De Eemer, Oude Koornmarkt 36 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Al rond 1400 was er al een huis met de benaming 'Den Eemer' vroeger 'De Smisse' genoemd op de plaats van de huidige Ee­mer[1]. Het kadasterplan van 1823 geeft aan dat de Eemer ooit wel eens een onderdeel geweest zou zijn van het belendende pand 'De Grote Gans' en het is een feit dat de Eemer en de Gans meer dan eens gemeenschappalijke eigenaars hebben gehad maar zeker is dat in 1397 Juffrouw Bruylocht een aparte woning met de naam 'Den Eemer' in eigendom had[2]. In een akte van 1428 n.s. over de Gans blijkt de eigenaar van de Eemer Jan Sproncs te heten[3]. Hij komt ook nog voor in akten van 1452 en 1456 maar het is altijd gevaarlijk voort te gaan op de beschrijving van de huizen van de buren aangezien men dikwijls een zeer oude situatie overneemt[4]. Op 6 april 1471 n.s. geeft Dictus Wortel­mans aan Jfr. Lys­bette Mannaerts, weduwe van wijlen Jacob vander Heyden, de helft van een huis met plaats(en), stal, grond en toebehoor­ten, genaamd de Eemer. Lysbette bezat reeds de andere helft[5]. Feit is dat de families vander Heyden en Mannaert in die tijd vermo­gen­d waren. Op 18 december 1486 koopt Jacob Dole, die waard zal worden in de Gans, de Eemer van Katline van Oerle, wettige dochter van Steven, die ook waard in de Gans was. Hij verkoopt het op 2 januari 1493 n.s. aan Jacob vander Waert, die met vellen werkte. Hiermee krijgen we een constante die opgaat voor de hele zestiende eeuw want al de volgende eigenaars van de Eemer zijn bontwerkers of vellenbe­werkers ge­weest en niet van de minste! De hele buurt zal overigens in de loop van de XVIde eeuw druk bevolkt worden door mensen die iets met huiden of pelsen te maken hebben.

 

De bepalingen uit deze akte van 1493 zijn evenwel zeer inte­res­sant en wijzen erop dat de Eemer stukken van zijn achtererf aan de Gans heeft moeten afstaan waardoor men het beeld dat het kadasterplan van 1823 ons geeft kan verklaren.

 

 "Jacob Dole vrancxzone wijlen, weerd in de gans alhier, verc[ocht] jacope vander waert bont­wercker, claus zone wijlen vander waert, des huydevetters, een huys mett[en] plaetsen sittesteden vander weerdribben, borne­putte..., geheeten den eemer gestaen aende core[n]marct, tusschen de huysinge ende erve geheeten de kevye, nu danckaer­de boudenssone der stad bode toebeho[r]ende ex una, en[de] de huysinge geheeten de ghans den voors. jacope dole toebeho[r]ende ende daers af de loode gote, tusschen beyde liggende gemeyn is half en[de] half ex alt[era], comen[de] de voers. plaetse achter aendes voers. jacops dole loofken en[de] erve, dare de voers. sitstede vander weerdribbe voers. er onder staende is, vanden voers. huyse ende erve geheeten de eemer gespleten zynde..."[6]. Er zijn nog een paar interessante  bepalingen: 1E i.v.m. de goot: deze leidt het water van de Eemer en de Gans naar de plaats van de Gans; 2E de weerdribbe staat tussen de Eemer en de Gans maar hij moet geruimd worden via de Eemer met verdeling van de onkosten.

Er wordt dus verder nog gezegd dat Jacob Dole de Eemer, samen met het loefke, dat hij dan achteraf behouden heeft, op 18 decem­ber 1486, van Katline van Oerle gekocht heeft.

 

Die Jacob Dole, gehuwd met Barbele vanden Broecke, was dus eens te meer een vermogend man wat ook nog blijkt uit het feit dat hij in de jaren 1480 een groot huis in de Reyndersstraat bezat dat aanpaalde aan de eigendommen van de Heilige Geestta­fels. Hij was van Keulse afkomst en hij zal in de Gans dan ook weer aktief bemiddelen voor Duitse kooplui[7]. Hij had een doch­ter, Lysbette Dole, die huwde met de bontwer­ker Herman Nijs[8].

