De Pelgrim, Oude Koornmarkt 30

Boedelinventaris Mathys Lesteens

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Wie de eerder bescheiden woning op de hoek van de naar dit pand genoemde straat bekijkt, kan moeilijk geloven dat zich hier ooit een zeer belangrijke herberg bevond. Toen echter in 1530 de Pelgrimsstraat werd getrokken, werd De Pelgrim zwaar geamputeerd in zoverre dat een deel van de kelder onder de straat belandde (Derycke 1992a, 85-87).

 

1. De Pelgrim: van Keulse koopmans­woning tot bouwwerf

 

In een akte van 12 december 1359 over de Kevye vermeld men als eigenaar van de Pelgrym Jan Boys[1].  Het pand wordt ook vermeld in een akte van 4 october 1393 i.v.m de 'Kevye'[2]. In een schepenbrief d.d 3 november 1410 lezen we dat Jan de Pape alias Eelewyns, zoon van Claus de helft van de Pelgrim en het pand 'De Violette' op de Grote Markt ver­bindt bij een rente­ver­koop. 

 

In  de jaren 1443 tot 1447 verkoopt Jan de Pape ‘Inden Pelgrym’, al dan niet in gezelschap van zijn zoon Roelant, renten op zijn herberg de Pelgrim, gesitueerd tussen de Ooievaar en de Kevie. Op 24 april 1450 sluiten de gebroeders Roelant en Olivier de Pape een overeenkomst met Denys Manosyn inzake de exploitatie van de herberg De Pelgrim gedurende 6 jaar.  Deze overeenkomst wordt echter beëindigd volgens akte d.d. 8/12/1450 kort na Pasen 1451.  In 1452 verkoopt Roelant de Pape renten op zijn huizin­ge de Pelgrim; in 1454 noemt men Olivier, zoon van Jan de Pape ‘inden Pelgrom’[3].

 

Volgens akte van 8/02/1451 o.s. (1452) verkoopt Roelant de Pape, wettige zoon van Jan en in naam van zijn broer en zuster Olivier en Magdalena de Pape aan Jacop vander Heyden, meerse­nier ‘... eenen doergang metten gronde gelegen achter opte plaetse vanden pelgerim ende dat hij oic acht[er] doere gelyc hem sal moegen daen en[de] varen tot Reynerstraetken toe wtgaende ende gelyc en[de] in alle d[er] maniere[n] dat zy haer[e]n wtganc vanden huyse geheeten den pelgerim gestaen aende core[n]m[er]ct opten dach van heden aldaer hebbe en[de] ge­bruykende syn, en[de] alsoe lanc en[de] breet als hem derve vanden voirg. doergange opten tyt van nu aldaer afgepaelt en[de] bewijst es...’.  Jacop moet een muur maken tot het dak van het stalletje dat er staat.  Deze akte wordt op het vol­gende foliant herhaalt maar men spreekt dan over een ‘stuck­sken erf met doergange’[4].

 

Het is echter duidelijk dat de Pelgrim ook in die periode niet steeds als herberg heeft gefunctioneerd. Dit weten we dankzij een contract van 15 januari 1454 (1455) waarbij Olivier de Pape het pand verhuurde aan de kleermaker Aerd den Vos. Uit de tekst kan men echter besluiten dat de Pelgrim oorspronkelijk een grote herberg was, ondergebracht in een gebouwencomplex dat nog grotendeels in hout en leem was[5].

 

Op 5 september 1474 liet hertog Karel de Stoute door Wouter van Bonnecroye, rent­meester van Brabant in het kwartier van Ant­werpen in het openbaar de Pelgrim, toen het eigendom van de Keulse koopman Jan Hoep, verkopen aan Jan Heyns. Karel zegt in zijn akte gedateerd 26 oktober 1474 dat hij alle eigendommen van Keule­naars openbaar doet verkopen ‘...overmids dat die selve zijn onse vyanden ende houdende zijn jegen ons partie contrarie...’ De nieuwe eigenaar, Jan Heyns, was duide­lijk vrij vermogend want hij betaalde meteen al 148 pond 16 sc., dat was meer dan de helft van de totale koopsom: 15 pond gr. erfelijke rente, d.i. 240 pond (ten penning 16). De akte besloot met een reeks formules die Jan Heyns en zijn nakomelingen moesten beschermen tegen gerechte­lijke en ander vervolgingen en stelde dat Karel en zijn opvol­gers zich blij­vend garant stelden[6]. Dit was nodig want Jan Hoep heeft nog tot 1512 geprobeerd om zijn eigendom, die hem dus zeer nauw aan het hart lag, terug in handen te krijgen en we kennen zelfs een akte uit 1511 waarbij hij doodleuk de Pelgrom voor drie jaar verhuurt aan Jan  Raevens Janssone van Bergen op Zoom (Doehaerd 1962-1963, vol. 3, 212, nr. 3677). Desalnietemin was er steeds een andere eigenaar die het pand goed wist te gebruiken. Zo kennen we in 1490 als eigenaar Adriaen vander Haghe en wordt in 1493 Adam vander Haghe (is dit dezelfde persoon) vermeld als waard van de Pelgrim[7]

