart 1728 na een openbare verkoop door de amman voor 4150 gulden verkocht aan Joannes Willems­sens en Susanna Maria Vermout[15]. Op 23 februari 1748 erft hun zoon Joannes Baptista Willemssens, collecteur van de stedelij­ke maalaccijnzen, het pand[16]. Hij heeft het samen met één van zijn twee zusters zeker bewoond blijkens de volkstelling van 1754. Ze hadden één persoon huispersoneel[17]. Op 8 juli 1793 verkoopt J.B. Willemssens voor 5820 gulden nog steeds eigen­handig zijn eigendom aan Cornelius Nees en Maria Theresia Ouwers. De nieuwe eigenaars hypothekeren het meteen voor 4000 gulden ten penning 20[18].  In 1796 werd het pand door volgende eigenaars gebruikt: Jean Nees, 29, handelaar in katoen of bombazijn [in de tekst staat ‘Ne Bazin’]; Catrin van Billoen, 26 en Marie Bogaerts, 26.  Men schatte het op 5000 gulden[19].

 

In 1898 woonde er in de Blomme een handelaar (négociant)[20].

                                                                            

 


 

[1] SAA, SR 2, f° 25 v°.

[2]  SAA, V 1981, f° 97 v°; RAA; Schepenbrieven Antwerpen, doos II, nr. 170; SAA, SR 34, f° 88 r° en 178 r°; SR 35, f° 113 v°; SR 46, f° 347 r°; SR 49, f° 72 r°.

[3] SAA, SR 96, f° 306 r°. Zie ook nog de akte van 1/07/1479 waarin nog een andere bontwerker, ene Jan Clements, vermeld wordt: Ibid., f° 89 r°.

[4] SAA, SR 136, f° 229 v° - 230 r°.

[5] SAA, SR 181, f° 179 v° - 180 r°.

[6] SAA, SR 303, f° 121 r° - 122 v°.

[7] SAA, GA 4833, f° 37 r°; R 2181, f° 96 r°; R 2286, 2213, 2237, 2350, f° 9 r°; R 2317, f° 9 v°.

[8] SAA, Coll 18, f° 252 r° - 263 r° (= verdeling d.d. 5 juni 1595); SR 418, f° 421 v° - 422 v°; T 167, f° 41 r°; T 169, f° 18 v°, nr. 156/309, rente afgelost in 1667.

[9] SAA, SR 507, f° 466 r° - 467 r°.

[10] SAA, SR 745, f° 86 r° - v°.

[11] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd.

[12] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; A. 4829, cohier eerste wijk, nr. 219 (waar overigens de benamingen 'Pluym' en 'Blom' met elkaar verwisseld worden).

[13] SAA; GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 v°, nr. 214.

[14] SAA, SR 947, f° 82 v° - 83 r°; GA 4832, f° 65 v°, nr. 214; R 2516, eerste wijk tweede kapitein, nr. 214.  De meerseniers vermelden in 1696 en 1700 in de Oude Koornmarkt een ijzerhan­delaar met dezelfde naam (GA 4218-19).

[15] SAA, SR 1085, f° 152 v° - 153 r°; SR 1095, f° 315 v° - 318 r°.

[16] SAA, SR 271 v° - 277 r°.

[17] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 43, nr. 168.

[18] SAA, SR 1316, f° 385 r° - 386 v°.

[19] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2441.  Joannes Carolus Nees en Petrus Carolus Nees staan als katoenhandelaars opgeno­men in de naamlijsten van de meerseniers van 1793 en 1794 (GA 4238 en 4240).

[20] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 42).