Groenen Schild of Refter, Oude Koornmarkt 42

 Boedelinventaris van Sebastiaen Meeus, bewerker van Spaans leder (1612)
 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Rond 1397 was niemand minder dan amman Heer Jacop van Hoboken eigenaar van dit pand[1] dat achteraan aanpaalde aan De Pluyme, Oude Koornmarkt 46.  In een akte van 1435 en 1450 vermeld men ene Juffrouw, weduwe Gielys s'Hertogen als eigenares en als buurman van de Cleyn Gans vermeldt men vanaf 1440 tot 1454 Symoen vander Couder­borch, die in 1454 een rente verkoopt op zijn "huys met stal­lingen plaetsen hove gr."[2]

Een eerste beschrijving hebben we uit een rentenbrief van december 1479: "... een huys metten stalle borneputte plaet­sen..." geheeten den Reefter[3].

 

We schrijven 5 april 1499 als Francyne Zwaeyers, eigenares van 1/4 van het huis de overige 3/4 weet te verkrijgen van Jacop Jacops (2/4) en haar zuster Katlyne Zwaeyers (1/4). De beschrijving luidt kortweg: "... een huysinge metten stalle plaetssen... de Reefter..."[4]. Francyne was toen reeds weduwe van Jacop Symons maar ze kreeg ook nog een zoon van Alvaro van Almaras.

Op 8 oktober 1546 geeft deze, met name Franchois van Almaras, het huis in erfelijk recht aan de toenmalige huurder n.l. Elisabeth Corvers, weduwe van Henrick Clocken[5].

 

We maken dan een sprong tot 8 februari 1563. De voogden van de kinderen van Jan Ketgen, die kleinkinderen waren van Elisabeth Corvers, en andere leden van de befaamde familie Ketgen verko­pen dan voor 536 gulden 10 stuivers erfelijk aan de kruidenier Jan vander Brugge de Jonge en Johanna Mandekens "... Een huyse metter poorten ende gange daer neffens, metten vloe[re] stove, neercameren coeckene han­gen[de] came[re], oppercame[re]n, solders plaetse[n] kelders stallingen packhuy­se achterhuy­se[n], borneputte en[de] reegen­backe gronde en[de] allen den toebeh[oorten], geheeten den reefter daer nu ter tyt het groen schildeken vuythangt..." gesitueerd tussen de Bloeme en de Cleyn Gans. Aan de achter­zijde grenzen ook nog de Spiegel en de Grote Gans, dit laatste pand met een gemeen­schappelijke muur[6].

 

Het is de amman die dit pand op 30 maart 1576 openbaar laat verkopen voor 150 pond 18 schellingen Brabants erfelijk. Koper is Christina Tesch die het pand overdraagt, als de verkoop pas op 17 november 1783 geregistreerd wordt, aan de tafeletmaker* Henrick Pijmans (ook Piemans of Peemans genoemd)[7]. In 1577 wordt de Groenen Schild geschat op 280 gulden huurwaarde. Eigenaar is volgens het cohier de weduwe Boudaens, huurder de kruidenier Jacques de Hondt. Vanaf 1582 tot 1586 wordt Heyn­drick Pijmans als huurder/bewoner vermeld, het 'Register houdende de huysen...' uit 1584 geeft hem als beroep tafel­boekmaker. Hij was poorter en uit Maas­tricht. In 1584 zou hij volgens dat register alleen het voorhuis bewoond hebben en het achterhuis verhuurd hebben aan de Antwerpse schoolmeester Jan Eslings[8]. In 1586 zou de weduwe van Henrick Pijmans afstand gedaan hebben van het huis. De amman laat op 20 september 1590 het na een openbare verkoop aan niemand minder dan oud-schepen Andries van Breusegem en Anna de Haze voor een erfrente van 240 Carolusgulden per jaar[9].

 

Of deze familie van Breusegem er ooit heeft gewoond is zeer twij­felachtig alhoewel dergelijk voornaam handelspand mogelijk in het kraam paste van deze rijke kruideniersfamilie. Op 10 juni 1612 overlijdt er Sebastiaen Meeus, bewerker van Spaans leder, een beroep dat dus duidelijk weer in de lijn past van de buurt. Van hem is overigens een boedelinventaris bewaard. Hieruit blijkt dat de Groenen Schild een zeer degelijke woning was.

