De Ooievaar, Oude Koornmarkt 28[1]

 

Tot dit pand behoren de huizen Pelgrimsstraat 4 tot 10. Zoals men zal merken is het onmogelijk aparte geschiedkundige beschrijvingen van deze huizen te geven.

 

1. Tot de troebelen (1382-1581)

2. De eigendommen van de familie Tholincx- du Bois aan de Oude Koornmarkt en de Pelgrimsstraat

Boedelinventaris van het sterfhuis van Anneken Marette (1631)

Boedelinventaris van het sterfhuis van Abraham Cousaert (1642)

 

 

Terug naar het overzicht van de huizen

1. Tot de troebelen (1382 - 1581)

 

De oudste akte over dit pand is gedateerd 16 juli 1382. Op dat ogenblik geeft Margareta Bollaerdinne het aan Elisabeth van der Leyen en haar beide dochters die ze had van Reynier van Hou­terle voor een erfrente van 15 gulden penningen of oude Franse schilden per jaar[2].  Vervolgens beschikken we over een daging van 6 februari 1394 n.s. waarbij Vrouwe Lysbeth, weduwe van Ridder Claus Vyt het huis voor zichzelf opeist.  In de daaropvolgende jaren zal ze samen met haar dochter Lysbet het pand hypothekeren[3].  In een akte van 25 april 1404 lezen we dan dat Jan de Vos 1/4 van “... den herberghe den Hodevaer...” daagt en op 25 april 1415 n.s. daagt Dieric Ghisels 3/4 “... vander huysinge geheeten den Oudevare...”[4].

 

Op 2 oktober 1445 gebruikt Reyner Loeye van s’Hertogenbosch zijn huis de Oedevare, als onderpand bij een lening van 664 gouden Rijnse gulden die hij ontvangt van de stadswisselaar Thyman Claussone[5]. Op 23 februari 1478 n.s. wordt er een rentenbrief op de Odeva­re van 1471 afgelost en we vernemen dat de eigenaar van “een huys met stallingen, plaetsen halven borneputte...” een zekere Merten van Parijs en zijn kinderen is[6].

 

Volgens een akte van 21 juni 1497 betalen Claus Staeck en zijn echtgenote Anna van Parijs elk jaar als lijfrente 13 pond groten Vlaams aan Anna Nerincx op hun deel van het huis[7]. Met deze Claus Staeck krijgen we al wat vaste grond onder de voeten en zijn blijvende interesse voor 'De Ooievaar' blijkt eens te meer wanneer hij op 5 janua­ri 1508 n.s., na een minne­lijke schik­king met Jan van Parijs, zijn zwager woonach­tig te Atrecht, en Robert Courronnel, wiens moeder Jehanne van Pa­rijs, zuster van de voorgenoemde Jan was, de helft van het eigendom weet te ver­werven terwijl de andere comparanten elk een vierde krij­gen[8].

 

Claus Staeck was hoe dan ook een vermogend man. Hij was pach­ter van de wijnaccijnzen te Antwerpen en in de jaren 1500 - 1510 zeer aktief wat betrof het verhandelen van allerlei onroerend goed, o.m. in de Hofstraat en de Keizerstraat[9].

Op 19 juni 1517 geeft Joanna van Parijs aan Adriaan van Lis­bon­ne en diens echtgenote Cornelia Staeck en deze laatste haar broer Aelbrecht Staeck een vierde van de Ooievaar voor 7 pond 15 schellingen groot Brabants en op 28 augustus verwerven dezelfde kopers het overige vierde van Jan van Parijs[10]. Ik vermoed dat Cornelia en Aelbrecht Staeck kinderen zijn van Claes Staeck. Op 20 juni 1530 verkoopt Adriaan van Lisbonne aan de voogden van Anna en Francyne of Josyne Wielants zijn rechten op de Ooievaar, en in een akte gedateerd 13 mei 1531 vernemen we voor het eerst iets over de bestemming van het pand: het blijkt eens te meer een herberg te zijn[11]. Op 10 augustus van dat jaar verkoopt Aelbrecht Staeck Claessone aan Jan Berthout de helft van “Eenre huysingen met plaetsen stal­lingen... geheeten den oyevare...” tussen de Pelgrom en het huis van de Oosterlin­gen[12]. Vooraleer deze Jan Berthout ook nog de andere helft in zijn handen kan krijgen moesten er binnen de families Staeck en Wielants een aantal geschillen inzake de erfenis van Ael­brecht Staeck uit de weg geruimd worden. Op 21 juni 1532 komt er een regeling tussen Gheertruyt vanden Moere, weduwe van Aelbrecht Staeck, enerzijds en Ael­brecht's doch­ters: Anna en Franchyne Wielants en hun resp. echtgenoten Jan van Leest en Jan Cant anderzijds. Beslist werd dat “... alle co[n]tracten, testamente[n], dispo­sitien, ghif­te[n], makin­ge[n] oft dona­tien...” door Aelbrecht gedaan beschouwd zouden worden als van geen enkele waarde. De kinde­ren krijgen al het gemeenschappe­lijk bezit van Aelbrecht en zijn weduwe die ter compensatie behoudt haar klederen, riemen, ringen en andere juwelen, de helft van de huisraad en een lijfrente van 100 Carolusgulden per jaar. De kinderen beloven verder de achter­stallige schul­den af te betalen en voor Gheer­truyt de rouwkle­deren te beta­len tot een maximaal bedrag van 14 Carolusgulden. Onmiddellijk daarna verkopen Anna en Fran­chyne Wielants aan Jan Berthout hun helft van de Ooievaar die beschreven wordt als “... een[en] huyse metter plaetsen gange stallingen pack­huysen gronde en[de] alle den toebehoorten geheeten den oede­vaerde­re...” tussen het Oosterlingenhuis en de Pelgrom. Merk op dat er voor het eerst sprake is van pak­huizen wat erop schijnt te wijzen dat de Ooievaar, analoog met De Grote Gans, niet meer als herberg dienst deed maar als koopmanswoning, en dat er sprake is van een gang maar dat men helemaal niet zegt waar die dan wel zou uitkomen. Dit lijkt erop te wijzen dat de Ooievaar als het ware geprangd zat tussen de Pelgrom enerzijds en de Cluyse anderzijds die ook aan de achterkant zal doorge­lopen hebben. Noteren we tot slot nog dat Jan Berthout, die koopman was, voor deze helft een erfrente van 94 Carolusgul­den per jaar moest betalen en dat hij die met stukjes en beetjes zal afkorten en in 1537 volle­dig heeft afbetaald[13].

 

Op 20 oktober 1534 verkopen de rentmeesters van de stad aan Jan Berthout een stuk van het erf van De Pelgrim mits overname van een rente van 24 pond 7 schellingen en 5,5 penningen. De akte zegt dat men bezig is met de nieuwe straat aldaar te trekken[14].

 

Reeds op 23 september 1535 verkoopt Jan Berthout een rente ter waarde van 48 carolusgulden die moet dienen voor een dagelijk­se mis voor het altaar van het kinderbed in de kathedraal op zeven nieuwe huizen en een poort in de nieuwe Pelgrimsstraat en op de Ooievaar[15]. Op 17 februari 1540 n.s. verkoopt hij een rente op zeven nieuwe huizen in de Pelgrimsstraat.

 

Deze renteverkopen, alhoewel niet ongebruikelijk in die tijd, kunnen misschien toch ook een indicatie zijn van de weinig rooskleurige financiële toestand waarin Jan Berthout verzeild geraakt. Als gevolg hiervan doen de gerechterlijke instanties in opdracht van de voornaamste schuldeisers Robert de Neufmil­le en Jan Balbani de Ooievaar in de loop van juli 1542 open­baar verkopen zij het na een verkave­ling: aan de Pelgrims­straat ontstaan naast drie huizen die tot de Ooievaar blijven behoren, vier afzonderlijke eigendommen: de Grauwen Valck, de Gulden Cam en Turckye die op 4 juli verkocht worden, en de Wilde Kemel die op 10 juli verkocht wordt. Op 4 juli 1542 verkoopt schepen Willem van Halmale wat onverkaveld blijft: “Eene huysinge met poorte, plaetze, borneputte, regen­backen, neercameren, kelders met diversche stallingen en[de] packhuysen... geheeten den Odevare gestaen ende gelegen opte oude Corenmerct alh[ier] tusschen der natien vanden Oisterlin­gen huys[ing]e ende erve ex una ende thuys geheeten den pel­grom ex alt[er]a, commende ter zyden vuyte met eene poorten ende drie nyeuwe huysen inde nyeuv pelgromstraete...”. Koper is de herbergier Guillaume le Rustere of Willem de Rustere die in 1548 n.s. een rente verkoopt op zijn eigendom aan de pach­ter van de bierac­cijnzen Balthasar Charles[16].

