De Roode Schild, Oude Koornmarkt 14-16

1. Roode Schild, Oude Koornmarkt 14-20 tot 1550
2. Roode Schild, Oude Koornmarkt 14-16 vanaf 1550

Terug naar het overzicht van de huizen

1. De Roode Schild in zijn grootste omvang: Oude Koornmarkt 14-20 (tot 1550)

 

Onder alle herbergen met de naam ‘Schilt’ in de zestiende eeuw was den Roode Schild wel de meest vermaarde. In het Mandement van Bacchus wordt hij zelfs opgenomen bij de 18 betere wijn­kroegen (Verhuyck 1987, 70-71). In de veertiende eeuw werd er waarschijnlijk in het huis al herberg gehou­den. De Onze-Lieve-Vrouwen-ommegang hield er tijdens haar jaarlijkse processie altijd even halt, net als voor Spaengien op de Grote Markt en De Swaen in de Hoog­straat, beide even goed gelegen en beide herberg[1]. Noteren we echter wel dat tot de zeventiende eeuw het pand veel groter was dan het huidige complex dat men nu onder de huisnummers 14 en 16 aantreft.

 

In een akte van 1397 over een buurpand in eigendom van heer Jan van Sompeken is er sprake van een pand met de naam ‘De Roeden Scilt’[2]. Of het min of meer te vereenzelvigen valt met het huidige pand, is zeer de vraag, en uit het verhaal wat volgt zal blijken dat De Roode Schild als benaming mogelijk een beetje versprongen is, gezien een hele reeks aankopen en verkopen en herverkavelingen door de opeenvolgende eigenaars. Op 27 januari 1419 n.s. worden de Roode Schild en de Baers in de Hoogstraat (nr. 7-9) gedaagd door Claus Colenzone, Peter Reyniers en Jan Bosschaerde.  Men beschrijft de Rooden Schild als 'huysinge' voorzien van een hof en een plaats. In febru­a­ri 1430 n.s. laat Peter Reynaert de Roode Schild en de Baers dagen als zijn exclusieve eigendom.  De beschrij­ving van de Roode Schild maakt al duide­lijk dat één van de ingangen van de nu schilderachtige Vlaai­kesgang hier al kon aangetrof­fen worden: ‘... huysi[n]ge mette[n] plaetse stalle gronde en[de] tott[en] vryiheit die totte[n] selve[n] huyse behoort [ende] tot een­e[n] halve borneputte tott[en] poirte en[de] doe[r]ganc en[de] met alle datt[er] toebehoert...’.  Ook in de Hoog­straat, aan de Baers, was er een ingang. Op 26 juni 1443 verklaart Peter Coevoet dat zijn zwager Jan vanden Lare (vanden Laer), hem heeft voldaan inzake een erfenis en inzake de huur die hij hem tot kerstavond nog moest op de Roode Schild. Peter behoudt de helft van de huisraad in de Roode Schild. Peter zal ook nog het nodige doen op verzoek van Jan of diens kinderen, voor het leenhof om de zaak af te ronden[3]. Op 1 april 1448 verkopen de kinderen van meester Joes vander Tanerien, n.l. Willem, Anthonys en Johanna (gehuwd met Colaerd du Bosquel) aan Jan vanden Laere een erfrente van 20 gulden Peters per jaar op een stal met plaats, gronden en toebehoorten, gestaan achter de herberg de Roode Schild tussen Michiel Kiekens en de kinderen van der Elst.  Achteraan paalt nog een andere stal van de Roode Schild ‘...diemen heet Alsteens...’, een ondubbelzinnige verwijzing naar de vroegere eigenaar van de Baers. Noch diezelfde dag verklaart Jan vanden Laere dat hij twee stallen, gesitueerd achter de Gulden Schilt (Hoogstraat), op basis van een overeenkomst die hij op 12 juni 1447 met Joes vander Tanerien heeft afgesloten, niet langer dan nog 6 jaar zal gebruiken. In een akte van 5 november 1448 verkoopt Jan vanden Lare, bijgenaamd ‘inden Rooden Schilt’ een rente ‘... op zijn stallinge metten plaetse....’ gesitueerd achter de herberg de Roode Schild tussen Michiel Kiekens en de kinderen vander Elst, aanpalende achteraan aan de stal vande Roode Schild die men Alsteens heet, zoals hij die vroeger van Joes vander Tanerien verkregen heeft.  Jan hypothekeert ook nog zijn eigendom de Baers op de Hoogstraat[4]. Merkwaardig is echter dat op 27 augustus 1450 ene Jan van Vordeel alias van Ghendt een daging doet uitvoeren op de stallen achter de herberg de Roode Schild en gesitueerd tussen Michiel Kiekens en de kinderen vander Elst.  Men meldt ons dat ook Willem Douwe dergelijk beslag had doen leggen. Is dit een eerste teken van de financiële problemen van Jan vanden Lare[5]?

