De Grote en de Kleine Gans: Oude Koornmarkt 38 en 40

 

Inleiding

Eén Gans tot 1432

De Grote Gans, Oude Koornmarkt 38
De Cleyn Gans, Oude Koornmarkt 40

 

Terug naar het overzicht van de huizen

Inleiding

 

De twee eigendommen die nu overblijven hebben in een grijs verleden één geheel gevormd met de drie laatste huizen van de Pelgrimsstraat, het hoekhuis op de Reyndersstraat en het huis daarnaast. Van de straatzijde uit bekeken ligt links van de 'Cleyn Gans' 'Den Refter', Oude Koornmarkt 42, en rechts van de 'Grote Gans' 'Den Eemer', Oude Koornmarkt 36. In het wijkboek van Ketgen noemt men de Cleyn Gans  ook wel het 'Cruys van Lorreynen'[1]; een akte van 1414 spreekt over de gehele Gans als 'De Gans van den Horen'[2].

 

De geschiedenis van 'De Gans' is onlosmakelijk verbonden met de straat waarin ze zich bevindt: de Oude Koornmarkt. In de loop van de XIIde eeuw ontstond deze straat en vormde samen met haar verlengde, de Kammenstraat, de verkeersweg van de ruienstad naar de Kammerpoort (afgebroken 1518). Deze poort was in het middeleeeuwse Antwerpen de belangrijkste omdat daar de weg vertrok naar het hart van het hertogdom, n.l. Leuven en Brussel, alsook naar Mechelen. Reeds omstreeks 1200 werden de Oude Koornmarkt en een stuk van de Kammenstraat binnen veilige omwallingen gebracht. Tevens werd toen de hoger genoemde Kammerpoort opgetrokken[3]. Dit betekent:

1° Dat het niet onmogelijk is dat er al bebouwing stond op de grond van 'De Gans' vanaf de XIIde eeuw.

2° Dat eigendommen langsheen de Oude Koornmarkt zeer in trek waren bij mensen die op de een of de andere manier iets met handel te maken hadden: 'De Gans' ligt overigens vlak naast 'De Cluyse', het 'Oud Oosters Huys' of de voorloper van het latere hanzahuis.

3° Dat door de nabijheid van het Stadhuis ook magistraten en leden van de topburgerij interesse in zo'n huizen konden hebben, vooral indien ze zoals 'De Gans' vrij diep waren.

 

Noteren we ook nog dat rond 1400 'De Gans', voorzover dit via documenten kan vastgesteld worden, het grootste perceel moet gevormd hebben binnen het huizenblok Oude Koornmarkt, Reyn­dersstraat (toen Haagsteeg, genoemd naar het pand 'De Haghe'), Hoogstraat. Het liep niet alleen door van Oude Korenmarkt tot Reyndersstraat; het gaf ook nog uit op de Reyndersstraat d.m.v. een poortgebouw met kleine woningen aan en stallen waar verschillende andere panden ook als achteruitgang gebruik moesten van maken.

 

1. Eén Gans tot ca. 1421, één familie tot 1432

 

De eerste ons bekende eigenaar is Henric van Espemde. Hij koopt op 22 juni 1394 van Jan van Overscelde “... een eindeken van sinen hove achter Jacops loeve van Hoboken tusschen derve vande Spieghele ende derve vande Gans VIII voeten breet doer­gans tusschen beide erven...”[4]. In 1397 wordt Henric met zoveel woorden vermeld als eigenaar van de Gans[5]:

“Meester henric van espemde de stad clerc dede daghen tote twee huysen met stalle plaetse gron[den] van vore tot ach[ter] d[aer]af deen heet de .gans. ghestaen neffens. een ane. de core[n]merct, tussche[n] h[eeren] jacops van hoboke[n] huys en[de] joncvr[ouw] bruylochts huys...”. Een andere akte maakt duidelijk dat van Espemde en zijn vrouw samen het pand wensen te bezitten[6]: “Meester henr[ick] endespeemde machtelt syn wyf maecken elc ander hun huys a[n]e de coremerct g[e]h[eeten] de gans tussen jacops van hoboken ende joncvr[ouw] brul[ocht] meten hove gronde achter uut streckende inde haeghstege...”.

 

a) De eigenaar: Henric van Espemde[7]

 

Henric van Espemde was dus stadsklerk en als dusdanig een man van enig aanzien in een weinig geletterde maatschappij. Hij kocht de Gans om het effectief te bewonen[8]. De familie had reeds geruime tijd enig belang. Zo was er een Joannes van Espemde die in 1374 als stadsklerk de Heilige Geestmees­ters hielp bij het opstellen van hun eerste charterboek. In 1401 staat Henric vermeld als stadssecretaris en klerk van de stadsrentmeester. Die eerste functie heeft hij zeker tot 1409 bekleed. De familie was redelijk vermogend en de Espemdes hebben aldus heel wat gronden aan de Oude Korenmarkt en de toenmalige Korte Kammenstraat, nu gewoon ook Oude Korenmarkt genoemd, weten te verwerven, zoals het huis 'de Spieghel', dat alhoewel het met zijn voorgevel een eind verwijderd stond van de Gans, er met zijn achtertuin aanpaalde, en waarvan de eigenaars tot in de XVIde eeuw verplicht waren het water van de Gans over hun perceel te laten lopen. Henric van Espemde liet een rente op dit pand drukken[9].

 

b) Een interessante buurman

 

Heer Jacop van Hoboken was niemand minder dan de amman[10] en hij was eigenaar (en waarschijnlijk bewoner) van het aanpalen­de pand, later 'De Refter' genoemd. Achterin bevond er zich een loeve, wat in die tijd een soort villa kon zijn, een huis met een tuin errond, toen al een zeldzaamheid in een snel groeien­de stad[11]. Overigens woonden er rond 1400 nog meer notabelen op de Oude Koornmarkt: vermelden we nog ridder Claus Vyts, eigenaar van 'Den Odevare' links van 'De Cluyse'.

 

c) Verdeling in een Grote en een Cleyn Gans

 

Rond 1413 - 1414 overleden Henric van Espemde en zijn echtge­note Machteld van Scille en de Gans ging over op Godevaert van Espemde en Wouter, een neef van Henric[12]. Deze laatste ver­werft ­in de loop van 1422 - 1423 alle rechten op wat wij nu 'De Grote Gans' zullen noemen alhoewel de teksten steeds spreken over 'De Gans', terwijl een andere Wouter van Espemde, die priester was, gedeeltelijk eigenaar werd van 'De Cleyn Gans'[13].

 

De eerste Wouter was gehuwd met Margriet 's Blocschoe­makers, een telg uit een aanzienlijk geslacht dat naast eigen­dommen in de Hoogstraat ook nog uitgestrekte bezittingen had weten te verwerven in 's Gravenwezel[14]. Op 8 september 1423 geven Wou­ter van Espemde en Margriete Janssens 's Blocschoema­kers elkaar, ten behoeve van de langst levende, de Grote Gans[15]. In 1424 luidt de beschrijving zelfs “... stede metten huyse hove gronde plaetse...”[16]. Wat betreft het gebruik dat men van dit pand heeft gemaakt zijn de teksten ondubbelzinnig: in een akte d.d. 28 februari 1428 n.s. lezen we dat Wouter van Espemde 'weert in de gans' is als hij samen met zijn vrouw aan de befaamde Peter Pot een rente verkoopt die wordt "... gesla­gen ende gemant op haer[der] huysinge ende herberge geheeten de gans metten hovinge gronde plaetse stallinge borneputte etc. van vore tot achter gestaen op de Corenmerct tusschen heer wouters huys van espemde priester ende Jan Sproncs[17]. Op 28 februari 1432 n.s. verkoopt Wouter van Espemde zijn pand aan Steven van Oerle voor een erfrente van 25 pond 9 stuivers en 8 denieren per jaar. Deze Steven hypotheceert daartoe:

1° het huis 'Valckenborch' op de Grote Markt tussen 'De Lelie' en 'De Roose' en met achterkant op de Lijnmakerstrate, dat hij op 3 januari, mits de nodige reparatiewerken te laten uitvoe­ren verhuurd had aan Wouter Breem,

2° Het huis 'Sint Geertruyt' op de Oude Koornmarkt, waar later Wouter van Espemde en Margriet 's Blocscoemakers nog zijn gaan wonen[18].

 

Op 22 mei 1427 had priester Wouter, nu vermeld als kapelaan van de Onze-Lieve-Vrouwekerk alle rechten op de Cleyn Gans verworven. Wat hij met zijn huis heeft aangevangen is niet duidelijk. Op 7 maart 1432 n.s. verkoopt hij het samen met Vranck van Espemde en Beatrys van Espemde aan zijn neef Wou­ter. Noteren we de beschrijving: “... een huys mett[en] plaet­se... geheeten de cleyn gans gest[aen] aen de corenmerct tussen stevens van oerle ex una ende der Jouffr. shertogen ex alt[era]...”[19]. Hebben Wouter en Margriet zich tijdelijk naast hun vroegere herberg gevestigd?