 

Op 19 oktober 1545 geeft Jacob de Hondt, de eigenaar van de Pelgrom, in erfelijk recht aan de slotenmaker Mathys Deecke “... Een huys metten kelderke[n] voe[r] onder de strate metten halven weerdribbe...” in de Pelgrimsstraat. De volgende dag werd het, vanwege medepand­schapen, genaast door Willem de Ruste­re die er een stove zou in onderbren­gen[17].

 

Guilaume le Rustere was gehuwd met Barbara le Bacq. Deze dame had echter al kinderen uit een eerder huwelijk met Nicasius Virlez. Na het overlijden van het echtpaar le Rustere- le Bacq komt het vanaf 1550 tot een flinke ruzie tussen de kinderen van Nicasius Virlez en Jan de Rustere, de zoon van Willem over de erfenis. Na de nodige verwikkelingen, tot en met processen voor de Raad van Brabant toe, komt het op 30 januari 1555 n.s. tot een vergelijk waar­bij de Ooievaar onder de twee strijdende partijen wordt ver­deeld[18]. Op 30 maart 1555 verkoopt Jan de Rustere zijn helft aan de Keulse koopman Roeloff Vos en in de beschrijving komt de stove voor waarvan gezegd wordt dat dit wel degelijk oor­spronkelijk het huis was dat Willem de Rustere genaast heeft van Mathys Deecke[19].

 

Zetten we dit alles in een schema:

 

 

PELGRIMS-STRAAT

18 Turkye

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CLUYSE

16 Gulden Cam

 

14 Witte Kemel

 

12 Grauwen Valck

 

 

 

 

 

 

 

 

Straat-

kelder

van de

Pelgrim

Stove

 

 

 

 

 

OOIEVAAR

02 St. Merten

 

 

 

 

 

PELGRIM

 

 

 

Dat een cohabitation tussen een Keuls koopman en de familie Virlez niet zo lang kon blijven duren is logisch. Op 13 okto­ber 1559 verkopen alle eigenaars van de Ooievaar het pand aan  de koopman Jacques de Lengaigne. De beschrijving is lichtjes gewijzigd: “... Een huysinge met poorte, plaetsen, borneputte, regenbacke, neercamers, cueckene, stove, diverse stallingen ende packhuysen, gronde ende allen den toebehoorten...”[20].

 

2. De eigendommen van de familie Tholincx- du Bois aan de Oude Koornmarkt en de Pelgrimsstraat

 

Op 25 februari 1581 verkoopt Jacques de Lengaigne het grootste deel van de Ooievaar aan de koopman Embert Tholincx. Men be­schrijft het als: “Een huysinge geheeten den Oyevare met vloeren oft winckelen plaet­se gebruycke met eender pompen van[den] borne­putte staende opden erfgevers ande[r] erve nabescreven die hy behoudende blyft (ende welcke pompe derfne­mer [ende] heure nacomelinghen over desselfs erfgever ander erve altyt [ende] telcken des van noode wesen zal zelen moghen repareren [ende] versien) gehee­len regenbacke, neercame[r] cueckene, gronde [ende] allen den toebehoorten...”, gesitueerd aan de Oude Koornmarkt tussen de Cluyse en de Pelgrim, “... comende achter aen des erfgevers ander huysinge ende erve hieraf eensdeels gespleten wordende...”. De huurder van Jac­ques de Lengaigne mag ook nog een deel van de kelders van de Ooievaar van de Oude Koornmarkt gebruiken tot 1 mei 1582. Daarna worden de kelders van elkaar gescheiden. Verder moet het water van de Cluyse door de Ooievaar van de Oude Koorn­markt naar de Ooievaar in de Pelgrimsstraat afgeleid worden doorheen een 'yseren tralie'[21].

 

De Cohieren van 1577 tot 1586 doen nogal verwarrend over de Ooievaar van de Oude Koornmarkt:

In 1577 heeft het huis een globale huurwaarde van 384 gulden, eigenaar (sic!) is Embrecht Tholincx, ‘seemeleervercooper’ die het gedeeltelijk bewoont en een deel aan de camfassier Jan Comperis verhuurt. Volgens het cohier van 1582 dan is Jacques de Lengaigne eigenaar en bewoner van een deel van 230 gulden terwijl de rest door Tholincx wordt bewoond, daarna is Tho­lincx aan 230 gulden eigenaar en bewoner van de Ooievaar op de Oude Koornmarkt. Het ‘Register inhoudende de huysen’ van 1584 signaleert ons dat Embert Tholincx uit 's Hertogenbosch afkom­stig is[22].

Wat betreft de huizen in de Pelgrimsstraat is er grotere duidelijkheid: vanaf de Oude Koornmarkt naar de Reyndersstraat toe krijgen we achtereenvolgens:

1) Huis, huurwaarde 36 gulden, constant verhuurd door Jacques de Lengaigne aan de glasverkoper Godevaert Didden.

2) Den Oeyevaer "Inden herberge", huurwaarde 150 gulden, door de Lengaigne achtereenvolgens verhuurd aan herbergier Jeroni­mis Cambri, in 1584 aan Adriaen de l'homel, leegstand in 1585, in 1586 aan Dominicus Ory.

3) Huis ('Int voorhuys vanden Oyevaer'), huurwaarde 32 gulden, gehuurd in 1577 door de schoolmeester Melchior van Aelst die blijkbaar nog maar kortgeleden de cremer Willem van Nyelant heeft opgevolgd, in 1582 door de Maastrichtse peltier Aert Broquet (die in 1584 door het 'Register...' gesignaleerd wordt in een huis vlak naast St. Merten dat ook tot de Ooievaar zou behoord hebben maar niet in de cohieren terug te vinden is), vanaf 1583 door de Antwerpse peltier Hans of Jan van Beets.

4) Huis 'De Witte Lelie', huurwaarde 42 gulden, gehuurd in 1577 door de creemer Coenraet Corbier, in 1582 en 83 door Hans Keysers, vanaf 1584 door de Keulse droogscheerder Everaert Pistel[23].

 

Melden we dat één van de huizen in de Pelgrimsstraat voorzien was van een keldertrap van 1 voet diep waarop een cijns van 3 groten werd betaald[24].

 

In 1627 koopt, zijn zoon, Emberto II Tholincx ook nog de Cluyse om er te gaan wonen[25].

 

We beschikken over de boedelinventaris van Anneken Marette, weduwe van de droogscheerder Joos Felliers en bewoonster van één van de panden in de Pelgrimsstraat d.d. 3 juli 1631 (zie bijlage)

Op 31 mei 1634 verkopen de erfgenamen van Jacques de Lengaigne aan de kooplui Emberto en Jan Tholincx al één van de eigendom­men aan de Pelgrimsstraat: het gaat over dat pand dat aan­grenst aan St. Merten en de poort van de Ooievaar (dit laat­ste wellicht niet echt, cfr. infra) : “... een huys voor aen[de] strate,... tegenwoor­delyck bewoond wordende by Andries V[er]heyden... metten kelder zoo onder den selve huyse als onder de strate comen[de], [waer]van den inganck tegenwoorde­lycke is stae[nde] inde vs. andere huyse aende zuytzyde va[n] dese[n] huyse gestaen ende daertoe noch de huysinghe achter de selven voor­huyse gestaen,...” dat aan­grensde aan de Ooievaar van de Oude Koornmarkt, “... metten kelder daeronder ceuc­ke[n], bove[n]ca­mer, ende solder, met oock de erve oft plaetse daerane...” aangrenzend aan de Cluyse en met de verplichting het water van de Cluyse via dat tralie­werk naar de Pelgrims­straat te laten lopen[26]. Dit huis lijkt mij de opvolger van de vroegere stove te zijn. Het staat wel vast dat Embert echter in de Cluyse woonde (zie aldaar).

