De Cluyse, Oude Koornmarkt 26[1]

Testament van Embert Tholinckx (1641)

 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

De Cluyse is ongetwijfeld het pand dat het gezicht van de Oude Koornmarkt in belangrijke mate bepaald heeft. Vanaf 1468 tot 1620 was het eigendom van de Duitse hanze en dit gegeven alleen al was ongetwijfeld belangrijk genoeg opdat de Oude Koornmarkt uitgroeide tot een toplocatie voor iedereen die in het handelsgebeuren betrokken was, niet in het minst de herbergiers. Anderzijds is de keuze voor De Cluyse als ‘cadeau’ voor de hanze wel logisch gezien de ligging vlak bij het marktgebeuren en aan de belangrijkste uitvalsweg van de stad.

 

We weten uit diverse akten van de Ooievaar dat De Cluyse al bestaat op het einde van de XIVde eeuw.  Een belang­rijk geslacht dat er eigenaar van was, was de familie Kiekens en in het bijzonder Jan Kiekens die op 23 september 1455 in twee afzonderlijke akten het gehele pand voor zich weet te verwerven.  Vooreerst krijgt hij van zijn zuster Lysbeth Kiekens en Lodewijk van Ranst één derde en vervolgens van zijn nichten Beatrys Tollincx, gehuwd met Aert van Pannenbrugge, Katline Tollincx, gehuwd met Jan Peters, en Barbele Tollincx, nog één derde.  Het overige had hij zelf.  Het pand werd toen beschreven als: ”huys[ing]e met hove plaetsen stallen halven borneputte...” en Jan Kiekens moest telkens 6 ponden 13 schellingen 4 denieren Brabants erfelijk per jaar betalen[2].

We beschik­ken echter over geen gege­vens inzake eige­naars tot de fameuze akte van 1468 die in beperkte mate er enig licht op werpt:

er zijn geschillen geweest tussen de koop­lui van de Duitse Hanze en het stadsbestuur en om de kooplui terug te krijgen geeft het stadsbestuur op 4 mei 1468 de Duitse hanze het recht om eeuwig te gebruiken:

”... Een huysinge, metten duerganghe hove plaetssen, stallen gronde, ende met allen datter toebehoort, geheeten de Cluyse, ghestaen aende corenmerct, tusschen de huyse geheeten den odevaer aen deen zyde, ende de huysinge geheeten den esel en[de] de erve vander huysingen, geheeten den rooden schilt aen dander zyde, comende achter metten voirs. stalle, aende erve vander huysin­ge geheeten den moerboom, inde hoochstrate ghestaen...” zoals de stad het pand onlangs via haar rentmees­ters Jan van Mechelen en Willem van Riethoven had gekocht van Jfr. Marie Ruychcoop of Ruychrok vanden Werve, weduwe van Jan Kickens, en de andere erfgenamen van Jan[3].  En in een genereus gebaar verkregen de kooplui bovendien niet alleen een vrijstelling van alle renten en belastingen maar zelfs 300 Rijnsgulden oftewel 15 pond groten Vlaams om hun nieuwe eigendom in te richten.  Zouden de gesubsidieerde distributiecentra dan toch niet zo nieuw zijn[4]

 

Aangezien de kooplui hun huis bijna anderhalve eeuw voor zichzelf hiel­den vinden we bijzon­der weinig neerslag van de geschiedenis van dit pand in de sche­penbrieven. A. Thijs vermoedt dat de voorgevel dateert uit de tweede helft van de XVde eeuw. In een rentenbrief van 1523 i.v.m. de Ooievaar wordt de bewoner van de Cluyse vermeld: Gheert vanden Werve[5].