 

Onze Jan vanden Lare was duidelijk de waard in de Roode Schild  Hij komt in diverse akten voor o.a. als hij op 25 mei 1449 een zekere Janne Coninxter, Keuls burger, voor het niet geringe bedrag van 200 gouden ‘oudlandsche’ Rijnse guldens debiteert.  Dat de herberg een belangrijke rol speelde in transacties tussen Duitse kooplui blijkt o.m. uit een akte van 14 april 1448 wanneer Peter Smit, een koopman uit Neurenberg, belooft dat hij in de Roode Schild de koopman Andries Meyer uit Memmingen 51 pond groten zal komen betalen tijdens de Brugse markt. Op 9 februari 1449 o.s. (= 1450) geeft  Jan vande Lare aan schepen Willem Douwe ‘eenen stal metter plaets...’, gestaan achter de herberg en gesitueerd tussen Michiel Kiekens en Willem Douwe en komende aan de stal van de Roode Schild.  Hij zou die stal van Joos vander Tanerien, eigenaar van de Grooten Gulden Schilt aan de Hoogstraat verworven hebben.  Willem Douwe zal onmiddellijk deze stal terug aan Jan vande Lare verhuren en wel voor een termijn van 6 jaar.  De akte laat Willem Douwe wel toe verbouwingen aan die stal door te voeren waarbij Jan vande Lare korting zou krijgen als de stal verkleind zou worden[6].

 

Op 30 juni 1451 verkoopt de Keulenaar Ghoessem vanden Strale in opdracht van Peter Coevoet, zoon van Peter, aan Claus Rokoch ‘... de huyse en[de] herberge geheeten den Rooden Schilt met alle hu[r]en toebehoort[en] mette[n]stalle borneputte duergange en[de] metten camerken van wilen adryaen broedeloos gestaen aende core[n]merct...’ gesitueerd tussen het huis de Ezel en het erf dat vroeger van Matheeus Peters was.  De stal van de Roode Schilt paalt achteraan aan aan de stal van de Ezel en aan de stal van Wille Douwe.  De koper betaalt 96 pond gr. Brabants.  

 

Gedurende die periode was Jan vande Lare, zoals gezegd, eigenaar van de Grote en de Kleine Baers, nog steeds herbergier van de Roode Schild.  Hij verkoopt aan Rokoch en diens echtgenote op 25 augustus 1452 ‘thoeck huysken geheeten trubbeken metten stalleken d[aer] aen hangende en[de] de camer opgaende, boven tpoortken daermen vand[en] baerse gaet tot inden roeden schilt streckende aenden muer vanden cleinen baers achter, gestaen achter aende plaetse vanden groten baers, tusschen de gemeinen ganck ex u[n]a en[de] dachter came[r] vand[en] groten baerse diemen heet pattelioens came[r] boven den putte die gemeen is Jan van Urssele ex u[n]a [sic!] comende zuytw[aer]t aen Jan van Ursele erve, ende die.so blijft den groten baers behouden synen vrien doerganck doer tpoertken en[de] totten putte voirs. tot welken putte de roede schilt negeen gesach en heeft...’.  Maar deze transaktie verhinderde niet dat Jan vande Lare financiële problemen bleef hebben.  Zo lezen we in een schepenbrief van 17 oktober 1452 dat hij een bestelling Rijnwijn niet kon afnemen van de koopman Harmann van Broechuyse en dat diens Keulse stadsgenoot die voorraad wijn mee voor hem zal verkopen.  Uiteindelijk verkoopt Jan vande Lare ook zijn twee huizen met plaatsen, poort en uitgang, de Grote en de Kleine Baers, Hoogstraat 7-9 op 30 januari 1452 (1453) aan Claus Rokoch.  Deze had via zijn, blijkbaar ook niet onbemiddelde echtgenote, Magriete sBrockers op 5 oktober 1452 van Willem vander Tanerien een huis met plaats en stal achter de Gulden Schild in de Hoogstraat gekocht[7].

 

Zeker vanaf  1453 was de afspanning eigendom van Claus Rokoch ofwel Rockox, die er waard was en ook optrad als tussenpersoon voor vreemde kooplieden (Geudens 1902-1913, vol. 1, 78;  De Lattin 1940-1955, vol. 4, 198)[8]. Op 26 januari van dat jaar koopt hij van Willem Douwe, sche­pen, ‘ Eenen stal met eenen plaetskene daer vore ane liggen­de’ gelegen achter de Roode Schild[9]. Wanneer zijn zoon Jan Rockox op 20 juni 1474 van zijn vader erft blijkt dat daar, zoals gezegd, ook de twee huizen de Grooten Baers en de Cleynen Baers en bijgevolg de doorsteek naar de Hoogstraat bijhoren[10]. Jan Rockox zet het bedrijf voort als waard en makelaar. Terloops krijgt hij het ook nog aan de stok over het gebruik van een weerdrib­be of toilet met een ander zwaarge­wicht, Reinier van Urssel, eigenaar van de Wijngaert, nu te situeren op het nummer 11 in de Hoogstraat. Op 30 september 1477 verkoopt de weduwe van Jan, Cornelia Spernagels, de helft van de Roode Schilt met de uitgang naast de Baers in de Hoogstraat aan de Bruggeling Jan vanden Abeele[11].  Een andere eigenaar al zeker vanaf 1479 was ene Claus Boudens, dokter in de medicijnen, maar de Roode Schild bleef wel herberg, waarbij de waard waarschijnlijk niet de eigenaar was. In 1494 vermeldt men ene Herman Bre­tert alias van Nassouwen als waard. Maar in 1504 en ook in 1510 was Marcelis vander Beke of Verbeke eigenaar-waard. De beschrijving van de Roode Schild luidt dan: ‘Een herberge met huisingen stallingen...’[12]. Noteren we dat de herberg in die periode het decor vormde van verhandelingen tussen houthandelaars, o.m. uit Danzig (Doehaerd 1962-1963, vol. 3, 44, nr. 2423).