 

Jan vander Waert wordt in 1496 nog als buurman vernoemd in een akte over de Gans. Op dit ogenblik heb ik geen akte gevonden tussen 1496 en 1550. Op 26 januari 1550 erft Katline Adriaens­sen, echtgenote van bontwerker Jan Roeff, het huis van haar ouders Henric Adriaen­sen en Cornelia Verblaecht. Het pand wordt beschreven als[9]: "... een huys met plaetse borneputte regenbacke...". Uit andere teksten weten we dat Henric Adri­aensen zelf ook bont­werker was en dat een andere dochter van hem, Clara, gehuwd was met de bontwerker Franchois van Dycke. Verder vernemen we over die Henric Adriaensen betreffende de Eemer niet veel. Wel weten we dat er een Henric Adriaensen was die eigenaar was van de Blomme (zie aldaar).

 

Wat betreft Jan Roeff zijn er wel wat gege­vens. We zien hem n.l. op 21 januari 1561 samen met Henrick Daems fungeren als deken van het bontwer­kersambacht[10]. Bovendien was Jan Roeff vermogend: op 12 juli 1557 verkoopt hij zijn huis genaamd 'Sint Jan' op de Oude Koornmarkt aan de peltier (bontwerker) Jan de Fraye. Merken we op dat dit huis uitgerust was met een straatkelder waarop een cijns van 13 stuivers moest betaald worden en een kelderdeur van 3 voet diep waarop nog eens 2 groten moesten betaald worden[11]. Jan Roeff zal later nog een tweede huwelijk aangaan n.l. met Catline Joris.

 

Keren we nu terug naar de geschiedenis van de Eemer zelf.

De buurman van Jan Roeff, Sebastiaen van Dale, eigenaar van de Grote Gans, was aalmoezenier van de daklozen en heeft wellicht daarom een aantal oude geschillen tussen de eigenaars van de Eemer en de Grote Gans willen uit de weg ruimen.

 

1) Vooreerst is er op 21 mei 1550 een regeling tussen

Sebasti­aen enerzijds en Jan Roeff en zijn vrouw anderzijds, die na wat geruzie beslui­ten om proceskosten te vermijden en het volgende over­eenkomen: "... ierst dat de voors. sebastiaen van dale van stonden ane allen alsulcken venste[re]n (daer mede dat zy te dese tyt inde zydemuer van zynre voors. huysin­ge respect nemende achter ter zyden ter plaetssen en[de] erve warut vander voors. janne roefs en[de] syns wyffs licht scep­pen[de] is gehouden sal wesen al tzamen uutgesteken de dack­venster te makene met ys[er]en gheerden vast daer inne staende alzoo datmen thooft of pispot daer doe[re] nyet gesteken en can naer des stadt recht van Antwerpen. Item is noch vorwaerde dat de selve sebastiaen oic van stonden ane, alsulcken twee vensteren als hij achter teynden des v[oor]s. jans roefs en[de] syns wyffs erve neffens heurlieder beyder privaet huyskens aldaer boven in zynen muer doen maken heeft..." op de trap naar zijn nieuw achterhuis zal toemaken, en dat hij voortaan geen licht meer zal nemen vanuit het erf van het 'Eemerke'. In een vol­gend punt wordt nauwkeurig bepaald hoe Sebastiaen dan wel een afdak boven die trap moet maken n.l. vanaf één voet boven de deur die toegang geeft tot de eerste zoldering van het achter­huis tot op de muur waar hij die twee vensters moest dichtma­ken. Het water van dat afdak moet geleid worden in een loden buis of goot in een regenbak tussen de twee toiletten van Jan Roeff en zijn vrouw. Tot slot wordt er gezegd dat indien het achterhuis met de overdekte trap in verval zou geraken of afgebroken worden, het mag heropgebouwd worden zoals te voren, dit ondanks enkele vroegere akten die dat tegenspreken. Men situeert overigens het achterhuis achter het erf van het Eemerke[12].

 

2) Met diezelfde Jan Roeff sluit Sebastiaen op 26 juli 1552 weer een overeenkomst af waarvan de voornaamste bepalingen zijn: Sebastiaen van Dale geeft aan Jan Roeff het

(mede-)gebruik van zijn beerput die vlak naast de scheidings­muur gelegen is in ruil voor het medegebruik van de waterput van Jan Roeff; Jan Roeff moet het water van de Gans dat op zijn plaats komt laten lopen; Sebastiaen moet licht blijven krijgen op de tweede verdieping in de scheidingsmuur en via de dakvensters boven de muur; Jan Roeff moet indien hij een schouw wil maken tegen de scheidingsmuur die plaatsen tegen de schouw van Sebastiaen die er al stond en Sebastiaen mag het schaliën dak van zijn trap van zijn huis niet meer dan twee  voeten hoger maken dan nu[13].