           

Het enige belangrijke gegeven inzake veranderingen aan het pand waarover we beschikken is het trekken van de Pelgrims­straat rond 1534. De Cluyse kreeg aldus een veel betere ach­teruitgang dan de ’deurganghe’ waarover sprake in 1468. De Duitse kooplui zullen volgens de wijkboeken een pakhuis bouwen aan de Pelgrimsstraat. We kunnen wel iets vertellen over het gebruik dat men van het pand maakte in de periode 1577 - 1586:

de Cluyse zelf werd ingeschat op een huurwaarde van 250 gulden per jaar maar de Oosterlingen moesten geen belastingen beta­len. Bewoner was de koopman Pauwels Tymmerman terwijl vanaf 1582 de kelder en later mogelijk het geheel bewoond werd door Melchior Cromhousen, in 1584 ’absent’ gemeld. Het zgn. pakhuis in de Pelgrimsstraat blijkt toch ook wel bewoonbaar te zijn, de cohieren spreken zelfs van een ’huyse’, geschat op 48 gulden, en het wordt in 1577 gehuurd door de ’seemeleerver­cooper’ Willem Hagaerts, in 1582 door zijn weduwe en vanaf 1585 door Andries Janssens. Het ’Register inhoudende de huy­sen...’ geeft in 1584 voor huurder van ’Dachterpoorte van het Oistershuys’ Andries van Boeckel, ’seemenvercooper’ op wat met het veelvuldig gebruik van ’alias- namen’ in die tijd wel eens op Andries Janssens zou kunnen slaan[6]. Dit alles wijst erop dat de hanzekooplui hun pand steeds minder gingen gebruiken, niet alleen omdat het hanzahuis was gebouwd maar ook omdat n.a.v. de troebelen de Duitse kooplui uit Antwerpen begonnen weg te trekken

 

Toch duurde het nog tot de jaren 1620 vooraleer de hanzeste­den, na veel gepalaver, zover gingen dat ze De Cluyse van de hand deden. Op 11 mei 1627 verkoopt Thobias Mittendorff, agent en huismeester van de hanze, het huis voor de som van niet minder dan 11.000 gulden aan de koopman Embert Tholincx. Die krijgt voor dat bedrag ”Eene groote huysinge van vore tot achtere metten deurgange hove plaetsen stallen gronde en[de] alle den toebe­hoirten van outs gen[aempt] de Cluyse en[de] nu het cleyn ooster huys gestaen en[de] gelegen aen[de] oude corenmerct tusschen de huysinge geheeten den Oyevare aen deen zyde en[de] de huysinge geheeten den Rooden Schilt aen dander zyde, com­men[de] achter metten voors. stall aen[den] erve van[den] huysinge geheeten den moerboom inde hoochstrate gestaen, midtsgaders noch een packhuyse mette[n] wtgange inde pelgrom­state alh[ier] wtco­men[de]...”. Op 7 december 1637 wordt deze akte bevestigd en wordt er melding gemaakt van een huur van 1 jaar en 5 maanden die Tholincx moet betalen[7].

 

Embert Tholincx, die tot de Antwerpse topklasse mag gere­kend worden - hij kreeg ook de achtbare functie van aalmoe­zenier -  was al sedert 1581 in het bezit van het buurpand de Ooie­vaar, een welhaast even imposant eigendom maar we weten dat hij de Cluy­se wel degelijk heeft bewoond. Dit weten we vooreerst dankzij testamenten d.d. 31 oktober en 5 november 1639 van Tanneken vande Putte, Jans­doch­ter, maarte bij Embrecht Tho­lincx[8].  Hieruit kennen we de bewo­ners van de woningen De Cluyse en De Ooievaar die we als één groot huishouden mogen beschou­wen.  Bewoners waren: Emberto (Embrecht), Maria, Bart­ho­lomeeus, Joannes en Francisco Tholincx; Jan de Weer en zijn zoon Gode­fridus en Jan Smidts. Emberto had nog twee dienst­maarten en ook Jan de Weer had verschillende dienstmaarten. Verder is er Embrechts testa­ment van 14 september 1641 voor notaris Hendrik Fighé[9]. Door deze bron weten we dat hij op dat ogenblik twee ’kin­dermaerten’ had en dat er een over­dadig burger­lijk inte­rieur moet geweest zijn (zie bijlage).