 

2. De Grote Gans, Oude Koornmarkt 38, vanaf 1432  

 a) De geprefereerde herberg van de Duitse hanzakooplui

 

De onmiddellijke nabijheid van het klein Oosters Huis en de ligging aan de belangrijkste uitvalsweg van die tijd verzeker­den aan de toenmalige herbergiers een prima cliënteel. Zo'n herbergier deed duidelijk meer dan alleen maar drank en voed­sel verstrekken, hij was tegelijkertijd de belangrijkste bemiddelaar tussen kooplui in een tijdvak dat telefoon, tele­fax of zelfs een snelle post nog niet bestonden. Om kooplui de kans te geven elkaar toch minstens éénmaal per jaar te ontmoe­ten werden er in de middeleeuwen jaarmarkten gehouden waar iedereen op af kon komen. Dat 'De Gans' hierin een belangrijke rol heeft gespeeld blijkt uit verschillende akten waarbij de hier geciteerde gedateerd 5 augustus 1438 wel het meest in het oog springt[20]: “Steven van oerle bekende alsoe van alsulfken contoeren als de old[en] luyden vand[en] coepman[n]e[n] vander Duytscher hanze[n] in sijn h[er]berge geheet[en] de Gans gemaect hebben ende betaelt dat hij mids willecoert pro se et suis dat de clerc vander Duytscher hanze[n] altoes die ca­me[re] daer dat contoer instaet hebben selen met II bedde[n] opgerecht alt[yt] elc merct om[me] twee goude[n] clinckaerde (Bourgondische goudmunt) ende waert dat de voers. steven naco[me]l[ingen] oft de ghene die de h[er]berge bezate[n] des niet en wilden doen, oft dat de clerc daer niet liggen en wilde, dat zy dan den clerc vander hanze[n] dan synde weder geven selen also viele gelt als voers. contoer weert syn sal obtulik de voers. herberge”

 

Dat zo'n herbergier geen armeluis was blijkt uit verschillende akten waarin Steven onroerende goederen verwerft.  Zo verwierf hij landerijen in Wilrijk en Deurne[21].

 

Veel belangrijker zijn natuurlijk de uitbreidingen van het herberg zelf.  In 1450 koopt Steven van Oerle van Jannes de Bruyn, waard in de Tennen Pot (nu Oude Koornmarkt 66) twee stukken grond (resp. 84 X 24 voet en 14 X 12 voet) aanpalende aan zijn reeds bestaande achteruitgang op de Reyndersstraat waarboven hij een huis bouwt dat oorspronkelijk wat over het erf van de Tennen Pot zou gehangen hebben[22].

Op 20 juni 1453 koopt Steven van Claus vander Heyden “... een stucxken erfs metten gronde en[de] toebehoirten, gelegen inde haechsteghe tussen des voirs. stevens erve ex una ende peter jongelincx erve, daer af den ghevel tussen beyde staende gemeyne is, om[m]e daer ane en[de] inne te moegen baren en[de] tym[m]e[re]n alsmen wille ex alt[er]a, ende comende achter aende erve vander huysinge geheeten den ten[n]en pot”. Ruim een jaar later, op 4 oktober 1454, koopt van Oerle van Jan de Bruyne, waard in de Tennen Pot, nog een stuk erf erbij en worden er afspraken gemaakt i.v.m. een gemeenschappelijke uitgang: “Jannes de bruyne weert inden tenen pot gaf t[er]ve, steven van oerle weert inde gans, een eynde hoifs cu[m] fundo [et] p[er]tinen[tys], gel[egen] inde ca[m]merstrate acht[er] des voirs. jannes huys geheeten den tenenpot tuss[chen] tgemeyne straatken dat in he[e]r reyniers steghe wtcoemt ex una, en[de] des voirs. jannes hof die hy ald[aer] noch behou­dende blijft ex alt[era], streckende metten een[en]eynde, aen des voersc. stevens stal, en[de] metten ande[re]n eynde, aen des voersc. stevens erve, elcx jaers om[m]e XX s. gr. ... , salvo dat medepant blijft van alsulken chyse en[de] com[m]e[r], als jaerlix gaet vten voers. huyse geheeten den tenenpot,.... voortdane is vorwaerde dat de voerscr. steven eenen muer sal moete[n] doen trecken, tuss[chen] den voers. jannes en[de] hem, steens dicke, en[de] X voete hoeghe boven der eerden, en[de] op beiden zyden gepyleert na sinen heysch, en[de] dien muer altyt houden, sond[er] jannes cost en[de] setten dien op des voers. jannes zyde vander screven die zy ald[aer] in des voers. stevens mu[r]e van sinen stalle voers. geteekent hebben, alsoe dat de screve vry tes voers. stevens zyde waert bliven sal, en[de] alsoe draetrecht vte com[m]en tot opten utersten cant vanden muer vander huyse, geheeten de haghe in welken muer de voersr. Jannes, een duere van vive voeten wyt sal moegen doen hange[n] en[de] altyt houden op sinen cost van houte en[de] ysere, maer steven sal tsteenwerck d[aer]af betalen, voert sal jannes sinen ghanc hebben v voeten wyt dienende duer de poerte die de voersr. steven aen h[er] reyn[ier]s steghe voers sal doen maken, en[de] houden sond[er] jannes cost van welker poerten de voers. jannes, eene[n] sleutel hebben sal, om[m]e die en[de] den ghanc voers., altyt gelyc den voers. stevene te gebrukene...”[23].

 

Reeds op 15 maart 1453 os (1454) zegt men dat Steven aan de doorgang aan de straat boven de poort een huis gemetst en getimmerd heeft en in een niet verlijde akte spreekt men expliciet over een nieuw poorthuis wat bevestigd wordt in een rentenbrief van 7 maart 1454 (1455)[24].

 

Merkwaardig is nog een andere akte van 1455: "Steven van oerle al[ias] inde Gans verc[ocht] jan van ryn[n]ingen sinen zwager syn twee vrachtwaghene met thien peerden en[de] metten ge­scherre daertoe behorende..."[25].

 

Steven van Oerle liet zich in zijn florissante zaak bij­staan door personeel.  In een schepenbrief van 1463 spreekt men over zijn twee knechten, Jan Maes en Jan van Arendonc[26].  Tot slot moeten we er alleen nog melding van maken dat hij gehuwd was met Katline Coevoets en met Beatrys Noyts.  Uit het eerste huwe­lijk stamde een zoon, Jan, met wie hij in 1453 een over­een­komst sluit, n.a.v. het overlijden van diens moeder[27].  In een rentenbrief van 1458 vernemen we dat deze Jan 1/4 van de Grote Gans, 1/2 van 1/4 van de Grote en de Kleine Zwarte Ram op de Koornmarkt, 1/2 van een huis in de Boeksteeg en 1/4 van een huis buiten St. Jorispoort als onderpand kon gebruiken[28].

 

Een merkwaardig detail in de geschiedenis van de Gans in haar betrekking met de Cluyse is de rol die het pand gespeeld heeft in het conflict dat de Keulse kooplieden hadden met de ‘koop­man’ van de hanze.  Als hanzestad diende Keulse kooplieden het zn. ‘schotgeld’ te betalen aan de ‘koopman’ tijdens de jaar­markt te Antwerpen.  De kooplieden van Keulen en de met Keulen verbonden steden hebben dit jarenlang geweigerd, zeggende dat Keulen een gepriviligeerde relatie had met het hertogdom Brabant.  Na veel geruzie hebben de Keulenaars echter in de jaren 1473-75 toch maar ‘schotgeld’ maar tijdens de Sinksen­markt van 1476 weigerden ze weer.  De ‘koopman’ die moest vaststellen dat de stad hierin niet wenste tussen te komen heeft een aantal Keulse kooplieden dan maar opgesloten in De Gans[29]

 

Steven van Oerle had ook een dochter, Katline, gehuwd met Jan van Reneg­heem, die na de dood van haar vader en haar broer eigena­res wordt van De Gans. Op 18 december 1486 verkoopt zij de herberg aan Jacob Dole[30]. Over deze Jacob Dole verne­men we meer in de volgende akte d.d. 2 januari 1493 n.s.: “Jacob Dole vrancxzone wijlen, weerd in de gans alhier, verc[ocht] jacope vander waert bont­wercker, claus zone wijlen vander waert, des huyde­vetters, een huys mett[en] plaetsen sittesteden vander weer­dribben, borne­putte..., geheeten den eemer gestaen aende core[n]marct, tusschen de huysinge ende erve geheeten de kevye, nu danckaer­de boudensso­ne der stad bode toebeho[r]ende ex una, en[de] de huysinge geheeten de ghans den voors. jacope dole toebeho[r]ende ende daers af de loode gote, tusschen beyde liggende gemeyn is half en[de] half ex alt[era], co­men[de] de voers. plaetse achter aendes voers. jacops dole loofken en[de] erve, dare de voers. sitstede vander weerdribbe voers. er onder staende is, vanden voers. huyse ende erve geheeten de eemer gespleten zynde...”[31]. Er zijn nog een paar interessan­te  bepalingen: 1° i.v.m. de goot: deze leidt het water van de Eemer en de Gans naar de plaats van de Gans; 2° de weerdribbe staat tussen de Eemer en de Gans maar hij moet geruimd worden via de Eemer met verdeling van de onkosten.

Er wordt verder nog gezegd dat Jacob Dole de Eemer, samen met het loefke, dat hij dan achteraf behouden heeft, op 18 decem­ber 1486, van Katline van Oerle gekocht heeft.

 

Die Jacob Dole, gehuwd met Barbele vanden Broecke, was dus eens te meer een vermogend man wat ook nog blijkt uit het feit dat hij in de jaren 1480 een groot huis in de Reynders­straat bezat dat aanpaalde aan de eigendommen van de Heilige Geestta­fels. Hij was van Keulse afkomst en hij zal in de Gans dan ook weer aktief bemiddelen voor Duitse kooplui[32]. Hij had een doch­ter, Lysbette Dole, die huwde met de bontwer­ker Herman Nijs[33].