 

De nazaten van de van Breusegems verkopen het pand op 13 oktober 1615 voor 357 Carolus­gulden erfelijk aan de kremer Jan Masteleyn en Anna van Oyenhem. Het prestige van dit eigendom blijkt uit de vernieuw­de beschrij­ving: "... Een groot steenen huysingh[e] met winckel, keucken, neercamer, twee hangende camers, diver­sche oppercamers, solders, gevoutte kelders, weerdribbe plaetse, met eenen achterhuyse, met keucken neerca­mer, opper­camers, solders, gaelderye, comptoire, kelders, pompe, regen­back, weerdribbe, hove, gronde en[de] allen den toebehoorten gehee­ten den Reefter daer nu ter tyt den groenen schilt wthangt..."[10].  De Masteleyns hebben het huis bewoond, in 1636 is er een vermelding door de meerseniers; Jan Maste­leyn, of zijn zoon die onge­veer dezelfde naam had, n.l. Jan Baptista, wordt in 1659 wel degelijk gesignaleerd als bewoner van zijn huis, huurwaar­de 300 gulden en voorzien van 9 schoor­steenpijpen waardoor het duidelijk tot de belangrijkste eigen­dommen van de al belang­rijke Oude Koornmarkt mag gerekend worden[11]. Ook in 1667 wordt hij nog steeds vermeld[12]. Het tes­ta­ment van Jan Baptis­ta Maste­leyn d.d. 1 juni 1671 geeft nogmaals aan dat hij op de Oude Koornmarkt woonde samen met een maart, met name Beatrix, die niet alleen bedacht werd met een rouwkleed maar ook nog vierhonderd gulden kreeg, en een knecht die Andries heette. Het is duidelijk dat zijn erfenis naar zijn zuster Maria zal gaan en een legaat van 4000 gulden was voorzien voor haar zoon Jan Battista Pottier[13]. Ook Maria Masteleyn zou volgens haar testament d.d. 13 oktober 1678 haar erfdeel bewoond hebben.  De meerseniers beschrijven haar in 1677 als zijdeverfster en in het cohier van 1672 kwam ze als weduwe Pottier al voor[14].  Bij een verdeling volgens akte d.d. 21 juni 1679 wordt de Groenen Schild toegewezen aan een klein­dochter van Jan senior n.l. Maria Anna Pottier, dochter van Franchois Pottier en Maria Masteleyn. Men schat het pand op 14000 gulden en ze hypothekeert het meteen voor 500 gulden per jaar erfe­lijke rente[15].

 

In het cohier van 1682 noteert men 'Heer Gerardi', d.i. Jonker Guillielmus Gerardi, echtgenoot van Maria Anna Pottier, als eigenaar en een zekere Ferdinand de Bogh als huurder tegen 350 gulden per jaar.  Laatstgenoemde woonde er ook nog zeker in 1689 en werd daarna opgevolgd door Cornelis van[de] Zande[16]

Het is Peeter Oudaert, koopman, gehuwd met Maria van Pedts, die op 17 maart 1699 van de inmiddels weduwe geworden Maria Anna Pottier koopt voor 11025 gulden[17].  De cohieren van de jaren 1704 tot 1708 geven aan dat hij het effectief bewoonde.  Overigens wordt er een nieuwe naam vermeld: 'de Vergul­de Peli­caen'[18].  Het echt­paar Oudaert- van Pedts (Bedts) verkoopt alweer op 19 februari 1709 in uitvoe­ring van een contract d.d. 24 december 1708 aan de koopman Ingnatio Wittebol. In de beschrijving zijn er weer een paar zaken veranderd en boven­dien zijn er een paar extra's in deze koop inbegrepen: "... Een groote huyssinge met voor­vloere, packhuys, neercamere, ceucke­ne, oppercamers, solders, gaelderye, comptoire, kelders, weerdribbe plaetse met achter­huysinge, met ceuckene, neerca­mers, oppercamers hove gronde ende toebehoorten met allen tgen aert ende nagelvast is, oock de stouschenckels ende lynwaet­stecken al ist dat die nyet nagelvast syn... eerst gen[aemt] den Refter ende ten wyckboecke deser stadt den groenen schilt daer nu den gulden Pellicaen vuytsteeckt..."[19]. De waarde van het pand was 11.500 gulden.