 

Op 4 maart 1528 o.s. (1529 n.s.) bevestigde Karel V de regeling van Karel de Stoute zodanig dat de Pelgrim openbaar kon verkocht worden. Koper werd Peeter Moys, ten behoeve van Fernando de Bernuy voor een erfrente van 78 pond 10 sc. 6 p. gr. brab. per jaar. Nu bleek het dat een aantal erfgenamen van Hubrecht Heyns, die na de dood van zijn vader Jan eigenaar was geworden, dwars lagen en weigerden deze transactie te laten doorgaan. Fern­ando de Bernuy weigerde dan ook de rente te betalen en de koop werd geschorst in een nieuwe akte ondertekend door Karel V van 9 december 1529. Jan Moys, rentmeester van Brabant in het kwar­tier van Antwerpen, vertegenwoordigde in opdracht van Karel V de helft van de erfgenamen van Hu­brecht Heyns in een nieuwe verkoop gedateerd 17 februari 1529 o.s. (1530). Kopers waren Lanceloote van Urssele en Gheevaerde van Doerne, rent­meesters van de stad en ten behoeve van de stad. Ze betaalden voor ‘... een huysinge van vore tot achter met plaetsen stal­linge borneputte gronde en[de] allen den toebe­hoorten geheeten den pelgrym...’ een erfrente van 161 Carolus­gulden per jaar en wel in twee schijven af. De stad moest wel nog jaarlijks een heel pak renten betalen o.m. aan Quinten Matsijs, schilder[8].

 

Aan deze beroemdheid is wat betreft de Pelgrim een heel ver­haal verbonden. Volgens de legende woonde Quinten Matsijs (1466 - 1530) als jong weduwnaar in de Rooden Hoed, het nu nog bekende restaurant aan de overzijde. Met verliefde blik­ken keek hij naar de jonge dochter van de herberg de Pelgrim. Hij wilde met haar trouwen maar Jan Heyns vond kunstsmid toch niet zo'n eervol beroep en het is daarom dat hij kunstschilder zou geworden zijn (de geschiedenis met de vliegen). In 1508 werd Catherina Heyns de tweede echt­genote van Quinten Matsijs en zij hadden samen nog nog tien kinde­ren (Verhuyck 1987, 89)[9].

 

Zeker in de periode 11 november 1530 - 11 november 1532 werd de Pelgrim, terwijl allerlei verbouwingen aan de gang waren verhuurd aan Jan Du Hem[10]. Op 20 oktober 1534 verkochten de rentmeesters de achterkant van het erf van de Pelgrim aan Jan Berthout, de toenmalige eigenaar van het buurpand de Ooie­vaar dat aldus de Pelgrim helemaal omringde[11]. In de akte lezen we dat de stad bezig is op het erf van de Pelgrim een nieuwe straat te trekken.

 

2. De Pelgrim na het trekken van de straat

 

Op 4 november 1534 werd de Pelgrim, of beter, dat wat er nog van restte, door de rentmeesters Jan Happaert, Jan de Jonghe en Aerd van Dale verkocht aan Jacob de Hont diemen heet Thoe­nis. Op 23 mei 1535 en daarna verkoopt deze man, die metser en erfscheider was, renten "... op drye nyeuwe huysen... [waer]aff deene geh[eeten] is den pelgrom en[de] gelegen al neffens een inde nyeustraete diemen heet de pelgrimstrate... [12]. In feite gaat het hierom dat de Pelgrom inbegrepen is in de drie nieuwe huizen en dat het perceel dus bestond uit het zwaar verbouwde voorhuis op de Oude Koornmarkt en twee nieuwe huizen op de Pelgrimsstraat. Merken we op dat in de beschrij­vingen van de Pelgrom er steeds sprake is van een kelder onder de straat.