 

Op 28 april 1498 verkopen Mathijs de Meyere en Jacob Suetmont, testamentaire executeurs van Jacob Dole aan Jaspar vander Lynden Jasperssone: “... een huysinge metten stallen plaetsen borneputte, gronde... geheeten de gans gestaen aende coremerct tusschen de huysinge geheete[n] den Eemer, aen deen zyde en[de] thuys geheete[n] de cleyn gans aen dander zyde, comende achter uute, met twee poorten inde Reynnestrate, tuschen de huysinge ende erve vanden tennene[n] potte ende den hage aen deen zyde, en[de] he[r] costens van berchem ridders erve aen dande[r] zyde ter vlasmerct waert, daer af den ganck vander poorten neffens des voirs he[r]en costeres erve gemeyne is en[de] bliven sal talle[n] dagen, comen[de] alzoo voort aende erve vand[en] huysingen geheeten den pelgrom, en[de] den kevie behoudelic dien, dat de testamenteurs te henwaert behoudende bleven tot behoef vande erfgenamen oft crediteure beyde de huysen metten gronde ende toebehoorten gestaen op beyde de voors. poorten, achter inde Reynerstrate gelyck dat al daer beteykent ende afgepaelt is, metten overgange uuter poorten vander gans,...”[34]. Ook van Jaspar van der Lynden weten we zeker dat hij waard was in de Gans wanneer hij als dusdanig vermeld staat in een schepenbrief van 18 december 1498 waarbij hij aan Thielman Bruggen de Jonge een rente verkoopt op de Gans[35].

 

Jaspar vander Lynden heeft niet lang van zijn prachtige aan­koop kunnen genieten want reeds op 20 januari 1501 n.s. zien we dat de kinderen die hij had van zijn beide vrouwen, Anna van Yserloo en Eva Moon, en de kinderen van deze laatste uit haar huwelijk met Jan Vosken, de Gans, en wel degelijk zonder de huisjes op de poorten van de Reyndersstraat, aan Laureys Monick verkopen[36]. Laureys (de) Monick was als laatst bekende waard van de Gans duidelijk niet aan zijn proefstuk. In 1494 baatte hij de herberg 'Valckenborch' uit[37] en in 1498 was hij al zeker eigenaar van 'De Haghe' op de hoek van de Oude Koorn­markt en de Reyndersstraat alwaar hij ook waard was. Bovendien was hij volgens Doehaerd[38] koopman van de hanze en als waard van de Gans zeer aktief betrokken bij het verhandelen van goederen tussen Duitse kooplui. Op 3 september 1499 verhuurt hij de Haghe aan Claus vanden Dale Janssone op voorwaarde dat hij of/en zijn vrouw er kan komen logeren als ze in Antwerpen zijn. Hij weet zijn eigendom aan de achterzijde nog uit te breiden door naasting van een koop op 12 oktober 1504 waarna hij van de blauwverver Hendrik Godevaerts verwerft: “twee cameren metten gronde...” in de Reyndersstraat gesitueerd tussen de Hage en Reynier de Mesmaker[39] In 1510 verkoopt Laureys Monick de Haghe[40]. In januari 1518 n.s. koopt hij echter van Lysbeth Schats, weduwe van Mathijs de Meyere, een loove beschreven als zijnde twee woningen, in de Reynders­straat tussen de Haghe en het erf van Adriaen van Berchem, ridder. Het gaat hier over dat gedeel­te van het poortcomplex dat Mathijs de Meyere in 1498 voor zichzelf had gehouden[41].

 

b) Van herberg tot koopmanswoning

 

De volgende verkoopsakte van de Gans dateert van 5 augustus 1518: “Laureys monick alartssone gaf terve mes[sire] diego florys com[m]e[n]dadeur vander ordinen van tsint jacops garde du joyaulx de ma dame margriete douwayaire de savoyen...”

1° De Gans, beschreven zoals boven en zonder de huisjes op de poorten in de Reyndersstraat.

2° De loeve die Monick zich in januari had aangeschaft[42].

Deze Diego Florys was m.i. geen herbergier maar wat was hij dan wel? Er is een Diego Floris bekend die schatbewaarder was van de Oostenrijkse aartshertog Karel, de latere keizer Karel V, die in 1514 - 1515 de 'Halle van Doornik' en de aanpalende 'Herberg van Ranst'  of 'Limborch' in de Hoogstraat verwierf. Toen in 1541 zijn eigendommen onder de erfgenamen worden verdeeld wordt hij vernoemd als “commendeur, raidt ende opperste muletier (muilezeldrijver) der Keyserlycke Majesteyt”[43]. Diego Floris sluit op 23 augustus 1519 een overeenkomst af met de broe­ders van het godshuis van Sint Salvaterus in de Munsterstraat (= Grote Pieter Potstraat) i.v.m. timmer- en metselwerken aan zijn eigendom in de Hoog­straat[44].

 

Het is Willem van Halmale, de amman, die op 5 oktober 1536 de Gans openbaar doet verkopen aan de erfgenamen van Valerius van Dale, samen met de loeve[45]. De familie van Dale vormde een rijk koopliedengeslacht: de twee zonen van de overleden Vale­rius, Sebastiaen en Valerius, waren kooplieden en de dochter Magdaleene huwde de koopman Caspar Crop. Een deel van het vermogen had de familie te danken aan een reeks erfenissen als gevolg van het overlijden van verschillende erfgenamen van Sophie van Staekenborch, hun 'moeye', die aanzienlijke eigen­dommen in Aartselaar bezat, o.m. ‘t Goet te Buerstede’[46].  Op dat ogenblik echter wordt de Gans nog niet door henzelf gebruikt. We vonden een akte uit 1539 waarin wordt gesteld dat Willem de Rustere, die juist het pand de Witte Pluyme Oude Koornmarkt 46 wil aankopen, waard in de Gans op de Oude Koornmarkt is[47].

  

Wanneer op 23 maart 1542 n.s. Sebastiaen van Dale, de enige eigenaar wordt krijgen we volgende beschrijving te lezen: “... comende achter vuyte inde reynier­strate tus­schen d'huys[ing]e en[de] erve vanden tennen pot (die haer gebruyck en[de] duer de voirs. poorte hebben moet) ende thuys geheeten tgulden vlies aen deen zijde en[de] tstraetken loopende vuyter voirs. rey­nierstrate na de voirs. oude corenmerct aen dander zijde van welcken straetkene de voirs. sebastiaene van dale alleen sal volgen alsulck recht ende actie als hen gesamenderhant compe­teert te hebbene vuyt saken vanden gemey[ne]n gange ende poorte mitsgad[ers] een[e] came[re] bove[n] de zelve poorte die aldaer plach te wesene en bijder stadt afgebroken ende totten zelven straetkene geappli­ceert is...”[48]. Proberen we dit even te interpreteren. De Grote Gans grensde aan aan de Tennen Pot, dit is het pand op de Oude Korenmarkt naast de Hage. De Tennen Pot mocht gebruik maken van een poort van de Grote Gans die naast het Gulden Vlies, dit is het pand naast het hoekhuis van de Reyn­ders­straat en de Pel­grimsstraat (Het Schilt van Leyden nu De Vagant), uitgaf via een gang, die ook nog gemeenschappe­lijk was met andere eigen­dommen, op de Reyn­dersstraat. Waar­schijn­lijk wordt met die poort één van de twee poorten van daarvoor bedoeld. Om de straat te kunnen trekken heeft de stad naar mijn mening één poort en een kamer daar boven op afgebro­ken.

 

Sebastiaen van Dale was, zoals gezegd, koopman en hij had dan ook niet echt behoefte aan alles wat zijn eigendom inhield. Hij begon stelselmatig gedeelten te verkopen.

 

1) Op 18 maart 1542, dus nog voor de aankoop van de Grote Gans, verkocht hij aan Jan Andriessen, packere (hij die balen maakt, inpakker) en zijn echt­ge­note Lysbetten Faes: “... een loove dat twee wooningen zijn metter poorten eenen cleyn[en] stalleken daerachtere metten plaetske­ne, zoo diep als tvoirs. stalleken streckt en[de] linierecht vanden selven stalleken tot opten scheydemu­er staende tusschen dese erve ende derve vanden tennen pot gronde en[de] toebe­hoorten ge­staen ende gelegen inde reyner­strate alhier tusschen tstraet­ken loopende vuyt[er] zelver reyner­strate na doude corenmerct aen deen zijde ende derve vanden voirs. tennen pot ende thuys geheeten tgulden vlies aen dander zijde comende achtere aendes voirs. sebastiaens erve dat hij aldaer behoudende blijft...”. Aan de transactie was ook nog de voorwaarde verbonden dat Sebastiaen nog voor kerstmis een scheidingsmuur moest bouwen tussen zijn eigendom en het pas verkochte stuk. Deze muur moest even hoog zijn als de schei­dingsmuur tussen de Grote Gans en de Tinnen pot en lijnrecht van het stalleke tot aan die muur lopen. De eigenaar van de Tinnen Pot behield ook nog het gebruik van de gang en de poort van de loeve[49].

 

2) Nog op de dag van de aankoop van de Grote Gans (30 maart 1542) verkocht Sebastiaen van Dale aan Jan de Fevre Petersso­ne, maerschalck (hoefsmid), en Margriete Sclerckx, zijn echtgenote, “... eenen stal lanck omtrent vie[r] en[de] tachtentich voeten onbegrepen vander maten metter plaetzen oft lediger erven int viercanden daerneefens gelegen metten gronde ende toebehoorten gestaen ende gelegen int nieuw straetken loopende vuyter reynerstraten na doude corenmerct achter de huysinge geheet[en] de gans, tusschen den stal vander zelver huysinge dien erfgevere aldaer noch blijft behoudende, ende aldaer den muer tusschen beyde staende tot eeuwigen dagen sal zijn ende bliven gemeyn telcker zijde half ende half, aen deen zyde, ende de huysinge en[de] erve geheeten den tennen pot aen dander zyde comende metter voirs. platzen suytwestwaert aen tstalleken ende plaetsken van jans andriess[en] en[de] zijne wijfs huysen inde reynerstr[ate] gestaen...”. De prijs bedroeg 136 Carolus Gulden erfrente per jaar[50].

 

Merken we ook nog op dat uit nr 2) twee huizen zullen ontstaan n.l. De Witten Engel en de Groenen Hoet, resp. Pelgrimsstraat 25 en 27, zij het dat aangezien de drie huizen tussen de Kevie (Twaalf Apostelen) en het Schild van Leyden in de in de loop van de daaropvolgende jaren in de handen kwamen van één eigenaar dat er kleine wijzigingen moge­lijk zijn geweest inzake perceelschei­dingen.

