De Kevie, Oude Koornmarkt 34

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Als we voor de Pelgrimsstraat staan en van de Oude Koornmarkt in de richting van de Reyndersstraat kijken dan kan men zich haast niet meer voorstellen dat de twee huizen links op de Oude Koornmarkt nr 32 en 34 en de 12 huisjes daarachter op de linkerzijde van de Pelgrimsstraat nrs 1 tot en met 23 ooit een geheel vormden. De drie huizen tussen de 12 huisjes en het hoekhuis op de Reyn­dersstraat zijn dan weer afgespleten van het nog steeds im­pressionante zij het door een garage erg verminkte pand 'De Grote Gans' op de Oude Koornmarkt 38.

 

Bij Prims wordt een akte van 12 december 1359 vermeld waarbij Jan van Wolfsgate aan Willem van der Biest de Bruwere zijn huizing, genaamd de Kevye in erfelijk recht geeft[1]. Als het bijvoegsel 'De Bruwere' mag geïnterpreteerd worden als 'brouwer'dan mag de Kevye op dat moment misschien al als drankgelegenheid beschouwd worden.

 

Nog een oude tekst over de Kevie vinden we terug in het geberderd daechseelboeck. In een akte d.d. 4 october 1393 blijkt ene Henric de Hart eigenaar te zijn. Op 14 juni 1395 verkoopt deze 3/4 van de Kevie min 1/16 in de helft van het gehele huis aan Reynier van Heydentongheren. De tekst stipu­leert verder dat het overige vierde in handen bleef van Olivier van Cruybeke. Op 2 oktober 1395 wordt Reynier van Heydentonghere eigenaar van het gehele pand doordat Olivier van Cruybeke hem dat laatste vierde bezorgt[2].  Reinier vand Heidentongere, alias in de Kevie, was in 1414-1416, samen met Gielis Snacken de Oude, berechter van de Blauwbroeders[3].

 

Op 4 april 1425 n.s. geeft Clemeyntien Bals, weduwe van Reynier van (Heyden)tongheren aan Michiel Van Zonne al haar recht op de helft van de Kevie in ruil voor het levenslange gebruik van vier kamers en een voute, t.t.z. "... een nederca­me[r] by de cokene. Ite[m] een nedercame[r] daer by ter salen waert. Item vo[r]e opten vloer een cleen nedercamerken ten eemer waert. Ende een solder camerken daer boven en[de] de voute die achter opte plaetse staet onder de groete came[r]. Zij en haar dienstbode behouden ook het recht om de weerdribbe en de borneputte te gebruiken. Dergelijke beschrijving doet ons vermoeden dat de Kevye in die dagen een herberg (met een zaal en een vloere) moet geweest zijn[4].

 

Het ontbreekt ons echter aan gegevens tot het jaar 1448. Het blijkt dat het pand dan in de handen is terechtgekomen van verschillende eigenaars.  Zeven erfgenamen, kinderen van Lysbette Smeyers, beschikken over de ene helft.  Het betreft Henric vanden Wouwer alias Claus en zijn broers Costen, Cornelys, Jacop, Matheeus, Claus en Jan. Deze laatste is tingieter. In de loop van de jaren 1448 tot 1450 gaan ze die zeven stukken van die helft verkopen aan hun neef Jacop vander Heyden, Janssone. Op 11 juni 1448, geeft heer Jacop vander Wouwer alias Claus, priester en kapelaan van O.L.V.-kerk, en met toestemming van de kanunniken Mr. Willem Geldro en Mr. Gielys vande Wyngaerde, te erve aan Jacop vander Heyden zijn neef "... de helft doergaens van eenre huys met hove plaetse borneputte..." geheten de Kevye en gesitueerd tussen de Pelgrym en de Eemer[5].