 

Op 5 december 1637 komt daar de rest van de vroegere eigendom­men van Jacques de Lengaigne in de Pelgrimsstraat bij:

“Eene huysinghe, metter poorte, stallinge, erve gronde en[de] alle[n] de[n] toebehoorten genaempt den grooten oyevaer met twee huyskens [daer]neffens ter reynderstrate waerts voor ae[n] tstrate ende noch een ander huysken, aen dander zyde vande selve poorte ter oudecorenmerct waerts oock aen[de] strate gestae[n]... commende achter metten grooten stalle tot ae[n] [ende] tegens den vuytganck oft doerganck van[den] huysinghe geheeten het cleyn oostersch huys...”. Er wordt een kelderdeurenchijns geheven op één van de kleine huisjes, waarschijnlijk datgene dat aangrensde aan het huis dat drie jaar daarvoor verkocht was[27].

 

Het testament van Embert II Tholincx d.d. 14 september 1641 voorzag inzake de huizen aan de Pelgrimsstraat volgende verde­ling:

1) Bartholomeeus en Joannes Tholincx, de twee oudste zonen die in Antwerpen waren gebleven[28], kregen de Cluyse, duidelijk met de bedoeling de handel van Embert daar verder te zetten.

2) Zijn dochter Maria verkreeg: “... Een huys met vloere ceucke­ne neercamer plaetse hove grooten stalle daerachter gronde...”, afgesplitst van de Grote Ooievaar en gesitueerd aan de Pelgrimsstraat t.o.v. een tweede huis dat ze ook krijgt met name St. Jacob de Meerdere, Pel­grimsstraat 11. Dit doet ons vermoeden dat dit huis gesitueerd moet worden aan de Pelgrimsstraat 10. Er is ook sprake van twee huurders: Abraham Coesaert, overleden 20 maart 1642, huurt het huis en heeft het samen bewoond met zijn echtgenote Maria Geerts. De familie was niet onbemiddeld zoals blijkt uit de boedelinventaris[29]. De bij het huis behorende stal werd verhuurd aan Hans van Canig­hem. De glo­ba­le waarde bedraagt 6300 gulden.

3) De derde zoon Francisus verkrijgt “... Eene huysinge met vloere ceuckene camers solders kelders gronde...”, bewoond door de weduwe vander Aa, “... metten huyse daerneffens”, gehuurd door Anthony de Tamboir, kleermaker. Beide huizen met een totale waarde van 6000 gulden situeren zich in de Pel­grimsstraat. Het huis verhuurd aan de weduwe vander Aa bevindt zich t.o.v. het huis St. Andries, Pelgrimsstraat 7, dat hem ook ten deel zou vallen. We moeten deze erfenis dus situeren ergens ter hoogte van de huisnummers 4 tot 8. De stove was dus hoogstwaarschijnlijk terug omgebouwd tot woning. Het huis waar de weduwe vander Aa woonde had een gemeenschap­pelijke muur met de Cluyse aan een plaats waarin zich een eveneens gemeenschap­pe­lijke pomp bevond. Haar huis moest het water dat van de Cluyse en de Ooievaar op de Oude Koornmarkt kwam afleiden[30].

 

We beschikken nog over een contract van 30 september 1653 waarbij Embert één van de huizen op de Pelgrimsstraat verhuurd aan Petronella vande Venne, weduwe van wijlen Peeter de Bail­lieu, en hun beider dochters Petronella en Elisabeth. en dit voor een termijn van 3 jaar aan 30 pond Vlaams per jaar.  Noteren we nog volgende clausules:

1) de huurders moeten de vensters onderhouden maar de verhuur­der staat in voor het verloden ervan.

2) onderverhuren is niet toegestaan zonder toestemming van de eigenaar

3) “Item, sal opde solder vermogen gestelt te worden eenen diamantmeulen daer eenen knecht inden dach op sal comen wercken”.  Hij mag daar niet overnachten[31].

 

Op 3 september 1658 wordt de erfenis van Emberto Tholincx effectief verdeeld onder zijn zoon Bartolomeus, zijn dochter Maria, gehuwd met Egidius du Bois, heer van Aisch en Refael Walhein, en Godefridus de Weer, de zoon van zijn dochter Anna. De Ooievaar op de Oude Koornmarkt en één huis op de Pelgrims­straat is in deze erfenis niet begre­pen want behorende tot het patrimonium van Jan Tholincx, de broer van Embert. De Cluyse kwam in de handen van Bartolomeus. Vanaf St. Merten naar de Grauwen Valck toe belandden de huizen in de Pelgrimstraat die blijkbaar toch wel wat verbouwd waren bij de volgende perso­nen: het huis naast St. Merten, bewoond door Anthony den Tambour, en het pand daar­naast, bewoond door kapitein Cruyt (die de weduwe vander Aa verving) werd verworven door Barto­lomeus; het huis daarnaast, aangren­zend aan de Grauwe Valck: "eene huysinghe met vloere ceucken neercamers plaetse hove grooten stalle daerachter gronde ende allen den toebehoir­ten..." behoorde tot het erf­deel van Maria[32].

 

Men zal zich afvragen waar dan wel dat ene huisje naartoe is dat aan de Pelgrimsstraat moet gesitueerd worden en dat niet in deze erfenis begrepen was. De oplossing lijkt mij te zijn dat het niet echt in de Pelgrims­straat stond maar achter het poortgebouw in de gang en direkt aangrenzend aan de Ooievaar van de Oude Koornmarkt, m.a.w. het achterhuis dat in de geza­menlijke aankoop van Embert en Jan Tholincx in 1634 begrepen was. Op 10 januari 1660 grijpt er een verdeling plaats van de erfenis van Gisberti Tholincx, een broer van Jan en Embert Tholincx. De kinderen van Jan Tho­lincx: Jan, Maria, die gehuwd was met haar neef Bartolomeus Tholincx, de zoon van Embert, Magdalena en Catherina Tholincx verwerven daarbij de Ooievaar op de Oude Koornmarkt en een daarbijhorend huis in de Pel­grimsstraat. Ze verkopen deze eigendommen op 24 januari daar­opvolgend aan de koopman Jan de Weer die gehuwd was met Anna Tholincx[33].

 

We mogen aannemen dat dit echtpaar al veel eerder, n.l. vanaf de jaren 1620, samen met Adriana de Weer, de zuster van Jan, regelmatig in de Ooievaar gewoond hebben zij het dat er ook regelmatig heen en weer gependeld werd naar 's Herto­gen­bosch, waar Jan's vader Govaert vandaan kwam en zoals gezegd ook de bakermat van de familie Tho­lincx, en een groot goed in Ber­chem. Jan de Weer beschikte hiertoe over speciale documenten van de overheden van de Spaanse Nederlan­den en de Verenigde Provinciën. Dit had alles te maken met de handel in vooral zijde en lijnwaad waarmee Bartolomeeus Tho­lincx en Jan de Weer zich bezighielden. Er waren betrekkingen met kopers en verko­pers in Rijsel, Bologna en Frankfurt. Later gingen de vennoten zich ook bezighouden met de invoer van Spaanse wol en indigo en het verven van laken. De financiële basis voor dit alles werd geleverd door het kopen en verkopen van renten o.m. op de Staten van Bra­bant, de steden 's Herto­genbosch en Rotterdam en op allerlei onroerend goed (hoeven, pachtgronden, vooral in de huidige provincie Noord Brabant maar ook in Hoboken). Financiële betrekkingen werden onderhou­den met agenten (vooral familie) in Parijs, Venetië en Amster­dam[34].