 

Op 19 oktober 1545 geeft Jacob de Hondt in erfelijk recht aan de slotenmaker Mathys Deecke "... Een huys metten kelderke[n] voe[r] onder de strate metten halven weerdribbe..." in de Pelgrimsstraat. De volgende dag werd het, vanwege medepand­schapen, genaast door Willem de Ruste­re, de eigenaar van de Ooievaar, die er een stove zou in onderbren­gen[13].

Op 7 december 1552 wordt Jehanne de Hondt, natuurlijke doch­ter van Jacob de Hondt wordt als gevolg van zijn testa­ment eigena­res van St. Marten en de Pelgrom.

 

Op 11 februari 1580 geeft Jehanne de Hondt, alias Thoenis, gehuwd met Marten van Hove, samen met haar kinderen en andere verwanten aan Reynier Wouters, kuiper, en Anna Schellincx, voor eeuwig te gebruiken: "... Een hoeckhuys ghenaempt den pelgrim met eenen gemeynen borneputte staende inden muer tusschen het selve huys..." en het achterhuis genaamd St. Marten, "... dienende de selve borneput alleene tot beyden de selve huysen met eenen kelder comende van voor aende strate van doude corenmerct totten eynde van[den] voors. hoeckhuyse [ende] ter zyde onder de pelgrimstrate zou breet als deselve strate is strecken[de] licht scheppende deur de yseren tralie aldaer gemaect, met eenen regenback staende inde selven kel­der, met eene weerdrib­be, gronde [ende] allen den toebehoorten gestaen [ende] gelegen zuyt [ende] westwaert inde voors. pelgrimstrate, welcke strate van voren aende zyde van[den] voors. oude corenmerct metter voors. hoeckhuyse [ende] achter­huyse eertyts inden jare duysent vyfhondert [ende] vierender­tich plach te wesen van de toebehoorten van[den] geheele groote huysinge [ende] erve geheeten den pelgrim..."[14]. De Ooievaar en de bijbehorende percelen omringen de Pelgrom en St. Marten volledig.

 

Boven­dien is in de transaktie ook nog begrepen "... het voors. achterhuys genaempt Sinte Merten metten voors. gemeynen borne­putte, met noch eenen kelder, [ende] weerdribbe gemeyn zyn[de] tusschen tselve achterhuys [ende] het voors. huys geheeten den Oyevaer de welcke tot gemeyne coste [ende] laste moet geruympt worden op derve van[den] selve achterhuyse met gronde [ende] allen zynen toebehoorten...".

 

Men zal zich afvragen, nu we eigenlijk over twee huizen spre­ken waar dat derde huis [indien het niet verkocht was in 1545] naartoe is. Welnu, de cohieren geven ons een vrij plausibele verklaring: men onderscheidt ook daar reeds in 1577 twee eigendommen die in de beginjaren 1580 van eigenaar veranderen: Jehanneke van Hove wordt immers Reynier Wouters, in het 'Register houdende de huysen...' van 1584 aangeduid als "cuy­per van tlandt van Valckenborch" . Het ene is wel dege­lijk St. Marten, huurwaarde 40 gulden, en gehuurd tot rond 1582 door de kousen­maker Jan du Bois, dan tot 1584 door ene Willem Basti­aens, in 1584 zelf mogelijk nog door de vettewarier François Mertens, en daarna door ene Peeter Peeters. Het andere is de Pelgrim, huurwaarde 136 gulden, maar zeker tot 1577 genoteerd als bestaande uit twee woningen: de ene op de Oude Koorn­markt, gehuurd tot 1582 door kuiper Mathys Wouters, en de andere in de Pelgrimstraat, in 1577 gehuurd door de oude schoenmaker Peter van Campen. In 1582 heeft het volledige huis een andere naam: St. Jacob en huurt Mathys Wouters het geheel, daarna is Reynier Wouters zelf de bewoner[15]. Hij overlijdt er in oktober 1591[16]. Elisabeth van Erp hertrouwt rond april 1593 met Mathys Lesteens. Uit wat volgt blijkt dat de kuiper Mathys Lesteens met vrij grote zekerheid de Pelgrim heeft bewoond zodanig dat ik met graagte zijn boedel­inventaris d.d. 25 januari 1627 in bijlage laat volgen[17].