 

Volgens een akte d.d. 11 april 1524 verkopen de kerkmeesters van de O.-L.-Vrouwekerk en van St. Jacob en vertegenwoordigers van de ‘huysarmen’ (daklozen) de Roode Schild aan Silvester van Hoddick, Wie­ricxsone. Bovengenoemde notabelen hadden het pand via het testament van Marcelis Verbeke en Lysbette Shertogen verwor­ven. Silvester gebruikt zijn huis de Grooten Ezel als onderpand, een huis dat hij in 1513 van Lysbette Shertogen, toen al weduwe van Marcelis Verbeke, had gekocht[13].

 

Op 5 mei 1534 verkopen de kinderen en directe verwanten van Silvester van Hoddick aan Michiel Poylle en Barbara Wyffliets, de helft van de Roode Schild: ‘... Een huysinge metter poorten stallingen sesse packhuy­sen stoven met drie woonhuysen vore ane tstrate daer af deene van drye tpoorthuys is kelders ende onder gan­ge...’, gesitueerd tussen de Lelie (het huidige nummer 22) en den Ackerman (het huidige nummer 12). De eerste helft had Barbara door haar eerste huwelijk met van Hoddick[14]. Men schatte dat waarschijnlijk het hele huis toen een erfrente van 152 pond gr. Brabants waard was. Een beter bewijs voor de omvang en het belang van de toenma­li­ge eigendom kan men nauwe­lijks vinden. Op 7 april 1542 n.s. verkoopt Barbele Wyffliets zonder haar man, ‘...mits dat zy van Michiele Poylle hueren manne metten geestelycken hove gedivorceert is...’, aan Mees­ter Jan Brouw­aert voor 155 pond erfelijk het pand waarvan deze keer het aantal stoven wordt gespecifieerd: het waren er twee. Jan Brouwaert verkoopt al terug op 26 april 1543 aan Jan de Res­paigne of Respaille die zich reeds op 24 december 1549 er al van ontdoen ten voordele van Jan van Schooten en Johanna Claessens en Willem vander Hoffstadt alias Boel en Katlyne Claessens. De beschrijving luidt: ‘...Een huysinge metter poorten, stallinghen, packhuysen, met eender stoven, met drye woonhuysen voer aen strate gestaen, ende waeraff deen vanden dryen  tpoorthuys is, met kelders gange, gronde ende allen den toebehoirten...’, gesitueerd tussen de Lelie en de Ackerman. Noteren we dat de comparanten een huis gelegen achter op de plaats van de Grote Baers voor zichzelf behouden. Dat huis had zijn uitgang via de gang en de poort van de Roode Schild en dit werd in de akte zeer strikt vastgelegd.Rigide zijn echter de bepalingen wat het gebruik van de uitgang betreft. Het afgesplitste huis werd uiteindelijk verenigd met de Groot­e Baers in de Hoogstraat die ook eigendom was van de Respaig­nes[15].

 

Op 17 juli 1550 gaven bovengenoemde kopers in erfelijk recht aan Dierick van Erpe, zeemleerverkoper en Jacomyne Claessens: ‘... Een huys dwelck twee wooningen is, metten toegange ende gebruycke vanden borneputte gestaen op de voers. erfgeveren ande[r] erve die sy aldaer noch behoudende blyven...’, gesitu­eerd tussen de Witte Lelie en de poort van de Roode Schild die de erfgevers blijven behouden. Dit is niets meer of minder dan de geboorteakte van een aparte eigendom die men de Gulden Bock zal noemen (Oude Koornmarkt 18 en 20) [16].

2. De Roode Schild 14-16: van herberg tot toegang van een beluik

 

Jan van Schooten, koopman en kerkmeester van de O.-L.-Vrouwe kerk, Johanna Claessens en Willem vander Hoffstadt, ook koop­man, verkopen op 21 oktober 1560 aan nog een andere koopman, Jan van Tricht de Jonge, en diens echtgenote Jasparyne vande Wyngaerde wat was overgebleven van de Roode Schild: ‘... Een huys metter poor­ten stallinge packhuyse met eender stove, met een[re] woonhuy­se dat het poorthuys is met kelders gange...’. Op 15 novem­ber daaropvolgend verhuren ze het huis voor 600 gulden per jaar en dat gedurende acht jaar aan Peeter Doserie en Anna Denys. Deze huurders bewonen in het beste geval slechts een gedeelte want zij ontvangen de huur van de huidige huurders vanaf half maart 1561 met uitzondering van het huurgeld te betalen door een zekere Margriete Verley, weduwe van Jan du Brey, bijgenaamd ‘Lecker Beetken’ die in het complex ‘... een huys met neercame[r] plaetse borneputte...’ huurde voor 40 gulden per jaar en die rechtstreeks aan de eigenaars blijft betalen [17].