 

3) Op 13 januari 1543 n.s. verkocht Sebastiaen van Dale aan Clase Cleys alias van Loemele voor de prijs van 112 Carolus Gulden per jaar in erfelijke rente: “... eenen stal van onder tot boven metter plaetse oft lediger erve int viercant daer neffens gelegen ... gestaen en[de] gelegen int nyeustraetken loopende vuyter reynerstrate na[er] doude coremerckt achter de huysinge geheeten de gans tusschen den stal en[de] derve toebehooren[de] janne de fevere maerschalck ex una en[de] derve vander gans en[de] vander kevyen ex alt[era] comende acht[er] tot aen desselfs claes erve en[de] mue[re] van syn[en] acht[er]sten stalle en[de] voer aen strate...”[51].

Als voorwaarden worden opgegeven:

1° Dat het water van de Gans dat sedert mensenheugenis over de Spiegel geleid werd voortaan binnen het erf van de Gans zelf moet afgeleid worden.

2° Dat er weer een gemeenschappelijke scheidingsmuur moet gemaakt worden.

3° Dat Sebastiaen op zijn kosten ook nog een loden goot moet maken tussen de Gans en de afgesplitste stal. 

Het is duidelijk dat op deze plaats het huis 'De Cleyne Spie­gel', Pelgrimsstraat 23, zal gebouwd worden.

 

We weten uit een aantal teksten dat Sebastiaen aalmoezenier was van de daklozen ('huysarmen')[52]. Het is misschien vanuit een christelijke ingesteldheid dat hij een aantal oude buren­ruzies wilde regelen. Tevens kenmerken de beginjaren 1550 zich door een aantal kleine transacties die de uitbouw van de herverdeelde eigendommen binnen het huizenblok Oude Koorn­markt, Reyndersstraat, Pelgrimsstraat moesten vergemakkelij­ken.

 

1) Vooreerst is er op 21 mei 1550 een regeling tussen

Sebasti­aen enerzijds en Jan Roeff, peltier, en Katline Adri­aens, eige­naars van het 'Eemerke' anderzijds, die na wat geruzie beslui­ten om proceskosten te vermijden en het volgende over­eenkomen: “... ierst dat de voors. sebastiaen van dale van stonden ane allen alsulcken venste[re]n (daer mede dat zy te dese tyt inde zydemuer van zynre voors. huysinge respect nemende achter ter zyden ter plaetssen en[de] erve warut vander voors. janne roefs en[de] syns wyffs licht sceppen[de] is gehouden sal wesen al tzamen uutgesteken de dackvenster te makene met ys[er]en gheerden vast daer inne staende alzoo datmen thooft of pispot daer doe[re] nyet gesteken en can naer des stadt recht van Antwerpen. Item is noch vorwaerde dat de selve sebastiaen oic van stonden ane, alsulcken twee vensteren als hij achter teynden des v[oor]s. jans roefs en[de] syns wyffs erve neffens heurlieder beyder privaet huyskens aldaer boven in zynen muer doen maken heeft...” op de trap naar zijn nieuw achterhuis zal toemaken, en dat hij voortaan geen licht meer zal nemen vanuit het erf van het 'Eemerke'. In een vol­gend punt wordt nauwkeurig bepaald hoe Sebastiaen dan wel een afdak boven die trap moet maken n.l. vanaf één voet boven de deur die toegang geeft tot de eerste zoldering van het achter­huis tot op de muur waar hij die twee vensters moest dichtma­ken. Het water van dat afdak moet geleid worden in een loden buis of goot in een regenbak tussen de twee toiletten van Jan Roeff en zijn vrouw. Tot slot wordt er gezegd dat indien het achterhuis met de overdekte trap in verval zou geraken of afgebroken worden, het mag heropgebouwd worden zoals te voren, dit ondanks enkele vroegere akten die dat tegenspreken. Men situeert overigens het achterhuis achter het erf van het Eemerke[53].

 

2) Met diezelfde Jan Roeff sluit Sebastiaen op 26 juli 1552 weer een overeenkomst af waarvan de voornaamste bepalingen zijn: Sebastiaen van Dale geeft aan Jan Roeff het

(mede-)gebruik van zijn beerput die vlak naast de scheidings­muur gelegen is in ruil voor het medegebruik van de waterput van Jan Roeff; Jan Roeff moet het water van de Gans dat op zijn plaats komt laten lopen; Sebastiaen moet licht blijven krijgen op de tweede verdieping in de scheidingsmuur en via de dakvensters boven de muur; Jan Roeff moet indien hij een schouw wil maken tegen de scheidingsmuur die plaatsen tegen de schouw van Sebastiaen die er al stond en Sebastiaen mag het schaliën dak van zijn trap van zijn huis niet meer dan twee  voeten hoger maken dan nu[54].

 

3) Op 9 september 1552 komt Sebastiaen met Claus Cleys alias van Loemele, waard in de 'Grooten Spieghel' op de Oude Koren­markt en tevens eigenaar van de 'Cleyne Spiegel', de 'Groenen Hoet' en de 'Witten Engel' in de Pelgrimsstraat, tot een regeling i.v.m. de waterhuishouding van hun beider eigendom­men[55].

 

4) Op 28 april 1553 werd een geschil tussen Sebastiaen en Elsabeth Corfs, weduwe van Henrick Clocken, eigenares van 'De Refter', opgeruimd. Na betaling van 6 Carolus Gulden was het Sebastiaen voortaan toegestaan om de scheidingsmuur tussen beide percelen te gebruiken om erin en erop te metselen en te timmeren. De muur wordt gesitueerd als zijde ten Noorden van het achterhuis en de gang van de 'Refter', lopende langsheen het pakhuis van Sebastiaen dat er op gemetst was. Hij lag ook “... boven de cruyne van desselfs sebastiaenen kelde[r] ende erve aldaer...”[56].

 

Sebastiaen van Dale was in 1560 overleden[57]. Hij had twee zonen van zijn echtgenote Johanna Ruts: Valerius, geboren in 1532, een man die tijdens het Calvinistische bewind in Antwer­pen (ca. 1579-1585) een hoogst bedenkelijke rol zou spelen i.v.m. de verkoop van kerkelijke goederen en die dan ook na de inname van de stad door de Spanjaarden naar de Noordelijke Nederlanden zou uitwijken[58], en weer een Sebastiaen. Op 24 april 1561 verkoopt Valerius aan de voogden van Sebastiaen voor een rente van 150 Carolus gulden zijn rechten (1/3) op:

1° De Gans: “eenre huysinge... met poorte gange eenen besonde­ren huyse voir aent strate, met plaetsen borneputte regenbacke gaelderye coekenen neercamer[en] comptoire stove peert­stal­le...”, gesitueerd tussen de Eemer en de Cleyn Gans,

2° Een hoeve met alles erop en eraan in Turnhout[59]. Deze Se­bas­tiaen staat genoteerd op 9 februari 1564 n.s. als zijdela­ken­koopman. Hij was toen 28 jaar oud[60].

 

c) Over suiker, rijkelui en wijnkelders

 

Op 23 juni 1574 wordt de Gans door de familie van Dale en verschillende verwanten verkocht aan Lambrecht van Ghershoven, suikerkoopman, en zijn echtgenote Clara Gressens[61]. Het is niet geheel duidelijk of deze Lambrecht in de Gans zijn han­delsak­tiviteiten die vooral op Duitsland gericht waren: Frank­furt, Keulen en Leipzig[62], en het zieden van suiker werkelijk heeft verricht omdat hij reeds in 1561 een enorm handelspand 'De Gulden Panter' op de 'Coudenbergh' gesitueerd met achter­uit­gang op de Kattenstraat van de koopman Andreas Diaz gekocht had[63]. Het staat wel vast dat hij de Gans effectief bewoond heeft en dat zijn erfgenamen er na zijn overlijden (ca. 1582 - 1583) nog een tijdje zijn gebleven alhoewel het voorhuis in 1584 verhuurd werd aan Jacques Pussin, kleermaker van Cam­brai. Merken we tevens op dat één van de erfgenamen, Hans van Geertshoven, kapitein was in de (Calvinistische) burgerwacht[64]. In 1584 werd de 'Gulden Panter' verkocht en de amman verkocht op 27 juli 1591 de Gans voor 100 Brabantse ponden aan Jan van Gershoven Lambrechtssone[65]. Wat hij met de Gans ge­daan heeft is helemaal onduidelijk want hij woonde in Hamburg toen hij het pand op 19 juli 1617 verkocht aan Catherina van Soltz, de weduwe van Melchior Lunden[66]. Met het befaamde koopmansge­slacht Lunden dat in 1679 in de adelstand werd verheven en de baronstitelverwierf in 1781[67] belanden we in een tijdvak waar­van de grote families grondig zijn nageplozen door Dr. K. Degryse en waarvan het zinloos is de geschiedenis speciaal op te zoeken, destemeer omdat we kunnen vermoeden dat zij de Gans meestal verhuurd hebben. In het testament van Catharina van Soltz gedateerd 27 november 1638 vinden we echter dat de oudste zoon, ook een Melchior, het huis toen huurde en zij laat het hem dan ook na. In de beschrijving is er sprake van een “... huysinge... metten cleynen huysse daer neffens gestaen...”[68]. Vermelden we vervolgens de voor­naamste transac­ties die de Gans onderging: op 15 november 1659 kwam het pand in handen van de gebroeder Guilli­am en Jan Baptista Lunden na de verde­ling van een erfenis[69]. Op 19 september 1727 verkoopt de familie de Gans aan de koopman Joan François de Wilde en zijn vrouw Anna Clara van Pruyssen[70].