 

Volgens een akte van 19 maart 1627 belandt de Pelgrom "... met een wooninge daer achter aen..." in de Pelgrimsstraat die apart bewoond wordt door François Lesteens voor een erfrente van 231 gulden 5 stuivers in de handen van Hans Lesteens doordat de andere leden van de familie er afstand van doen[18].

Op 28 maart 1628 verdelen erfgenamen van Reynier Wouters de huizen onder elkaar. Angela Wouters en haar man François Lesteens worden eige­naars van St. Marten, de Pelgrom komt nu definitief in de handen van Hans Lesteens. We zullen hier enkel nog de lotge­vallen van de Pelgrom bespreken. Uit het testament van Jan (of Hans?) Lesteens, kuiper, en Maria Pee­ters d.d. 25 september 1637 blijkt dat dit echtpaar het toen alvast bewoonde[19]. En in latere tijden duiden de cohieren aan dat de Le­steensen hun huis zelf bleven bewonen. In 1659 vinden we onder de naam 'Inden Pel­grom' Jan Baptista Lesteens die een huis met een huurwaarde van 120 gulden en voorzien van 4 schoorsteen­pijpen bewoond[20] en ook in 1667 en 1672 tref­fen we dezelfde eigenaar- bewoner aan[21]. die Jan Baptista Lesteens was de zoon van Jan (Hans?) Lesteens en Maria Peeters en hij was zelf in 1672 dienende deken van het kuipersambacht en vrijgezel, en hij had ook twee zusters: Elisabeth en Maria. Wanneer op 14 mei van dat jaar de eigen­dommen van hun ouders en die van een aantal voorzaten worden verdeeld weet Jan Baptista de Pelgrom te verwerven. In het sterfhuis van de ouders (de Pelgrom?) trof men op dat ogenblik ook nog gespon­nen en ongesponnen katoen aan en "... als mede de logie inden asynhoff lege aemen ende halffaemen stellingen ende steen­en..." die ook aan Jan Baptista toekwamen. We ver­nemen ook iets meer over de indeling van de Pelgrom: "... Een huys wesende een hoeckhuys nu genaemt den pelgrim met winckele ceuckene drye hangende caemers twee oppercaemers twee solders twee kelders [daer]aff eenen onder de straete liggende is...". We vernemen ook dat men tijdelijk terug een aparte woning in de Pel­grimsstraat heeft gecreëerd want Jan Baptista Lesteens ver­werft ook nog  het "... huys wesende eene appaerte wooninge [ende] nu totten voors. hoeck­huyse geapproprieert synde mett[en] winckele ceuckene hangende caemere [ende] oppercaeme­re met het gebruyck vande pompe [daer]voor opde straete staen­[de]..." gesitueerd tussen de Pelgrom en St. Marten[22]. Jan Baptista Lesteens verkoopt zijn zuster Elisabeth meteen een rente van 250 Car. g. die hij op dit eigendom laat drukken.

 

Uit het testament van Elisabeth Lesteens van 28 maart 1679 blijkt dat zij en haar dienstmaart Maria de Pelgrom zelf bewoonde. Haar broer Jan Baptista zou in ieder geval bedacht worden met St. Marten maar had net zoals de kinderen van zijn overleden zuster Maria recht op de helft van al haar bezittin­gen[23]. In 1682 blijkt de huurwaarde gestegen te zijn tot 180 gulden en worden de erfgenamen van Jan Baptis­ta Lesteens als bewonen­de eigenaars aangeduid[24]. Dat men dat jaar al spreekt over erfge­namen is wel vrij bizar aangezien wij op 13 septem­ber 1684 een nog steeds springlevende Jan Baptista Lesteens, nu genoteerd als oud- deken van het ambacht der kuipers na een verdeling ook nog de helft van St. Marten zien verwerven[25].  De meerseniers signaleren hemzelf in 1677 en 1681, zijn weduwe in 1696 die er zeker in 1689 nog woonde[26].  Vervolgens werd zijn dochter Anna Lesteens, gehuwd met Guilliel­mus de Wilde, de eigenaar.  Men verhuurde aan de meersenier Jan Baptista Pot­mans[27].

 

In 1754 wordt de Pel­grim gehuurd door de bakker Henricus Josephus de Wolff en zijn echtgenote[28].

 

Op 22 februari 1771 wordt de Pelgrim zonder St. Marten door de kinderen van het echtpaar de Wilde- Lesteens voor 1990 gulden aan hoedenmaker Meester Joannes Baptista Dael verkocht die het meteen hypothekeert voor 1400 gulden. Men zegt dat het wel degelijk gaat over het hoekhuis genaamd de Pelgrim, "... te voorens twee huysen geweest synde..."[29].