 

Op 15 januari 1562 gaat er nog een stukje van de Roode Schild af als Jan van Tricht en zijn echtgenote aan de eige­naars van de Grooten Gulden Schild in de Hoogstraat verko­pen: ‘... drie stal­lingen oft wooninghen metten geheelen muer recht oppe soo breet deselve drie woonin­gen zyn, neffens de gange oft plaetse van huerlie­den huyse geheeten den Rooden Schilt opde oude coren­merct alh[ier] gestaen daer zy erfgever[e]n de voors. drie stal­lingen oft wooningen nu aff vercoopende en[de] splytende zyn gelyck zy malcanderen dat bewesen hebben met oick tgebruyck vanden vrynen deurgange vanden selven stallingen deur eene deure oft poorte die de voirs erfnemeren daer selen mogen maken ende hebben tallen dagen over den gange ende plaetse vander voirs. huyse vanden rooden schilt voer deur de poorte vander zelve huyse te strate waerts vuyte op te oude coren­merckt voirsomme daer vuyte ende inne te gane ende oick met sledden, cordenwa­genen, rollenwage­nen ende perden te ryden ende te varen ende dat tusschen den twee poortdoeren ende anderssints nyet...’[18]. Eigenaars en bewoners van de Grooten Gulden Schild hadden dus ook rechten om via de Rooden Schild naar de Oude Koornmarkt te gaan en deze rechten vindt men in alle volgende akten van de Grooten Gulden Schild terug.

 

De cohieren van de periode 1577 - 1586 geven ons een beeld van een vrij complexe situatie. Gezien van de Hoogstraat af kende men twee Roode Schilden met verschillende eigenaars en bewo­ners. Naast de Ackerman situeerde zich ‘Den Rooden Schilt’, de feitelijke herberg, het pand dat wij hier ter sprake moeten brengen. De huurwaarde bedroeg 200 gulden en men gaf daar als verklaring bij: ‘midts dien een deel van[den] erven achter vercocht is aen som[m]ige proprietarissen inde hoochstraete’. In 1577 was de herbergier Jan de la Mage zowel eigenaar als gebruiker. Deze moet in feite de derde man van Jasparyne vanden Wyngaerde geweest zijn en we zien hem samen met zijn echtgenote in 1577 en 1580 optreden i.v.m. servituden t.o.v. buurpanden[19]. Op 4 januari 1582 n.s. verkoopt Kaerle van Hulsdonck, zoon van Jasparyne vande Wyngaerde (en haar eerste man?) aan de Hene­gouwse koopman Nic(o)laes (le) Becqu: ‘Eene huysinge genaempt den Rooden Schilt met poorte, voorhuyse, plaetse halven borneputte opte selve plaetse, stove, ceucken, cameren, sale achterhuyse oic met ceuckene, comptoire, neercamer plaetse borneputte regenbacke packhuyse groote stallinge, kelderen, oppercameren gronde en[de] allen den toebehoorten...’, gesitueerd tussen de Grooten Roode Schild (de Gulden Bock) en de Ackerman[20]. Becqu was bewoner van delen van het pand maar de her­berg werd uitge­baat eerst door Karel van Huls­donck, daarna, mogelijk vanaf 1584 door Herman Matthyssen. Deze stond in het St. Martens­gilde ingeschreven als Rijnse wijnta­vernier, en het was dan ook Rijnse wijn dat de gedepu­teerden en ambassadeurs van de hertog van Parma te drinken kregen in december 1586, toen ze zijn herberg aande­den. Herman Matthys­sen was toen sinds janua­ri deken van het St. Martens­gilde.  ‘Een cleyn huysken aen de Groote Poort’ van de Rooden Schilt was voorzien van een kelderdeur van 3 voet diep waarop 7 groten aan de stad diende betaald te worden[21]. Op 24 maart 1593 verwerft Niclaes le Becqu er de Gulden Bock bij maar hij verkoopt deze alweer op 4 oktober 1595. De amman doet volgens een akte van 27 februari 1620 de Roode Schilt van de hand voor 485 car. g. erfelijk aan de ge­broeders Peeter en Cornelis de Schot. Walra­ven Hack calengiert echter de koop. Het pand wordt gesitueerd tussen enerzijds de Grooten Rooden Schilt of beter de Gulden Bock en anderzijds den Acker­man, ‘... comen[de] achter eens­deels aen[den] huyse ende erve toebeh[o­rende] Cornelis de Schot geh[eeten] den Baers en[de] eensdeels aen[den] huyse [ende] erve genaemt den gulden schilt inde hoochstraet gestaen hier aff gespleten...’[22].