 

Vermelden we de belangrijkste kandidaten op het statuut van bewoner in de XVIIde eeuw: in 1659 huurt meersenier Jan de Lie een deel, genaamd de 'Cleyn Gans'(dit wellicht om de nodige verwarring met de eigenlijke 'Cleyn Gans' te veroorzaken!) met als huur­waarde 168 gulden en voorzien van 4 schoor­steen­pijpen terwijl de eigenlijke Groote Gans, huurwaarde 400 gulden en voozien van niet minder dan dertien schouwen, ge­huurd werd door Corne­lis Bosschaert[71]; in 1667, 1672, 1682 en 1689 is Jan de Lie (of mogelijk een zoon) er nog steeds en huurt een andere meersenier, Francis­cus van Pruyssen, het hoofdge­deel­te[72].  Na 1704 is er in eerste in­stan­tie nog steeds Jan de Lie die het pand van 144 gulden huurt en dan Jan Francis van Stallen.  Rond 1708 staat het blijkbaar even leeg.  De Grote Gans zelf werd gehuurd door Jacobus Anoni die als kruidenier reeds voorkomt in de straat­naamlijsten van de meerseniers van 1700[73].

 

Wanneer J.F. de Wilde en zijn echtgenote overleden zijn komt het in handen van hun dochter Maria Anna Clara de Wilde, die gehuwd was met de wijnkoopman en oud-aalmoeze­nier van de stad Ferdinando van Pruyssen, en wel op 7 septem­ber 1745[74]. Van Ferdinand van Pruyssen (1710 - 1780) weten we zeker dat hij in de Gans zijn florissante wijnhandel heeft bedreven. Reeds in 1754 wordt 'De Hr. van Pruysschen', 'coopman in wijnen' zijn­de, als bewoner van de Grote Gans vermeld en met hem zijn vrouw, zijn twee zonen van resp. 4 en 11 jaar, zijn vijf dochters van resp. 2, 3, 5, 9 en 13 jaar, en 4 man huisperso­neel. De telling zegt ook nog het volgende: “int huys woont 1 kuypersknecht bedienende ditto heere in den kelder synde den gast van J.P. van den Bergh”[75]. De wijnhandel kon bovendien nog uitbreiding nemen na het overlijden van Maria Anna de Wilde, een tante van Maria Anna Clara de Wilde. In haar testament gedateert 8 januari 1765, had deze 'suikertante' die zelf een wijnhandel had gedreven in de Hoogstraat 21 - 25: (de huizen 'Bonte Coe', 'Lintworm' en 'Walvisch') al haar bezittingen aan haar nicht overgemaakt. Bovendien was de erfgename testamentair verplicht haar wijnhandel gedurende minstens één jaar en zes weken na haar overlijden verder te zetten in samenwerking met de voornaamste medewerker van haar tante, 'Seigneur Jennie'[76]. Het moet hier dan ook gezegd worden dat van Pruys­schen in 1771 600 stukken (soort vaten) wijn verhan­delde en daarmee de grootste wijn­koopman van Ant­werpen was[77]. Hij bezat hiertoe niet alleen de Gans en de drie hui­zen in de Hoogstraat maar ook de hui­zen 'Sint Thomas' en 'Sint Matthijs' in de Pel­grims­straat 21. Door zijn colle­ga's werd van Pruyssen als hun onbe­twiste leider aanzien. Zo trad hij als hun vertegenwoordi­ger op t.o.v. het stadsbestuur in de strijd voor de belangen van de wijnkooplui o.m. wat betrof de toepas­sing van de nieuwe wij­nordonnantie van 1757[78]. Melden we tot slot nog op dat in 1770 zijn colle­ga d'Henssens over zijn handelsonderneming getuigt: “... cette maison est preférable a toutes les autres pour la sollidité...”[79].

 

Op het culturele vlak valt er nog te vermelden dat hij als heilig- geestmeester, net zoals leden van de familie Lunden voor hem, provisor was in 1744 van de opera in het Tapissierspand, waar later Pierre Bourla zijn schouwburg zou bouwen[80].

 

Op 2 september 1789 werden al de eigendommen van Ferdinand van Pruysschen en Maria Anna Clara de Wilde verdeeld onder hun talrijke kroost. Het echtpaar had n.l. acht kinderen op de wereld gezet waarvan er één, Joanna, in 1789 was overleden. In volgor­de van de akte waren dat: Isabella, Maria Anna, Magdale­na, Susanna, Francisca, Ferdinand Carolus en Jacobus. De oudste zoon, Ferdinand Carolus, kreeg de eigendommen in de Hoog­straat: de Lintworm, de Bonte Coe en de Walvisch waarvan hij er één al in 1789 bewoonde. De anderen, behalve Francisca die begijn was en dus geen eigen­dommen mocht bezitten, kregen tesamen de andere eigendom­men waaronder de Grote Gans[81].

 

De volkstelling van 1796 vertelt ons dat het huis een waarde had van 20.000 gulden en dat het door de eigenaars zelf bewoond werd.  Dit waren Isabel van Pruyssen, 55, rentenier­ster en haar zusters Marie, 54 en Susanna, 42.  Men schatte hun fortuin op minstens 100.000 gulden en zij lieten zich dienen door volgend huispersoneel: Susanna de Laij, 35; Anna de Bie, 37; Gouverdien vander Bargt, 28 en Joannes Hollaerts, 26[82].

 

Tijdens de Hollandse periode waren zowel de 'Eemer', de 'Grote Gans' en de 'Cleyn Gans' het eigendom van Susanna van Pruys­sen terwijl Ferdinand Carolus eigenaar was van de 'Cleyne Spiegel' aan de Pelgrims­straat. Ferdinand bewoonde zijn pand niet maar wel een eigen­dom op de Minderbroedersrui. Susanna daarentegen bewoonde haar uitge­strekte eigendommen wel. De Grote Gans wordt beschreven als een huis met plaats, tuin en stal op een perceel van 7 a. 50 ca.[83]. Waarschijnlijk in de loop van de jaren 1850 worden deze eigendommen door de familie verkocht.

 

d) Een lelijke garage met een mooi voorhuis

 

De volgende eigenaar van de Grote Gans was Jan Henri Binjé, koopman. In 1874 verwerft de firma van de gebroeders Thibaut het pand en zij kopen er in 1881 ook de Eemer bij. In 1875 lieten zij belangrijke verbouwingen uitvoeren: een bijgebouw van de Gans werd afgebroken en een verbinding met de Pelgrims­straat 15 aangelegd (plan 1875/6). In 1881 werd het binnen­plaatsje van de Eemer overkoepeld. In 1885 stond perceel 415 (St. Mattheeus= Pelgrimsstraat 15) 10 ca. af aan de Grote Gans. In 1894 belandden de eigendommen in de handen van Hen­drik Thiebaut en deelhebbers, koopman, via een erfenis; en op dezelfde wijze verwierf advokaat Jan Lauwers Thiebaut het geheel in 1906[84]. In 1898 was er aan de Oude Koornmarkt zelf een winkel (boutique)[85].  De weduwe van J.L. Thiebaut ver­werft in 1924 alle eigendom­men.  Maar reeds einde 1923 laat Kamile Morlion een bouwaan­vraag indienen om de hele binnenzij­de met de diverse binnen­koeren om te bouwen tot een garage.  Hierbij werd door Morlion een kleine arcade van drie bogen die zich aan de linkerzijde van de eerste binnenkoer bevond uitgebroken en aan de stad ge­schonken[86]. De legger spreekt ook nog van een nieuwe muur gebouwd ten behoeve van de Eemer in 1927. In 1956/57 werd de Grote Gans verworven door Kamile Morlion- Deschamps, die in 1958 het pand ombouwt van 'huis en garage' naar 'garage'[87], van de weduwe van notaris Lefèvre- Lauwers.

 

3. De Cleyn Gans, Oude Koornmarkt 40, van 1432 tot 1782

 

De gegevens over de 'Cleyn Gans' na de aankoop door Wouter van Espemde in 1432 tot een stuk in de XVIde eeuw zijn uiterst fragmentair. In 1442 verkoopt Wouter van Espemde er nog een rente op[88]. Op 30 december 1448 geeft Wouter van Espemde het huis te erve aan Jan vanden Wouwer alias Claus, tingieter.  Het wordt beschreven als een huis met plaats en de koopsom is een erfrente van 3 pond 3 stuivers en 1 groot per jaar[89].  Jan vanden Wouwer mag in het andere huis van Wouter, St. Geertruyt, aan de overkant van de Oude Koorn­markt wonen indien de huidige bewoner, de goudsmid Peter Claes, tegen Kerstmis 1449 het huis niet uit is. Zeker in 1453 is Jan vanden Wouwe alias Claus nog steeds eigenaar[90]. In een rentenbrief van 1458 over de Grote Gans vermeldt men als buurman Jan van Woelputte.

 

Op 18 november 1479 verle­nen Jacob Wielant en Michiel Knob­baert, voogden over Jan, Claren en Kerstinen, kinderen van Jan Briers, uitsnijder, en Josine vande Wouwe die men Claus heet, aan Jan Briers, een rente van 20 pond groten Brabants die drukt op de Cleyn Gans[91], in ruil voor levenson­derhoud van de kinderen geduren­de twee jaar.

 

Wellicht op het einde van de XVde eeuw komt de Cleyn Gans in de handen van een aantal mindere (alhoewel!) telgen uit het roemrijke patriciërsgeslacht van Immerseel. Op 11 oktober 1535 besluiten de kinderen van de zwakzinnige Jan van Immerseel één en ander met elkaar af te spreken opdat het patrimonium van hun vader niet verder zou vervallen[92]. De oudste zoon Willem verwerft de Cleyn Gans die nog aan zijn grootvader had toebe­hoord. Aangezien er weinig originaliteit aan de dag werd gelegd bij het geven van voornamen binnen de familie van Immerseel is het nogal moeilijk deze grootvader, Wouter ge­naamd, te situeren maar ik ben in de registers van 1492 een bontwerker met die naam tegengekomen en op het einde van de XVde eeuw hadden zich op de Oude Koornmarkt al meer lieden uit deze sektor gevestigd[93]. Willem van Immerseel daarentegen was koopman en op 14 april 1551 verkoopt hij de Cleyn Gans aan Adrianus vander Brocht, peltier (bontwerker) voor een erfrente van 140 gulden per jaar[94].