 

In 1796 vinden we volgende eigenaars-bewoners: de hoedenmaker Charlé van Tielt, 50; zijn echtgenote Anna Dirckx, 51; hun kinderen Catrin, 12; Jean, Colette, Marie, Henrie en Bonert, jonger dan 12, en een hoedenmakersgezel met name Corneille Dirckx, 26.  Waarde van het pand: niet ingevuld[30].  De meerse­niers melden ons dat hoedenmaker 'Van Til' al zeker op de Oude Koornmarkt woonde vanaf 1781[31].

 

Wat betreft de negentiende eeuw zijn ons volgende gegevens bekend: beide panden (St. Marten en de Pelgrim) worden op 27 september 1856 gezamenlijk geveild.  Samen hadden ze een oppervlakte van 75 m2 en ze worden beschreven als één woonst: "...een winkelhuis, vroeger twee huizen geweest zijnde, staen­de en gelegen te Antwerpen op den hoek van de Oude Koornmarkt en de Pelgrimsstraat... hebbende grooten winkel oft magazijn, twee beneden kamers put en regenwater, verschillige bovenka­mers op de eerste, tweede en derde stagien, zolders, kelders en aengehorigheden".  Sedert 13 mei 1836 was de Pelgrim zelf het eigendom van de boekdrukker Michael Vinck en van Regina Vinck, echtgenote van Henricus Wasse.  St. Merten was op 5 mei 1829 door Anna Elisabeth Queny in de handen gekomen van There­sia Brohart, de weduwe van Jacobus Geleende die het geheel op 12 februari 1855 liet veilen.  Eigenaar werd de familie Haine die dus op 27 september 1856 alles liet veilen ter verdeling tussen de erfgenamen van de weduwe van Franciscus Haine, geboren Leysen, een koopvrouw die heel wat andere panden bezat waaronde het Mercator-Orteliushuis in de Kloosterstraat.  Het pand was door haar dan ook verhuurd voor een termijn van zes jaar volgens contract d.d. 27 december 1855 aan de commissio­naris in sigaren Joannes Felix Vleeshouwer en dit voor een bedrag van 1900 BEF/jaar.  In het contract was voorzien dat men het huis in de Pelgrimsstraat terug kon afsplitsen en de huur zou dalen tot 1100 BEF/jaar voor de Pelgrim.

 

Eigenares na de verdeling en voor een bedrag van 27.200 BEF wordt Josepha Isabella Maria Haine, zonder beroep, zuster van de koopman Franciscus Julius Haine, koopman en consul van Bolivië, door wiens tussenkomst het in haar handen belandt[32].  In 1898 werd er in de Pelgrim een café uitgebaat[33].


 

[1] F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, dl. III, Antwerpen, 1977, p. 334.

[2] G.ASAERT, Huizen en gronden..., p. 80; SAA, V 1980 f° 23 r°.

[3] SAA, V 1980 f° 23 r°; SR 3, f° 177 v°; SR 32, f° 10 v°; SR 35, f° 145 v°; SR 39, f° 328 r°; SR 41, f° 170 v°; SR 43, f° 170 r° - v° en 103 r°;  SR 45, f° 8 v° en 12 r°; SR 49, f° 308 v°; nog in 1454 over de erfgenamen Jan Papen: SR 48, f° 153 r° - v° en ook f° 253 v°. Merken we op dat Jan de Pape ook over de hoeve ’t Goet ter Hage te Edegem beschikte.

[4] SAA, SR 44, f° 235 v° en 236 r°.

[5] SAA, SR 48, f° 278 v° - 279 r°.

[6] Dat Jan Heyns nog verder alle renten bleef aflossen bewijst zijn kapitaalkracht nog meer, zie o.m. SAA, PK 2921 (= Historische Nota's De Burbure, vol. 2), f° 125 r°.

[7] SAA, Cert. 2, f° 26 v° d.d. 20/08/1490 en f° 180 r° d.d. 17/05/1493.

[8] Hiervan zijn ook sporen te vinden in de stadsrekeningen: SAA, R 7 (1530-31), f° 32 r° - v° waar we bij de inkomsten van lijf­renten de vermelding vinden: ‘... van den voirs. v[er]cochten lijfrenten heeft men betaelt inden iersten den vercoopers van den huyze van de pelgrom opte oude core[n]merct alhier gestaen en[de] bijder stadt inden ja[r]e lestleden gecocht achter volgende de coopced[ule] IIII , br. erflic en[de] daer vo[r]e betaelt LXIIII , br. ...’.  De stad betaalde in 1536-37 nog een cijns op de Pelgrom aan de kartuizers: R 9, f° 55 v°.