 

Volgens akte van 8/02/1451 o.s. (1452) verkoopt Roelant de Pape, wettige zoon van Jan en in naam van zijn broer en zuster Olivier en Magdalena de Pape aan Jacop vander Heyden, meersenier "eenen doergang metten gronde gelegen achter opte plaetse vanden pelgerim ende dat hij oic acht[er] doere gelyc hem sal moegen daen en[de] varen tot Reynerstraetken toe wtgaende ende gelyc en[de] in alle d[er] maniere[n] dat zy haer[e]n wtganc vanden huyse geheeten den pelgerim gestaen aende core[n]m[er]ct opten dach van heden aldaer hebbe en[de] gebruykende syn, en[de] alsoe lanc en[de] breet als hem derve vanden voirg. doergange opten tyt van nu aldaer afgepaelt en[de] bewijst es...".  Jacop moet een muur maken tot het dak van het stalletje dat er staat.  Deze akte wordt op het volgende foliant herhaalt maar men spreekt dan over een "stucksken erf met doergange"[6].

 

Op 20 april 1454 schenken Jacop vander Heyden, Janssone en zijn echtgenote Lysbet Mannaerts elkaar hun "huysinge met stallingen hoefken poirte paletsen...", uitkomende met een poortje in het Reyniersteegje[7]

 

In een akte geda­teerd 29 januari 1467 (=68) is 1/3 van de helft van de Kevie opgenomen in de verde­ling van de erfenis van Claus en Jacob vander Heyden. Dat deel van de Kevie blijft onverdeeld familiebezit en van de weduwe van Jacob vander Heyden zegt men dat zij betreffende de Kevie daar "... heur tocht aen heeft..."[8].

 

De volgende akte dateert van 21 januari 1473 n.s. als Lysbeth vander Heyden, weduwe van Peter Broodeloos en zuster van Jacob vander Heyden aan de erfgenamen van Lysbette Mannaerts, weduwe van haar broer 1/3 in de helft van het huis verkoopt. Op 24 januari daarop­volgend wordt deze transaktie door de erfgenamen bevestigd en uiteindelijk wordt door de erfgenamen van Jacob van der Heyden de volledige Kevie nog op 23 maart van dat jaar verkocht aan Gheerd de Backer, bontwerker, en zijn vrouw Katli­ne vanden Bossche. In deze laatste akte lezen we volgende beschrij­ving: "... een huysinge met plaetse[n] stallinge[n] hove borneputte..."[9]. De nieuwe eigenaars bleven er niet lang want reeds op 4 september 1478 verkopen ze hun eigendom aan Janne van Utrecht, "vuytsnyde[r]" en zijn vrouw Katline vande Leene[10]. Op 26 maart 1481 n.s. verkopen dezen hun eigendom tegen een erfrente van 5 pond groten per jaar aan de schoenma­ker Cornelis vander Beke en diens echtgenote Catherina vanden Bogaerde, die alweer verkopen, nu aan Jan Vileyn, op 7 april 1486 nadat ze echter van Jan van Rynegheem een stukje erf, gesitueerd aan hun hof, bijgekocht hebben[11].

 

De Spaanse furie waarbij de meeste akten van de jaren 1480 zijn verbrand verplicht ons eens te meer een sprong te maken en wel naar 19 augustus 1513 wanneer Lysbeth van Woelputte, gorys­dochter, gehuwd met Gielis vander Meere, meerssenier, aan Merten l'Hermite, heer van Bettinsart, overgaan tot de verkoop van: "... huere huysinge van vore tot achter met winckelen packhuysen borneputte stallinge plaetsen fundo et p[er]t[inen­tia] omnibus geheeten de kevie gest[aen] ende gelegen alh[ier] opten corenmerct tusschen thuys geheeten den pelgrim ex una en[de] thuys geheeten deemerkens ex alt[era] comende achter aen laureys de monck erve..." (dit is de Grote Gans)[12]. In deze akte staat te lezen dat de Kevie ooit eigendom was van Mar­griet Spapen, weduwe van Danckaert Boudens en grootmoeder van Lysbeth van Woelputte. Deze Dankaert Boudenssone, zoals hij ook genoemd wordt, ben ik voor het eerst tegengekomen in een akte van 22 september 1479 alwaar hij vermeld staat als stads­bode en rentmeester van Heer Aert van Sevenberg, ridder. Reeds op 19 december 1487 verkoopt hij een rente op de Kevie zodat het er op lijkt dat Jan Vileyn maar tijdelijk eigenaar is geweest[13]. De Kevie was niet Dankaert's enige eigendom want in 1500 verkoopt zijn weduwe het pand 'De Witte Valk' op de toenmalige 'Roye' tussen de Loocbrug en de Corde­wagen­cruy­ers­brug, nu Suikerrui en op 22 januari 1505 verkoopt ze nog een huis "... met vive strooyen cameren hoven landen..." te Bor­gerhout[14].