 

Wij kennen ook nog een paar bewoners uit de periode rond 1621: Jan Kemp, later deken van de lijndraaiers, en Marie Oeyens woonden toen in het poorthuis of winkeltje.  Ze waren toen resp. 23 en 28 jaar oud.  In 1643 getuigen ze hoe via die poort rolwagens naar het pakhuis van de Gulden Schild op de Hoogstraat reden[23]. In 1643 werd hun vroegere woning bewoond door de lijndraaier Jan de Tempel terwijl in de gang de weduwe van Jacob Trouche zou gewoond hebben. In 1637 heeft Agneta Vettiens gediend als wroedvrouw in de gang van de Rooden Schild[24].

 

De eigenlijke eigenaar was dus Walraven Hack, gehuwd met Maria Berten. Zij waren ook eigenaars van de al eerder genoemde Grooten Gulden Schilt, Hoogstraat 15. Het is dan ook niet onmogelijk dat zij binnen hun eigendommen enkele grenzen verlegd hebben. Hun zoon Peeter Hack, Heer van Hooger­heyden, ver­koopt op 5 juni 1636 het pand aan zijn buur­man notaris Louis vanden Berghe, eige­naar van de Gulden Boeck.  Citeren we uit de beschrijving: ‘Een[en] huyse genaempt den rood[en] schilt met poort voorhuy­se plaetse halve[n] borne­putte opt selven plaetse stove coec­kene, camer, saele, achter­huyse oock met coeckene comptoire neercamere plaetse borneput­te regen­backe packhuyse hove groote stallingen kelderen opper­cameren gronde [ende] alle syne toebehoirten...’[25]. Dit alles schijnt erop te wijzen dat we nog steeds met een volledig uitgeruste herberg te maken heb­ben. De achterzijde wordt begrenst door de panden de Baers, de Lindtworm en de Gulden Schilt in de Hoogstraat. We merken op dat notaris vande Berghe moge­lijk op zijn beurt zijn twee eigendommen heeft herverkaveld. Op 21 maart 1637 verkoopt vanden Berghe ‘seker huysken’ gestaan op het erf van de Roode Schild en aanpalend aan de Ackerman aan de eigenaar van laatstgenoemde woning: Jacob Boel. Als de notaris echter zijn geld niet ziet en vindt dat de koper het huiske ook niet onderhoudt komt het tot een proces. Boel laat zich echter niet op de kop zitten en zegt dat in de koopsom de overname van een rente was inbegrepen wat door de notaris ontkend wordt. Bovendien heeft de verkoper de dakbedekking en de loden goot verwijderd. De verweerder argumenteert tot slot op dat de aanlegger notaris ‘.. ende wel ter penne is...’ en het contract opzettelijk in een moei­lijke taal zou opgesteld hebben[26].

 

Op 5 april 1642 verkoopt vanden Berghe aan de koopman Wouter Bos­schaert, eigenaar van de panden de Bonte Coe en de Lint­worm, resp. Hoog­straat 21 en 23, ‘... Eene groote achterhuy­singe eertyts eene stal­linge geweest hebbende, metten cleynen stalle oft huyskene ende plaetse, hem bestrec­kende ende com­mende tot op thien voeten naer binnen smuers aldaer te trecken (in gevolge vanden accorde tusschen partyen gemaect) aende huysin­gen die den voors. vercooper alnoch behoudende blyft, ende waervan dese vs. v[er]cochten huysingen ende plaetse op nu gespleten wor­den...’.  Het verkochte wordt gesitueerd achter de Roode Schilt, tussen de Cluyse en de eigendommen van Wouter Bos­schaert en van de weduwe van Michiel Verhagen (d.i. de eige­naar van het Gulden Schilt)[27]. De nu zwaar geamputeerde Roode Schild bestond eigenlijk uit verschillende woningen van ongelijke kwaliteit die allemaal verhuurd werden[28].

 

Zo liet op 10 november 1648 Elisabeth Boelaerts, echtgenote van Dionys Freysers haar testament in haar woning in de Rooden Schilt opmaken[29].  In het cohier van 1659 [30] vinden we:

 

Huurders

Waarde

Schouwen

Jaspar Struys

Antonet Lepela

Denys Freyseres

Peeter Leydecker

Jan Persoons

                72 g.

                30 g.

                30 g.

    120 g.

                30 g.

                2

                1

                1

                4

                1

 

Het cohier van 1667 geeft een ander beeld[31]:

Naam huurders

huurwaarde

Jan de Tempel

Franchoys Struys

Peeter Leydecker

Jenne Franchois Derieu

'Noch 3 à 4 onder de dertich'

 72 g.

 60 g.

120 g.

 30 g.