 

Hoe zit het nu met de bewoners? Welnu, Jan Roeff en zijn vrouw hebben hun eigendom zeker niet altijd bewoond. Volgens het cohier van 1577 bestond de Gulden Eemer, zoals hij genoemd wordt, uit een voorhuis, huurwaarde 80 gulden, en bewoond door Balthazar Tengieters, bakker, en een achterhuis, huurwaarde 65 gulden, gehuurd door Aert Pruys, handschoenmaker. In het cohier van 1582 blijkt Jan Roeff in dat jaar het achterhuis bewoond te hebben en het voorhuis werd verhuurd voor 70 gulden per jaar aan Jacques Persin. Op 21 december 1582 verkoopt Catline Joris, weduwe geworden, een rente op de Eemer aan de zijdelakenkoopman Jan Doncker[14]. In 1583 is ze blijkbaar her­trouwd met bontwerker Anthony Ridders en het voorhuis wordt verhuurd aan Niclaes Kempt, garenverkoper. Vanaf 1585 zou Jacques Persin eigenaar zijn geweest van het voorhuis en blijft Niclaes Kempt huren. In 1586 huurt Anthonius Oostens het voorhuis van Jacques Persin[15]. Dat die Jacques Persin ooit eigenaar zou geweest zijn wordt ons nergens bevestigd zodanig dat we moeten besluiten dat bovenstaande gegevens uit de cohieren met de grootste omzichtigheid moeten behandeld wor­den.

 

Wegens wanbetaling van een rente laat Jan Doncker de Eemer door de amman op 9 april 1587 openbaar verkopen en Jan Doncker wordt zelf de nieuwe eigenaar[16]. De beschrijving wordt nu onveranderd: "... een huys voor aen[e] tstrate met plaetze achterhuyse gronde ende allen den toebehoorten...". Na een verdeling van de eigendommen van Jan Doncker en Magdalena Hockaert onder hun talrijke erfgenamen op 12 augustus 1611 verkopen op 18 januari 1612 Jaspar, Magdalena en Corne­lia van Blois, kleinkinde­ren van Jan Doncker en Magdalena Hockaert, de Eemer aan Hans Smits, kete­leer, en Catlyne Celen alias van Helmont voor een erfelijke rente van 148 gulden per jaar. In deze laatste akte wordt een huurder opgegeven: Hans of Jan Lucas, schoenmaker, die het huis voor een erfrente van 130 gulden per jaar had willen kopen[17].

 

Weduwe geworden geeft Catlyne van Helmont op 18 januari 1618 aan Jacques Smits, zoon van haar man uit een eerder huwelijk met Anna Goris, en zijn echtgenote Elisabet Lopez, het huis voor een erfrente van 201 gulden per jaar[18]. In de akte wordt gestipuleerd dat Catlyne van Helmont er tegen een huur van 150 gulden per jaar mag blijven wonen. Op 13 januari 1637 verkoopt het echtpaar Smits- Lopez, Jacques wordt vermeld als 'gebreyt[ver]cooper' (verkoper van gebreide weefsels), den Eemer aan de 'pampiervercooper' Bertrand Goesin die er volgens de akte al woont en ons door de meerseniers wordt gesignaleerd als papierhandelaar[19]. Dat de Eemer geen onbelangrijk pand was mag blijken uit de cohieren. In 1659 en 1667 wordt de huur­waarde op 120 gulden geschat, Bertrand betaalt de belasting erop, en het blijkt uitgerust te zijn met niet minder dan zeven schoorsteenpij­pen.  In 1672 is de weduwe Gousin diegene die belastingen betaalt[20].