[9] Bijdragen tot de Geschiedenis, 1905, jg. 4, p. 320.

[10] SAA, R 7, f° 60 v°; R 8, f° 28 v° en PK 2188, losse reke­ning gedateerd 11 januari 1532 o.s. (1533) in een schabouwe­lijk middeleeuws Frans met als aanhef 'Senss[ui]t les repara­sios faits au pelerin de puys la 1530 anvante pasques les partz quit senss[ui]t'.

[11] RAA, Schepenbrieven, nr. 2097.

[12] SAA, SR 188, f° 57 v° en 257 v°; SR 190, f_ 237 v°;  RAA, Schepenbrieven, nr. 2100.

[13] SAA, SR 217, f° 31 r° - v°; SR 218, f° 79 v°.

[14] SAA, SR 363, f° 78 v° - 80 v°.

[15] SAA, GA 4833, f° 33 r°; R 2181, f° 103 r°, R 2286 en 2213, telkens f° v°- 3 r°; R 2317, 2237, 2350, telkens f° 3 r°.

[16] Testament van R. Wouters d.d. 2 oktober 1591 situeert zijn ziekbed wel degelijk in de Pelgrom: SAA, N 1481, f° 193 r° - 194 r°.

[17] SAA, N 3495, ongefolieerd.

[18] SAA, N 3461, f° 60 v°.

[19] SAA, N 3471, f° 379 r° - 382 r°.

[20] SAA, R 2502 : Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd.

[21] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 159 spreekt weer van Hans Lesteens.

[22] SAA, SR 838, f° 70 v° - 74 r°.

[23] SAA, N 3809, f° 16 r° - 18 v°. Jan Baptista kreeg ook nog van Elisabeth: "... haere negen grove porceleyne potte[n], de vyff [daer]aff met silveren schelen...".

[24] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f 29 v, nr. 154.

[25] SAA, SR 907, f° 78 r° - 81 v°.

[26] SAA, GA 4216-18.

[27] SAA, GA 4219; GA 4832, f° 62 r°, nr. 154; R 2516: cohier vant huyshuergelt 1689, nr. 180.

[28] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 29, nr. 114.

[29] SAA, SR 1242, f° 287 r° - v°.

[30] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2447.

[31] SAA, GA 4227, 4230-31, 4234-35, 4237-38 en 4240.

[32] SAA, MA 5955/2.

[33] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 30).


 


 

Bijlage

Boedelinventaris d.d. 15 januari 1627 van de nalatenschap van Mathys Lesteens, kuiper in Antwerpen, gestorven 13/10/1626 als weduwnaar van Elisabeth van Erp.

Kinderen: Hans, Peter, Claerken en Heylken Lesteens.

Aanwezig zijn Hans Lesteens bovengenoemd en Franchois Lesteens gehuwd met Angela Wouters die dochter was van Elisabeth van Erp (en Reynier Wouters).

N. 3495, ongefolieerd (in tweevoud). Reeds gedeeltelijk gepu­bliceerd in:

E. DUVERGER, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventiende eeuw, dl. III, Brussel, 1987, p. 8 (nr. 595).

 

Ierst opde Solder

 

Een weeckhouten tooghsken, Een weeckhoute schapbert Een weeck­houten cackstoel, Een yser om aent vier te setten voor de kind[eren]

een deel quaet houtwerck van vensters [ende] an­der[e] rommel­rye, Een deel groote beslachriemen Een ratteval, Een deel bierk[an] duyghen, Een groote baelmande, een deel oudt yser,

 

Opde voorcamer

 

Een leeren secreet coffertien met yse[ren] banden beslagen sonder aecken, Een yseren mortier mett[en] stamper, Een houten boom om een os aan te hangen, Een clutboge

een schyve van een tafel met een schraghe

Twee herthouten spennebancken, Een herthouten amarisken met dry deuren [daer]inne bevonden een deel lyne prondelrye, Een herthoute toeslaen[de] schabeltafelken, Een herthoute recht­banck met twee deuren [daer]in een deel oude quade papier[en]

Een quade swertte lakene broeke, Een bombasyne wambeys een[en] rooden laken hemptrok

een groen lynwate gordyne, Een blauwel

 