>30 g. (3 of 4)

 

Op 11 maart 1667 verkopen de kinderen van Louis vanden Berghe de Gulden Boeck en op 10 mei 1667 volgt de Roode Schild. Koper is de koopman Cornelis Gallé die zijn eigendom nog dezelfde dag hypothekeert voor 437 Car. g. erfelijk, d.i. bijna 7000 gulden. De beschrijving bevestigt het beeld dat we hebben gekregen op basis van de cohieren dat we i.p.v. met een herberg nu eerder met soort beluik te maken hebben: ‘eene huysinge genaemt den Rooden Schilt met poorte voorhuyse aende straete met vloere ceuckene neercamere bovencamere loopende boven de poorte soldere keldere gemeynen gange plaetse gemeyne pompe opde selve plaetse met dry huysen staende opde rechte handt int innecommen vanden gange ende plaetse elck hebbende ceuckene bovencamer ende solder, Item... noch een huys staende opde slincke hand int innecomen vanden gange ende plaetse hebbende ceuckene met eene aparte pompe inde selve ceuckene neercamers aparte plaetse twee bovencamers solder kelders, Item teynden de selve plaetse noch een huys staende neffens den trap met ceuckene camer ende solder, Item boven den voors. trap twee camers ende eenen solder apart verhuert wordende ende achter de voorverhaelde huysen noch eene groote huysinge hebbende twee ceuckenen twee neercamers ende twee plaetsen met pompen van put ende regenwater diversche bovencamers solders kelders twee weerdribben gronde ende allen den anderen toebe­hoirten...’[32]. Notaris vanden Berghe wist wel hoe hij met immobiliën moest omspringen!

 

In 1672 zijn er volgende huurders[33]:

 

volgnr

Beschrijving

Huurder

huur

146

147

148

gang

149

150

151

152

Rooden Schilt achter

Daerneffens

Daerneffens

 

Boven wooninghe

Daernaest

Daernaest

Daernaest

Franchoys Struys

De Wed Philips Creuce

Jacques de Wilde

 

Jan Sterck

Jan vanden Berch

Guilliam Pauwels

Wouter van[den] Hiel

60 g.

120 g.

24 g.

 

12 g.

24 g.

24 g.

24 g.

 

 

Op 15 juli 1680 verdelen de erfgenamen van Cornelis Gallé en Franchoise Nys wat hen was toegekomen, wat niet weinig was. Margareta Muytincx, de weduwe van Cornelis Gallé junior, wordt de nieuwe eigenares van het gehele pand[34].

 

 

Wat betreft de bewoners zetten we de cohieren van 1682 en rond 1700 naast elkaar[35]:
 

volgnr

Huurder 1682

Huurders 1689-1704

1704 (GA 4832)

1708 (R 2516)

huur

142

De Wed. Sants, Cecilia le Fevre

Cecilia Le Fevre

Cecilia Le Fevre

Peeter de Jonge

 60 g.

143

Wed. Frans Struys,  Dillis vander boute­ren         

Dillis vander Bouten, Maria Struys

Dilis vander Bouteren

Wed. Dilis vander Bouteren

60 g.

144

Philips Treusse

Floris Scharlaken en Francis Mees, Geerart Scherff, Carolus Beken, Willem Ambroos

Floris Scharlaken en Franchois Mees

Willem Abroos

120 g.

144/2       

 

Geraert Scherf

 

Geraert Scherf

(incl)

145

Floris Scharlaken

Floris Scharlaken

 

Maria Cesor

 24 g.

146

Jan Meis, François Meeus

Franchois Mees

Jacob Janssens

Jacob Janssens

 24 g.

147

Jeronimus Lissens

Jeronimus vander Rest

Jeronimus Lissens

Jeronimus Lissens

Jeronimus Lissens

 24 g.

147/2

 

Jan Mees

Jan Mees

Jan Mees

 24 g.

 

(Het nr. 144 was in 1682 nog niet opgesplitst, rond 1700 wordt de huur door de twee bewoners tesamen betaald)

 

Margareta Muytinckx had zich inmiddels aan een man van aan­zien weten te koppelen n.l. burgemeester Meester Theodorus Andreas van Kessel. Na zijn overlijden had ze af te rekenen met zijn vier kinderen uit zijn eerste huwelijk met Anna Catherina Rediqueer en het zijn deze kinderen die op 23 maart 1696 de nieuwe eigenaars van de Rooden Schild worden. Op 18 augustus van dat jaar doen zij afstand van deze eigendom ten voordele van Vrouwe Margareta Muytinckx[36]. Volgens haar testament van 29 december 1696 belandde de Rooden Schilt vervolgens in de handen van Anna Maria Muytinckx die getrouwd was met Jan François Verlinden. Hun eigendommen worden op 29 januari 1731 onder de erfgenamen verdeeld en de nieuwe eigenares wordt Catherina Francisca Verlinden[37].

 

Bij het bekijken van de volkstelling van 1754 meen ik twee rubrieken te kunnen onderscheiden:

1) Er is een pand dat bewoond wordt door verversknecht Peeter van Heurck, samen met zijn vrouw en zijn twee dochtertjes van resp. een half en twee jaar oud. ‘Op de camer’ woonde een peltiersknecht, een timmermansknecht en een saaikammer.

2) Zeer lakoniek vinden we: ‘Ganck opde oude coremerct’, bewoond door 21 volwassenen en 17 kinderen ‘alle gemeyn lie­den’[38].