 

In ieder geval laat Jan de Weer in de maanden april en mei 1661 onderhoudswerken uitvoeren aan de Ooievaar. Hierbij worden vier zakken en vijf maten kalk en 1600 gewone stenen gebruikt[35]. Het echt­paar de Weer-Tholincx had één zoon: Gode­fri­dus de Weer, en als deze sterft belanden bovenge­noemde huizen (Oude Koornmarkt en ééntje in de Pelgrimsstraat) bij het echtpaar Bartolomeus en Maria Tholincx en wel op 19 febru­ari 1669[36].

 

De andere huizen die bij Bartolomeus Tholincx en zijn zuster Maria Tholincx (niet te verwarren met de vrouw van Bartolo­meus) waren terechtgekomen komen tesamen met de bovengenoemden na het overlijden van Bartolomeus en zijn echtgenote bij Maria en haar man Egidio du Bois. Laatstgenoemden woonden echter in de Lange Nieuwstraat blijkens het testament van douarière Maria Tho­lincx d.d. 21 augustus 1708[37]. Alle eigendommen aan de Oude Koorn­markt en de Pelgrims­straat met inbegrip van de Cluyse worden bij de verdeling van de erfenis van dit echtpaar op 21 april 1710 ver­worven door hun dochter Vrouwe Maria Susanna du Bois, gehuwd met Louis de Heuvel, ridder en heer van Calfen­ne[38].

 

Na al deze familiale toestanden[39] i.v.m. de eigenaars van de Ooievaar en de bijhorende panden moeten we het nu even hebben over mogelijke bewoners.

 

In 1659 werd de Ooievaar op de Oude Koornmarkt, huurwaarde 300 gulden, voorzien van 12 schoorsteenpijpen, bewoond door Jan de Wera, oftewel Jan de Weer. In de Pelgrimsstraat krijgen we tussen St. Marten en de Grauwen Valck: een huis, huur­waarde 42 gulden, voorzien van 2 schoor­steenpijpen, bewoond door Anthony Brouwer (Anthony den Tam­bour?), daar­naast, een huis, huurwaar­de 162 gulden, voorzien van 6 schoor­steenpijpen, zonder aan­duiding van bewoner, en tot slot, een eigendom, huurwaarde 168 gulden, voorzien van drie schoor­steenpijpen, gehuurd door de weduwe Ballieu[40].

 

In 1667 verhuurde men de woning op de Oude Koornmarkt aan Franchoys Hildernis voor 240 gulden; in de Pelgrimsstraat zijn er vier huizen die mogelijk tot het patrimonium van de Ooie­vaar moeten gerekend worden: een huis, huurwaarde 48 gulden, verhuurd aan Hans van Elsput, daarnaast huist Adrien Tombour in een woning van 48 gulden, 'H[ee]r vanden Broeck' huurt een pand van 156 gulden en tot slot bewoont de weduwe Baillieu het laatste voor nog slechts 90 gulden[41]. Het is duidelijk dat interne verschuivingen en herverkavelingen binnen de Ooievaar in de cohieren terug te vinden zijn maar het hangt wellicht van de appreciatie van de controleur af in welke volgorde hij de verschillende huurwoningen opneemt, of hij eerst in de gang gaat of eerst de huizen aan de straatkant noteert.

 

In 1672 is Franchois Hildernis nog steeds woonachtig in de Ooievaar maar het wordt door het cohier niet uitgesloten dat ook Bartolomeeus Tholincx daar woont.  In de Pelgrimsstraat zijn er tussen Sinte Merten en de Valck volgende bewoners aan te treffen: in een huis van 48 gulden: Cornelis Verbeeck, daarnaast, weer 48 gulden: Juffrouw Cave, daarnaast, 156 gulden: Mijnheer vanden Broeck en daarnaast, 150 gulden: Franchois dela Hees[42].

 

 

In 1682 is het de weduwe van Franchoys Hildernis die de woning op de Oude Koornmarkt betrekt; in de Pelgrimsstraat onder­scheidt men vier woningen: St. Ignatius, huurwaarde 48 gulden, wordt blijkbaar juist verlaten door ene Jan Wagemans en de nieuwe bewoner is Jan Adriaenssens, waarvan men zegt dat hij arm is; Michiel Michielsens bewoont een tweede woning van 48 gulden, de weduwe Closson verlaat de woning van 156 gulden voor 'Menh[ee]r Farlatian', priester, en de weduwe van Michiel Michielssens bewoont het huis van 150 gulden. Alle woningen, met inbegrip van de Cluyse, hebben één eigenaar: Menh[ee]r du Bois[43].

 

In de jaren 1689-1704 woont de weduwe Hildernis nog steeds op de Oude Koornmarkt, St. Ignatius wordt achtereenvolgens be­woond door Jan Bap­tista van Weyden, Jfr. Dirrewit, Jan Wils, Jan Vero, Franchois Uytterhove en Josina Jacobs; het huis daarnaast door Michiel Michielssens en Joos Mortiers; daar­naast woonde de hele tijd E.H. Farlitan; en tot slot werd het pand van 150 gulden achtereenvolgens bewoond door E.H. Jans­sens Moons en Susanna de Hert.

 

In de jaren 1704-1708 woont Frans Collyns op de Oude Koorn­markt, St. Ignati­us wordt eerst bewoond door Josina Jacobs en daarna door N. Maes, Joos Mortiers en daarna Ingel Tresia Laenen huren het andere huis van 48 gulden, E. H. Farlitan en Joanna Maria Willemsen waren opeenvolgende huurders in het pand van 156 gulden en Susanna de Herde en daarna Engelbert Antheunis en de weduwe Derpiater in dat van 150 gulden[44].

 

Als op 21 april 1710 de erfenis van het echtpaar Du Bois- Tholincx wordt verdeeld komen de eigendommen in de Pelgrims­straat en de Oude Koornmarkt in de handen van hun dochter Maria- Susanna, gehuwd met ridder Louis de Heuvel, heer van Calfenne[45]. In 1724 verhuurde Louis de Heuvel één van de hui­zen in de Pelgrimsstraat, tot dan toe bewoond door Maria Charlotte Pauli, geestelijke dochter, voor 120 gulden per jaar aan Carolus Ignatius Parys en dit voor een termijn van zes jaar[46]. Bij een verdeling op 30 juli 1727 krijgt hun Louis’ doch­ter Anna Maria de Heuvel, gehuwd met de amman Jonker Joan Baptista Guillielmus Josephus Fraula, Heer van Rosierbosch de bezittin­gen in de Oude Koornmarkt en de Pelgrimsstraat[47]. Bij de volks­telling van 1754 zien we dat ‘Le vicomte de Fraula de Rosier­bosch’, ‘capitalist’ van beroep samen met zijn echtgeno­te en vijf dienstboden in de Cluyse woont terwijl de Ooievaar verhuurd wordt aan Jacques Brems, ‘coopman in kemelhair’, volgens de telling, zijdekoopman volgens de meerseniers, zijn echtgenote, zijn twee zonen van resp. 19 en 23 jaar, zijn dochter van 28 jaar en een dienstbode. Er werd nog een aparte kamer verhuurd aan Mijnheer Petitjean, ‘grooten can[n]o[nick]’ van O.- L.- Vrouw[48].

 

Bij een volgen­de verde­ling van de eigen­dommen nu van Anna Maria de Heuvel verkrijgt één van haar kleinkinderen Jonker Simon Joseph Charles de Neuff, Heer van Aische, hoger­genoemde panden. We schrijven dan 26 januari 1764[49]. Na hem verwerft zijn dochter Anne Henrietta Marie Josephe Antoinette de Neuf d'Aissche, gehuwd met Charles Jacques Pierre Ignace d’Oultrem­ont alles[50].

 

Zij woonden in de Venusstraat en verhuurden in 1796 de Ooie­vaar aan volgende vrij begoede personen waarvan de staat op 25.000 gulden werd geschat: François Muskyn of Muskeyn, 42, handelaar in geitenhaar, zijn echtgenote Marie Brems, 37, hun kinderen Marie, 14, Trese, 12 , Alexandre, Charlotte, Angelle en Josephine die jonger zijn dan 12, en een dienstmaaagd met name Joanna Peeters, 19.  De waarde van het pand bedroeg 5000 gulden[51].