 

Merten l'Hermite en Elisabeth de Meere waren m.i. een echtpaar gewiekste zakenlui. Wanneer Elisabeth nog één en ander inzake de bruidschat met haar dochter Helena l'Hermite te regelen heeft op 16 juli 1540 lezen we dat er rente wordt geheven op "... een groote huysinge metter poorten plaetssen nyeuwen huysingen ter syden ane..." en in een andere beschrijving "op heur huysinge metten plaetssen nyeuwen achterhuysen gronde en[de] toebehoorten geheeten de kevye..."[15]. Bij de verdeling van de erfenis van Elisabeth in 1558 stonden de 'Twaalf Apostelen' als een vrij homogene rij huis­jes, meestal beschre­ven als "... een huys metter plaetse, halven borneputte, regenbacke..." achter wat nog restte van de oorspronkelijke Kevie[16]. Dat restant werd reeds volgens de akte nog eens opgesplitst in de 'Salvator', het hoekhuis, en de 'Kevie', het huidige nummer 34. Beide huizen bleven gemeen­schappelijk bezit van de erfgenamen. In 1577 werd de Kevie voor 90 gulden per jaar verhuurd aan de kuiper Wouter Peterss[17].

 

Deze Wouter Peterss, maar nu wijntavernier geworden, weet op 26 mei 1581, samen met zijn echtgenote Anna van Gershoven, mogelijk een verwante van de steenrijke suikerkoopman die twee huizen verder in de Grote Gans (zie aldaar) woonde, van de erfgenamen (van de erfgenamen) van Merten en Elisabeth de Kevie "Een huys metter plaetse regenbacke gemeynen borneputte achterceuckene... " te kopen voor een erfrente van 33 pond per jaar d.i. 188 Car. g. per jaar[18]. Het is interessant om weten dat toen de 'Salvator' op 9 november 1580 verkocht werd er nog een muur tussen de scheerzolder van de Kevie en van de Salva­tor moetst gemaakt worden[19]. Wouter Peterss is in ieder geval minstens tot in 1586 in de Kevie werkzaam geweest als kuiper en herbergier[20].

 

Zijn zoon, Peeter Peeters, ook een wijntavernier, verkoopt in eigen naam en die van zijn moeder Anna van Ghershoven, en samen met zijn zuster Anna en zijn halfbroers Arnoult en Philips, aan Antonius de Vos, kuiper, en Jacquelyne Goris "een huys met vloere coeckene, neercamere oft achtercoeckene plaetse[n] regenbacke gemeyn[en] borneputte een[e]n groot[en] kelde[r] diversche hangende en[de] oppercamers diversche schoone solders daeronder sommige met schouwe[n] fundo et pertinentys omnibus genaemt de kevye..." voor een erfrente van 92 Car. g. 1 st. per jaar[21]. Wij schrijven dan 18 juni 1601.  De nieuwe eigenaars geraakten blijkbaar in 1611 in slechte papieren want op 18 juni van dat jaar verkoopt de amman het aan Maria Donissen die er 135 gulden 15 stuivers erfelijk voor betaald[22].

Haar twee dochters uit het huwelijk met Jan vander Stockt: Margriete, gehuwd met Peeter Harbin, deken van de peltiers, en Maria, gehuwd met Ghysbrecht Croes, zijdeverkoper, verdelen op 25 februari 1638 de eigendommen zodanig dat de oudste de kevie verwerft waarna ze het pand hypothekeert[23]. Rond 1644 huurde een peperkoekbakker het pand en stak door zijn activiteiten bijna de Salvator in brand[24]. Peeter Harbin verkocht de Kevie op 1 april 1649 aan de zijdeverkoper Jacques de Vries en zijn vrouw Maria Maes [25]. Dit echtpaar heeft er voorze­ker gewoond: in 1659 betaalde Jacques de Vries de belastingen op de huur­waarde (120 gulden) van zijn huis dat uitgerust was met vier schoorsteenpijpen[26]. Na zijn dood verkoopt Maria het huis op 20 januari 1661 aan Notaris Andries Frans vander Donck en Susanna Jacques. Dit echtpaar heeft er waarschijnlijk niet gewoond, hun adres was Pelgrimsstraat 25 (De Witten Engel)[27]. In 1667 huurde ene Philips Verhulst[28].