 

Dat dergelijk pand niet zoveel waarde meer had blijkt uit de verkoop door de erfgenamen Verlinden volgens akte d.d. 23 juli 1762 waarbij Arnoldus Cattie, gehuwd met Helena Josepha Ste­vens voor slechts 2421 gulden de Rooden Schilt verwerft[39]. De prestigieuze herberg van weleer was dus duidelijk geëvolueerd naar een ordinaire huisjesmelkerij waar de eigenaars zeker niet zouden gaan wonen. Na de dood van zijn echt­genote weet Arnoldus Cattie volgens akte van 28 juni 1779 de Rooden Schilt voor zichzelf te behouden[40]. Zijn zoon Paulus Josephus, mees­ter wasmaker, en zijn dochter Constantia Petronella, krijgen er op 19 april 1788 5751 gulden voor van Adrianus Mortelmans en Cornelia Biemans die eerder gehuwd was met Nicolaus Jo­rens en in de Griffoen in de Hoogstraat 37 woonden[41]. In 1795 wordt het pand gedeeltelijk onder arrest ge­plaatst omdat Cornelius Jorens, de zoon van Cornelia uit haar eerste huwelijk, in slechte papieren komt. Eén en ander wordt snel geregeld en op 14 juni 1797 verkoopt Adrianus Mortelmans, weduwnaar geworden, de Rooden Schilt voor 5600 gulden aan Adrianus Kinschot en Joanna Rom[42].

 

In 1898 bevond er zich aan de voorkant, in het smalle pandje op de Oude Koornmarkt 14, een schoenwinkel.  Via de poort, gesitueerd Oude Koornmarkt, ging men via een gang naar een limonadefabriek[43].

 


 

[1] Enkel vermelding in SAA, SR 1, f° 185 v° uit 1397. Zie ook: Antwerpsch Archievenblad, vol. 26, pp. 429-432.

[2] SAA, SR 1, f° 185 v°.

[3] SAA, V 1981, f° 19 v° en f° 72 r° en SR 32, f° 322 r°. Jan vanden Lare was gehuwd met Lysbette Coevoet. Die had nog een zuster, Barbele, en vermoedelijk gaat het over haar erfenis.

[4] SAA, SR 39, f  258 v°; SR 40, f° 69 v°; f° 511 r°. Noteren we dat Jan van Lare al op 23 maart 1446 (1447) 'inde Rooden Schilt' wordt genoemd.

[5] SAA, SR 43, f° 197 v°.

[6] SAA, SR 40, f° 18 v°; f° 31 v°; f° 188 v° (hierbij is hij betrokken in een transaktie rond een pleyte (schip)); SR 41, f° 372 v°; f° 424 r° - v°; f° 427 v°.  Willem Douwe betaalt af op 17 oktober 1450: SR 43, f° 361 v°.

[7] SAA, SR 44, f° 23 r°; SR 45, f° 508 r°, 509 r°, 515 r° en 529 v°.

[8] Deze Claus Roecroc, zoals hij ook wel in akten voorkomt, was de overgrootvader van de bekende Niklaas Rockox, de Antwerpse burgemeester en vriend van Rubens. Dat Claus ook als bemiddelaar optrad blijkt ondermeer in SAA, SR 48, f° 132 v°, in een akte van 27/01/1454 o.s.: ‘Andries Zadele[re] coopman van cousens mechtichde Clause Rockoch sine[n] weert inden Rooden Schilt en[de] Janne Clap al[ias] luycx en[de] elken bisunde[rlyck], om[m]e van sinen weghen, te vervolgene mett[er] minnen of metten recht; alsulken scult ende gebreke als hy met s[ynen] geselscape tachte[r] en[de] in gebreke is, aen Vrancken Scoede borge[r] van coelne,...’.

[9]  SAA, SR 46, f° 389 r°.

[10] SAA, SR 85, f° 38 v° - 39 r°.

[11] SAA, SR 92, f° 122 v°.  Het betrof al haar rechten wat er mogelijk op wijst dat er kinderen of andere erfgenamen waren die de andere helft bezaten..

[12] Antwerpsch Archievenblad, vol. 20, 373; SAA, SR 95, f° 78 r° - 79 r° (waaruit blijkt dat Claus Boudens de Rooden Schilt bezat en bewoonde); SR 105, f° 85 r°; SR 125, f° 71 v°; SR 138, f° 211 r°.

[13]  SAA, SR 166, f° 248 r° - v°. We hebben de akte waarbij Marce­lis Verbeke de Rooden Schild verwerft niet gevonden. We kennen wel een Marcelis vander Beke die huizen op de Oude Koornmarkt (onpare huisnummers) ver­koopt in 1490 en rond 1503: SR 97, f° 68 r° - v°: hier gaat het over een ‘coren­cooper', en SR 124, f° 166 r° - v°.

[14] SAA, SR 185, f° 12 r° - 13 r°.