 

In de Pelgrimsstraat, tussen de huidige nummers 2 en 12, bevonden zich hoe dan ook 3 huizen die tot de Ooievaar behoor­den.  Naast de Grauwen Valck bevond zich een huis, waarde 2450 gulden, dat door d’Outremont werd verhuurd aan de priester C. Durdu, 62 en diens dienstbode Mari Proesmans, 30.  De eerwaar­de had 1000 gulden kapitaal.  Daarnaast vinden we een huis, waarde 750 gulden, gehuurd door de 65 jarige suikerrafineur Pier Vandervelde en zijn echtgenote, Jeanne Janssens, 68 en naaister.  Naast St. Marten vinden we een huis van 750 gulden gehuurd door de kantwerksters Anne (34) en Catarine (30) Janssens[52].

 

In 1898 verkocht men op de Oude Koornmarkt 28 kunstbloemen, aan de Pelgrimsstraat bevonden waren resp. op nr. 2 een arbei­der, op nr. 4 een huis, op nr. 6 een ‘bottier’ (laarzen­maker), op nr. 6: cafés en een gang[53].

Op 30 augustus 1900 werd in de Pelgrimsstraat 6 het Antwerpse koffiebedrijf ‘L’union commerciale et industrielle S.A. (De Handels- en Nijverheidsvereeniging NV) La Javanaise’ opgericht. De toenmalige eigenares, de weduwe L. Cateaux, verhuurde een deel van het pand om er de bureaus en magazijnen te vestigen. In eerste instantie werd er enkel koffie verkocht, maar in 1902 werd het bedrijf een koffiebranderij. Bij een openbare verkoop in 1908 werd het bedrijf eigenaar van het magazijncomplex terwijl het bureelgedeelte gehuurd werd van mevrouw Lootens. Om minder hinder te veroorzaken aan de omwonenden, werden dat jaar grondige verbouwingen uitgevoerd en machines gemoderniseerd en verplaatst. In 1927 verwierf ‘La Javanaise’ ook het pand Pelgrimsstraat 4 om het vanaf 1934 gedeeltelijk te slopen en om te bouwen tot een garage met woonplaats voor een conciërge. Het bedrijf bleef actief in de Pelgrimsstraat tot haar ontbinding in 1970-1972 toen bleek dat ze niet kon optornen tegen de scherpe concurrentie van de grootwarenhuizen[54].


 

[1] Voor illustraties over het trekken van de Pelgrimsstraat en de gevolgen hiervan op de Ooievaar verwijzen we naar I. Derycke, “Het onstaan van de Pelgrimsstraat”, in: Cornelis Floris, Jaarboek 1992, p. 83-101 en in het bijzonder p. 90.

[2] RAA, Antwerpse Schepenbrieven, nr. 2071. Zie ook: G. Beterams, Antwerpse schepenbrieven bewaard op het Rijksarchief te Antwerpen 1300 - 1794, p. 325 - 338.

[3] SAA, V 1980, f° 28 r°; SR 1, f° 193 v°; SR 2, f° 117 v°.

[4] SAA, V 1980, f° 69 r°; V 1981, f° 4 r°.

[5] SAA, SR 35, f° 134 v°.

[6] SAA, SR 92, f° 223 v°.

[7] RAA, Ibid., nr. 2076; We hebben ook nog een rentenbrief over de Ooievaar van 27 oktober 1479 waarbij ene Gheerd van Eycken 12 oude Franse schilden aan zijn zuster Katline be­taald: SAA, SR 95, f° 191 v°.

[8] RAA, Ibid., nrs. 2077 en 2078; SAA, SR 133, f° 178 r°.

[9] R. Doehaerd, Etudes anveroises, vol. 3, s.l., p. 166; SAA, SR 123, f° 97 r° - v°; SR 124, f° 106 r°, 113 r° en 117 r°; SR 127, f° 156 v° en 205 r°; SR 134, f° 141 v°; SR 140, f° 104 v° (bijvoorbeeld).

[10] RAA, Schepenbrieven, nrs 2079 - 2081.

[11] Ibid., nrs 2086 en 2089.

[12] Ibid., nr. 2091; SAA, SR 179, f° 23 r°.

[13] SAA, SR 182, f° 454 r° - 454 v° en 455 r° - v°; SR 183, f° 440 r°; RAA, Schepenbrieven Antwerpen, nrs. 2092, 2093, 2101 en 2102.

[14] RAA, Schepenbrieven, nr. 2097. De oppervlakte bedraagt 6 roeden 169 voeten.

[15] Ibid., nr. 2099.

[16] SAA, SR 206, f° 159 r° - 160 r°; Bulletin de la Propriété, vol. 12, p. 81; SR 226, f° 267 v° - 268 r°.

[17] SAA, SR 217, f° 31 r° - v°; SR 218, f° 79 v°.

[18] SAA, SR 252, f° 84 r° - 85 r°; ook in RAA, Schepenbrieven, nr. 2113.

[19] SAA, SR 252, f° 386 r° - v°; RAA, Schepenbrieven, nr. 2114.

[20] SAA, SR 274, f° 247 r° - 248 r°; RAA, Schepenbrieven, nr. 2115 of 2116.

[21] Kladakte: SAA, SR 365, f° 312 r° - 313 v°; Netakte op f° 314 r° - 315 v°; RAA, Schepenbrieven, nrs. 2127 en 2128.

[22] Ik kreeg informatie van dhr. Ad Teulings die mij over Embert het volgende liet weten: Deze Embert Tholincx is de zoon van Gijsbert uit ’s-Hertogenbosch. Deze was  zijdekoopman. Gijsbert ging via Antwerpen, waarhij enige tijd verbleef, naar Amsterdam, waar hij de Firma Gijsbert Tholincx & Caspar van Colen voortzette (in Antwerpen gestart). Zijn zoon Embert (Ambert) woonde tot 1567 in de Postelstraat in ’s-Hertogenbosch als welvarend koopman. Hij werd gerekend tot ‘een der principaalsten’ van het Bossche (Calvinistische) consistorie, en haar financier. In 1567 vluchtte hij voor de bloedraad van ’s-Hertogenbosch naar Keulen. Vermoedelijk in 1570 ging hij vandaar naar Antwerpen, want in 1573 werd hij daar ingeschreven als poorter. Vanaf ongeveer 1596 leidde hij het handelshuis Tholinc & de Weer, als zijdekoopman ‘seer ryck wesende’. Hij was gehuwd met Anna Pellicorne.

[23] SAA, GA 4833, f° 33 r° - v°; R 2181, f° 102 r° - v° en 103 r° - v°; R 2286; 2213; 2317; 2237 en 2350, telkens f° 2 v° en 3 r° - v°.

[24] SAA, T 167, f° 39 r°; T 169, f° 17 v°, nr. 146/293.  De eige­naar volgens het cijnsboek van 1630 was ene Zegerius van Hentsinn maar het was de weduwe Du Bois die deze rente afbe­taalde in 1692.

[25] Ad Teulings zegt hierover: Emberto II is inderdaad de zoon van Embert, dreef handel op Spanje en Mallorca en verbleef aldaar. Hij was getrouwd met Margaretha van Colen. Zij zijn beiden begraven in de O.-L.-V.- kerk van Antwerpen. Wapen: 3 merletten, trouwens ook nog te zien in het voormalige gemeentehuis van Hoboken, domein Sorgvliedt, dat het buitengoed van de familie was. Zijn broer Jan Tholincx was de oudste zoon. Beiden waren amman van Antwerpen.

[26] SAA, SR 626, f° 74 v° - 77 v°; RAA, Schepenbrie­ven, nr. 2145.

[27] SAA, SR 643, f° 378 r° - 380 v°; RAA, Schepen­brieven, nr. 2150.

[28] Volgens Ad Theulings is de oudste zoon, Embert III, vroeg uit Antwerpen weggetrokken.