 

Op 8 juni 1731 verkoopt Maria Catharina vander Aa, de echtge­note van Ignatius Wittebol, het pand voor 10.500 gulden die meteen betaald zijn aan Jan François Vermoelen en Theresia Catharina Muytincx[20]. Deze laatste wordt als weduwe vermeld als bewoonster in 1748 in haar testament en in 1754. Zij was koopvrouwe van beroep en samen met haar woonden haar vijf dochters van resp. 24, 28, 30, 38 en 48 jaar en één persoon huispersoneel bij haar in[21]. Het echtpaar Vermoelen- Muytincx had in totaal negen kinderen en na de dood van Catharina verkrijgen de vier nog steeds onge­huwde dochters volgens akte van 24 mei 1766 de Refter[22].  In 1796 blijkt het pand met een waarde van 8OOO gulden één van de duurdere te zijn op de Oude Koornmarkt.  De eigenaars-bewoners waren de renteniersters Marie en Joanna Vermoelen, resp. 77 en 82 jaar.  Zij beschik­ten over een kapitaal van minstens 100.000 gulden en lieten zich dienen door Adrien Raeymakers, 36; Catrin Ooms, 35 en Mari Dentjens, 27[23].

 

In 1898 werd het pand bewoond door een handelaar (négociant)[24].

 

 

Bijlage: boedelinventaris d.d. 19 juli 1612 van Sebastiaen Meeus, bewerker van Spaans leder.

 

Bron: N. 3366, ongefolieerd reeds eerder gedeeltelijk gepubli­ceerd in: E. DUVERGER, Anwerpse kunstinvenatarissen uit de zeventiende eeuw, dl. I, Brussel, 1984, p. 271 - 272 (nr. 165).

 

Personalia: hij was weduwnaar van Maria vander Haut en echtge­noot van Magdalena Alens. Hij heeft drie minderjarige kinde­ren: uit het eerste huwelijk: Elisabeth en Johanna, uit het tweede: Anna. Gerechtelijke voogden voor de eerste twee kinde­ren zijn Franchois Wils en Hans van Sebrecht. Hans Vervliet is testamentair voogd over Anna.

 

Inde ceucken

 

Een herthoute vuyttrecken[de] taeffel [daer]op ligge[nde] een gruen carpette taeffelcleet I te[nen] zetel I herthoute cap­stock I quaet sport mandek[en] met wat quade prondel- [d]ing­he [daer]inne een houwer, een herthoute coetse mett[en] hemel behangen met een gruen [ende] geel dornicxe valle [ende] twee gordyn[en] van[de] zelve [daer]op bevonden een stroye matras­se, een bedde mette hooftpeulinck twee tyck[en] oorcus­sen met hen overtoeghen een p[aer] slaepelaekens van ander halff breyde

 

een groen met een witte spaensche sargien een weeckhoute voetbancke een weeckhoute rechtbancke met twee deuren [daer]inne [ende] op bevonden tnaevolgende, een dosyn roode houte teljooren een groot houte schotelken [daer]ine de bier­potten inset[en] vier tenne schotelen van vier ponden stuck, ses tenne schotelen van drye ponden tstuck, vier tenne schote­len van 2 1/2 ponden tstuck, drye tenne schotelen van twee ponden tstuck, vier tennen schotelen van ander halff pondt stuck, twee tennen schotelen van een half pondt stuck, een dosyn tenne teljooren thien tenne commekens met zes tennen lepels een tenne wynpint drye tenne soutvaten I tennen mos­taertpot I tennen suypencroes, I tennen spoubecken, I tennen pispot I bleken banck diemen inden merctcorff gebruyct I becken met gat dwelckmen onder tvleesch gebruyct, een rooden coop[eren] hespketel twee gheel coop[eren] ketels twee geel coop[eren] vierketels, I geel coop[eren] melckstoopken I root coop[eren] aekerken I geel coop[eren] rechangsoir I geel coop[eren] panneken vier gheel coop[eren] candelaers twee ysere lichters neghen steene drinckpotten onder groot [ende] cleyn al met tennen dexels I raspe dry brootmess[en] een naymandeken drye geleyse schotelen een latte met een hangel I rooster I potheys een hensken een ysere braetpanne I spit I vierschuppe I yseren gaffelken I yseren drooglepel, I branty­ser met haecken twee ysere kersnutters I capmes een coec­k-affsteckyser I schoucleet gestrept swert gheel [ende] gruen I vlieg[end] schappraeyken [daer]inn nyet dan een seroop met een oliepotken wat oude schoenen I houten coolback I bael mandeken I herthoute schabeltaeffelken twee gruen geschilderde spaen­sche mansleenstoelen een

