Gulden Bock of Boeck, Oude Koornmarkt 18-20

Terug naar het overzicht van de huizen

 

De Gulden Bock vormde tot 1550 een geheel met de Rooden Schilt, Oude Koornmarkt 14-16. De laatste eigenaars die het geheel in hun bezit hebben gehad (op enkele tijdelijke hereni­gingen op latere tijdstippen na) waren de kooplieden Jan van Schooten en Willem vander Hoffstadt alias Boel en hun echtge­noten Johanna resp. Katlyne Claessens. Op 17 juli 1550 gaven bovengenoemden in erfelijk recht aan Dierick van Erpe, zeem­leerverkoper en Jacomyne Claessens: "... Een huys dwelck twee wooningen is, metten toegange ende ge­bruycke vanden borneputte gestaen op de voers. erfgeveren ande[r] erve die sy aldaer noch behoudende bly­ven...", gesitu­eerd tussen de Witte Lelie en de poort van de Rooden Schilt die de erfgevers blij­ven behouden[1]. Dit afgesplitste pand noemde men nog de hele XVIde eeuw door de 'Grooten Rooden Schilt'

 

Als dusdanig komt het pand dan ook voor in het cohier van 1577. De huurwaarde bedraagt op dat ogenblik nog 350 gulden; de weduwe van Dierick van Erp staat als eige­naar opgegeven en de kruidenier Thomas Nollet en de weduwe Pinelle waren haar huur­ders. Jacomyne Claessens verkoopt samen met haar kinde­ren het pand volgens akte d.d. 4 juni 1580 aan de kooplieden Jacques Vervloet en Merten van Eynde. In de cohieren wordt Jacques Vervloet, koop­man van zeem­vellen, vanaf 1582 als eigenaar en gebrui­ker van dat pand genoteerd. Op 19 december 1585 verkoopt Jacques Vervloet zijn helft aan zijn zwager Merten vanden Eynde, die getrouwd was met Margriet Vervloet.  Dezen verhuurden in 1586 een deel van de Grooten Rooden Schilt aan de weduwe van Cam[2].

 

Op 26 juni 1586 laten Merten vanden Eynde en Margriete Ver­vloet het huis aan de tapijthandelaar Marten Cordier ter afbetaling van een partij tapijten. In de beschrijving maakt men melding van "... met diversche kelder[en] de twee [daer]aff onder de strate met een[en] schoonen winckele neer­camer coeckene oppercameren plaetse pompe regenbacke... borne­putte...".  Voor de kelder onder de straat ontving de stad ieder jaar 14 stuivers[3].  Op 24 maart 1593 verkoopt de Cordier om van de renten die op het pand drukken verlost te zijn het huis aan de koopman Niclaes le Becqu, eigenaar van de belen­dende Rooden Schilt[4].

 

Op 4 oktober 1595 verkoopt Niclaes le Becqu de het deel van de Rooden Schilt dat ons hier aangaat voor 350 gulden aan Peter Lanceloots[5]. De naam 'Gulden Boeck' of 'Bock' komt voor in akten over de buurpanden vanaf het begin van de XVIIde eeuw. Wanneer het huis op 16 juni 1622 door de stadhouder wordt overgedragen aan notaris Loys vanden Berghe vernemen we de rede van de naams­verandering uit de beschrijving: "Een huy­singe voor aene strate met vloere coeckene, neercamer, boven­camers, solders, kelders, weerdribbe, pompe gronde ende allen den toebehoirten eertyts gen[aempt] den Rooden Schilt ende [daer] nutertydt den gulden Bock wthangt..."[6]. Er hing dus een bordje dat mogelijk verwees naar het ambacht dat er werd uitgeoefend. Maar over de eigenaars tot 1622: Peter en Lance­loot Lanceloots, ontbreken de meest elementaire gegevens. Het pand werd geveild voor 366 gulden erfelijk. Wat ook opvalt is dat de straatkelder(s) niet meer expliciet vermeld worden alhoewel er in de akte nog wel sprake is van een stadscijns.