 

Voor 5.700 gulden wordt het op 22 april 1673 door de erfgena­men van Bertrand Gousin en zijn vrouw Elisabeth Joilie, waar­on­der een priester Daniel, en Jan Gousin, oud- deken van de schermersgilde, verkocht aan de schoenmaker Joannes van Bus­com en Maria Staes die het meteen ruilen voor de Kevie met Ignati­us Coppens, papierhandelaar en bewoner in 1677[21], de eigenaar van de Kevie.  Deze was gehuwd met Anna van Buscom die er als weduwe in 1681 nog woonde. In 1682 en na 1700 wordt het pand verhuurd aan Mel­chi­or More of Marrée, bij de meerseniers van 1681 tot 1700 gekend als papierhandelaar[22].

 

De kinderen van Ignatius Coppens en Anna van Buscom verkopen het huis volgens akte d.d. 11 november 1710 aan Meester schoenmaker Michiel Janssens, gehuwd met Catharina Ergo. De kopers hypothekeren meteen voor 2000 gulden[23]. De volgende verkoop dateert van 5 februari 1721 als Catharina Ergo, weduwe geworden, zich van het huis ontdoet. Jan Baptista Verbiest en Maria de Meene betalen er 2427 gulden voor en zij verkopen een rente van 2000 gulden[24]. Na de dood van Jan Baptista hertrouwt Maria de Meene François Deckers. Weduwnaar geworden rekent deze op 18 december 1732 af met de drie kinderen van Jan Baptiste Verbiest en Maria en zij verkijgen het huis[25]. Of ze er zelf in gewoond hebben is twijfelachtig: in 1754 wordt de Eemer bewoond door de loodgieter Arnoldus Biddeloo, zijn vrouw, zijn schoonzoon Joseph vande Bosch, zijn twee doch­tertjes van resp 6 maanden en drie jaar en één persoon huis­personeel[26].

 

Op 9 september 1771 verkopen de nazaten Verbiest het huis voor 2151 gulden aan de kruidenier en waarschijnlijke bewoner Augustinus Pynaerts en Maria Theresia Tuer­lincx. Dezen hypothekeren meteen voor 2200 gulden en de bu­ren van de Grote Gans, Ferdinand van Pruyssen en Maria Anna de Wilde, kopen die rente[27].  In 1796 staat weduwe Maria Tuer­lincx, 64 en 'espelier' van beroep als eigenares-bewoonster geboekstaafd. De waarde was geschat op 3000 gulden[28].  Tij­dens het ancien régime wordt het pand niet meer verkocht maar we weten dat in de Hollandse periode zowel de 'Eemer', de 'Grote Gans' en de 'Cleyn Gans' het eigendom waren van Susanna van Pruys­sen, een dochter van Ferdi­nand, terwijl zijn zoon Ferdi­nand eigenaar was van de 'Cleyne Spie­gel' aan de Pel­grims­straat. Ferdinand bewoonde zijn pand niet maar wel een eigen­dom op de Minder­broedersrui. Susanna daaren­tegen bewoonde haar uitge­strekte eigendommen wel en zij loste de keldercijns van 4,90 Fr. af in 1834. De Eemer wordt beschreven als een huis met plaats op een perceel van 87 ca.[29]. Waar­schijn­lijk in de loop van de jaren 1850 verkopen de nazaten van de hogerge­noemden deze eigendom­men. De Eemer was tot 1865 in handen van Jan Baptist De Jongh- Van Trier, winke­lier, tot 1873 van Jan Frans Vaes, expediteur, en tot 1881 van Karel A. Schaats, een herbergier die in de Blauwmoezelstraat woonde. Hij verkoopt de Eemer aan de firma van de gebroeders Thibaut die in 1874 de Grote Gans reeds had verworven. In 1875 had zij reeds belang­rijke verbou­wingen laten uitvoeren: een bijge­bouw van de Gans werd afgebroken en een verbinding met de Pelgrims­straat 15 aangelegd (plan 1875/6). In 1881 werd het binnen­plaatsje van de Eemer overkoe­peld. In 1885 stond perceel 415 (St. Mattheeus= Pelgrimsstraat 15) 10 ca. af aan de Grote Gans. In 1894 belandden de eigen­dommen in de handen van Hen­drik Thie­baut en deelhebbers, koopman, via een erfenis; en op dezelfde wijze verwierf advo­kaat Jan Lauwers Thiebaut het geheel in 1906.  In 1898 was er in de Eemer een bloemenwinkel[30]. De weduwe van J. Lauwers Thiebaut weduwe verwerft in 1924 alle eigendom­men. In dat jaar wordt de Grote Gans volledig volgebouwd, waarschijnlijk overwelfd. De legger spreekt ook nog van een nieuwe muur gebouwd ten behoeve van de Eemer in 1927.