Een witte spaensche saergie, Een dryvoetstoel met een leene, drye quade stoelen, Een spicie

Twee bedde met hooftpeulnen een tycken oircussen, vier steent­kens gesod[en] garen,

Twee weynspet[en] deen groote dander cleyne,

Twee hangels, Een weeckhouten troch

Een groote yser[en] reep, Een brantyser met haecken,

 

Op dachtercamer

 

Een herthoute overdeckte coetse behangen met saye valle [ende] gordynen [daer] oppe ligge[nde]. Een bedde met hooftpeulne

Twee groen spaensche saergien, Een witte spaensche saergie, Een herthoute[n] buffetken [waer]in des soens [ende] eenige der kindere dingen, Een schilderye met twee deuren van[de] drye coningen, Een gesneden cruycefix van houte [ende] gestof­feert zyn[de], Een ander waterverf doecke schilderye van een avontmael Een oudt schoucleet

Een groenen geschilderde mansstoel, Een gebroken spaens leeren stoel Een oudt gelaesbert

Een borstel

 

Opde voor hangen[de] Camer

 

Een wttrecken[de] tafel, Een carpetten tafelcleet

Een parysche bancke, Een weeckhouten berct

vier gestecken sittecussens, Een plat kistken met een slot [daerin] de schultboecken deser sterffhuys

Een lanck schapprayken met twee sloten [daerin] eenich van tnabes[creven] lynwaet, Een ledicantken [daer]op ligge[nde] een bedde metten hooftpeluwe, vier tycken oircussens

 

Een groen spaensche saergie, Een witte spaensche saergie

Een marie beeldeken in een pladt binnen lystken

Een schilderye van Susanna oick in een plat binnen lystken

Een schilderye van tkindeken Jesus insgel[yckx] in een plat binnen lystken, Een schilderyken van Abraham oick in een plat binnen lystken, een herthouten sluytbanck [daerin] hans des soens dingen,

Tweelff paer [ende] een slapelaken vyfthien mans hempden, vyfthien snutteldoecken, sesthien gemeyn ammelakenen,

vyff groote ammelakenen, vyff hantdoecken,

twintich servetten, seven paeren fluwynen

Tweentwintich droochdoecken, eenentwintich omslaghen,

een herthoute cleerschappraeye [daerin] tv[oorscreven] lyn­waet

ses witte mans voorschoyen Een swert leeren comcoffer beslagen met ysere banden [ende] twee herthouten voeten [daer]toe,

[daerin] zynde de dochters cle[deren], Twee mans vilte hoeden den een[en] met een[en] hoet bandt, Een paer blau rassette gordynen met valle, Eenen nieuwen swertten lakenen mantel ongevoedert, Een dagel[yckse] swertten lakenen mantel oick ongevoedert, Twee swertte lakene rechkens

Een bombasynen nestelwambuys, Twee paer beuratte mouwen, Een nieuwe swertte laken broecke, Twee paer leere schoenen, Een p[aer] neerbasen,

 

Opt tweede hangen[d] camerken

 

drye groote cuypers windasen Een heeren reyssachken

Een gesneden vierlade, Een weeckhouten torffback

[daerin] prondelrye, Een weeck bancsken, Een weeckhoute kiste [daerin] de kind[eren] dingen, Een capstock,

 

Opt hangend] camerken boven de ceucken

 

Een herthoute coetse [daer]op een bedde met hooftpeulne,

Een oude witte sargie, Een vierlaye Een quad lynwate gordyne Een prekstoel, Een cleyn wielken,

 

In[de] ceuken

 

Een herthoute overdekte coetse behangen met blau rassette gordynen [ende] valle [daer]op liggende een bedde met hooftpeulne, Een coop[eren] wywatervaetken drye spaens leere mans tafelstoelen Een[en] grooten spaensleer[en] mansstoel, Een spaens leer[en] vrouwen stoelken, Een blaesbalck, Een latte [ende] hangel,

Een potheys, Een hensken, Een tesch, Een rooster

Twee tangen, Een leech brantyserken, Een groen laken schou­cleet, Een cuypers soudtvat, drye cleyn schilderykens, een cleyn schilderyken van een marie beeldeken, Een spiegel [in] een [ver]gulde casse

Een dwelier, Een keesback, Een herthouten schabeltafelken twee carpette tafelcleeden