 

In 1636 kocht Loys vanden Berghe ook de Rooden Schilt op. Niets daarvan wordt echter door de vanden Berghes bewoond: de Rooden Schilt wordt uitgebreid verhuurd en in 1659 wordt de Gulden Boeck in twee gedeelten verhuurd: naast de Rooden Schilt huurt Jan de Tempel een woning (het huidige nr. 18) met een huurwaarde van 102 gulden en voorzien van twee schoor­steenpijpen, naast de Lelie huurt Jan Rees van Olsem of Olfem aan 120 gulden en zijn woning (het huidige nr. 20) is eveneens voorzien van twee schoorsteenpijpen[7]. De familie vanden Berghe ontdoet zich van de Gulden Bock op 11 maart 1667. Koper voor 8115 gulden is de bakker Cornelis van Opden­bosch en Anna van Lindt. De beschrij­ving wijst op drukke bewonings- en verbou­wingsaktiviteiten: "... Eene huy­singe voor aen straete nuter­tyt tot twee woonin­gen gebruyckt worden[de] metten nieuwen arduynen gevele met vloe­ren ceucken neercameren bovencamers solders kelders weer­dribbe pompen deen huys heb­ben[de] eene plaetse gronde en[de] allen den toebehoirten..."[8]. Cornelis van Opdenbosch bewoond in 1667 zelf de woning naast de Rooden Schilt, huurwaarde 90 gulden terwijl Jan van Olfem aan dezelf­de prijs van hem de tweede woning bleef huren.  In 1672 zien we beiden er nog steeds huizen zij het dat de huurwaarde opgetrokken werd naar 100 gulden[9].

 

Het is de stadhouder die op 24 januari 1682 het pand voor 2000 gulden toewijst aan koopman Petrus Ignatius Gilleberts[10]. In datzelfde jaar 1682 vinden we de vorige eigenaar, van opden Bosch, nog steeds in het cohier vermeld. Alles werd echter toen al verhuurd: naast de Rooden Schilt ('Inden Bouck', nr. 18) tegen 90 gulden aan Joannes Ambrosius die er Peeter Steen­gruys zou opgevolgd hebben, naast de Lelie ('De Witten Bouck', nr. 20) tegen 108 gulden aan Jan van Engelen[11]. In 1689 huren nog steeds Jan Ambrosius en Jan van Engelen.  Rond 1700 huren resp. Matthys Broeckaert enderzijds en anderzijds een hele reeks personen na elkaar: Urbanus Claessens, Jan Dielis, Anthony Dielis, Jan Anthony Gillis en Philippus Bougman aan bovengenoem­de bedra­gen[12]. Deze informatie klopt perfekt met wat er gezegd wordt als Rebecca de Febvre, weduwe van Peeter Ignatius Gille­berts, oud aalmoezenier van de stad, op 21 oktober 1719 een deel van het pand, te identificeren als het huidige nr. 18, voor 600 gulden verkoopt aan Matthys Brouc­kaert en Catha­rina Blockx. We nemen de beschrijving en de voornaamste servi­tude over: "Een van de twee wooningen van den huyse respecti­ve genaemt den gulden boeck voor aen straete met vloere eene keuckene, eene neercamere bovencamers, solders, kelders weer­dribbe, pompe, gronde ende allen den toebehoorten gestaen ende gelegen opde oude Coremerckt alhier, tusschen de voors. andere wooninge aen d'een syde, ende de poorte offte inganck vande huysinge den groenen [lees rooden] schilt aen d'ander syde, synde voorts geconditionneert dat de proprieta­rissen van dese als nu vercochte huysinge het Dacke sullen moeten onderhouden behoudelyck dat de proprietarissen van d'ander wooninge daer inne sullen moeten contribueren een vierde paert... ende soo ende gelyck de voors. coopers het selve tegenwoordich bewoon­en, ende over de twintigh jaeren bewoont hebben..."[13].

 

Op 13 augustus 1735 verkoopt Matthys Brouckaert, weduwnaar geworden, aan Joannes Baptista Ooms, weduwnaar van Maria Anna Blockx, zijn woning voor een erfrente van 150 gulden per jaar[14]. Deze, een meester bakker, koopt van Rebecca de Febvre op 13 december ook het ander deel: "... eene vande twee woon­ingen (daer van dander wooninge aenden selven Ooms is toebe­hoorende) resp[ectiv]e genaemt den gulden boeck van eene huysinge voor aen straete metten nieuwen [sic!] arduynen ghevel..."[15]. Er drukten nogal wat renten (totaal 175 gulden/jaar) op het pand en dit is misschien de rede waarom Ooms op 30 december 1739 het geheel terug verkoopt aan Michiel de Wolff en Maria Theresia Bartholomeus[16]. Na de dood van Michiel hertrouwde Maria Theresia Bartholomeus de bakker Egidius Janssens en het is deze die wij in 1754 bij de volks­telling samen met zijn vrouw en twee 'domestiquen' in het gehele pand zien wonen en wellicht ook werken. Het testament van Maria Theresia, inmiddels weer weduwe, gedateerd 17 febru­ari 1783, voorziet een nogal rijke begrafenis in de kathedraal [17].