 

[1]. G. ASAERT, Huizen en gronden..., p. 80.

[2]. SAA, V 1980, f° 40 r°; Archief OCMW Antwerpen, EG 168, f° 110 r°.

[3]. SAA, SR 13, f° 179 r° - v°.

[4]. SAA, SR 45, f° 320 v°; SAA, Losse Schepenbrieven, kopie in: F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, deel IV, Antwerpen, 1980, afbeelding 599.

[5]. SAA, SR 78, f° 230 r°.

[6]. SAA, SR 101, f° 199 r° - v°.

[7]. R. DOEHAERD, Etudes anversoises. Documents sur le commerce international à Anvers. 1488 - 1514, dl. II, s.l., 1962, p. 52 en dl. III, s.l., 1962, p. 135.

[8]. E. GEUDENS, Plaatsbeschrijving der straten van Antwerpen en omtrek, dl. III, Donk- Eekeren, 1913, p. 28.

Jacob Dole was poorter geworden in 1463 - 1464: SAA, V 176, f° 7 v°, regel 80;  SR 110, f° 254 r°.

[9]. SAA, SR 239, f° 118 r° - 122 r°.

[10]. SAA, SR 281, f° 153 v° - 154 r°.

[11]. SAA, SR 266, f° 338 r° - v°. Jan Roeff was de bouwheer van dit huis: in 1540 verkoopt hij aan Herman Daems, evenals hemzelf een bontwerker, een rente "... op een wooninghe diemen nu ter tyt affbreken[de] ende daer de vs. Jan Roeff een nyeu huys optim[m]erende is en[de] daer sint jan vuthanghen sal vande twee wooningen...", een huis dat blijkbaar op 1 april 1541 voltooid was. Bronnen: SR 200, f° 41 v°; SR 204, f° 146 v° - 147 v°.  Wat de keldercijns betreft zie T 167, f° 41 r° - v°.  In de zeventiende eeuw was er in totaal 14 stuivers te betalen, in de achtiende opnieuw 13 stuivers en 2 groten: T 155, f° 17 r°, nr. 311; T 169, f° 19 r°, nr. 158/311; T 172, f° 24 v°, nr. 311.

[12]. SAA, SR 237, f° 285 v° - 286 r°.

[13]. SAA, SR 245, f° 247 r° - v°.

[14]. SAA, SR 368, f° 316 r°.

[15]. SAA, GA 4833, f° 36 r°; R 2181, f° 97 r°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 8 v°.

[16]. SAA, SR 390, f° 233 v° - 234 r°.

[17]. SAA, SR 494, f° 332 r° - 338 r°; SR 500, f° 89 r° - 90 r°.

[18]. SAA, SR 528, f° 140 v° - 141 v°.

[19]. SAA, SR 645, f° 112 r°; GA 4215.  Zie ook: N 3756 (1637), p. 1 - 2 en p. 346 - 347.

[20]. SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd; R.2503 : Lyste..., ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 214.

[21]. SAA, SR 839, f° 175 r° - 176 r° en f° 176 r° - v°; GA 4216-17. Ignatius Coppens was tevens corrector in de koninklijke drukkerij.

[22]. SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 v°, nr. 209; GA 4832, f° 65 v°, nr. 209; R 2516, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 209; GA 4217-19.

[23]. SAA, SR 1027, f° 266 r° - v°.

[24]. SAA, SR 1069, f° 417 v° - 419 r°.

[25]. SAA, SR 1107, f° 226 v° - 228 r°.

[26]. SAA, PK 2561 : Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 43, nr. 164.

[27]. SAA, SR 1243, f° 249 v° - 251 v°.  Als kruidenier wordt Pijnaerts in de naamlijsten van de meerseniers opgenomen vanaf 1773 tot 1794.

[28]. SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2444.

[29]. SAA, MA 3563, f° 48 r°, 93, nr. 311; Kadaster Antwerpen, Oudste legger 208, wijk 4, nr. 2811, 2795 - 2797; Kadastrale leggers wijk 4, art. 1234, 1235, 1474.

[30]. Kadaster Antwerpen, Kad. legger wijk 4, art. 2496; SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 34).