 

In functie van dit testament kon Bartolo­meus ook de helft van zijn ouderlijke woning verwerven. De andere helft verwierf hij op 3 september 1658 bij de verdeling van de erfenis van zijn vader tussen hemzelf, zijn zuster Maria, gehuwd met Egidius du Bois, heer van Aisch en Refael Walheim, en ook aalmoezenier, en Godefridus de Weer, zoon van Jan de Weer en Anna Tholincx, de inmiddels overleden zuster van de vorigen. Wij lezen de uitvoerige beschrijving: ”... eene groote huysinge met vloere ceuckene cameren solders kelders hove gronde ende allen den toebehoirten met noch een plaetsken gespleten vanden huyse genaempt den grooten Oyenvaer in huren gebruyckt synde byde weduwe vander Aa gestaen inde Pelgrimstraete alhier de welcke plaetse ten eeuwigen dagen sal blyven toebehoirenden aende voorschreve groote huysinge gestaen ende gelegen de selve groote huysinge opde oude corenmerckt alhier genaempt van outs de cluyse ende nu ter tyt het cleyn oostershuys vuytcommende met eene groote poorte ende packhuyse inde voors. pelgrims­traete met conditien dat aen dese voorschreven huysinge sal blyven alleen toebehoirende den muer staende opde plaetse vande voors. huysinge genaempt het cleyn oostershuys ende commende tegens de plaetse vanden huyse genaempt den oyenvaer inde pelgrimstraete byde voors. weduwe vander Aa als voore gebruyckt geweest synde waer inne de pompen soo van dese groote huysinge als vanden huyse den Oyenvaer inde pelgrims­traete gestaen ten eeuwigen dagen sullen moete blyven han­gen...”[10].

 

De Cluyse wordt in 1659 geschat op een huurwaarde van 500 gulden per jaar, het is uitgerust met elf schoorsteenpijpen en het is bewoond door Bartolomeus zelf. We treffen naast Turckye in de Pelgrims­traat een huis aan dat werd geschat op 36 gul­den, dat mogelijk aan de Cluyse toebehoorde en dat was bewoond door Jan van Wesemael[11]. In het cohier van 1667 lezen we dat de huurwaarde van de Cluyse is teruggevallen op 450 gulden ter­wijl Daniel Diepmans dat jaar tegen een huur­waarde van 39 gulden het huis in de Pelgrimsstraat bewoonde[12]. Kleermaker Daniel Diepmans kon later het huis St. Berthelmeus, Pelgrims­straat 19 kopen. In 1669 verwerft Barto­lomeus ook nog de Ooievaar.  Hij blijft echter ook nog in 1672 in de Cluyse wonen maar mogelijk toch ook gedeeltelijk in de Ooievaar[13].

 

Na zijn overlijden verwerven zijn zuster Maria en Egidius du Bois beide eigendommen. Zeker rond 1708 woont Maria in de Lange Nieuwstraat[14]. De Cluyse, huurwaarde 410 gulden, wordt verhuurd: in 1682 en 1689 aan de aalmoeze­nier 'Menh[ee]r Muytincx'[15], daarna aan Franchois Wellens en zeker tot 1708 aan Antoni Wellens[16]. Als op 21 april 1710 de erfenis van het echtpaar Du Bois- Tholincx wordt verdeeld komen de eigendommen in de Pelgrimsstraat en de Oude Koornmarkt in de handen van hun dochter Maria- Susanna, gehuwd met ridder Louis de Heuvel, heer van Calfenne[17].

 

 

Bij een verdeling op 30 juli 1727 krijgt hun dochter Anna Maria de Heuvel, gehuwd met de amman Jonker Joan Baptista Guillielmus Josephus Fraula, Heer van Rosierbosch de bezittin­gen in de Oude Koornmarkt en de Pelgrimsstraat[18]. Volgens het testament van Anna Maria de Heuvel d.d. 3 december 1749 en bij de volks­telling van 1754 blijkt dat ’Le vicomte de Fraula de Rosier­bosch’, ’capi­talist’ van beroep samen met zijn echtgeno­te en vijf dienstbo­den in de Cluyse woont[19]. Bij een volgende verde­ling van de eigendommen nu van Anna Maria de Heuvel verkrijgt één van haar kleinkinderen Jonker Simon Joseph Charles de Neuff, Heer van Aische, hogergenoemde pan­den. We schrijven dan 26 januari 1764[20]. Na hem verwerft zijn dochter Anne Henrietta Marie Josephe Antoinette de Neuf d'Ais­sche, gehuwd met Charles Jacques Pierre Ignace d'Oultremont alles. 