 

grooten spaensche mans leenstoel I vrouwe spaenschen leenstoel een[en] gruenen geschilderden mans leen dryvoetstoel I tapyte met noch een gestrept gruen [ende] geel zittecussens, noch een[en] geelen coop[eren] vierketel

 

Inde Neercaemer

 

Een swert leere coffer beslaegen met 18 ysere banden [ende] twee sloot[en] [daer]inne bevonden tnaevolg[ende] I des affli­vigers zwertt[en] laeck[en] best[en] mantel voor met een[en] armozynen bant met eenen flouweel[en] schoene [daer]aene noch een laeck[enen] landen grauw[en] mantel ongevoedert met een grauwen ongeschon[den] flouweel[en] schoene een[en] dornickers heren laeck[en] mantel enckel I swertte laecken vliegher geboirt met een flouweelen boort gevoedert met honscot[en] [ende] armosyne gepickeerde venten [daer]inne, een engelse carlen vliegher geboort met een zyde passement gevoedert met bay [ende] met genopte armozyne venten [daer]inne I torcx groffgreyn[en] vrouw[e]n rock geboirt met een flouweelen boirt ghevoedert met carmozyn bay I roode laeckene ziele geboert oick met een fluweelen boirt [ende] gevoedert met rooden bay een[en] swertten laecken[en] vliegher geboirt oick met een flouweelen boort [ende] met engelse damasten venten I swert gepickeert sattyne lyff met I corde geboort een violet caffa vrouwelyff met silver cnoppen een root caffa vrouwe lyff lelie werck geboort met een coirdeken I taneyte sattyn gepickeerde borste met een p[aer] enghels carle mouwen [daer]

 

aen [ende] voir vol silvere doorluchtige cnopkens een[en] armozyn[en] voirschoyt I caffa moussel gheboort met get, twee beratte huycken een[en] flouweel[en] met een[en] armosyn[en] vrouwe hoy* geboirt respective met coorden I paer swertte laecken mansboecxens geboirt met een sattyn passement [daer] inde zynde met cnoppen gevoedert met zeem een zweert laeckene mansrocxken geboort oyk met een sattyne rande gevoedert met swert fusteyn een engels carle mans broecke onder toe, gebort met een zyde passement [ende] met cnoppen inde zyde gevoedert oick met zeem een beratte mans wambeys geboort met een zyde passement twee p[aer] swertte zayette mans neerbaesen I p[aer] zyde coussebanden met breynaet aende canten I taff[en] mans­riem, Int baeltken voorgaent liggen dese naevolg[ende] cleede­ren I swertten gesticten leeren mans riem des afflivigens I zwertte laeckene werckendaechsch broek geboort oick met een coirde met cnoppen inde zyde gevoedert met zeem I swert laec­ken des afflivigens daegelycx rocxken geboirt met een ronde zyde coirde gevoedert met swertte bay een zeeme mans onder wambeys gevoedert met fusteyn een swertt bombesyne mansonder­wambeys gevoedert als tvoirgae[nde] met quade beratte mouwen [daer]aen een oudt bombeseyne manswambeys geboirt met een taneyt spie­gieliecoirdeken noch een swertte laeckene broecke geboirt met een zyde coirde ghevoeert oik met zeem I zeeme met een bombe­zyne onderbroecken I grauw laeck[en] mans rocxken geboort met drye taneyte zyde coirdekens gevoedert met fusteyn twee oude swertte vilte manshoyen elk met een dubbel