[29] Voor de boedelinventaris van deze man, ook wel Abraham Cousaert of Coelsaet genoemd, zie bijlage 2. Maria Geerts, was een dochter van de vrij rijke schoenmaker, later rentenier, Philip Geerts. Bron: SAA, W 691, f° 155 r° - 209 v°.

[30] SAA, N 1503, ongefolieerd, vol. 4, f° 33 r° - 43 v°.

[31] SAA, N 3770, f° 137 r° - v°.

[32] SAA, SR 750, f° 345 r° - 350 r°.

[33] SAA, SR 758, f° 248 r° - 255 r°; f° 257 r° - 258 r°.

[34].Zie oude inventaris Insolvente Boedelkamer in het SAA, f° 114 v° - 116 v°. We hanteren de oude nummers waarmee de concordantie doorbroken is: IB 1088 en IB 1093, ongefolieerd.

[35] SAA, IB 1085, ongefolieerd.

[36] SAA, SR 820, f° 6 r° - 29 v°. Aan de lengte van de akte kan men zien dat er weer heel wat te verdelen viel. Veel verwanten van Godefridus de Weer verbleven in Engeland en Nederland.

[37] SAA, N 2533, f° 357 r° - 360 v°; wijziging d.d. 13 oktober 1708: N 2533, f° 409 r° - 410 r°.

[38] SAA, SR 1025, f° 185 r° - 210 v°.

[39] Voor meer gegevens over de hier voorkomende eigenaars verwijzen we naar K. Degryse, De Antwerpse fortuinen... (= Bijdragen tot de Geschiedenis, vol. 88, 2005), en in het bijzonder de bijlage I.

[40] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd.

[41] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.  Misschien is 'Heer vanden Broeck' de washandelaar Martinus vanden Broeck uit de meerseniersrekening van 1677: GA. 4216?

[42] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 158, 161-164.

[43] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 29 v°, nr. 153, 156 - 159.

[44] SAA, GA 4832, f° 62 r°, nr. 153, en f° 62 v°, nr. 156-159; R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd.

[45] SAA, SR 1025, f° 185 r° - 210 v°. Haar testament van 11 april 1721: N 2747, ongefolieerd, akte nr. 143 2°.

[46] SAA, N 2750, f° 287 r° - v°, akte d.d. 27 juli 1754.

[47] SAA, SR 1091, f° 111 r° - 126 v°. Noteren we uit het testament van Anna Maria de Heuvel d.d. 3 december 1749 dat haar eigen­dommen, m.a.w. de Cluyse en de Ooievaar, bestonden uit de panden op de Oude Koornmarkt “... ende daer en boven De Drij Achterhuysen uytganck ende edificien alle gestaen in de pelle­grimstraete alhier...”. Dit hele domein zou 30.000 gulden waard geweest zijn. Bron: N 2330, p. 1165 - 1203.

[48] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 29, nr. 112 en 113. We beschikken over te weinig gegevens om met zekerheid de bewoners van de achterhuizen op de Pelgrimsstraat te iden­tificeren.  De meerseniers noteren Jacobus Brems als zijde­koopman in 1768 en 1773, zijn weduwe in 1773, zijn zoon Alexander samen met de weduwe in vanaf 1781 tot 1790 en Alexander alleen als zijdekoopman vanaf 1791: GA 4221, 4224, 4227, 4230-31, 4234-35, 4237-38 en 4240.

[49] SAA, SR 1221, f 72 r - 77 v.

[50] A. Thys, Recueil des Bulletins de la Propriété (1873), Antwerpen, 1873, p. 78 - 80.

[51] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2448.

[52] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2236-2238.  Peeter Vandervelde staat bij de meerseniers bekend als boetiek en cruydenier in de Pelgrimsstraat vanaf 1773.

[53] SAA, ICO 68 formaat B, plan 9 (huisnummers 28, 2, 4, 6 en 65).

[54] H. Houtman-De Smedt, “Een bakje troost... een beknopte geschiedenis van het Antwerpse koffiebedrijf l’Union commerciale et industrielle S.A. (de Handels- en Nijverheidsvereeniging NV) La Javenaise, 1900-1970”, in: Post Factum: jaarboek voor geschiedenis en volkskunde, jg. 2 (2010), p. 145-184.

 

BIJLAGEN

1. Boedelinventaris van het sterfhuis van Anneken Marette, weduwe van Joos Felliers, droogscheerder, gestorven in de Ooievaar in de Pelgrimsstraat

Deze akte is zeer zwaar beschadigd en wordt hier opgenomen met de nodige hiaten.

Bron: SAA, N 3753, vol. I, f° 63 r° - 65 v° en f° 66 r° - 68 r° d.d. 3 juli 1631.

 

[f° 63 v°]

Ierst in[de] ceucken

 

[geld: 20 gulden 8 stuivers]

Een silveren hooftnaelde

Ses mans hempden

Ses vrouwen hempden

Een silve[ren] hooftysereken

Een silveren agnus dei met een silveren keten [daer]ane

Een swerte armosyne mutse [daer]inne eenige prondelrye van syde passement

breynaet [ende] wat swerte syde

Een carseyden witten kintsdoeck

Twee lynwate beddecleederen

Thien kinder hempdekens

Tweelff kinder dranche lobbekens

Een slaeplaecken

 

[f° 64 r°]

Thien kinder lynwate begynkens

Derthien slaephuyven

Twintich snutdoecken so goede als [quade]

Twee mansch fransche lobben

Twee servetten

Twee ongenaeyde fluwynen ...

Een ammelaken lanck ...

Eenen handtdoeck

Seven kinder omslagen... manscrage

Vyfthien slaephuyven

Vyff vrouwe rabatten

Een gestyfde met... lobbe

Ses witte kind...

Een blauwen vrouwen [voor]sch[oeyt]

Vyff camericxe c..fferdoecken

Een swerten armosynen [voor]schoeyt

Een lanckwerpich doosken [daer]inne bev[onden]

Een silve[ren] agnus dei

Een silve[ren] vingerhoet

Een ronden gouden trourinck

Een platte gouden rinck geamalieert syn[de]

Een coope[ren] candelaer

Twintich onderste van halsdoecken soe goede als quade [ende] eenige met canten

Een engelsche huyve met tusschen naet [ende] cantkens

Twee witte kinder lynwate [voor]schoeykens

Twee vrouwen lobben

Een mans slaepmutse met canten

 

[f° 64 v°]

Twee kinderlobbekens

Eenen manteldoeck met canten

Tweelf memoriedoecxkens

Een deel lyne prondelrye van kinderdinge [ende] anderssints

Eenen kinder lynwaten [voor]schoeyt met een kintdoeck

Eenen teenen kintscorff [daer]inne

Eenen witten carseyden wendel

Eenen rooden kintsdoeck

... fevellementen kintsdoeck

... kinder ... hempdekens

... baren caffa mutskens

... servetten begynkens

... neusdoecken

Een cleyn getraliet tennen mandeken

Een saeyen groenen kinder[voor]schoeyt

Twee slaephuyven

Een slaepelaken

Vier lynwate doecken

Een weeckhouten kinder slaepbancke [daer]inne

Een kinder caffe beddeken

Eeen weeckhouten schyfftafel met een groenen houten geschil­derden dryvoetstoel [daer]toe dienende

Eenen spiegel in een slechte swerte lyste

Eenen schoenborstel

Een weeckhoute kiste met eenen slote [daer]inne bevonden

Een baeyen mouffel met een lammersvel gevoedert

 

[f° 65 r°]

Een violetten kinderschorsken

Een wit kinder carseyden rocxken

Een groen bouratten rocxken ... geboort

Een groenen saeyen kindervoorschoeyken

Een paer groen saeye kinde.... mouwekens

Een lap nieyw groen laken lanck ...

Een swert vrouwen laken ...

XXIIII silve[ren] cnoppen

Een lap nieuw swert laken lanck ...

Een groene kindersaergie

Een[en] purperen lakenen rock ... met cr...

Een stuck ... syde ...

Een[en] swert...