 

Volgens de telling van 1796 woonde dit echtpaar in de Venus­straat en verhuurden ze zowel de Ooievaar als de Cluyse.  In de Cluyse, met zijn 15000 gulden waarde één van de allerduur­ste panden van de Oude Koornmarkt treffen we volgende personen aan waarvan wordt gezegd dat ze minstens 200.000 gulden beza­ten: Charles Borrekens, 25, zijn echtgenote Isabel Wellens, 32, en hun huispersoneel: Anna Lensen, 28, Christina Nicasie, 30, Maria Waegemans, 31 en Petrus Simon van den Broec, 34[21].

 

Weduwe geworden laat hogergenoemde Anne Henriette de Neuf in 1819 de Cluyse voor 24000 gulden aan de handelaar Roch Jean Domini­que de Backer en zijn echtge­note. In 1858 laat de weduwe de Backer het huis aan haar zoon de suikerraffineur Edouard Alexis Jean de Backer die in de achtergebouwen van de Cluyse zijn bedrijf zou gehad heb­ben[22].  In 1898 bevond zich in het pand de beroemde Salvator Keller[23].


 

[1] Zie ook [A. Thijs], Recueil des Bulletins de la Propriété, vol. 12 (1880), p. 77 - 80. We verkregen over de familie Tolincx, informatie van dhr. Ad Teulings. Zie terzake ook ‘De Ooievaar’

[2] SAA, SR 50, f° 86 r°.  In een akte van 1447 noemt men als buurman van de Ezel Michiel Kiekens: SR 39, f° 331 v°.

[3] SAA, PK 79, f° 222 r° - v°.

[4] Men vindt in de stadsrekeningen van deze overname van cijn­zen nog sporen terug, b.v. in SAA, R 9 (1536), f° 54 v°. Jan, de vader van Marie Ruychrok was volgens een mededeling van Ad Teulings, rentmeester van Jacoba van Beieren.

[5] RAA, Schepenbrieven Antwerpen, nr. 2083.

[6] SAA, GA 4833, f° 33 r° en 34 r° - v°; R 2181, f° 101 r° en 103 v°; R 2286 en 2213, telkens f° 2 v° en 4 v°; R. 2317; 2237 en 2350 telkens f° 2 v° en 5 r°.

[7] SAA, SR 582, f° 141 r° - 141 v°; f° 141 v° - 142 r°: procuratie Duitse hanze; RAA, Schepenbrieven, nr. 2142 en 2151.

[8] SAA, N 3757, f° 232 v° - 233 v° en f° 234 r° - 235 v°.

[9] SAA, N 1503, f° 33 r° - 44 v°.

[10] SAA, SR 750, f° 345 r° - 350 r°.

[11] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd.

[12] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[13] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 157 en 158.

[14] SAA, N 2533, f° 357 r° - 360 v° en f° 409 r° - 410 r°.

[15] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 29 v°, nr. 152. Ik durf mij hier helemaal niet meer uit te spreken inzake het eventueel verhuren van een huis in de Pelgrimsstraat.

[16] SAA, GA 4832, f° 62 r°, nr. 152; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd.

[17] SAA, SR 1025, f° 185 r° - 210 v°.

[18] SAA, SR 1091, f° 111 r° - 126 v°.

[19] Het testament van Anna Maria de Heuvel bepaalde dat haar man 18 maanden gratis in het woonhuis (De Cluyse dus) mocht blijven wonen na haar dood. Hij krijgt ook nog ”... alle de provisiën van aet ende dranck soe van bier, wyn, chicolati als boter beneffens alle de provisien van Brandt, als Houdt, colen ende Torf, beneffens de flessen, tonnen ende fustagieen waer in de selve provisien sullen bevonden worden...”, al haar boeken, zowel de gedrukte als de geschreven boeken. Tegen betaling kan hij ook nog al het meubilair hebben met uitzonde­ring van de tapijten, stoelen en tafels beneden ”... in dach­terste salet aende hoff...”. Hij krijgt ook zijn kledij waar­onder ’sackhorlogien’. Bronnen: SAA, N 2330, p. 1165 - 1203; PK 2561: Volkstel­ling 1754 Ie - 4e wijk, p. 29, nr. 112. Meer over de families Tolinckx, Van der Aa, de Heuvel en Fraula in: K. Degryse, De Antwerpse fortuinen... (= Bijdragen tot de Geschiedenis, vol. 88, 2005), Antwerpen, 2005, in het bijzonder in bijlage I.