 

De volgende eigenaar na een verkoop door vander Donck en zijn vrouw op 5 oktober 1671 is ene Ignatius Coppens, "correcteur [vande] concincx druckerye alhier" en Anna van Buscom en die blijkens het cohier van 1672 er ook woonde[29]. Op 22 april 1673 ruilt dit echtpaar dit pand voor de Eemer met Joannes van Buscom, in 1683 gesignaleerd als oud-deken van de schoenmakers, en Maria Staes[30]. In 1682 betaalt Joannes zelf de belastingen van de burgerlijke wacht[31], ook na 1689 en zeker tot 1704 be­taalt Jan de belastingen en daarna is zijn zoon Melchior van Buscom de betaler van het huishuurgeld.  Het testa­ment d.d. 18 december 1707 van Melchior en zijn echtgeno­te Isabella Michielssens vermeldt als woonplaats de Oude Koorn­markt[32]. Melchior weet na afrekening met zijn zuster Barba­ra en de kinderen van zijn andere zuster Maria het huis op 29 augustus 1721 voor zichzelf te verwerven. Het pand was toen volgens schatting 2400 gulden waard en Melchior zal als dienend deken van de huidevetters wel degelijk de middelen gehad hebben om het te bewonen en te onderhouden[33].

 

Het zijn zeer verre erfgenamen van Melchior van Buscom en zijn vrouw Isabella Michielsens die volgens een akte d.d. 22 maart 1755 het huis verkopen voor slechts 1064 gulden aan de kruidenier Joannes Carolus vanden Bogaert en Cornelia vander Wee die het meteen hypothekeren voor 43 gulden 15 stuivers per jaar[34]. Volgens de volkstelling van 1754 bewoonde deze Carolus vanden Bogaert toen nog als winkelier en makelaar de 'Salvator'. Hij woonde daar toen samen met zijn echtgenote, twee zonen van resp. 11 en 13 jaar, drie dochtertjes van resp. 2, 4 en 7 jaar en één persoon huispersoneel terwijl er op de kamer toen ook nog een kantwerkster woonde. Waarschijnlijk zal de familie van den Bogaert in 1755 naar de grotere Kevye verhuizen die toen leeg stond[35]. Van die kinderen waren er na het overlijden van Cornelia in 1781 nog vier in leven n.l. Maria Catharina, jongedochter, Isabella Francisca, begijn te Antwerpen, Joanna, gehuwd met Petrus Gobbaerts en Joannes Baptista, die in het buitenland was. In hun naam verkoopt Jan Carel het huis op 7 juli van dat jaar voor 3000 gulden aan Jacobus Joannes Li­brechts, priester en kapellaan van de O.-L.-Vrouwe kathe­draal[36]. Zijn erfgenamen verkopen het op 1 juli 1793 voor 3932 gulden aan Josephus Staes en Cornelia de Moor[37].  In 1796 is Vincent Staes, woonachtig in dezelfde straat, eige­naar.  Men schatte het toen op 4000 gulden en het werd ver­huurd aan Isabel Domes, 60, naaister, wiens man afwezig was. Verder woonden er nog Joanna Le Brun, naaister, 40; Renier Hennebrucker, 75, weduwnaar; François Bousten, 60, priester en Henry Wouters, 40, franciscaan[38].

 

In 1898 Was er in de Kevye een winkel ('boutique')[39].


 

[1]. F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, dl. III, Antwerpen, 1977, p. 334.

[2]. SAA, V. 1980, f° 23 r° en f° 48 v°;  SR 1, f° 161 r° opgeno­men in F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, dl. V, 3., Antwer­pen 1935, p. 159 of dl. III, Brussel, 1977, p. 407; RAA, Schepenbrieven Antwerpen, doos I, nr. 26 en 27.