Een akensche ... schorse met twee sticksels

Een bouratte huycke

Een root stametten vrouwen lyffken

Een kinder rassete rocxken geboort met vyf saeyen wit [ende] swerte passementkens

Een weeckhouten rechtbancke met twee sloten

Twee yse[ren] siepotten

Vier steene bierpotten al met tenne decxels

Drye steene bierpinten oick met tenne decxels van eenige in[de] gebueren geleent

Ses tenne commekens

Een tennen kindercroesken

Een houten cruyceficx

Drye tenne schotelen van drye ponden het stuck

 

[f° 65 v°]

Twee tenne schotelen van anderhalff pont het stuck

Twee geleyse schotelen

Ses tenne lepels

Ses tenne lepels

Een tennen soutvat

Een tennen suypencroes

Een blecken upermate

Een tennen spoubecxken aengaen[de] een[en] in[de] gebueren

Een hangel

Een capmes

Een blaesbalck

... in dryen

...

... ...elken niet opgemaeckt

Eenen ... rouhoet in caffe

Eenen coop[ren] sieketel

Een cooper[en] wywatervat de gebueren aengaen[de]

Een violet kindersaeyken [voor]schoeyken

Een[en] yse[ren] potheys aengaen[de] Margriet de marette der affl[yvigen] suster

Een yse[ren] lampe

Een yse[ren] brantyser

Een yse[ren] panne

Een[en] rooster

Een coope[ren] vischpaen

Een tange

Een coeckyser

Vier houte groen geschilderde stoelen

Een[en] mans groenen geschilderden houten leenstoel

 

[f° 66 r°]

Een[en] teenen vrouwensetel

Een jongershempde

Een ronde teenen mande

Ses ongenaeyde onderst... ... aengaen[de] de dochtere

Een deel lapkens ... voorts een deel lyne p[rondelrye?]

Een herthouten ledicant b... ... groen rassetten behangh ... saeyen frenie [daer]aene [ende] ... inde selve stoffe ...

Een bedt metten hoof[tpeulue]

Een oorcussen

Een fluweyn

Vier sittecussens

Een slae...

Een groen [ende] een ...

Een geel rasset...

Een[en] swerten laken... ... gevoedert met slecht voeder [daer]oppe liggen[de] 4 saeye passem[enten]

Een quaet root sielken met een gestickt lydd [daer]oppe [ende] geboort met vier saeye passementen

Een cleyn ammelaecxken

Een deel haspels

En[de] een stryckyser

 

Opde solder

 

Een teenen wiege

 

Opde bovencamer

 

Een herthouten schabeltaefel

Twee weeckhoute amariskens

Twee houte groen geschilderde dryvoetstoelen

 

[f° 66 v°]

Een weeckhoute veltcoetsken [daer]oppe liggen[de] een bedde met hooftpeulue

Een paer slaeplakens

Een groen [ende] een witte spaensche saergie

Een herthoute veltcoetsken [daer]oppe liggen[de] een bedde metten hooftpeulue

Een groen saergie

Een paer slaeplakenen

Een[en] herthouten capstock

 

Opt hangen[de] camerken

 

Een herthouten gelaesbert

... veltcoetsken

... lynwaetmande [ende] ...

Eenen ... vrouwen hoet

Een ... kinder gestreept bouwken

Een baeren caffa kinder lyffken

Een quaet blauw sielken

Een groen kinder frisaert rocxken geboort met 5 saeye passe­mentkens [ende] een saeyen coorde opden cant

Een manshempde

Een paer slaeplakenen

Een fluwyne

 

Inde vloere

 

Een spinnewiel

Een schiffberct

Een[en] teenen marctcorff

Een yse[ren] sieketel

Een tobbeken

 

[f° 67 r°]

 

Een[en] houten eemer met yse[ren] band

Een ammelaken

Een slaeplaken

Een vrouwen hempde

Een bier vierendeel

Een weeckhoute kiste [daer]inne [bevonden] der afflyvigen broeder cleederen [ende] lynwaet de weese [ende] de get[uigen] verclaerden wel te weten [ende] hen genoech kennelyck te syne

 

In[de] kelder

 

Een bier halff vat

Een quaede houte deure

Een waschtobbe

 

[vervolgens komen de papieren en de schulden]

 

 

2. Boedelinventaris van het sterfhuis van Abraham Cousaert, bewoner van het pand dat we nu vermoeden op Pelgrimsstraat 10

 

Gedeeltelijk gepubliceerd in: E. Duverger, Antwerpse kunstin­ventarissen uit de zeventiende eeuw, vol. 4, Brussel, 1989, p. 476 (= nr. 1192).

Bron: SAA, N 3532, ongefolieerd, d.d. 22 april 1642.

Inventaris sterfhuis van wijlen Abraham Cousaert die overleden is in zijn woonhuis in de Pelgrimsstraat op 20 maart 1642.

Zijn erfgenamen: Janneken Martens, zijn weduwe; zijn zoontjes Adriaen Cousaert, 2 jaar en 2 maanden oud, Abraham Cousaert, 14 maanden oud; zijn kinderen van zijn eerste echtgenote Maria Geerts: Philips, Pauwels en Marie Cousaert. De inventaris werd opgemaakt door notaris Franchoys vanden Berghe.

 

Ierste inde voorcueckene

 

twee spaensche leere vrouwestoelen, twee spaensche leeren mansstoelen, een herthoutte vuttreckende tafel een herhoute bancke, een carpetten tafelcleet, een weeckbert, een weeckhou­te rechtbancke, een herthoute capstock, een herthoute schap­praeye met vier sloten, twee moriaenshooffden van plaester een hondeken van wit abast, twee ysere brantysers twee copere snutters met hen vyskens, Eenen herthouten dwelier, een saeyen schouwcleet, een schilderye wesende een fruytken van oliever­ve, een schilderye wesende oock fruytagie van olieverve op doeck met lyste, Een schilderye wesende Diana op doeck van olieverve Een schilderye van water verve op doeck, Een schil­derye olieverve wesende tvrouwken van Samarien, Een copere bedtpanne, ses copere candelaers, eenencoperen mortier metten stamper twee coper vierketels eenen coperen mercteemer, een coperen vischpaen een cleyn copere ketelken, een copere potte­ken, twee copere pannekens, vier tenne schotels van 4 ponden vyff blecken decxels, vier tenne schotels van 6 ponden een tenne lampet metten waterpot, seven tenne schotels van 3 ponden, twee tenne candelaers, twee tenne soutvaten, een tenne wynpint, achthien tenne taeljooren, een[en] tenne mostaertpot, eenen tennen suypecroes, een herthoute potlyste, 9 posteleyne teylckens, acht posteleyne tailliooren, 12 eerde potten soo potten, stoopen pinten als uperkens al met henne tenne dec­xels, een blecke gegaeytte taillioore, eenen cleerborstel.

 

Inde neercamer

 

6 spaensche leere mansstoelen, twee copere brandtysers eenen teenen setel, ses gruen laeckene sittecussens, een herthoutte slaepbancke een herthoute vuyttreckende tafel een herthoute bancke, een gruen carpetten tafelcleedt, een noten boomen buffet met swert ebbenhoudt ingeleeth met een trapken van twee tredekens, een ysere schuppe ende tange met copere bollekens, een herthoutte coetse

met een blauw carpetten behanghsel, een bedde metten hooftpeu­linck, een stroye matrasse, twee oorcussens, een lendecuskens, twee saergien een witte ende een blauw, een cleyn gruen armo­syne schouwcleedt met syde frenien, een schilderye olieverve op doeck wesende de avondtmael ons heeren, een schilderye olieverve wesende een landtschap, een[en] spiegel, een schil­derye op panneel olie verve wesende St. Anthonis, een Marie­beeldt met een blomcrans op pannneel van olieverve, noch twee schilderyen van olieverve wesende marienbeelden, een coperen wywatervat, een houten cruyceficx ses silvere lepels, twee silvere soutvaten, een lystachtig ende dander viercant, drye silvere bekers den eenen grooter als den anderen, een eerde­potteken met een silvere decxel, eenen cleerbeurstel, Item bevonden in een doosken drye lombaertbrieffkens [...], eenen diamantrinck, een gouwe suffe, een silvere spel met een peer­le, twee silvere oorhangerskens, 18 silvere knoppen waer onder eenige gebroken syn

 

opde voorcamere.