 

lampers*, I grauwe vilt[en] mans hoet gevoedert met borat zonder bant I quade mutse , een herthoute coetse mett[en] hemel behangen met twee gruen rasette gordyn[en] [ende] een valle [daer]op bevonden een bedde mette[n] hooftpeulinck twee tycke oorcussens elck met hun flouwyne overtoegh[en] respecti­ve wesende met breede fass ghemaet, I gruen met gewitte spaen­sche zargien I geel coop[eren] wywaetervaetken, I teenen vrouwenzetel I cleerbaele I mertcorffken een bybel met slooten I gruen raffette schoucleet met frenien twee geel coop[eren] ring[en] [ende] diemen opde taeffel onder de schotelen ge­bruyct een[en] ryse cleerbessen een p[aer] gheslep[en] branty­sers met geel coop[eren] cnoppen [daer]aen I groote spaenschen mans leenstoel een offerande vande drye cooninghen op paneel olie verve in lyste, elff maendeken van pampier op teljoerkens geplact, een schilderye va[nden] coninck Assuerus op doeck in lyste een paternoster van grau been[en] gedrayde teeckenen een herthoute vuyttreckende taeffel met een gruen carpette taef­felcleet [daer]op vier herthoute zitbancken een matte tegens den muer genaegelt vier spaensche mans taeffelstoelen vier vrouwe spaensche stoelen vier tapyte zittecussens achter becleet met roode leere cussenblaederen een spaensche leeren vrouwen kerckstoel I geelen coop[eren] blaecker  een cleerbor­stel I spiegelken in een zwertte casse I kintcorff [daer]inne nyet dan wat slechte lynwate kindtdoecken met twee lynwaete goede slaepmuts[en] met breynaet, een dambert mette stecken, een stockborsse ydel, een herthoute ingelegde

 

cleerschappraye boven met drye sloeten [ende] beneden twee deuren [daer]inne bevonden tnaevolg[ende], I swertten laec­ke[n] rouvlieger enckel een[en] zwertte enckele laecken rou ceurs I mareyten laecken vrouwenrock geboirt met een[en] flouweelen boirt gevoedert met rooden bay een zayen cuers geboort als[den] voors. rock I boratte [voor]schoyt een[en] voorschoyt van dubbel wit, een roode laecke[n] ziele geboort met twee trype boorden een honscoote schorsse** I root sta­met­te vrouwe slaeplyffken een engels carle lyff I boratten rou hoet een[en] goeden vilten mans hoet met een dobbel lampers gevoe­dert met armozyn thien blau lynwate [voor]schoy[en] twelff doecken hoyen vyfthien vrouwe camericx halsdoecken den een[en] [daer]aff zonder onderste, een dosyn camericxen mans­crae­gen, vyff camericx mans omslaegen al met breynaet dryen­dertich mans hem[den] meest met omslaegen onder goet [ende] quaet neghen­thien vrouwen hemden onder goet [ende] quaet, noch ses nyeuw gesneden vrouwenhemden [daer]aff een begonst was by de wed[u­we] in des[en] te nayen I boratten mans moussel gevoe­dert met bont, 22 mans lynwate slaephuyven, vierendertich servetten dry witte lynwate vrouwe voorschoyte dryentwintich flouwyn[en] eenige met tuschennaet, twee lynwate handtdoecken tweelff paer eynden slaepelaeckenen, van ander halff laecken breyde, vier paer boergoensche laeckenen een[en] zilver[en] becker van omtrent 4 1/2 oncen I zilvere kinder claeter* met vyff zil­ve­re beelekens [daer]aen [ende] een zilvere ketene drye zilvere lepels, twee zilvere gesneden** hechten een quade leeren mes­coecker met