 

De voogden van de erfgenamen van Adriaan verkopen het pand op 9 juli 1575 aan Joos van Dyck en Cornelia Ackers. Lezen we even de beschrijving: “... een huys met ceucken, plaetse fundo et omnibus pertinentibus en tgene datter nagelvast inne is gehee­ten de cleyn ghans gestaen ende gelegen ane oude coren­merct alhier tusschen thuys geheeten de grootte ghans ex una ende thuys geheeten den refter ex alte­ra...”[95]. Joos van Dyck was ook weer peltier en hij heeft zijn eigendom wel degelijk bewoond[96]. Joos van Dyck heeft er evenwel niet erg lang ge­bruik kunnen van maken want reeds op 22 juli 1581 verkopen zijn erfgenamen één vierde van het huis aan Lucas van Velthem en Cornelia Hackaerts terwijl in 1582 mees­ter Lambrecht Brues­selmans huurder is. In 1583 geeft men Jaspar Veltem als eige­naar op en vanaf dat jaar Matheeus Wouters, kuiper uit Valken­burg, als huurder[97]. Op 22 oktober 1594 verkoopt de amman de volledige Cleyn Gans aan Adriana van Baelen, weduwe van Adam Bachgracht, blijkbaar omdat men een rente aan haar niet afbe­taalde[98].

 

Op 27 maart 1613 laat zij het door Jan van Pul verkopen aan Peeter de Grande loodgieter voor 1920 Carolus Gulden[99]. Deze Peeter de Grande, gehuwd met Cornelia de Hondt, had een zoon­tje, Jan, dat op de leeftijd van 11 jaar door verdrinking om het leven kwam en na een vrij pompeuze dodenmis in de kathe­draal in het schip nabij het altaar van de visverkopers bij zijn vader en zijn in 1636 overleden zusje Catlijn einde 1640 - begin 1641 werd begra­ven[100]. Het is duidelijk dat Pee­ter de Grande wel degelijk van de Cleyn Gans heeft gebruik ge­maakt, enerzijds als winkel, anderzijds als woning, want er werden een winkel een een neerkamer uitgebouwd. Zijn gieterij situeerde zich in de Begijnenstraat, aldus de verdeling van zijn erfenis op 7 mei 1633[101]. In 1636, bij het overlijden van Catlijn, werd beslist dat Jan de Grande de Cleyn Gans zou krijgen[102]. Toen het gezin de Grande aldus uitgestorven raak­te kwamen de eigen­dommen deels in de handen van de familie de Hondt. Een aantal onder hen verkochten op 10 juni 1662 hun rechten (de helft) op de Cleyn Gans aan Joanna Cruyt, weduwe van de kunstschilder Mattheus Mattheeussens[103]. De weduwe Mattheus­sen, zoals ze ook genoemd wordt huurde reeds in 1659 het huis dat was voor­zien van vier schouwen en het feit dat ze er woont wordt bevestigt in haar testament van 4 november 1662[104]. In 1667  en 1672 staat ze als bewonen­de eige­nares opgegeven[105].  Uit een eerder huwelijk, n.l. met Maria van Horne, had Peeter de Grande nog een zoon, Seve­rijn, die gehuwd was met Josyne Verwillighen alias Poot. Het is deze familie die op 14 juni 1674 hun helft van de Cleyn Gans zal overdragen aan Joanna Cruyt[106].

 

Rond 1678 werd het huis bewoond door zijdehandelaar Peeter Claessens, (oud-)deken van de St. Lucasgilde en zijn echtgeno­te Joanna Mattheeussens, de oudste dochter van Matheeus Mat­theeussens en Joanna Cruyt. Zij dreef er tot haar dood in 1678 een winkel in alles wat de kleding en de opschik kon verfraai­en: linten in zijde en andere opvallende stoffen, 'pauwenoog­skens', kant, knopen, parels, diamanten rozen, pendanten, mouwen, rouwkle­dij, waaiers, 'cappruynen'. De inhoud van de boedel van deze winkel was 2444 gulden waard. Zijzelf bezat volgens hun testament een parelsnoer met 112 parels en een diamanten roosring. Voor de opvoeding van de kinderen was Joanna Cruyt aangesteld als testamentair voogd[107]. Op 13 no­vem­ber 1680 laat Peeter Claessens een kontrakt opmaken om het huis voor 20 pond Vlaams per jaar te verhuren aan Theresia Vermeulen, weduwe van Hendrick Peres. De huurtermijn van 6 jaar zou ingaan op 15 maart 1681. De verhuurder moest er wel voor zorgen dat het huis daartegen geschilderd was[108].

 

Op 21 maart 1682 doet Anna Mattheeussens, de derde dochter van Joanna Cruyt door de amman open­baar verkopen: “... een huys met winckele ceuckene neercamere gronde ende allen den toebe­hoirten gen[aem]t de cleyn gans...”[109]. Kopers voor 3580 gul­dens waren kleermaker Matteus Jacops en Anna Maes en zij bewonen hun huis zeker al in 1682 en in de periode 1689-1708[110]. Op 28 no­vem­ber 1720 verkoopt ene Peeter van Loove­nen het pand aan Simon de Marrée[111]. Deze maakte samen met zijn zoon Joan­nes Fran­cis­cus de Marrée laken stoffen. Bedlegerig laat hij op 9 septem­ber 1754 zijn testa­ment opmaken en we weten dat zijn ziekbed en zijn atelier zich bevonden in de Cleyn Gans. Boven­dien blijken hij en zijn zuster in 1755 het pand te bewo­nen[112]. Joannes kreeg de op­dracht de nog aanwezi­ge stoffen af te werken na zijn dood en het huis aan Elisa­beth, de doch­ter van Simon de Marrée en Elisabeth van Nil, te laten, nadat deze 2000 gulden neertelde. Gelukkig werd het pas zo uitge­voerd op 18 januari 1782[113]. Op 25 februari 1782 kocht Anna Maria de Wilde, weduwe van Ferdi­nand van Pruyssen het huis voor 2500 gulden van Clara Elisa­beth de Maree om het aan haar uitgebrei­de bezittingen (zie de Grote Gans) toe te voegen. De rede waarom ze het erbij kocht was dat ze als erfgename van haar zuster Clara Carolina de Wilde rente hief op dit huis. De akte stipuleerde echter dat Clara Elisabeth de Maree er de rest van haar dagen mocht blijven wonen samen met haar broer Johannes Franciscus de Maree zonder huur te betalen maar welmits het huis naar behoeve te onderhouden en te repareren. Na de dood van Clara had Joannes Franciscus nog altijd het recht om er één jaar te blijven wonen. Meer bewijs­stukken dat de familie de Marée er lang heeft gewoond zijn overbodig[114]!  In 1796 werd het pand, waarde 3250 gulden, verhuurd aan de musicus Amandus Steenon, 40, zijn echtgenote Joanna l'Olivier, 30; Cristina Steenon, 'monteuse de mode', 41 en Trese van Stryck, winkeldochter, 20[115].

 

Een klein detail dat we over de Cleyn Gans nog hebben betreft het feit dat er al zeker van in de jaren 1570 een kelderdeur was van 2 voet diep waarop 4 groten (4 stuivers) werden betaald.  In de Franse tijd was dit 0,36 Fr. en het zijn Isabella en Susanna van Pruyssen die dit bedrag in 1812 aflossen[116].  In 1898 was er een kaashandel in het pand ge­huis­vest[117].

           

 


 

[1] SAA, PK 2270, f° 35.

[2]  SAA, SR 4, f° 211 v°.

[3] G. ASAERT, “De late middeleeuwen”, in: De Stad Antwerpen van de Romeinse tijd tot de 17de eeuw, s.l., 1978, p. 43 - 47.

[4] E. GEUDENS, Plaatsbeschrijving der straten van Antwerpen en omtrek, vol. 2, Eekeren, 1906, p. 185.

[5]  SAA; V 1980 (= Geberdert Daechseelboeck), f° 40 r°.

[6]  SAA, SR 2, f° 92 v°.

[7] Zie ook F. PRIMS, Antwerpiensia 1934, Antwerpen, 1935, p. 163: in 1404 kreeg Hendrik van Espemde zijn paaskledij be­staande uit een tabbaard uit twee 'menxsel lakene'. PRIMS heeft het in zijn Antwerpiensia 1938, Antwerpen, 1939, p. 218 ook nog over een Meester Hendrik van Espeemde die stadssecre­taris was en de stad moest vertegenwoordigen bij rechtszaken. Dit kan niet onze Hendrik zijn want in SR 4, f° 246 r° d.d. 12 november 1414 staat onze Hendrik vermeld als 'wilen'.

[8] SAA, SR 4, f° 173 v°.

[9] SAA, S.R. 4, f° 282 v°; Over de familie van Espemde zie ook nog PK 3258 (= Genealogische nota's Bisschops), nr. 207.

[10] De amman was naast de markgraaf- schout de hoogste gerechtsdienaar van het markgraafschap Ryen. Als dusdanig stond hij in voor de civiele zaken (b.v. wanbetalingen) ter­wijl de schout, geassisteerd door een onderschout, de crimine­le en administratieve processen moest doen afwikkelen. Beiden fungeerden dus als Openbaar Ministerie.

[11] G. ASAERT, “Huizen en gronden te Antwerpen omstreeks 1400. Proeve van totpografische reconstructie”, in: Bijdragen tot de geschiedenis, vol. 50, 1967, p. 12 noot 7. Uit ervaring weet ik dat een loeve of loefke ook een afdakje kan betekenen.