[15]  SAA, SR 205, f° 179 r° - v°; SR 211, f° 126 r°; SR 233, f° 90 r° - 92 v°.’ ... Is noch voerwaerde ende in deser voirs. erfgevinge byde voirs. erfgevers expresselyck gecaveert ende ondersproken dat de selve erfgevers ende heur huysgesin ende oick heure nacome­linghen teynden vanden voirs. sintjansmisse in twee jaren naestcomen[de] selen hebben ende ten eeuwighen daghen blyven behouden heuren vryen vuytganck en[de] inneganck over ende deur derve ende plaetse vander voirs. huysingen geheeten den Rooden schilt voer ter straten waerts opte ouden Core[n]merct aldaer vuytcomen[de] sonder Iet [daer]aff te geven[e] of te betalene, Ende dat deur doude deure ende den ouden ganck daermen van oudts deur te gane plach ende dat met eender dueren bynnen en[de] ter erven waerts vander voirs. huysingen geheeten den Rooden Schilt ter slincker zyden waerts aldaer opengaen[de] wydt wesen[de] de selve deure bynnen smuers metten Rabbatte [dit is een deurstijl, sponning, lijst ID] vyff voeten ende hooge acht voeten, Ende dit al sdaeghs tusschen den twee poortclocken van deser stadt des morgens ende des avonts geluydt zynde. Ende oick by nachte ende onthyde, soe wanneer tzelve van noode zal wesen, sonder enichsins hen [daer] aff vute te moegen sluyten ter saken voirs. sonder dat nochtans de voirs. erfnemers gehouden selen wesen den voirs. erfgevers enninghen sleutel vander voerpoer­ten te durven geven, Ten waere dat den voirs. efgevers oft heuren nacomelingen e[n]nich notoirlyck belet oft stoornisse int vuyt ende innegaen vanden voirs. gange ter voirs. voer­poirten vuytgaende, byden voirs. erffnemers heuren huysgesinne ofte heurlingen, aengedaen werde, in welcken gevalle (ende anders oick nyet) de voirs. erfnemers et sui alsdan gehouden ende schuldich selen wesen den voirs. erfgevere et suis den sleutel, vander voers. voerpoerten te moeten laten volgen...’.

[16]  SAA, SR 237, f° 179 r° - 180 r°.

[17] SAA, SR 280, f° 266 r° - 268 r ° en f° 303 v° - 304 v°.

[18] SAA, SR 291, f° 59 v° - 61 r°.

[19] SAA, SR 349, f° 33 r°; SR 361, f° 486 r° - v°; R 2181, f° 104 r°.

[20] SAA, SR 363, f° 170 v° - 171 v°.

[21] SAA, GA 4833, f° 32 v°; R 2181 f° 104 r°; R 2286 en 2213, f° 1 v°; R 2317, 2237 en 2350, f° 2 r°; T 524 bis en ter; T 167, f° 41 v°.

[22] SAA, SR 409, f° 198 v° - 199 r°; SR 419, f° 217 r° - v°; SR 546, f° 12 r° - 13 v°.

[23] SAA, N 3761 (1643), f° 161 r° - v°. Er werd in die periode een schutting aangebracht dat achter de Roode Schild begon en dat doorliep tot aan de grote stal van de Roode Schild.

[24] SAA, N 3778, f° 68 r°.

[25] SAA, SR 635, f° 75 r° - 76 r°.

[26] SAA, Processen Supplement, nr. 5318.

[27] SAA, SR 670, f° 324 r° - 325 r°.

[28] Zo liet op 10 november 1648 Elisabeth Boelaerts, echtgenote van Dionys Freysers haar testament in haar woning in de Rooden Schilt opmaken (SAA, N. 3765, f° 137 r° - v°). Aan het feit dat zij niet kan schrijven en aan de zeer kleine legaten voor haar naaste familieleden en vrienden zien we dat ze zeker niet tot de betere klasse moet gerekend worden. De verschillende cohieren van de belastingen uit 1659 en 1667 (R 2502 en 2503) geven duidelijk aan dat er steeds minstens een vijftal afzonderlijke entiteiten verhuurd werden.

[29] SAA, N 3765, f° 137 r° - v°. Aan het feit dat zij niet kan schrijven en aan de zeer kleine legaten voor haar naaste familieleden en vrienden zien we dat ze zeker niet tot de betere klasse moet gerekend worden.

[30] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd.

[31] SAA, R 2503 : Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[32] SAA, SR 807, f° 38 v° - 39 r°. (= rentenbrief, de eigenlijke verkoopakte werd niet gevonden).

[33] SAA, GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 146-152.

[34] SAA, SR 885, f° 115 r° - 116 v°.

[35] SAA, GA.4831 : Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 29 r°; GA 4832, f° 61 v°, nrs. 142 tot 147 1/2; R 2516, ongefolieerd, eerste wijk, tweede kapitein.

[36] SAA, SR 973, f° 2 r° - 9 v° en  54 v° - 55 v°.

[37] SAA, SR 1106, f° 288 r° - 290 r°.

[38] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 27, nr. 107 - 108.

[39] SAA, SR 1216, f° 75 v° - 77 r°.

[40] SAA, SR 1266, f° 287 r° - 289 r°. Merkwaardig bij het reci­procque testa­ment van het echtpaar Cattie- Stevens is het expliciete verbod dat de dochters in geen geval uitbesteed mogen worden aan een religieuze orde (N 301, f° 400 r° - 407 r°).

[41] SAA, SR 1297, f° 252 v° - 255 r°.  Nicolaus Jorens en Adrianus Mortelmans handelden in de Grifoen resp. in katoen en pluimen.

[42] SAA, SR 1321, f° 170 r°; SR 1322, f° 421 v° - 422 r°; SR 1325, f° 348 r° - 349 r°.

[43] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 14 en 16).