 

een zilvere ketene [daer]inne, een zilver[en] vrouwen lyffriem met een zilveren sleutelriem een quaet flouweele hertteke ydel [daer]in steckende een silvere ketene een[en] zilvere schors­haeck van dryen***, 34 grootte gealvalieerde**** zilvere knop­­­pen noch 66 zilvere gealvalieerde cnopkens, I gouden draet­rinck II goude zuffen van dryen***** I robyntk[en] int gout I tourquoisken int gout. Een avontmael op paneel olie [ver]ve in lyste, I cruyceficx op zyn[en] berch, twee horne meyen, twee plaestere tronikens, I boer met een boerinne op paneel olie [ver]ve in lyste, een geel coop[eren] bedtpanne een cleyn herthoute kistken met een sloete daer inne bevonden tnaevol­gen[de 20 gestecken vrouwen huyven onder goet [ende] quaet, een deel halsnoeren 16 snutdoecken [daer]aff de twee met breynaet 22 vrouwe lynwaete slaephuyven vier p[aer] camericx vrouwe poinjetten met breynaet neghen vrouwen hooftbandekens met breynaet I gheel coop[eren] busken met roode coop[eren] legpen[nen] I wit vrouwe slaeplyffken dopkenswerck.

 

Opde hang[ende] caemer

 

Een brantyser I tange I vierschuppe I treft I blaesbalck I houte soutvat I gruen carsey[en] schoucleet I weeckhoute coetske [daer]op bevonden een beddeken metten hooftpeulinck I witte spaensche sargie, drye haspels I mandeken met wat quade vodderye 2 canefasse corensacken 33 lynwaeten droochdoecken onder goet [ende] quaet vier podtdoecken.

 

Opde hout caemer

 

Seven canefasse smacksacken ses canefasse cleens. om dleer mede te decken twee boter cuypen ydel twee quaede halff vaten drye cleyn tonnekens I kinder vliegher I kinder consstock.

 

Opde solder come[nde] boven doude cleercoop[ers] ambachts caemere

 

Een wercktaeffel twee gerff. messen twee ysere maenen I quaede tonne.

 

Opde solder come[nde] boven de ceuck[en] van tvs. oude cleer­coop[ers] ambacht

 

Een wercktaeffel I quade tonne I geelen coop[eren] ruetketel vier staende houte ligters I ysere rechanssoir

 

Opde tweede solder boven de vs. ceucken

 

Een werckblock.

 

Opde derde solder boven de voors. ceucken

 

twee plancken

 

Opde vierde solder

een p[ae]tye wit cryt.

 

Inde winckel [ende] eerst opde moser aldaer

 

Een p[ar]tye aerdewerck, drye ysere pott[en]

 

I geel coop[eren] vischpaen I gheele coop[eren] putaecker twee geel coop[eren] ketels I gheel[en] cooper[en] eemer I scheiff­bert vier houte schotelsen I merctcorff I stroye cabbas I lantere[n] I partye oude houte teljooren 2 pollepels I houte podtscheel twee cleerborstels I cleerbessem twee borstele vegers I yeren aentrecker II ysere potschelen I houte balanc met houte schaelen met omtrent 160 ponden ysere gewicht I haemer I hordde [daer]inne cleederen op bert een lere een houte stellinge twee herthoute sitbancken vier herthoute schabellen I houtback, een werckbanck I schroy scheure met een lap scheure 2 dryvoetstoelen twee vrouwe stoelen I ste[nen] smoutstoop met een teyle, elff dosyn [ende] vier vellen wit besaen, vyff dozynen root besaen vyff dosyn [ende] twee vellen swertte calffsvellen, seven geverffde besaen vellen.

 

Inden voor kelder

 

Drye wercktaeffels met hen scraege twee werckbancken een mande met kespberders I houte eemer beslaegen met ysere banden een leere I quaede schabelle drye waschtobben

 

Inden achter kelder

 

Een wercktaeffel op haer scraegen I hout[en] lichter I vleeschcuype met vyff oft ses stucken gesouten vleesch I bierstellinge [met] I bier halff vat twee ander vaten...

 

Bij Guilliam Engels bevinden zich nog tien dosyn besanne vellen om zwart te maken. Vervolgens vernemen we dat er 26 gulden 14 stuiver liggend geld is. Het sterfhuis beschikt ook nog over een koperen fornuis.