[12] SAA, SR 4, f° 211 v°, 246 r° en 282 v°.

[13] E. GEUDENS, Op. cit., p. 186 - 188; SAA, SR 7, f° 301 v°; SR 8, f° 279 r°. In deze laatste akte staat de reeds eerder vermelde bepaling: “... condicione dat dwater uuter gans achter loopende geleyt sal bliven ghelyc alst altoes van ouds geleyt geweest heeft, over d'erve de spiegel toebehorende, sonder argelist...”

[14] SAA, PK 3254 (= Genealogische nota's Bisschops), nr. 47. Op f° 5 lezen we dat ene Peter de Blocscoemakere schepen was in 1421, 1429, 1433 en 1435; en op f° 14 staat dat de broer van Margriet, heer Jan, monnik en later abt te Boudeloo was. Bisschops verdenkt deze ervan een kind te hebben, Marie, die begijn werd. Over de eigendommen van de familie zie ook: SR 19, f° 312 r° en 314 v°; SR 40, f° 379 v°. 

[15] SAA, SR 9, f° 207 r°.

[16] SAA, SR 10, f° 78 v°; en ook nog in 1429: SR 15, f° 236 r°.

[17] SAA, SR 13, f° 179 r° - v°. Er bestond ook nog in de XVde eeuw een herberg 'De Gans' in de burcht: zie SR 26 (1439), f°190 r°. In feite drukte de rente niet op de herberg maar op een hoeve van Wouter. Wel werd zij er bekendgemaakt.  Een ander gegeven betreft de twee kamers en het poortgebouw aan de Reyndersstraat.  Uit een akte van 1449 weten wij dat Wouter Van Espemde dit, waarschijnlijk in de jaren 1420-1430, aan de draaizeler Laureys de Coster verkocht heeft: SR 41, f° 317 r°.

[18] SAA, SR 17, f° 178 v° - 179 r° en f° 135 v°.

Wouter en Mar­griet bewoonden St. Geertruyt al zeker vanaf 1435. Rond 1459 is Wouter van Espemde overleden; zijn weduwe verkoopt in 1460 het huis St. Geertruyt en op 22 juni 1472 verkoopt ze ten voordele van de abdij van Boudeloo, waar haar broer Jan zoals gezegd abt was, een hele reeks renten “... om godswille ende huer zielen salicheit...”.

Bronnen: SR 22, f° 205 r°; SR 67, f° 31 v°; SR 82, f° 110 v°.  Steven van Oerle daagt zijn eigendom in 1434: V 1981, f° 82 v°.

[19] SAA, SR 17, f° 185 r°.

[20] SAA, SR 25, f° 86 r°. Zie ook nog: SR 40, f° 234 r°; SR 45, f° 173 r°; f° 277 v° (tussen een Keuls koopman Lodewijk Cruysken en de Engelsman Willem Prince die een pak lijnwaad en meerserijen in 'De Gans' achterlaat als onderpand); P.K. 2921 (= Histori­sche nota's de Burbure dl. II), p. 54 en 79; ook in 1454 komt Steven van Oerle voor als bemiddelaar tussen ­kooplui waaronder de Keule­naar Jan van Bluterswyck: SR 48, f° 26 v° d.d. 27/06/1454.

[21] SAA, SR 34, f° 32 v°; SR 41, f° 144 v°.

[22] SAA, SR 43, f° 291 r; een niet verleden akte spreekt over dit nieuwe huis op de poort van de uitgang in de Reyndersstraat: SR 43, f° 583 r.

[23] SAA, SR 46, f° 287 v°; SR 48, f° 105 r°.

[24] SAA, SR 46, f° 202 r°; SR 48, f° 251 r° en f° 297 v°; nog eens bevestigd door: SR 69, f° 170 r° van 4/03/1465 o.s. Leuk om weten is dat in: F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 4, Antwerpen, 1980 als afbeelding 599 een rentenbrief i.v.m. de Grote Gans van 4 juni 1456 uit het fonds der Losse Schepenbrieven is opgenomen.

[25] SAA, SR 48, f° 167 r°, f° 174 v° en f° 178 r°.  Het gaat eigenlijk over Jan van Renegheem, schoonzoon van Steven, die gehuwd was met zijn dochter Katline van Oerle: SR 46, f° 333 v°. Meteen aansluitend aan deze akte d.d. 2/11/1453 kunnen we lezen dat Katline en haar broer Jan na de dood van Steven en zijn echtgenote Beatrys Noyts recht hebben op 1/4 “... vander geheelder herbergen met huys plaetsen stallingen en[de] metten nieuwen stalle dier de voirs. steven ane heeft doen maken...”.

[26] SAA, SR 66, f° 148 r° d.d. 1/11/1463.

[27] SAA, SR 47, f° 333 r°.  Die overeenkomst wordt door Beatrys Noyts, op dat moment reeds weduwe van Steven van Oerle, blijk­baar ten dele herzien na het overlijden van Jan van Renegheem of Ryminge in 1477: SR 92, f° 74 v° en 137 v°.

[28] SAA, Losse Schepenbrieven, kopie in: F. PRIMS, Geschie­denis van Antwerpen, vol. 4, Antwerpen, 1980, afbeelding 600.

[29] F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 4, Antwerpen, 1980, p. 240.  Merk op dat ik niet akkoord ga met de stelling van Prims dat het over het huis ‘De Gans’ in de Burcht zou gaan.

[30] Deze akte is verbrand. Deze gegevens komen uit de volgende verkoopakte van 'De Gans' en SAA, SR 45, f° 320 v°. Het is niet uit te sluiten dat Jan van Renegheem de tweede man van Katline werd na gehuwd te zijn geweest met Peter Aerts. Zie: SR 45, f° 275 v°.

[31] SAA, SR 101, f° 199 r° - v°.

[32] R DOEHAERD, Etudes anversoises. Documents sur le commerce international à Anvers. 1488 - 1514, vol. 2, s.l., 1962, p. 52 en vol. 3, sl, 1962, p. 135. In oktober 1495 is Jan van Münster als gevolmachtigde van de Keulse kooplui in Antwerpen om van hieruit het Boergondische hof te Brussel te bewerken inzake de wijnaccijns te Brugge. Hij is hierbij gelogeerd in De Gans op de Oude Korenmarkt (en niet die van de burcht zoals er bij Prims staat!) en sterft plotseling einde oktober en volgens berich­ten van Jacob Dole en ettelijke Duitse kooplui aan Keulen in het Observantenklooster begraven. Zie: F. PRIMS, “De vestiging van het Hansekantoor te Antwerpen”, in: Bijdragen tot de Geschiedenis, jg. XXIX (1938), p. 163 - 241.

[33] E. GEUDENS, Op. cit., vol. 3, Donk- Eekeren, 1913, p. 28.

Jacob Dole was poorter geworden in 1463 - 1464: SAA, V 176, f° 7 v°, regel 80. Op 22 december 1496 laten Jacob Dole en zijn echtgenote aan elkaar de Gans: SR 110, f° 254 r°.

[34] SAA, SR 113, f° 52 v° - 53 r°. Gedurende korte tijd heeft het poortgebouw een apart leven geleid. Het heeft een aantal merkwaardige transacties ondergaan die we hier kort willen opsommen.

Mathijs de Meyere, die koopman was en eigenlijk in Mechelen woonde, begon rond 1510 financiële problemen te krijgen, o.m. had hij zware schulden opgelopen bij de juwelier Jacop vanden Broecke. Op 9 mei 1511 hielp koopman Willem de Greve zijn collega Mathijs de Meyere uit de nood door bij een openbare verkoop diens "loove die twee wooningen zijn metten cleynen plaetske­ne...", gesitu­eerd in de Reyndersstraat tussen de Hage en het erf van Costen van Berchem. Vijf maanden later beves­tigt Mathijs de Meyere de verkoop (SAA, SR 139, f° 98 r°). Op 10 januari 1512 n.s. gaf Willem de Greve het terug aan Mathijs de Meyere (SR 139, f° 101 v°). Lysbeth Schats, weduwe van Mathijs de Meyere verkoopt het dan uiteindelijk op 9 januari 1518 n.s. aan de nieuwe eigenaar van de Gans: Laureys Monnick (SR 151, f° 274 v°).

[35] SAA, SR 113, f° 230 v°. Doehaerd (cfr. supra) geeft in vol. 2, p. 110 een document uit 1492 waarbij hij als facteur van Godevaert Palm wordt vermeld.

[36] SAA, SR 117, f° 166 r° - v°.

[37] SAA, SR 106, f° 172 v° - 173 r°. Poorterschap van Monnick: 1489 - 1490: zie V 176, f° 145 v°, regel 157.

[38] R. DOEHAERD, Op. cit., vol. 2, s.l., 1962, p. 65 en 162; vol. 3, s.l., 1962, p. 158 en 202.

[39] SAA, SR 125, f° 115 r°.

[40] SAA, SR 114, f° 110 r° - v°; SR 115, f° 37 v°; SR 138, f° 203 r°.

[41] SAA, SR 151, f° 274 v°.

[42] SAA, SR 154, f° 452 r° - v°.

[43] [A. THIJS], Recueil des Bulletins de la Propriété publiés par le Journal l'Escaut d'Anvers, vol. 20 (1888), p. 36.

[44] SAA, SR 155, f° 84 v° - 85 r°. Sint Salvaterusgodshuis is een andere benaming voor de Pieter Pot- stichting.

[45] SAA, SR 189, f° 25v° - 26 v°.

[46] Zie: SAA, SR 184, f° 160 r°; SR 187, f° 161 r°; SR 192, f° 177 v° en 376 v°; SR 195, f° 232 r° - 234 r°; SR 201, f° 121 r° - 122 v°.

[47] SAA, SR 195, f° 29 r° - v°.

[48] SAA, SR 201, f° 206 r° - 207 r°.