 

Op 26 augustus 1784 verkopen de kinderen de Wolf de Gulden Boeck in twee delen.

1) Aan de ongehuwde verloofden Andreas Hamers (of Somers!) en Joanna Crets verkopen ze voor 2519 gulden het huidige nummer 18: "... Eene vande twee wooningen wesende de westwaertsche wooninge... met vloere, keuckene, neercamer, bovencamers, solders, kelders met den heelen oppersolder boven dese ende de oostwaertsche woon­inge van desen huyse comende onder expresse conditie dat den cooper van deze wooninge gehouden sal zyn t'syne coste alleene toe te maeken de deuren soo beneden, boven als in de kelders, communicatie hebbende met de andere wooninge, oostwaerts, als mede ten eeuwigen dage alleen ende sonder imands cost ofte last sal moeten onderhouden het geheel daek van de voorschre­ven twee wooningen..."[18]. De eigenaars en bewoners van dit huis mogen met een pomp water uit de regenbak in de kelder van nr. 20 trekken. Het echtpaar hypothekeert meteen voor 1900 gulden ten penning 20.  In 1796 zien we ze dan ook als bewoners.  André is dan 43 en bakker, Joanna Krets is 40, zij hebben een bakkersgast in dienst met name Joseph Broeckmans, 24 en een dienstbode, Corneille Franck, 18.  Waarde van het pand: 3000 gulden[19].

 

2) Aan Josephus de Croes en Anna Maria Huybrechts verkopen ze voor 1101 gulden de 'oostwaertsche wooninge' m.a.w. het nr. 20, "... waer van de straet deure toegemetst is, de welcke den coper van dese wooninge t'syne coste alleen sal moeten open maeken, met camer, keuckene, opene plaetse, bovencamers, solders tot aenden oppersolder boven dese wooninge westwaerts comende, den welcken met de voorschreve westwaertsche wooninge is verkogt..."[20]. De kopers hypothekeren voor 600 gulden ten penning 16.  In 1796 vinden we ook deze mensen als bewoners terug: Joseph is chirurgijn en 55, Anna is 49 en medebewoners zijn Dorothé de Croes, 48, de chirurgijnsgasten Jaspar Puyl­flik, 26 en Guillielmus Hermans, 19.  Waarde van het pand: 2100 gulden[21].

 

In 1898 wordt het pand Oude Koornmarkt 18 gebruikt doorr een 'charentier' terwijl in het nr. 20 zich een tapijthandelaar bevond[22].


 

[1] SAA, SR 237, f° 179 r° - 180 r°.

[2] SAA, SR 360, f° 649 v° - 656 v°; SR 382, f° 184 v° - 185 v°; GA 4833, f° 32 v°; R 2181 f° 104 r°; R 2286, 2213, 2317, 2237 en 2350, f° 2 r°. In dit laatste cohier heeft men echter nagelaten de naam van Merten vanden Eynde in te schrijven.

[3] SAA, SR 388, f° 220 v° - 222 r°; T 167, f° 41 v°.

[4] SAA, SR 409, f° 198 v° - 199 r°.

[5] SAA, SR 419, f° 217 r° - v°.

[6] SAA, SR 533, f° 227 r° - 228 r°. Vanden Berge lost op 6 februa­ri 1629 een rente van 50 carolusgulden per jaar af: SR 593, f° 91 r° - v°.

[7] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,ongefo­lieerd.

[8] SAA, SR 803, f° 39 r° - 40 r°.

[9] SAA, R 2503 : Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 153 en 154.

[10] SAA, SR 896, f° 152 r° - 153 r°. Het testament van het echt­paar Gilleberts- de Fèvre d.d. 20 november 1675 situeert hun toenmalige woonhuis in de Gratiekapelstraat: N 898, f° 211 r° - v°.

[11] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 29 v°, nr. 148 en 149.

[12] SAA, GA 4832, f° 62 r°, nr. 148 en 149; R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 148 en 149.

[13] SAA, SR 1063, f° 57 v° - 58 v°.

[14] SAA, SR 1117, f° 295 v° - 298 r°.

[15] SAA, SR 1117, f° 384 v° - 385 v°.

[16] SAA, SR 1134, f° 365 v° - 366 v°.

[17] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 29, nr. 109; N 1269, ongefolieerd, akte nr. 12.

[18] SAA, SR 1284, f° 349 v° - 353 v°.

[19] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2453.

[20] SAA, SR 1287, f° 290 v° - 294 r°.

[21] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2452.

[22] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 18 en 20).