 

Uit de boekhouding vernemen we iets over de klanten van onze bewerker van Spaans leder: een Spaanse stoelenmaker, een huidevetter uit Mechelen, iemand uit Brussel, een schoenmaker, een riembeslager, een zeemleerverkoper. Bij de schuldeisers bevindt zich Andries van Breusegem, zijn huisbaas; bedrag: 125 gulden .


 

[1] SAA, V 1980, f° 40 r°; SR 2, f° 92 v°.

[2] SAA, V 1981, f° 97 v°; SR 40, f°477 r°; SR 41, f° 363 r°; SR 43, f° 342 v° (die ook over de Cleyn Gans gaat en waar­schijnlijk een oude situatie weergeeft); SR 44, f° 314 r° en f° 529 v°; SR 45, f° 570 v° (waar men spreekt over een huizinge); SR 46, f° 347 r°; SR 47, f° 265 r°; SR 48, f° 71 v°; SR 49, f° 72 r°.

[3] SAA, SR 95, f° 248 r°.

[4] SAA, SR 116, f° 40 r°.

[5] SAA, SR 221, f° 52 r° - v°. Franchois van Almaras had het huis weten te behouden na de dood van zijn tweede echtgenote Anna van Assendelft.

[6] SAA, SR 290, f° 168 r° - 171 r°.

     *tafelet: gouden of zilveren voorwerp, meestal voor op de tafel.

[7] SAA, SR 374, f° 227 r° - 228 r°.

[8] SAA, GA 4833, f° 37 r°; R 2181, f° 96 v°; R 2286, 2213, 2237 en 2350, f° 9 r°; R 2317, f° 9 v°.

[9] SAA, SR 401, f° 434 r° - 435 r°.

[10] SAA, SR 516, f° 296 v° - 298 r°.

[11]  SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd.

[12] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[13] SAA, N 4765, ongefolieerd.

[14] SAA, N 2560, f° 181 r° - v° en f° 186 r°; GA 4216; GA. 4829, cohier eerste wijk, nr. 218.

[15] SAA, SR 877, f° 577 r° - 578 r°; f° 464 r° - 465 r°.

[16] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 v°, nr. 214.

[17] SAA, SR 984, f° 232 r° - 233 r°.

[18] SAA, GA 4832, f° 65 v°, nr. 213; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefo­lieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 213.

[19] SAA, SR 1020, f° 54 v° - 56 r°.

Uit deze periode dateren ook nog een paar arresten die en gevolg waren van de zware renten die op het pand drukten. Het eerste arrest werd na de verkoop van 1708 tenietgedaan:

SR 1019, f° 226 v° - 227 r°; SR 1022, f° 208 r° - v°. In 1716 wordt het gedurende zes jaar in arrest genomen: SR 1049, f° 439 r°; SR 1073, f° 77 v°; in 1725 voor 5 maanden: SR 1085, f° 152 v° - 153 r°. De verkoop zelf was gebaseerd op een contract d.d. 24 december 1708 waarbij gezegd wordt dat de 'scouschenckels' uit het huis kunnen uitegenomen worden maar wel degelijk in de koop begrepen waren. De verkoper mocht het huis nog tot half maart 1709 blijven bewonen. Tot slot nog dit: "... Ende sal de coopere proffiteren totter coop de lynwaetstocken opden solder, alsook het Marie Belt inden vloer metten lanterne...". Bron: N 3900, ongefolieerd. 

[20] SAA, SR 1106, f° 211 r° - 212 r°.

[21] SAA, N 1583, f° 427 r° - 430 v°; PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 43, nr. 167.

[22] SAA, SR 1228, f° 97 r° - 99 r°.

[23] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2442.

[24] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 40).

     *hoy: lees hoed.

     *lampers, lamper: fijne stof, eventueel glanzend, eventu­eel soort crèpe.

     **schorsse: lees schort.

     *claeter: hangertje (meestal voorzien belletjes).

     **gesneden: betekent hier gegraveerd.

     ***schorshaeck van dryen: haak aan de voorschoot met drie kettingen (voor sleutels en ander gereedschap).

     ****gealvalieerd: geëmailleerd.

     *****zuffen van dryen: driedelig etui.