[49] SAA, SR 201, f° 213 r° - 214 r°.

[50] SAA, SR 201, f° 215 r° - v°.

[51] SAA, SR 207, f° 204 r° - v°.

[52] SAA, SR 227, f° 204 r° - v°; SR 228, f° 90 v°.

[53] SAA, SR 237, f° 285 v° - 286 r°.

[54] SAA, SR 245, f° 247 r° - v°.

[55] Ibid., f° 425 r° - v°.

[56] SAA, SR 249, f° 155 v°.

[57] SAA, SR 278, f° 176 v° d.d. 19 september 1560: de erfgenamen van Sebastiaen van Dale ontvangen een rente.

[58] SAA, PK 3257 (= Genealogische nota's Bisschops), nr. 161; F.PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 6A, Brussel, 1982, p. 114 en 355; F. PRIMS, Antwerpiensia 1933, Antwerpen, 1934, p. 198-204.

[59] SAA, SR 283, f° 232 r°.

[60] SAA, SR 293, f° 494 v° - 495 r°; SR 312, f° 354 r°. Waar­schijnlijk werd de Grote Gans niet door de erfgenamen van Dale zelf gebruikt. We kennen een bewoner uit die periode: Jan Arens, alias Spierinck, wiens broer advokaat was: N 545, f° 3 r° - v°.

[61] SAA, SR 339, f° 417 r° - 420 r°.

[62] SAA, SR 349, f° 150 r°; Cert., 43, f° 168 v°.

[63] SAA, SR 380, f° 418 r° - 419 r°. Bedoeld wordt de huidige Prinsesstraat.

[64] SAA, R 2181, f° 96 v°; R 2213, f° 8 v°; GA 4833, f° 36 v° en 449 r°.

[65] SAA, SR 402, f° 425 r° - 426 r°.

[66] SAA, SR 523, f° 165 v° - 167 r°.

[67] Baron de RYCKMAN DE BETZ, Armorial Général de la Noblesse Belge, Liège, 1941, p. 283 - 284; SAA, PK 3261 (= Genealogische nota's Bisschops), nr. 391; PK 3290 (= Genealogische nota's Donnet), nr. 844. De familie Lunden ontplooide in de XVIIde eeuw aktiviteiten als provisors in de toenmalige opera en de 'comédie' te Antwerpen: PK 2920 (= Historische nota's de Burbure, vol. 1), p. 181 en 230; PK 2928 (= vol. 9), p. 479-482. Melchior Lunden en Catherina van Soltz hebben een graf­steen in de kathedraal: Graf- en Gedenkschriften der Provincie Antwerpen, vol. 1, Antwerpen, 1856, p. 322.

[68] SAA, N 2844, ongefolieerd.

[69] SAA, SR 753, f° 365 r° - 367 r°.

[70] SAA, SR 1091, f° 104 v° - 106 v°. Prijs: 14.015 gulden!

[71] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd.

[72] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 215 en 216; GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 v°. De meerseniers vermelden in 1677 noch­tans een weduwe De Li.  Van Pruyssen is als meersenier gekend in 1677, zijn weduwe in 1681 en terug een François in 1696: GA 4216-18.

[73] SAA, GA 4832, f° 65 v°, nr. 210 en 211; R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 210 en 211; GA 4219.

[74] SAA, SR 1154, f° 104 r° - 105 r°. Een hele reeks van Pruys­sens, waaonder Ferdinando, is begraven in de kathedraal: Graf- en Gedenkschriften..., vol. 1, index achteraan.

[75] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 43 - 44, nr. 165.  Ook de meerseniers kenden hem als koopman in de Oude Koornmarkt in 1768 en 1773 en zijn weduwe in 1781 en 1786 (GA 4221, 4224, 4227 en 4230).

[76] SAA, N 641 (notaris C. Corvers), f° 2 r° - 5 v°.

[77] K. DEGRYSE, De Antwerpse fortuinen... (= Bijdragen tot de Geschiedenis, vol. 88, 2005), p. 91.

[78] SAA, GA 4586, b.v. akten nr 1 en 10. Er is ons ook nog in 1743 ene François van Pruyssen bekend: “... directeur ende inspec­teur generael der imposten vande Wijnen ende Brandewijnen...” van de Staten van Brabant, departement Antwerpen: zie: SAA, SR 1148, f° 232 r° - 234 r°.

[79] SAA, IB 1965, d.d. 8 februari 1770.

[80] SAA, PK 2928 (= De Burbure, Historische nota's, vol. 9), p. 503.

[81] SAA, SR 1302, f° 204 v° - 211 v°, is uitvoering van testament van Maria Anna Clara de Wilde gedateerd 21 maart 1782: N 968 (not. E.J. de Quertenmont), ongefolieerd, akte nr. 67. Fran­cisca van Pruyssen, de begijn, kreeg, waarschijnlijk om aan het begijnhof af te staan, een 'hofken van plaisantien' in Ber­chem.  Elke huisknecht die nog in dienst zou zijn bij haar overlijden kreeg 49 gulden. In deze register bevindt zich ook nog een akte nr. 68 waarin Maria Anna Clara de Wilde aan haar zoon Jacobus van Pruyssen de opdracht geeft om haar roerende goederen in Engeland (o.a. effecten) te beheren.

[82] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2443*.

[83] Kadaster Antwerpen, Oudste legger 208, wijk 4, nr. 2811, 2795 - 2797; Kadastrale leggers wijk 4, art. 1234, 1235, 1474.

[84] Kadaster Antwerpen, Kad. legger wijk 4, art. 2496.

[85] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 36).

[86] SAA, ICO, 45 C 22-24; Bouwingen 16446.

[87] Kadaster Antwerpen, Kad. legger wijk, art. 8410.

[88] SAA, SR 30, f° 155 v°.  Een rente, afkomstig van Wouter van Espemde wordt door Symon Roelants op 13/01/1450 n.s. doorver­kocht aan Jan van Velthem en Lysbette Mannaerts: SR 41, f° 363 r°.

[89] SAA, SR 40, f° 477 r°; SR 48, f° 71 v° dd 17/09/1454, f° 254 v° en 261 r°. Jan vanden Wouwer betaalt gedeeltelijk af op 2 september 1451: SR 44, f° 314 r°. Naasting van een rente door Jan vanden Wouwe alias Claus de Tengieter: 13/11/1450: SR 43, f° 262 r°. Nog een rente: 27/02/1452: SR 44, f° 529 v°. Eén van de rentetrekkers op het pand was Heer Claus van Espemde, pries­ter, woonachtig in Erps.

[90] Dit blijkt uit diverse rentenbrieven: op 30/5 verkoopt hij er één op wat dan toch als “huysinghe metter plaetsen” be­schreven staat, op 23/06 lost hij kapitaal af: SAA, SR 47, f° 265 r° en 274 r°.  Zie ook nog SR 45, f° 416 r° en f° 570 v°.

[91] SAA, SR 95, f° 231 r° - v°.

[92] SAA, SR 187, f° 802 r° - 805 v°.

[93] SAA, SR 102, f° 124 v°.

[94] SAA, SR 237, f° 250 r°.

[95] SAA, SR 341, f° 533 v° - 535 v°.

[96] SAA, R 2181, f° 96 v°.

[97] SAA, SR 366, f° 596 r° - 597 r°; R 2286 en 2213, f° 8 v°; GA. 4833, f° 36 v°.

[98] SAA, SR 413, f° 167 r° - 168 r°.

[99] SAA, SR 507, f° 86 v° - 87 r°.

[100] I. DERYCKE, “Daar is een kind verdronken...”, in: Scharnier. Kathedraal van Antwerpen, nr. 8 (januari 1990), p. 7 - 8; Verzameling der Graf- en Gedenkschriften..., vol. 1, Antwerpen, 1856, p. 247. 

[101] SAA, SR 621, f° 201 r° - 202 v°.

[102] SAA, SR 638, f° 201 r° - 203 r° (= 3 akten d.d. 4 en 7/11/1636). En de meerseniers noteren in de naamlijst van 1636 met een grieze­lige acuratesse de weduwe van loodgieter Jan de Grande met een in juni gestorven kind (GA 4215).

[103] SAA, SR 773, f° 170 r° - 171 v°.

[104] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd; N 3779, f° 183 r° - v°. In dit testament vinden we de bepaling dat al de schilderijen van wijlen haar man niet mochten verkocht worden totdat het jongste kind 25 jaar oud was.

[105] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, eerste wijk, nr. 217.

[106] SAA, SR 850, f° 362 r° - 363 v°.

[107] SAA, N 3867, ongefolieerd, testament van 16 september 1678, wijziging door de weduwnaar op 16 november, boedelbeschrijving van de winkel van 14 december, met dank aan Mevrouw Van Hemeldonck voor het signaleren van deze akten.

[108] SAA, N 693, f° 28 v° - 29 r°.  Peeter Claessens staat bij de meerseniers als zijdehandelaar in de Oude Koornmarkt geboek­staafd in 1677 en 1681: GA 4216-17.

[109]  SAA, SR 896, f° 158 v° - 159 r°; N 693, f° 28 v° - 29 r°.

[110] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht Wijken 1682, f° 31 v°, nr. 212; GA 4832, f° 65 v°, nr. 212; R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 212; GA 4217-18: naamlijsten meerse­niers.

[111] Akte niet gevonden. Vermelding SAA, PK 2306, f° 59.

[112] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 43 - 44.

[113] SAA, N 1224, ongefolieerd, akte nr. 116; SR 1280, f° 2 r° - 3 r°.

[114] SAA, SR 1280, f° 304 v° - 306 r°.

[115] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2443.

[116] SAA, T 167, f° 41 r°; T 155, f° 17 r°, nr. 310; T 169, f° 19 r°, nr. 157/310; T 172, f° 24 v°, nr. 310; MA 3563, f° 47 v°, 92, nr. 310.

[117] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 38).