 

een herthoute spinnewiel, een weeckhoute kisten, een weeckhou­te coetsken, een saeye schoutkleet een bedde met eenen hooft­peulinck een witte saergie, een herthoute schabelle, een cleyn mariebeldeken op doeck van olieverve.

 

opde middelcamer.

 

Een herthoute rolkoetse, een wolle matrasse, een stroye ma­trasse een blauw saergie, een herthoutte veltkoetskens, een stroye matras een bedde ende hooftpeulinck, twee witte saer­gien, een saeyen behangsel, een stroyen stoel een weeckhoutte kiste, een weeckhoutte tafeltken, vier kleyn schilderykens panneel wesende, een groen tafelcleetken een groen naeykussen.

 

opde achtercamer.

 

een herthoutte cleerschappraeye, Een herthoutte ledecant Een bedde metten hooftpeulinck, een stroye matrasse,

een tappyte saergie, een herthoutte bancke, een herthoutte vuyttreckende tafel, een herthoutte kiste, eenen stroyen mansstoel, een stuck rouwlynwaet lanck 84 ellen, eenen teenen kindtscorff, een herthoutte schryffcantoorken met thien laey­kens, een wiege, een swertten vilten vrouwen hoet, een poeyer­vlesse, negen grootte lynwaet kindtsdoecken, 12 neersdoecken, acht flabbekens, drye kinder mutskens, een paer sunder ge­breydt moukens, twee bogyntkens, acht angel schi[lde]rykens, twee halff kinderlyffkens met nopkens, eenen manteldoeck, twee manteldoecxkens met cant, drye clop­perdoecxkens, eenen saeyen kindtsdoeck, een saeyen windel, een houtte casken, een musket, twee rappiers, eenen poingnaert, een schilderye olieverve op doeck wesende de historie van Susanna, een schilderye op panneel oock van olieverve wesende ons heer met den chynspen­ninck, een herthoutte tafelschyff mette schraghe.

 

achterkeuckene.

 

Eenen yseren hangel, twee ysere speten, twee ysere roosters, twee ysere potheysen, een yseren hensken, een ysere tange ende schuppe, een yseren lepel, eenen tennen lepel metten houte stele, twee ysere kandelaers, drye ysere smitters, eenen blaesbalck, een rysnieder, twee ysere brandtysers, een[en] yseren treft, een hangyser, een ysere orlogie spete, eenen silveren toe­slaenden lepel, een weecke rechtbancke, een ysere schotel, een blecke raspe, 9 tenne schotelen soo groot als cleyn, een tenne gevuechpanne, een tenne spouwbecken, 3 blecke decxsels, ses tenne commekens, ses tenne tailliooren een tenne soutvaten twee bekers, een gegaeytte tenne taili­oor, acht tenne lepels, eenen tenne pot, 2 copere ketels, eenen coperen pot, 7 eende potten mette tenne decxels soo potten als pinten een copere vischpaen, eenen dobbelen blecken lepel, een rondt acht can­tich herthouten tafelcken, een weeck­houten vlier schappraey­ken, een weeckhoute schoutsel, een geleyse comme een ysere panne, een capmes, 3 tenne water­potten, eenen

blecken mercteemer, vier haspeels, een traillie mandeken, eenen kersback, een elle, eenen merctcorff eenen spiegel, vyff stroye stoelen, eenen stroye stoelen een ysere vierpanne, wat eendewerck, eenen yseren pot, eenen yseren ketel, een ysere potteken, eenen lanteeren, eenen steenen mortier, eenen cope­ren aecker, eenen houten puteemer, eenen houten stamper, een leere, een deel oude schoenen, een weeckhoute schappraeye, een coeltobbeken, eenen tenstock, een blecken gieter, een ysere vleeshanger, een ordeel van pampier gedruckt eenen wendelien trap van twee treden, eenen schilt van leer, een waterverve schilderye, een ysere caffoor, een spitie, 4 halff vaeten, seven waschtobben soo cleyn als groot, vyff cuypen soo cleyn als groot, 3 ondervaeten, twee ysere haecken, een blecken eemer twee stellingen, twee eerde potten, twee cleyn stellin­gen, een hinneren, een herthoute hondecasse, wat eerdewercke, een droochvat, vier gelaese vlesschen.

 

De kleederen ten voors. sterfhuyse bevonden

 

Een syde huycke, een stramynen huycke metten casse, eenen lytsaeyen vrouwen vlieger met caffa mouwen, met eenen lyt­saey­en rock met seven sattyne banden geboort, eenen engels­sae­yen vlieger ongeboort eenen kinietten rock met negen garni­soe­nen geboordt, eenen kinietten hongerken met tandekens geboordt, eenen kinnietten, eenen royen laeckenen rock met ses banden geboordt, eenen cassen groenen rock met acht banden geboordt, een roodt lyfken eenen coleuren cappot met baeye gevoedert, eenen baeyen mantel, eenen coleuren laecken mantel met baeye gevoeyert, een coleur laeckenen rocxken metten broecke, een paer panne mouwen, een paer taffe coleure cousse­banden, twee paer caffa mouwen, eenen heere saeyen mantel, eenen swertten laeckenen mantel, eenen swertten laeckenen mantel met quiniet gevoeyert, een fluweele moessel met bont gevoeyert, noch een fluweele moessel met bondt gevoeyert, een baeyen rocxken mette broecke, een paer taffe swertte couseban­den, een paer swertte syde coussens, twee paer roye

saeye coussebanden, drye taffe voorschoyen den eenen met cant ge­boordt, een baeye rocxken, een laeckene rocxken met sattyn geboordt, 3 caffa broecken, een leere wambus met 18 silvere knoppen, een baeyen broeck mettet rocxken, een nachtmantelken van engelsche saeye, een groen armosynen tresoorcleet, een groen armosynen saergie met witten baeye gevoeyert, 3 swertte vilte hoeyen, eenen grauwen vilten hoet, een paer grauw saeye coussens eenen vrouwen rouwhoet, eenen effen fluweelen hoet, een goutgewicht, een yseren hamerken metten naellien.

 

Lynwaet.

 

19 vrouwen hempden, 24 manshempden, 23 paer slaeplaeckenen, 20 ammelaeckens, 71 servetten, ses handtdoecken, 15 paer flowy­nen, 45 snutdoecken, 3 vrouwenlobben, 30 mansomslagen, 21 paer pomietten, 30 ondersten 7 vrouwecragen, 21 paer moukens, 35 slaephuyven, 10 slaepmutsen, 15 hooven, 4 rechtbanckdoec­ken, vyfthien droochdoecken, 13 witte lynwaete voorschoeyen, een wit slaeplyffken, acht halschsnutdoecken, 11 bandonnekens 2 paer saeye ondercoussens, 4 paer saeye socken, vyff nacht­halsdoecken, een lapken fyn lynwaet van omtrent de drye ellen, een party lapstucken.

 

[Liggend geld: 93 gulden 14,5 stuivers

 

Volgen een reeks schuldbekentenissen van klanten van meestal nog minder dan een pond, soms een tiental ponden. Onder deze klanten: Carel van Pruyssen, Thomas de Letter, leden van de familie vande Kerckhoven, Jaspar van Breusegem, Loys Respaig­ne.

 

In een reeks andere papieren valt te lezen dat Abraham Cou­saert een huis bezat in de Beuckelaerstraat

 

 

moriaen: moor.

dwelier: handdoekrek.

uperken: halve pint.

gegaet: van gaatjes voorzien, dus een soort zeef.

suffe: soort etui.

bogyntken: mutsje.

onzekere transcriptie: angel schilderykens: schilderij­tjes met engeltjes op afgebeeld.

treeft: driepoot waardoor men de kookpotten boven het vuur kon zetten.

orlogie: horloge of tandrad; spete: spit; orlogie spete: spit dat kon ronddraaien.

gevuechpanne: soort pan om zijn behoefte in te doen?

stamine/ stramine: grove stof, zaklinnen.

casse: kapje (aan de mantel).

caffa: soort zijde.