Twee gestreepte sittecussens, Een rapier met schede,

Een dryvoetstoel met een ront schyfken, Vier houte vrouwenstoelen, Een herthouten rechtbanck, Een herthoute ceuckenschappraeyken met dry sloten [daerin] bevonden, Een ront silver[en] soutvat Twee groote silve[ren] beckers twee middelbare silve[ren] bekers Twee cleyn silvere bekers, Een blecken mert eemer, Twee coope[ren] vischpaenen

Ses coop[eren] potschelen onder groote [ende] cleyne, Een coop[eren] blaecker, Twee coop[eren] winckel beckens, noch een cleyn coop[eren] becken, Een houten balancieken met coop[eren] schalen [ende] coop[eren] snoeren, Een coop[eren] vierclocke,

 

Een coop[eren] watereemer, Een coop[eren] hespketel Een groot [ende] een cleyn treseerbecken, Een coop[eren] ruetaecker

Ses groote coop[eren] candelaers Twee cleyn coop[eren] cande­laers Een coop[eren] mortier met een[en] yseren stamper,

Twee ysere brantysers met coop[eren] cnooppe

Een yser[en] vierschuppe [ende] tange oick met coop[eren] cnoppen

Twee groote coop[eren] tresoor candelaers, Twee coop[eren] pannekens, Een coop[eren] arm candelaerken

Een cleyn coop[eren] ruetaeckerken Een coop[eren] panneken

Een cleyn coop[eren] pappotteken, Een coop[eren] smoutpot met dexel, een coop[eren] smoutpot sonder oor [ende] dexel,

Een yseren balanceken met coop[eren] schalen, Een paer coop[e­ren] schalen, Een coop[eren] cuipper Een coop[eren] winckel­candelaer, Een coop[eren] lampe, Een coop[eren] vleeschpot, Twee platte coop[eren] ketels

Een coop[eren] vierpanne, Een coop[eren] potteken, Twee coop[eren] siepotten, Een coop[eren] vertende sieketel

Een schilderye op doeck [in] een platte lyst [van] Jesus, Maria [ende] Joseph, Een hare mouffel met I lams vel gevoe­dert, Twee tenne wynpinten, Twee tenne soutvaten, Ses tenne sausier­kens Tweelff tenne teljoeren, Een tennen spoubecxken, Een tennensuypencroes, Ses tenne commekens Een tenne salaet­scho­tel, drye tenne waterpotten Noch vyff tenne commekens neghen tenne lepels

Een tennen mostaertpot met een tennen lepelken,

Een root tennen soutvat, noch dry tenne teljooren,

Twee blecke schoteldexels, vier tenne schotels van drye ponden tstuck vier tenne schotels van III [pond] tstuck acht tenne schotelen van twee ponden tstuck,

Thien steene drinckpotten soo stoopen potten pinten [ende] uperkens al met tenne dexels, Een tennen asyn schaelken

Een geleysen suyckerpot.

 

Inden winckel

 

Vier tenne asynmaten, van pot pint uperken [ende] halff uper­ken halff, een blecken olieback met zyn maten, een[en] lanter­ne, Een vleghel

Een houte balance met houte schalen, vyff stucken yseren gewichte, Een marienbeelt een yseren lichter, drye asyn vaten, Een olievaetken, Een lontroer Een halve pycke, vyff houte treseerbecken [ende] schotels, Een boterstamper, Twee ysere potten, Een houten eemer met yse[ren] banden beslagen

Een tennen trefter

 

In[de] kelder

 

Twee ysers van een vuythangbert, vyff waschtobben, twee met stampers, Een houte ruetpersse, Een bierhalffvat,

Twee vleeschstanders

 

Ten huyse van franchois lesteens een groen saergie [ende] een witte [ende] een groen spaen[sche] saergie,

 

[daerne]ffe in[den] asynhoff een herthouten amaris

 

[vervolgens komen de papieren. Hieruit blijkt dat Hans Lesteens nog schulden had t.o.v. zijn vader wegens de overname van de kuiperij. Nogal wat mensen uit Brussel hadden nog schulden te betalen wellicht wegens geleverde tonnen.]


 

In het klad staat: 'dryvoetleenstoel': een stoel met leuning dus.
In het klad: 'weynspitten'
treseerbecken: vergiettest, eventueel een graanzeef.

ruetaecker: niet echt gevonden, roet kan ook smeer of zelfs keukenvet zijn, een aker is een wateremmer: hier dan gebruikt om vet te bewaren?
uperken: halve pint, uiteraard ook als inhoudsmaat gebruikt.