3 F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, deel IV, Antwerpen, 1980, p. 448.

[4]. RAA, Schepenbrieven Antwerpen, doos I, nr. 62.  Zie ook nog de daging door van Zonne d.d. 26 april 1426: SAA, V 1981, f° 51 v°.

[5]. SAA, SR 40, f° 27 r° (11/06/1448); 360 v° (8/05/1448); 361 r° (11/05/1448); 366 v° (22/05/1448); 374 v° (15/06/1448); 413 v° (23/09/1448); 427 v° (24/12/1449 en 21/12/1448); RAA, Schepenbrieven Antwerpen, doos V, nr. 113, 117, 121 (deze laatste: 3/7/1450, ook te vinden in SAA, SR 43, f° 520 v°).

[6]. SAA, SR 44, f° 235 v° en 236 r°.

[7]. SAA, SR 47, f° 242 v°.

[8]. SAA, SR 72, f° 23 r° - v°.

[9]. SAA, SR 82, f° 273 r°, 278 v°, 289 v° en 322 v°. Rentenbrief ook nog SR 84, f° 6 r°; RAA, Schepenbrieven Antwerpen, doos II, nr. 166.

[10]. SAA, SR 94, f° 126 r°.

[11]. RAA, Schepenbrieven Antwerpen, doos II, nr. 197 en 225.

[12]. SAA, SR 143, f° 36 r° - v°.

[13]. RAA, Schepenbrieven Antwerpen, doos II, nr. 235.

[14]. SAA, SR 95, f° 141 r°; SR 115, f° 212 v° - 213 r°; SR 125, f° 174 v°.

[15]. SAA, SR 200, f° 313 r° - v°.

[16]. SAA, SR 263, f° 98 v° - 105 v°. Er waren een paar uitzonderin­gen: St. Pieter en St. Jan Evangelist moesten hun borneput delen met nog een derde eigendom, waarschijnlijk de Kevie zelf; St. Thomas en St. Mathijs hadden nog een 'achtercamer­ken' extra.

[17]. SAA, R 2181, f° 97 r°.

[18]. SAA, SR 364, f° 59 r° - 60 v°.

[19]. SAA, SR 361, f° 198 r° - 199 r°.

[20]. SAA, GA 4833, f° 36 r°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, telkens f° 8 r°.

[21]. SAA, SR 443, f° 419 r° - v° (onafgewerkt klad), 420 r° - 421 r°.

[22]. SAA, SR 490, f° 47 r° - 48 v°.

[23]. SAA, SR 651, f° 72 v° - 73 v°.

[24]. SAA, N 3766, f° 74 v° - 75 r°, d.d. 27 november 1649.

[25]. SAA, SR 711, f° 200 v° - 201 r°.

[26]. SAA, R. 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd.

[27]. SAA, SR 768, f° 186 r° - 187 r°.

[28]. SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[29]. SAA, SR. 828, f° 233 v° - 235 r°; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 213.

[30]. SAA, SR 839, f° 176 r° - v°; PK 773, f° 84 r°. Bij de meerseniers zelfs nog van 1681 tot 1700 gekend als schoenmaker: GA 4217-19.

[31]. SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 31 r°, nr. 208.

[32]. SAA, GA 4832, f° 65 r°, nr. 208; R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 208; N 1984, ongefolieerd, (zit tussen akte nr. 113 en 114).

[33]. SAA, SR 1071, f° 370 v° - 372 v°.

[34]. SAA, SR 1192, f° 214 r° - 217 v°.  Als kruidenier op de Oude Koornmarkt was Jan Carel vanden Bogaert bij de meerseniers gekend van 1768 tot 1781.  De laatste naamlijst vermeldt dat hij naar Herentals is getrokken: A. 4221, 4224 en 4227.

[35]. SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 41, nr. 162 - 163.

[36]. SAA, SR 1275, f° 360 r° - 362 r°; Testament E.H. Librechts van 9 juni 1788: N. 309, ongefolieerd, akte nr. 32. Zijn dienst­maart, Elisabeth Pilo, wordt goed bedacht: 300 gulden.

[37]. SAA, SR 1316, f° 161 r° - 162 r°.

[38]. SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2445.

[39]. SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 32°).