[20] SAA, SR 1221, f° 72 r° - 77 v°.

[21] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2449.

[22] A. Thijs, Recueil des Bulletins de la Propriété (1873), Antwerpen, 1873, p. 78 - 80.

[23] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 26).

 

Fragmenten uit het testament van Embert Tholincx uit 1641 i.v.m. het interieur van de Cluyse

Bron: SAA, N 1503, f° 33 r° - 43 v°.

Reeds gepubliceerd in: E. Duverger, Antwerpse kunstinventaris­sen uit de zeventiende eeuw, vol. 4, Brussel, 1989, p. 429 - 430 (nr. 1158).

 

Zijn dochter Maria krijgt:

 

”... beste armosynen behancxsel met het ledicant bedde oorcus­sens sargien ende andere toebehoorten, Item een paer coperen brantysers wesende de eerste sorte naest de grootste, Item alle het kinderdingen ende alles ander het kinderbedde aen­gaende daeronder oock begrepen het armosyne spreycleet wiech­cleet ende schaeldoecken, midtsgaders oock allen het lynwaet dwelck tot den lyve der voirs. hare moeder eenichssints ge­dient heeft, Item de beste clavecimbel met den voet, Item alle het gouden leir hnagende opde bovencamer achter opden hoff, Item de beste herhoute vuyttreckende taeffel, Item haer con­trefeytsel, Item het marienbelt gemaeckt doorden schilder van kessel hangende inde groote camer, Item het beste buffet staende inde groote camer aenden hoff, ende daertoe noch alsulcken silverwerck als haer ome hare[n] doop ende vunte voor een gifte by haren peter ende meter is weert,...”

 

De oudste zoon Bartholomeeus:

 

”... Ierst het gouden leir hangende inde groote camer aenden hoff, Item het stuck schilderye naer floris hangende voor de schouw inde selve camer, Item de contrefeytsels van hem testa­teur ende syne huysvrouw, Item de contrefeytsels van Jan Philippus ende syne huysvrouw wesende syns moeders grootvader ende grootmoeder, Item dry stucken schilderye wesende lant­schappen geschildert door Sebastiaen vranck, Item twee hert­houte banken staende Inde groote camer aenden hoff, Item een paer de beste ende grootste copere brantysers, Item een ledi­cant met een armosynen behancxsel met bedde hootpeulinck oorcussens sargien en[de] andere toebehoirten wesende het tweede beste behancxsel ende daertoe oock het silverwerck aen hem gegeven by synen peter ende meter tot een gifte ten tyde van synen doop over de vunte, met oock syn contrefeytsel...”

 

Joannes Tholincx, de tweede zoon:

 

”... Ierst de gouden leiren hangende inde camer aenden vloer, Item een stuck schilderye van Moises staende voorde schouwe inde selve camer, Item de twee contrefeytsels van synen groot­vader ende grootmoeder Tholincx, Item een Ledicant met een geil gedruckt behanxsel met bedde hootpeulinck oorcussens ende sargien, Item oock dry stucken schilderyen wesende lantschap­pen geschildert doorden voors. Sebastiaen vranck, Item de grootste cleerschappraeye staende opde bovencamer aenden hoff, ende daertoe noch een silveren wynpint oft wynpot aen hem gegeven by synen peter van Loosen ende noch een silvere Lam­petschotel met den pot hem gegeven door synen oom ende moeye Sr. Joan Tholincx oock ten tyde van synen doop over de vunte, met oock syn contrefeyt­sel...”

 

Franciscus Tholincx, de derde zoon:

 

”... Ierst een groot teurx taeffelcleet aen hem testateur vereert by Sr. Aloyse du Bois, Item de somme van veertich ponden vlems eens tot het coopen van een camer gouden leir, Item oock een Ledicant met en geel grogreynen behancxsel met pedde hootpeulinck oorcussens ende sargien ende daertoe noch twee silvere vergulde schroeven met twee silvere candelaren aenden selven franciscus gegeven by synen peter ende meter ten tyde van synen door over de vunte, met oock syn contrefeyt­sel...”

 

Godefridus de Weer, de zoon van Anna Tholincx en Jan de Weer krijgt 40 ponden Vlaams voor goudleerbehang.